De kunst van het doodgaan

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Gedichten op gevels’ met een gedicht van Rutger Kopland. En wel met de vierde strofe uit het gedicht De kunst van het doodgaan, dat op het raam van Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat 88 staat.

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

Het volledige gedicht waar deze strofe uitkomt, is deze:

De kunst van het doodgaan

Als het zover is – zal ik dan eindelijk
weten wat dat is, doodgaan
jezelf verlaten en weten
dat je nooit terugkeert

soms wanneer ik het koraal hoor
Nu komm’ der Heiden Heiland
doorstroomt mij een vermoeden van
onontkoombaar verlies –
maar wat geeft het

bij het zien van een uitzicht over bergen
een verte die verdwijnt in zichzelf
kan ik worden bevangen door een huiver
voor de eenzaamheid die mij wacht –
maar wat geeft het

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn.

Uit: ‘Een man in de tuin’. Van Oorschot, 2004.

Voorstellingen en scholing
Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat is een trainingscentrum en adviesbureau op het gebied van communiceren met kwetsbare doelgroepen, zoals mensen met dementie, een verstandelijke beperking, een psychische aandoening en ADHD en/of autisme. Theater Veder speelt en traint in zorginstellingen en organisaties door heel Nederland. Zij draagt de ‘Veder Methode’ uit en verspreidt deze om een bijdrage te leveren aan het doorbreken van sociaal isolement. Tijdens de interactieve voorstellingen wordt de doelgroep uitgedaagd tot het maken van wederzijds contact. Dit leidt tot mooie en bijzondere contactmomenten. Naast huiskamervoorstellingen biedt Veder ook voorstellingen op maat en theatervoorstellingen.
Daarnaast verzorgt Theater Veder trainingen en coaching-sessies aan medewerkers in de zorg, mantelzorgers en vrijwilligers. Zij leren de ‘Veder Methode’ toe te passen in de dagelijkse praktijk. Daardoor verbetert het contact met degenen voor wie zij zorgen en neemt het werkplezier toe. Dit leidt uiteindelijk tot een kostenbesparing voor de organisatie.

Bespiegelingen over vergankelijkheid
Rutger Kopland (1934-2012), het pseudoniem van Rutger Hendrik (Rudi) van den Hoofdakker (Hoofd > Kop, akker > land) was hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als psychiater was hij een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding door lichttherapie en slaapverschuiving.
Kopland is lange tijd een van de populairste dichters van Nederland. Hij debuteert in 1966 met de bundel ‘Onder het vee’. Meer dan tien bundels volgen, alsook diverse bundelingen aan essays.
Hij wist heel veel lezers aan zich te binden door zijn persoonlijke en intieme toon. In een onnadrukkelijke, observerende stijl met veel aandacht voor het gewone woord, belicht zijn poëzie algemeen-menselijke thema’s. Veel van zijn gedichten beschrijven een (bijvoorbeeld door een landschap opgeroepen) gestold moment, een kortstondige impressie, die aanleiding vormt tot een bespiegeling over vergankelijkheid, het voorbijgaan van het moment of het scheppingsproces van de dichter. Voor veel lezers en critici weet hij toegankelijkheid, relativering en diepgang te combineren.

En wie kent niet dit beroemde gedicht:

Jonge sla

Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.

Uit: ‘Alles op de fiets’. Van Oorschot, 1970.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

