La Croix Blanche

A vendre, staat er in groezelig witsel op de ruit van de deur gekalkt. Aan de letters hangen opgedroogde druppels; eronder in slordige cijfers een telefoonnummer. De metalen luiken voor de ramen zijn gesloten. Bovenin staat een luik halfopen en ontbreekt de ruit. Een houtduif vliegt met een strootje in zijn snavel naar binnen. Even later steekt-ie zijn kopje uit het venster, houdt hem scheef, blikt even naar links en naar rechts en fladdert weg op zoek naar nieuw nestmateriaal. Aan de overkant schuift een vrouwtje gebogen langs. Uit haar boodschappennetje steekt een stokbrood.
Het hotel, annex restaurant, staat aan een kruising in het dorp. Er komt een rood Renault-4tje aangereden, de bestuurder houdt gas in, remt, kijkt en rijdt weer door in de richting van Boussac. De wegwijzer die aan de voet van het hotel staat, geeft elf kilometer aan. Een vaalbleke donkerrode tabakskegel hangt aan de gevel. Het glas van het uithangbord met het biermerk Kronenbourg is gebarsten, eronder staat in verbleekte letters La Croix Blanche.
Binnen aan de toog staan drie mannen. Erachter schenkt iemand de lege glazen opnieuw vol. Daglicht dringt in smalle repen door de luiken naar binnen. De stoeltjes staan omgedraaid op de tafels en de biljarttafel is met een donkerbruin zeil afgedekt, een laag stof heeft zich er flink opgehoopt.
De mannen nippen gezamenlijk aan hun glazen en kijken zwijgzaam voor zich uit.
‘Kom we nemen er nog ene,’ verzucht Dominique. ‘Nog ene op de toekomst, veel zal die ons niet meer brengen, maar toch…’
Jean-Paul schudt zijn hoofd, draait zich om en kijkt naar de flessen drank die omgekeerd boven hem hangen. Ze zijn bijna allemaal leeg.
‘Zal onze tijd nog wel uitzitten, santé,’ roept Pierre uit.
Iemand rommelt aan de deurklink. De mannen draaien hun hoofden in de richting van de deur. Het grijze velours gordijn is half toegeschoven en hangt deels van de rail. Jean- Paul komt achter de toog vandaan en loopt naar de entree. Hij schuift het gordijn opzij en kijkt door de ruit. Het is mevrouw Colombier die staat te zwaaien. Hij draait de sleutel om en opent de deur.
‘Sinds wanneer ben je gesloten? Ik heb zin in een bak koffie.Kom, laat me er door.’ Ze duwt hem met haar wandelstok opzij en stommelt naar binnen. ‘Waarom staan hier de stoelen nog op tafel?’
Dominique loopt op haar af en tilt de twee stoeltjes van het tafeltje af. ‘Alsjeblieft Nadine, ga zitten, dan zet Jean-Paul je een kopje koffie.’
‘Zeg postbode van me, het is nog altijd mevrouw Colombier voor jou… En trouwens, ik krijg bijna geen post meer. Pik jíj m’n post soms in?’
‘Nee natuurlijk niet. Wij postbezorgers hebben een gelofte moeten afleggen dat we nooit en te nimmer post mogen openen of achterhouden. Dat is de eer van de postbezorger. Zelfs als we per ongeluk een brief zijn vergeten, omdat die in onze besteltas is achtergebleven, moeten we hem nog die dag in de nabestelling gooien in plaats van te wachten tot de volgende dag.’
‘Een lekker bakje koffie mevrouw Colombier, vers gezet met opgewarmde melk, zoals u het zo lekker vindt.’ Jean-Paul werpt haar een vriendelijke glimlach toe.
‘Zeg maar gerust Nadine, lieverd.’
Jean-Paul glundert. Hij weet dat hij haar bij haar voornaam mag noemen, toch speelt hij steeds het spel zoals ze het gezamenlijk spelen. Ja, die eens zo bloedmooie Nadine.

