Honderd uit te boomen

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel twee passages uit de novelle ‘Titaantjes’ van Nescio uit 1915. De teksten staan sinds 1995 op de gevels van een appartementencomplex aan de Linnaeusstraat, tegenover het Tropeninstituut.

Het zijn twee verschillende passages uit ‘Titaantjes’ die op de voorgevels zijn aangebracht:
(…) ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.’

(…) En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er één klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’ (…)

Desillusie
In de novelle ‘Titaantjes’ komen vijf jongens elke avond bij elkaar om te filosoferen over het leven. Het thema van de ‘Titaantjes’: het ergste dat je kan overkomen is je plaats innemen in de burgermaatschappij, en dat je daarmee toch een van de vele mannetjes wordt die je verafschuwt. Maar ook de jongens eindigen zo. Behalve Bavink, die schildert een meesterwerk maar snijdt dit vervolgens aan stukken als hij ontdekt dat hij door dit schilderij bereikt wat de vrienden altijd hadden afgezworen: een succesvol en rijk man worden. Hij verdwijnt in een gekkenhuis.
‘Titaantjes’ schetst de desillusie van vrienden die een eigen leven wilden leiden, maar die dit streven door allerlei maatschappelijke hindernissen niet kunnen waarmaken.

Aanstellerij
Nescio, het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh, betekent: ‘ik weet het niet’ of ‘ik wil het niet weten’. Grönloh, geboren op 22 juni 1882, groeit op in Oost waar hij na de openbare lagere school in de Eerste van Swindenstraat naar de driejarige HBS aan de Mauritskade gaat.
Zijn debuut ‘De Uitvreter’ staat in 1911 in De Gids, ‘Titaantjes’ verschijnt daarin in 1915. De verhalen spelen zich af tussen 1900 en 1911. Nescio’s manier van schrijven – zijn directe en natuurlijke stijl – waardeert men in die jaren niet. Dit komt naast zijn taalgebruik waarschijnlijk doordat hij niet altijd ‘godlievend’ schrijft en zijn spelling te modern is (i = hij, werti = werd hij, hatti = had hij). De literaire critici vinden het proza te aanstellerig. Waardering voor Nescio komt pas na de Tweede Wereldoorlog. Nescio overlijdt in 1962.

Geen molens en klompen
De ontwerpen van de teksten op de gevels zijn van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren.
Oxenaar, geboren op 7 oktober 1929, studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en gaat in 1966 aan de slag als ontwerper voor De Nederlandsche Bank. President Jelle Zijlstra geeft hem de opdracht een eerste serie bankbiljetten te ontwerpen. Zijlstra bemoeit zich echter met het proces waardoor het met figuren uit de vaderlandse geschiedenis een vrij conventionele serie wordt. Van Zijlstra’s opvolger, Wim Duisenberg, krijgt Oxenaar wel de vrije hand. ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in een interview in Trouw (2008). ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Oxenaar is van 1979 tot 1991 buitengewoon hoogleraar Industriële Vormgeving aan de TU Delft. En van 1970 tot 1994 werkt hij bij de Dienst voor Esthetische Vormgeving van de PTT, waar hij onder meer verantwoordelijk voor de huisstijl is. Ook ontwierp hij af en toe postzegels.
Hij verhuist in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij onlangs, op 13 juni 2017 overlijdt.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Zeer verleidbaar