Wij bellen u

Onalledaags


‘Heeft u toevallig uw cv bij u?’ vraagt ze me beleefd.
‘Nee, die heb ik niet bij me.’
‘En een legitimatiebewijs?’
‘Ja, dat wel.’
‘Vult u dit formulier zo volledig mogelijk in. Als u daarmee klaar bent dan komt u weer bij mij,’ zegt ze vriendelijk.
Afgezonderd in een hoek van een grote ruimte, achter een met beige linnen beplakt schot, beantwoord ik trouw de vele vragen. Enkele malen rinkelt er een telefoon. Dan neemt iemand hem op. Mijn ogen blijven steken bij ‘schoenmaat’. Een vreemde vraag. Wat voor een relevante informatie weken ze hier los uit de lengte van de voet? Zou ik met maat 46 de bedrijfsschoenen niet vergoed krijgen? Die vraag sla ik over. Bij het onderdeel ‘werkervaringen’ blijf ik opnieuw steken. Er is te weinig ruimte om al mijn ‘ervaringen’ te verwoorden. Die ruimte houd ik open. De vriendelijke dame mag dat straks voor me invullen.
Even later loopt ze het formulier nauwkeurig door en vult de opengelaten delen vragend op.
‘Wat is uw typesnelheid?’
‘Tja, meer dan gemiddeld. Weliswaar typ ik maar met drie vingers. Maar toch ik zou zeggen een redelijk hoge snelheid.’
‘Zonder typediploma noteer ik hier geen typesnelheid,’ zegt ze kordaat.
‘U heeft níets ingevuld bij werkervaringen,’ klinkt het wat kregelig.
‘Tja, dat is teveel om op te noemen. Laat ik het beperken tot het niveau waarnaar ik solliciteer.’
‘Waarom wilt u deze baan eigenlijk?’
Ik leg haar uit dat het voor mij prettig is om naast de onregelmatige inkomsten, die ik al schrijvende vergaar, een vast inkomen te hebben waarmee ik bijvoorbeeld mijn huur kan betalen.
Ze knikt. ‘Omschrijft u eens uw positieve en negatieve karaktereigenschappen,’ vraagt ze me nu.
Zo langzamerhand ben ik hier in een diepgaande sollicitatieprocedure verzeild geraakt. Wat ze tegenwoordig niet allemaal van je verwachten. Zelfs voor de meest eenvoudige banen passen ze een sterkte/zwakte-analyse op je toe.
Keurig noteert ze mijn verhaal.
Aan het einde van het gesprek belooft ze me stellig de volgende dag te bellen, en drukt me een brochure in de hand. Ze zal contact opnemen met het bedrijf waarvoor ik zal gaan werken. Uit haar enthousiaste woorden maak ik op dat ik geschikt ben voor deze baan.
De volgende dag gaat er geen telefoon. Maar de dag erop wel. De vriendelijke dame klinkt een stuk minder vriendelijk. Ze deelt me mee dat voor de postkamer een ander is gevonden. Een werkloze met zeven jaar ervaring. En terecht dat diegene voorrang heeft gekregen.
Ik blader de brochure van het uitzendbureau door en stuit op een markante zin: ‘Wanneer wij een opdracht in behandeling hebben die aansluit op uw opleiding en ervaring, zullen wij contact met u opnemen voor een oriënterend gesprek. U hoeft daarvoor geen contact met ons te onderhouden.’
Inmiddels wacht ik al weer ruim een halfjaar vol spanning af, maar geen telefoontje of mailtje. Bedankt, Trude!

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

‘Eenling’ krijgt meer diepgang

Danseres Dipa de Ridder-Flohr brengt een nieuwe laag aan in het gedicht ‘Eenling’. Het gedicht krijgt een tweede laag doordat het gedanst wordt.

Méland: ‘Het opgroeiende en tot bloei komende meisje heb ik niet in dit gedicht verwerkt.’

Dipa: ‘Ik had met de dans maken ook alleen die bloem in mijn hoofd die daar zo mooi stond en bewogen werd, maar blijkbaar geeft het beeld van iemand die de bloem verbeeldt weer andere beelden.’

Interpretatie van de redactie van ‘Poëzie verrijkt het leven’: ‘Dit boeiende gedicht kent twee lagen. Oppervlakkig beschouwd gaat dit gedicht over een bloempje dat groeit en bloeit op de stoep van de Weesperstraat, een van de drukste verkeersaders van Amsterdam.

De beelden suggereren echter dat het gedicht ook gaat over een meisje dat opgroeit en tot bloei komt in de grote stad. Althans, dat is wat de redactie denkt, want het gedicht biedt voldoende ruimte voor andere interpretaties.’

Broos

Dipa de Ridder-Flohr danst ‘Broos’ een gedicht uit Zijwaarts springen.
Tijdens het Open Podium Centrale OBA, Amsterdam, op 24 februari 2018.
Registratie: Jan ter Heide.

Broos

Vandaag oogt ze
sterflijker dan ooit
zittend op haar rollator
in het kind verdwaald
hangen haar fragiele voetjes
net niet tot aan de grond

vandaag drapeert
verwarring haar geheugen
haar wandelkaart sluit
niet langer aan
op de paden die
ze zichzelf toevertrouwde

vandaag voert de nacht
haar naar de overkant
diepgevroren wolken
sluieren de maan
zoet kijkt ze me
nog even aan.