De jonge Jean-Paul liep naar buiten, de straat op. Van zijn vader moest hij een zak stokbroden halen. Ze waren er volledig doorheen. Hij stak de straat over, vlak voor de naderende zwarte Citroën Traction van de dokter die daarop van schrik de claxon inzette. Jean-Paul zwaaide en keek de glimmende limousine na. Alleen de dokter en de burgemeester hadden een automobiel en heel af en toe passeerde er een onbekende met zo’n snelheidsmonster het dorp. Even verderop zag hij Nadine staan praten met zijn vriendje Robert, haar lange zwarte haren wapperden in de wind. Maar toen hij hen naderde, liep ze heupwiegend de andere kant op en trok
Robert demonstratief met haar mee. Ze was ruim drie jaar ouder dan Jean-Paul en wilde niets meer van hem weten nadat hij drie weken geleden aan haar borsten had mogen voelen.
Ze sloegen het pad in naast het huis van haar vader, de dokter. Ze sprak opgewonden terwijl ze met hem over het bospad liep. Ook zette ze er de pas in. Als een spin spon ze in een razend tempo een web, en was naarstig op zoek naar een gewillige prooi. Het spanningsveld dat ze opriep, had veel weg van een onweersbui na een drukkende, hete dag. Plots trok ze hem aan zijn arm het struikgewas in. ‘Wil je m’n borstjes zien?’ vroeg ze plompverloren.
Hij keek haar ongelovig aan en wist niet wat hij moest zeggen.
‘Nou, wil je ze zien of niet?’ vroeg ze ongeduldig. ‘Ja, ja, maar…’ lispelde hij. Ze schoof, alsof het de normaalste zaak van de wereld was,
haar blouse omhoog en voor zijn ogen tekende zich twee spierwitte borstjes af. Zijn mond viel open. Nooit eerder had hij zoiets gezien.
‘Kom eens hier met je hand,’ zei ze kordaat en drukte zijn hand tegen haar borst. Als een mak schaap volgde hij haar instructies op. Onder zijn vingers voelde hij een hard en stevig knopje opzwellen. Bij zijn vriendje had hij weleens geholpen met het melken van de koeien. Trekken en tegelijkertijd knijpen dan spuit er zo een straal melk uit. Zou er bij haar ook melk uit komen? Hij hoorde haar zacht kreunen en zag haar hand onder haar rok verdwijnen. Hij wist niet wat ze daar deed, maar de spanning wond hem danig op. Hij voelde bij zichzelf een stijf gevoel opkomen. Dat had hij nooit eerder gevoeld.
Even later trilde ze over haar hele lijf. Geschrokken trok hij zijn hand terug en staarde haar bevreemd aan. Haar ogen waren gesloten en haar gezicht straalde een gelukzalige blik uit.
‘Dag Jean-Paul,’ had ze alleen gezegd en was van hem weggehold, het pad af richting huis.

‘Nog een bakje koffie mevrouw Colombier?’ ‘Zeg maar gerust Nadine, lieverd. Nou geef me eigenlijk
maar een rooie. Al die koffie is niet goed voor me.’ Hij fronst zijn voorhoofd. ‘Zou je dat nou wel doen?’ Hij weet dat hij haar beter geen wijn kan schenken, ze raakt erdoor te veel op dreef maar hij weet ook dondersgoed dat hij haar de fles niet kan weigeren. Zelfs zijn hotel is dan te klein. Met tegenzin loopt hij met de fles en een glas op haar af en
schenkt het glas half vol. ‘Kom op zeg, tot aan de rand graag. Ik ben nog geen aftands
exemplaar.’ Als een trouwe hond volgt hij haar commando op. Ze heft het glas met de anderen. ‘Laat de brieven van mijn
man alsjeblieft snel boven water komen,’ verzucht ze en neemt een flinke slok. ‘Mijn man heeft het vast heel druk waardoor hij geen tijd heeft me te schrijven. Er vallen te veel doden in die bloedige oorlog die ze daar voeren. En mijn lieve man moet al die gewonden weer opkalefateren. Wat een gigantische taak heeft-ie daar te volbrengen. Maar Frankrijk zal overwinnen en dat stelletje ongeregeld brengen we daar weer in het gareel. Vive la France!’ Een tweede toost en een forse slok. Demonstratief zet ze haar lege glas voor zich neer en gebaart Jean-Paul opnieuw in te schenken.