Onalledaags


Aangeslagen loop ik de lange gang van het ziekenhuis door op weg naar de uitgang. De enorme deur draait traag rond, en werpt me zachtjes naar buiten. Het is inmiddels donker, en er daalt een miezelregen op me neer. Ik zet de kraag van mijn jas op, rits hem goed dicht en ga op zoek naar mijn auto. Er zijn maar weinig mensen op straat in dit grauwe, grijze weer. Even houd ik mijn pas in. Waar had ik hem ook alweer geparkeerd?
Schuin aan de overkant, bij de hoek van de straat, zie ik een sleepwagen van de Dienst Handhaving. Het natte wegdek weerkaatst het oranjekleurige zwaailicht. Ik schrik, want het lijkt alsof ze bij mijn auto staan te morrelen. Nu zie ik het goed: een gezette man rommelt aan mijn portier. Hij draagt een blauwe trui met bruine epauletten. Snel steek ik over.
‘Zeg, ik heb betaald hoor. Wat krijgen we nou?’ Mijn stem trilt.
‘Helaas meneer, uw auto staat fout geparkeerd.’
‘Hoezo fout?’
‘Minder dan zeven meter van de hoek,’ zegt hij nors.
‘Nou ja, sinds wanneer is dat een regel hier in Amsterdam?’
‘Zou u zo vriendelijk willen zijn uw portier te openen, dan kan ik de handrem losgooien?’
‘Ik ben hier in alle haast naartoe gereden omdat een goeie vriend plotseling in het ziekenhuis opgenomen is. Kan u dit niet door de vingers zien?’
‘Nee meneer, dat kennen we niet! Gaat u die deur nou nog openmaken,’ klinkt het kregelig.
‘Kunnen we hier niet wat milder in zijn?’ probeer ik wanhopig.
Ondertussen peutert hij met een vlakke ijzeren strip tussen de deur en het raam. Verbazingwekkend snel klikt het slot open.
‘Meneer, alstublieft, laat me niet in de kou staan. Ik kom net uit het ziekenhuis, waar…’ Mijn stem hapert.
Ondertussen trekt hij het portier open en grijpt naar de handrem. Hij gebaart naar zijn collega die in de sleepwagen zit. Die rijdt vervolgens achteruit en houdt halt bij de voorwielen van mijn auto.
‘… waar m’n vriend in kritieke toestand ligt…’ De wanhoop klinkt door in mijn stem.
Met een linnen riem bindt hij een wiel vast en kijkt naar mij op: ‘Sorry meneer, dat is erg vervelend voor u, maar wíj moeten ons werk ook doen.’
Ik laat mijn hoofd zakken, en bedenk nog een wanhopige laatste truc. Wellicht trappen ze hier in.
Beide mannen staan bij de bediening van de kraan. Ik loop op hen af, haal mijn portemonnee tevoorschijn en biedt hen geld aan. Verlegen kijken ze elkaar aan. Ik wend mijn hoofd af, en wacht. Op fluistertoon overleggen ze met elkaar.
‘Nou, voor deze keer maken we ’n uitzondering met u, maar alleen omdat u in ’n heel vervelende situatie zit. Daar hebben we begrip voor.’ Ondertussen maakt zijn collega de riemen los.
‘Heren, hartstikke bedankt.’
‘Sterkte met uw vriend.’
‘Dank u.’
De sleepwagen rijdt met zwaailichten de straat uit en verdwijnt om de hoek.
Opgelucht stap ik in mijn auto, en rijd naar huis.
Vijftig of driehonderdvijftig euro, dat is me nogal een verschil…#

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Voices from the past

Panta Rhei, Vijver, 100 x 120 cm, acryl op linnen, Gea Zwart

Begin december verschijnt een serie kunst/gedichtenkaarten met schilderijen van Gea Zwart en gedichten van mij. Het zijn acht verschillende uitvouwbare full colour kaarten.
De gedichten zijn geïnspireerd op de schilderijen in de serie Panta Rhei, Voices from the past.
Het thema van deze serie schilderijen is de voortdurende voorgang en verandering. Vaste basis is de rivier van het leven.
Gea maakt gebruik van onder andere: verleden, heden en toekomst, stromen in gelaagdheid onder en boven elkaar door. Stemmen uit het verleden. Mensen, gezichten, lichaamsdelen, geesten. Mannelijk en vrouwelijk. Hoop en wanhoop. Positief en stromend, natuur en water. Licht, wit, duister, donkerte, interieur kathedraal.

Panta rhei is een filosofische uitspraak en gedachte die is toegeschreven aan de presocratische filosoof Heraclitus, en betekent ‘alles stroomt’. De filosofie van Heraclitus kennen we slechts via citaten, parafrasen en getuigenissen van latere auteurs, en daarvan is Panta rhei een van de bekendste. De vroegste vermeldingen ervan zijn van Plato: ‘Heraclitus zegt zo ongeveer dat alles wijkt en dat niets blijft. En als hij dat wat er is, vergelijkt met de stroom van een rivier, zegt hij dat je niet twee keer in dezelfde rivier kunt stappen.’
Andere vermeldingen zijn van Aristoteles: ‘Al het waarneembare stroomt voortdurend.’
De interpretatie van Panta rhei: in de rivier stroomt continu nieuw water toe, maar toch blijft de rivier dezelfde. Dit illustreert de eeuwige maar constante verandering, alsook de eenheid der tegendelen.

De prijs van deze serie van acht kunst/gedichtenkaarten is 12,50 euro.
Voorintekening op deze serie kaarten is mogelijk via CONTACT op deze website.

Geloof, Hoop en Liefde

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost de beelden ‘Geloof, Hoop en Liefde’ van de Engelse beeldhouwer Nicholas Pope. Ze stonden sinds 1997 op het dak van de nieuwbouw van het Tropeninstituut (gebouw naast de Muiderkerk), maar staan nu alweer ruim een halfjaar in de tuin van het Tropeninstituut.