Gesneuveld

Dipa de Ridder-Flohr danst ‘Gesneuveld’ een gedicht uit Zijwaarts springen.
Tijdens het Open Podium Centrale OBA, Amsterdam, op 24 februari 2018.
Registratie: Jan ter Heide.

Gesneuveld

Gevallen bladeren
dolen
op de maalstroom mee
totdat de wind ze
onverwacht
in tegengestelde richting ordent

sommige karig
en bekommerd
andere onschuldig groen
als verse bladspinazie
zich welhaast onaangetast
door het leven heen gevreten

in dit kille water
wachten ze alle hun lot af
met de bodem als voorland
waar ze tevergeefs wegteren
aan ieders oog
onttrokken.

Eenling

Dipa de Ridder-Flohr danst ‘Eenling’ een gedicht uit Zijwaarts springen.
Tijdens het Open Podium Centrale OBA, Amsterdam, op 24 februari 2018.
Registratie: Jan ter Heide.

Eenling

Fier rechtop
staat ze
tussen stoeptegels
in haar eentje

telkens zwiepend
van elke auto
die haar voorbijraast
op de vluchtheuvel
van de Weesperstraat

als een harlekijn
waaraan het kind
– tot vervelens toe –
aan de touwtjes trekt
wappert ze monter
heen en weer

’t armoedige buurtje
waarin ze opgroeit
deert haar niet

parmantig pronkt ze
met d’r goudgele kelkbladeren
tussen het jachtig verkeer.

De zeegodin

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Amphitrite’ van beeldhouwer Albert Termote. Het beeld staat, na restauratie, aan het Azartplein op het KNSM-eiland. Het is daar – na nogal wat omzwervingen – in 2009 geplaatst. Het pronkt daar nu weer in de buurt van waar het van 1956 tot 1981 stond.

De beeldengroep is een voorstelling uit de Griekse mythologie. Amphitrite, de dochter van Nereus en zeegodin, berijdt een hippocampi (half paard, half vis), zoon Triton (half mens, half vis) blaast de hoorn. De groep bronzen beelden komt uit het water omhoog, en er spuiten fonteinen. Amphitrite is de vrouw van de zeegod Poseidon. Poseidon is in de Griekse mythologie de god die heerst over zeeën, wateren en hun goden.
De meeste schepen van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM) droegen namen die ontleend waren aan de Griekse, Romeinse of Egyptische mythologie.
Dichter A. Roland Holst schreef een gelegenheidsgedicht voor ‘Amphitrite’, dat op een van de rotsblokken in de fontein staat gebeiteld:

Dochter van Nereus, hoog te paard; hoe raast
de branding, waar uw zoon de zeehoorn blaast!
Luidt weer een eeuw hij in voor onze schepen?
Uw wild hart bleef hun harten steeds het naast.

Zwervend bestaan
Personeel van de KNSM schenkt in 1956 de beeldengroep ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de rederij. Het krijgt een plek in het door tuinarchitect Mien Ruys ontworpen parkje op het KNSM-eiland, midden in een bassin. In 1980 verplaatst de havenactiviteit naar de havens in Amsterdam-West en Rotterdam. Het oostelijk havengebied raakt in verval. De beeldengroep gaat vanaf dan een zwervend bestaan tegemoet. Eerst ligt het nogal wat jaren gedemonteerd en opgeslagen op het terrein van een schroothandel. Maar dan halen de ‘Kroonvaarders’, de vereniging van voormalig personeel van de KNSM, ‘Amphitrite’ uit dit armtierige bestaan. Zij krijgt in 1989 een plek in het water, een rechthoekige betonnen bak op een kunstmatig eiland, grenzend aan de Prins Hendrikkade, tegenover het Scheepvaartmuseum. Daar staat ze tot 2008.
Rond het jaar 2000 beginnen de onderhandelingen over de mogelijke terugkeer van ‘Amphitrite’ naar het KNSM-eiland. Er gaat negen jaar voorbij voordat het zover is. Maar na een grondige restauratie is de beeldengroep teruggekeerd: ‘Amphitrite’ staat nu voor Loods 9 aan de kop van de KNSM-laan.