‘Vive la France.’
De mannen draaien hun hoofden gezamenlijk naar haar om en heffen hun glazen. ‘Op onze overwinning.’ ‘En laat de dokter heelhuids in ons midden terugkeren,’ voegt Dominique eraan toe.
‘Ja, laat hem in godsnaam heelhuids bij me terugkeren, het leven is zwaar zonder een man in huis,’ lispelt ze. ‘Zeg Jean-Paul, waar zijn al je gasten?’
Hij kijkt haar wat schuchter aan en lacht verlegen.
‘Tja Nadine, we hebben een slechte zomer dit jaar. Veel regen en daar houden vakantiegangers niet zo van.’
Met een afkeurende blik kijkt ze de zaal rond en zwaait daarbij vervaarlijk met haar wandelstok. ‘Je moet de zaak ook eens wat opfleuren, stoelen van tafel, vrolijke muziek, dan komen de gasten vanzelf… en een vrouw in de zaak, dat fleurt de boel op. Die weet er altijd iets van te maken. Wordt het niet eens tijd voor je om te trouwen? Je bent oud en wijs genoeg, nietwaar.’ Ze schaterlacht haar rotte tanden bloot.
Jean-Paul kijkt wanhopig om zich heen en werpt een slinkse blik op de mannen. Een voor een halen ze stoïcijns hun schouders op en nippen aan hun glazen. Ze durven zich niet naar haar om te draaien, bang voor de wind van voren. In welk een lastig pakket hebben ze zich in al die jaren gezamenlijk gemanoeuvreerd?
Jean-Pauls ogen dwalen af naar de hare. ‘Tja, wat moet ik daar nou op zeggen? Je brengt me danig in verlegenheid. Een vrouw zou zeker goed zijn… Maar waar haal ik die op mijn leeftijd vandaan?’
Nadine’s dooraderde wangen lichten rood op. Met haar handen houdt ze het tafeltje vast, dat door het lachen mee beweegt en de wijn uit haar glas laat gutsen. ‘Maar Jean-Paul toch, wie wil jou nou niet? Zo’n jonge knappe vent, bemind; een vrouw is gek als ze niet voor jou gaat.’
Bedaarlijk schieten de mannen in de lach en kijken Jean-Paul recht in de ogen aan. ‘Ja Jean-Paul, wij snappen daar ook helemaal niks van,’ grapt Dominique.
‘Inderdaad, een vrouw moet stapelgek zijn om al die goede eigenschappen niet te zien,’ voegt Pierre er spottend aan toe. ‘U hebt volkomen gelijk,’ richt hij zich tot Nadine.
‘M’n lieve Pierre, zeg alsjeblieft je tegen me.’
Hij knikt haar vriendelijk toe en heft zijn glas: ‘Laat er snel een mooie, lieve vrouw voor Jean-Paul komen logeren. Er is plaats genoeg in dit grote hotel.’

Nadine hangt scheef in haar stoel, leunt met haar ene arm
op het tafeltje en met de andere neemt ze een laatste slok. Ze heeft zichtbaar moeite om zich overeind te houden. Het is niet alleen de hoeveelheid alcohol die haar in deze positie heeft gebracht, maar ook de artrose draagt ertoe bij.
Dan richt ze zich naar Dominique en kijkt hem met guitige ogen aan. ‘Toch hou jij de post van m’n man achter. Al jaren heb ik niets meer van hem gehoord. De schat, iedere week schreef hij me een lange, lieve brief, maar ik krijg ze niet meer in mijn brievenbus…’ Er waggelt een traan langs haar wangen. ‘Vertel me postbode,’ vermant ze zich, ‘wat schrijft hij me al die tijd? Jij als postbode moet dat weten. Jij leest immers iedere brief. Houdt hij nog wel van me?’
Dominique twijfelt. ‘Kon ik het u maar vertellen, maar helaas weet ik het niet. Ik krijg geen enkele brief meer van hem door mijn handen. Mevrouw Colombier, ik wou dat ik u kon helpen. Ik zou het met alle plezier voor u doen.’
Even glimlacht ze, maar dan verandert haar gelaatsuitdrukking in een onheilspellende onweersbui. ‘O, kleine, miezerige postbode, wat sta je toch altijd mooi weer te spelen, kom op met die stapels brieven van mijn liefhebbende man. Ik heb genoeg van het spel dat je met me speelt. Vooruit, kom ermee voor de dag!’
Dominique kijkt met wazige ogen voor zich uit. Hij weet zich geen raad met de ontstane situatie. Moet hij haar de waarheid vertellen? Moet hij de radiostilte doorbreken, de stilzwijgende afspraak met de anderen loslaten? Moet hij haar vertellen dat haar man reeds jaren overleden is? Wat moet hij met haar aanvangen? Wanhopig kijkt hij Jean-Paul aan, maar die laat zich door zijn knieën zakken en verdwijnt onder de toog.
‘Zeg m’n lieve Jean-Paul, doe me er nog ene.’
Terwijl hij zich opricht en een flesje abricot op het werkblad neerzet, vraagt hij: ‘Zou je dat nou wel doen? Je hebt er al meer dan genoeg achter je kiezen zitten.’
Ze hijst zichzelf enigszins wat rechter in de stoel en trekt daarbij een pijnlijk gezicht. ‘Kom op met die fles, ik verrek van de pijn: die wijn verlicht de boel, dat wil je me toch niet ontzeggen. Je wilt me hier toch niet in je zaak laten creperen van de pijn. Dat kan je je klanten niet aandoen.’
Als een slaaf loopt hij met de fles op haar af. Hij schenkt haar glas opnieuw tot aan de rand toe vol. Hoofdschuddend loopt hij terug naar de toog. Die Nadine, wat een pechvogel toch. Was ze ooit in Parijs wel gelukkig geweest? Hij betwijfelt het. Zijn blik glijdt langs de mannen. Daar zitten ze dan met z’n allen: de mannen uit Nadine’s jeugd. Allen eens tegen haar aangevaren, en bijna even snel weer van boord gezet. Ze waren stuk voor stuk speeltjes geweest. Leuk om mee te spelen maar, zoals een boos kind plots zijn speelgoed in de hoek smijt, waren ook zij van de ene op de andere dag aan de kant gezet.
‘De laatste ronde,’ roept Jean-Paul naar zijn vaste gasten.
‘Wat krijgen we nou? We gaan toch niet op klaarlichte dag sluiten, m’n lieve Jean-Paul? Daar komt niks van in, geef me er nog ene.’
Jean-Paul kijkt de mannen een voor een aan. Hij zoekt steun bij ze, maar eigenlijk verwacht hij niet bijster veel van ze. Met z’n allen zijn ze niet in staat hun jeugdliefde te temmen, een voldongen feit waar ze zich bij hebben neergelegd. Ze zijn oud en hebben de hoop voorgoed laten varen.
Schoorvoetend loopt hij met de fles naar Nadine en schenkt haar glas vol.
Ze heft haar glas en proost nogmaals op de overwinning van Frankrijk. ‘En laat m’n man snel en heelhuids terugkeren.’
‘Zo is dat,’ lalt Dominique. ‘Trouwens, nou herinner ik me opeens, ik was het helemaal vergeten, maar er zat nog een brief bij de post van uw liefhebbende man.’ Uit zijn binnenzak vist hij een brief op. De anderen kijken hem met ongeloof aan.
‘Is er dan eindelijk toch een brief van hem gekomen.