Beeldhouwer Albert Termote (1887-1978) heeft veel monumenten, beelden, portretten en ruiterbeelden gemaakt. Termote is geboren te Lichtervelde in België. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vlucht hij naar Engeland, en in 1915 trekt hij naar Amsterdam waar hij tot 1918 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten, onder leiding van Jan Bronner, studeert. In 1922 verhuist hij naar Voorburg waar hij de rest van zijn leven blijft. Door de vele tentoonstellingen van Pulchri Studio verwerft hij landelijke bekendheid. Hij krijgt veel opdrachten.
Termote werkt tot zijn 85ste. Op doktersadvies en vanwege moeilijkheden met de huur van zijn atelier besluit hij met het zware beeldhouwerswerk te stoppen. Op 13 juli 1972 slaat hij in zijn atelier vele van zijn gipsmodellen aan stukken. Hij heeft besloten zich alleen nog bezig te houden met kleine plastieken in een atelier aan huis.
Kenmerkend is zijn bescheidenheid waarmee hij met zijn bekendheid omgaat. Tijdens een tentoonstelling, een jaar voor zijn dood, van zijn werken in Museum Swaensteyn zei hij: ‘Ik kan haast niet geloven, dat dit allemaal mijn werk is, maar aan de andere kant, weet ik nog precies waar, wanneer en waarom ik de dingen maakte.’

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Nalatenschap

Onalledaags


De postbode heeft zojuist een aangetekende brief bij me bezorgd. Het is een brief van de woningbouwcoöperatie. Ik vraag me af waarom deze aangetekend is. Nieuwsgierig scheur ik de enveloppe open, haal de brief eruit, lees en schrik. ‘U dient onze woning te ontruimen vóór…’
Wat krijgen we nóu? Mijn ogen vliegen verder over het vel papier.
‘Wij wijzen U erop dat U op een onrechtmatige wijze ons eigendom bewoont.’
Verdomme, nee, niet dít ook nog eens, verzucht ik.
‘Bij controle van onze huuradministratie is gebleken dat de hoofdhuurder niet langer de huur van de woning voldoet, maar dat dit sinds twee maanden door een andere persoon wordt voldaan.’
Wat een schoftenstreek. Ik kijk naar buiten. De regen waait in vlagen tegen de ruit.

Vijf jaar geleden nemen Esther en ik plaats in een kleine ruimte. De muren zijn kaal wit. Tegenover ons zit een man. Hij draagt een zwarte hoornen bril. Een breed grijs bureaublad is als scheidslijn tussen ons opgeworpen.
‘Een mooie woning, hè, die jullie van ons toegewezen hebben gekregen,’ zegt hij iets te vriendelijk.
‘Ja, prachtig.’
‘Hier is de huurovereenkomst. Bekijk ’t maar even of alles klopt.’
Hij overhandigt het aan mij. Ik schuif het naar Esther zodat we het samen kunnen lezen.
‘Ik ga eventjes kopiëren.’ Hij verlaat het vertrek.
De huurovereenkomst blijkt alleen op mijn naam te staan.
‘Alles in orde?’ vraagt hij bij het binnenkomen.
‘Nee, we hadden doorgegeven dat we het contract op beide namen wilden hebben. Dat is nu niet het geval.’
‘Tja, helaas is dat bij ons niet mogelijk,’ zegt hij terwijl hij aan zijn rossige baard krabt, ‘het past eenvoudigweg niet in onze computer.’
‘Daar nemen we geen genoegen mee. We ondertekenen het contract alleen als het op twee namen staat. Daar hebben we recht op,’ zeg ik geërgerd.
‘Rechten hebben jullie hier niet!’ Hij kijkt ondertussen naar Esther, lacht haar toe en richt zich tot haar.
‘Kijk als woningbouwcorporatie sluiten wij alleen contracten af met de hoofdhuurder. Dat is nu eenmaal de regel hier en daar wíjken we niet van af. Tekent u nou maar gewoon dan krijgt u van mij de sleutel.’
‘Wij tekenen niet voordat we de ware reden van u te horen krijgen,’ zegt Esther met een verbeten stem.
Hij grist het contract bij ons vandaan, en zegt: ‘We verhuren deze woning net zo lief aan een minder lastig stel die ’r wel blij om zijn dat ze erop mogen wonen.’ Op zijn gezicht verschijnt een venijnige lach.
‘O, gaan we het zo spelen. We vragen alleen maar naar een reden, dat lijkt me toch niet al te veel gevraagd?’ zeg ik.
Opnieuw glijdt hij met zijn vingers door zijn baard.
‘Nou goed… eigenlijk doen we ’t niet langer…,’ zegt hij stotterend, ‘want die samenwonenden gaan toch maar steeds uit elkaar… en dan moeten wíj weer voor die vertrekkende een huis regelen.’
Zijn wangen tonen een rode gloed.
Esther en ik glimlachen naar elkaar. ‘Dat is nog eens banaal,’ zegt Esther.
‘Tja, ’t is niet anders, ’t heeft ons héél wat woningen gekost.’
‘Goed, een van ons zet z’n handtekening, maar dan wil ik wel dat het contract op de naam van mijn vriendin komt te staan,’ zeg ik kordaat.
‘Dat is ongebruikelijk maar goed dat kunnen we doen. Dan moet ik een nieuw contract opmaken en dat kán niet nu.’
Het betreft alleen een wijziging van naam, maar hij heeft geen tijd. De dag erop moeten we maar langskomen, dan heeft hij het wel geregeld. Vervolgens staat hij op en verdwijnt. Sprakeloos kijken we elkaar aan.