Het werd toch eens tijd,’ lispelt Jean-Paul. ‘Zeg dat wel. Dan toch nog een levensteken van de dokter,’
mompelt Pierre voor zich uit. ‘Heb je hem expres al die tijd bij je gehouden, postbodetje?
Nou kom op met die brief, hij is van mij.’ Hij overhandigt haar de enveloppe die er te nieuw uitziet.
Als een bezetene scheurt ze hem open en vouwt de brief open. Voor haar ogen worden de letters onscherp en razen als een roedel honden over het papier. ‘Kan iemand mij de brief voorlezen?’
Dominique reikt zijn hand naar haar uit. ‘Nee postbodetje, jij niet. Jou vertrouw ik voor geen centime. Jean-Paul lees jij me de brief voor.’
Jean-Paul rommelt in de la, haalt er zijn leesbril uit tevoorschijn, loopt naar haar toe en leest met gedragen stem de brief voor. Hoe vaak heeft hij deze brief nu al niet aan haar voorgelezen? De inhoud is hem volstrekt bekend en met gemak zou hij de brief uit zijn hoofd aan haar kunnen voordragen. Elke zin, met hier en daar enkele ongrammaticaalheden, de gedachtesprongen, zelfs de haperingen in het handschrift zijn hem van haver tot gort bekend. De brief die jaren na dato door Dominique is opgesteld, vertoont slijtage op de vouwen en de inkt is grotendeels verbleekt. Hoe lang blijft deze brief van de dokter nog intact? vraagt Jean-Paul zich af. Misschien moet Dominique eens een nieuwe schrijven met een nieuwe tekst; dat zou een welkome afwisseling zijn.
‘Zien jullie wel, mijn man heeft het vreselijk druk met het verzorgen van al die gewonden daar. Wat een schat, hè. En ontzettend lief dat hij toch nog tijd heeft weten te vinden voor het schrijven van deze brief.’ Ze kijkt met veel trots om zich heen en staat moeizaam op. Een pijnscheut verkrampt haar gezicht. Ze strompelt naar Dominique en geeft hem een kus op zijn wang. ‘Dank je wel m’n jongen.’
‘Moet ik je naar huis brengen?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Nee hoor lieveling, ik red het wel in m’n eentje, maar lief dat je me wilde helpen. Maar ik ben nog niet zo oud hoor,’ giechelt ze als een jonge meid. Het gekke is dat haar stem nog steeds kraakhelder klinkt, de tijd heeft daar geen gaten in het plaveisel geslagen.
Met haar wandelstok schuifelt ze voetje voor voetje naar de uitgang. Jean-Paul is haar voorgegaan en heeft de deur geopend. Ze draait zich om en wuift met haar stok naar de mannen.
‘Dag Nadine,’ roepen ze in koor.
Als Jean-Paul de deur achter haar heeft dichtgedaan, kijkt hij haar nog even door het raam na. Ze waggelt als een gans en steekt de straat zonder te kijken dwars over. Jean-Paul loopt hoofdschuddend terug naar de toog. Reeds jaren spelen ze dit spel als een professioneel pokerend gezelschap. Ze bluffen er stevig op los alsof er levens van afhangen. Ieder heeft zijn eigen rol in het spel en samen houden ze een grote mythe in stand: Frankrijk slaat dapper terug in Algerije en dokter Colombier heeft het heel druk met het verzorgen van de gewonden waardoor hij geen tijd heeft haar te schrijven. Dat hij vele jaren later in het bijzijn van Nadine in zijn geboortestad Parijs het leven liet, houden de mannen voor haar verborgen.
‘Alors, ik ga sluiten, het is genoeg geweest voor vandaag.’
‘Bon, ik ga m’n koeien maar eens melken. Ze staan vast te popelen bij het hek.’
Een voor een staan ze op en verlaten het café.
Jean-Paul trekt de luiken van de deur van binnenuit dicht, sluit de deur en verdwijnt naar het woongedeelte.

Gepubliceerd in literair tijdschrift Lava 13.1, maart 2007.