Ruim een jaar later verdwijnt Esther voorgoed uit mijn leven.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Vertrouwd portret

Dit verhaal kwam er als beste uit bij de Eerste ronde van de schrijfwedstrijd ‘Schrijf je Straat 2018’ van Schrijvers uit Oost.

Jury-oordeel: ‘Wat ons zeer aanspreekt was de wijze waarop je de tijd laat verglijden – de oude man die plotseling uit zijn huis is verdwenen en plaatsmaakt voor een jong stel – zonder nostalgisch te zijn. En zonder het uit te leggen. (Echt: show, don’t tell!). Oost is voel- en zichtbaar zonder het expliciet te noemen. Heel mooi!’

Haar oude overbuurman zit al jaren elke ochtend bij het raam. Marieke zwaait altijd even naar hem en hij wuift dan met een broos gebaar terug.
Maar nu ze de gordijnen in de achterkamer openschuift, valt haar oog op de lege etagewoning aan de overkant. Haar overbuurman is verdwenen. Twee lichtere plekken op het bloemetjesbehang markeren de plaats waar het vredige heidetafereeltje en het portret van zijn overleden vrouw hingen, de spijkers zitten nog in de muur. De boekenkast, de tafel met het kleedje, de hanglamp en de zachtgroene fauteuil, die sinds de dood van zijn vrouw onbezeten bleef, zijn in rook opgegaan.
Vlak voor de geboorte van Tommie komt ze hem nog in de supermarkt tegen. Ze groet hem. Zijn blik verraad dat hij moeite heeft haar te plaatsen en zelf duurt het ook enkele seconden voordat Marieke hem als haar overbuurman kan plaatsen. Weggerukt uit zijn omgeving is haar vertrouwde beeld van hem even, gelijk een storing op televisie, aan het flikkeren. Hij kijkt naar haar uitpuilende buik en vraagt haar wanneer het zover is?
Nu ziet Marieke hem weer voor zich, aan tafel, waar hij bedachtzaam de vakjes met letters opvult. Af en toe raadpleegt hij het woordenboek. De eenzaam overgebleven haren op zijn kale hoofd zijn steil naar achteren gekamd. De oude, zwarte poes zit kaarsrecht voor hem op tafel. Bedaard volgen haar ogen zijn handbewegingen. Hij kijkt op van zijn kruiswoordpuzzel en aait haar over de kop. Dan drukt ze haar kont de lucht in, rekt zich uit en gaat midden op het puzzelboekje staan. Demonstratief legt hij zijn vulpen neer, staat moeizaam op en schuifelt naar de keuken. Met een souplesse die niet echt meer bij haar leeftijd past, springt ze via de stoel op de grond en gaat achter hem aan. Uit de koelkast pakt hij een blikje en schuift de vleesbrokjes in het voederbakje. Traag likt ze aan de gelei terwijl hij de fluitketel vult en op het vuur zet. Uit het kastje boven het granieten aanrecht pakt hij uit een blik een theezakje, rommelt aan het touwtje en hangt het in de theepot. Onder zijn pullover draagt hij een overhemd, zonder stropdas. Hij wendt zich naar het raam, kijkt en wuift naar haar. Marieke beantwoordt zijn groet.
Maar nu is hij er niet meer. Het gordijn, met het keukengereimotiefje, is weg. De ijzeren gordijnrail is grotendeels losgeraakt en helt als een zinkend schip voorover. De gordijnstof lijkt er in de haast te zijn afgerukt; het keukenkastje staat wijd open. De vertrouwdheid van het kale hoofd dat ’s avonds boven de stoel uitsteekt, en het opflitsende gekleurde licht van de televisie zijn voorgoed verdwenen.
Waar zou zijn poes zijn gebleven?
Wat steekt het leven toch bizar in elkaar. Ze zit hier met een hummeltje dat bijna twee dagen nodig had de wereld te begroeten en voor Marieke bestond daarbuiten niets meer. Het leven achter de gordijnen stond stil als een film die brak en waar iedereen ineens aan de grond genageld stond totdat er een gat in het celluloid brandde en ze in as opgingen. Voorts bleef de haspel van de projector zinloos doordraaien en het getik van het laatste eindje film leek op de klok in de huiskamer. Terwijl zíj aan het opkrabbelen is, heeft híj het leven vaarwel gezegd en zijn de sporen van hem zorgvuldig gewist.
Opgeschrikt door het gekrijs van Tommie loopt Marieke snel naar het voorkamertje en haalt hem voorzichtig uit zijn wiegje. Op de bank knoopt ze haar blouse open, schuift de bh omhoog en legt hem aan. Terwijl hij gretig sabbelt, bedenkt ze dat haar overburen waarschijnlijk geen kinderen hadden. Nooit zag ze er jong volk over de vloer en nergens in huis hingen of stonden portretten van kinderen.

Enkele weken later verlicht een kaal peertje aan de overkant de achterkamer. Aan het raam een tafel met twee stoelen, in de hoek een matras op de grond en her en der opeengestapelde verhuisdozen. Een jongen komt naakt de kamer in gelopen met in zijn hand een blikje bier. Hij gaat op het raam af en kijkt naar de tuintjes beneden. Schaamteloos krabt hij aan zijn geslacht, terwijl Marieke in de keuken wacht tot het theewater kookt. De nieuwe overbuurman in vol ornaat. Zijn penis hangt als een dooie pier tussen zijn lange benen. Achter hem nadert een donkerblond meisje met lang krullend haar. Ze heeft spitse borsten en haar schaamhaar is in een smal verticaal lijntje geschoren. In haar navel glinstert een piercing. Stilletjes besluipt ze haar prooi. Via de weerspiegeling moet hij haar zien, maar hij laat zich verrassen. Zijn geslacht zwelt aan. Haar handen omsluiten zijn middel en ze drukt zich tegen hem aan. Dan dwalen haar handen af naar zijn geslacht dat recht omhoog gepriemd staat. Hij zet het blikje bier op de vensterbank. Als een krolse poes trekt het meisje hem mee naar het matras en ze laten zich op het matras vallen. Zijn hand glijdt langs haar dijen omhoog. Ze spreidt haar benen. Zijn vingers zakken in haar weg. Ze liggen precies op de plek waar de zachtgroene fauteuil altijd stond; de lichtere plekken op het behang, waar het schilderijtje en het portretje hingen, zijn nog zichtbaar. Marieke voelt haar wangen gloeien. Het tafereel heeft haar danig opgewonden. Ze heeft zin in seks en dat is voor het eerst sinds maanden. Schuld borrelt als moerasgas omhoog. Ze loopt naar het kamertje van Tommie die vredig in zijn wiegje ligt te ronken, naast zijn hoofdje twee fluweelzachte beertjes. Het dekentje is van hem afgegleden. Voorzichtig schuift ze het over zijn lijfje en aait hem over de enkele haartjes op zijn bolletje. Wanneer ze in de achterkamer terug is, werpt ze een blik naar de overkant. Ze zijn nog steeds druk met elkaar in de weer. Marieke wendt haar gezicht af, loopt naar de voorkamer en hoopt dat dit niet haar vertrouwde portret gaat worden.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Eenling

Dipa de Ridder-Flohr danst Eenling, een gedicht uit ‘Zijwaarts springen’.
Eén van de drie gedichten die ze danste bij de opening op 4 november 2017 van mijn solo-expositie ‘Ramen vol poëzie’ in de openbare bibliotheek, Linnaeusstraat in Amsterdam.
Registratie: Floris de Ridder.

Eenling

Fier rechtop
staat ze
tussen stoeptegels
in haar eentje

telkens zwiepend
van elke auto
die haar voorbijraast
op de vluchtheuvel
van de Weesperstraat

als een harlekijn
waaraan het kind
– tot vervelens toe –
aan de touwtjes trekt
wappert ze monter
heen en weer

’t armoedige buurtje
waarin ze opgroeit
deert haar niet

parmantig pronkt ze
met d’r goudgele kelkbladeren
tussen het jachtig verkeer.