Het zijn drie losse beelden vervaardigt van verguld metaal en terracotta. De beelden zien eruit als traditionele katholieke heiligenbeelden. Nicolas Pope verwijst met deze drie beelden naar de vrouwenbeelden die – hoog boven de hoofdingang van het Tropeninstituut aan de Mauritskade – het Nederlands-Indische eilandenrijk, Nederland en Amsterdam symboliseren.
‘Geloof’ en ‘Hoop’ stonden links en rechts op de hoek van het dak van het nieuwbouw gebouw. ‘Liefde’ stond op de begane grond in het gebouw. De beelden verdwenen vorig jaar van het dak en uit het pand nadat het Tropeninstituut dit gebouw verliet.

Brokken pure natuur
Vanaf het midden van de jaren zeventig maakt Nicholas Pope (1949) beelden van hout en steen, het zijn materialen uit zijn directe omgeving. Zijn beelden bestaan vaak uit verscheidene delen, die op elkaar gestapeld zijn of geformeerd tot een lijn of een groep. Ze roepen associaties op met de directheid en ongecompliceerdheid van het platteland, de omgeving waarin hij woont én werkt in Engeland.
Hoewel de materialen een langdurige en moeizame bewerking ondergaan hebben, zien zijn beelden eruit als brokken pure natuur. De kracht en de robuustheid van het materiaal blijven altijd zichtbaar. Zijn beelden hebben een krachtige, abstracte uitstraling, maar door het gebruik van natuurlijke materialen als hout en kalk bezit het tevens een ‘zachte’ kwaliteit.
Naast de invloed van de natuur zijn het twee reizen – die hij in de jaren zeventig naar Roemenië maakt –, die grote invloed op zijn werk hebben gehad. Hij voelde zich nauw verwant met de Roemeense plattelandsbevolking, en met de eeuwenoude nog voortlevende tradities. Vooral de oeroude, ingenieuze bouwconstructies van stapelingen en stuttende palen maakten diepe indruk op hem.
In de loop van de jaren tachtig gaat Pope over op materialen als keramiek, aluminium en stof. De beelden die vanaf die tijd ontstaan, bevatten vaak licht ironische verwijzingen naar christelijke thema’s of figuren, zoals de twaalf apostelen of de drie-eenheid.

Naïef kleiwerk
In 1987 trekt Pope zich tijdelijk terug uit de kunstwereld. Vijf jaar later pakt hij zijn artistieke carrière weer op en komt hij met naïef uitziend kleiwerk voor de dag. Religie en Christendom worden dan belangrijke thema’s in zijn werk. De beeldengroep ‘Geloof, Hoop en Liefde’ zijn daar een voorbeeld van.
Pope volgt zijn studie aan de Bath Academy of Art (Engeland). Zijn werken hebben door de jaren heen op vele tentoonstellingen gestaan. In 1981 wijdt het Kröller-Müller Museum een retrospectief aan hem. Een of meerdere werken van Nicolas Pope zijn in het bezit van het Kröller-Müller Museum, Rijksmuseum Twenthe, Stedelijk Museum in Den Bosch en het Centraal Museum in Utrecht.

‘Hoop’ staat nu in de tuin.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.

Vrijpostige barbie

Onalledaags

barbie
Via een opening in de heg valt mijn oog op Willemijn, de buurvrouw, die met een stel kussens de tuin in loopt. Met haar lange blonde haren, smalle schouders, wespentaille, en haar meterslange benen is ze een levensechte barbiepop.
Het toeval wil ook nog eens dat Willemijn barbies verzamelt. Ze heeft de complete reeks, vanaf de eerste barbie die in 1959 op de markt kwam tot aan de allernieuwste. Dat heeft ze me een keer met trots verteld.
Op mijn vraag of ze Barbies vriend, Ken, ook in haar verzameling heeft, antwoordde ze resoluut: ‘Nee, die vind ik absoluut niet leuk, ik vind ’m een vreselijke kwal en ook nog ’ns lelijk!’
Haar vochtige benedenhuis, dat ze met drie pensloten en een ijzeren strip heeft beveiligd, is te klein om haar verzameling naar behoren te etaleren. De meeste liggen languit gestrekt in een schoenendoos, wachtend op mooi weer, want dan mogen haar lievelingen naar buiten.
Elk jaar moet ik op dat spektakel wachten, maar vandaag is de dag aangebroken. De zon schijnt fel en het is al aangenaam warm. Haar halve tuin ligt nu bezaaid met kussens en opgestapelde dozen. Willemijn opent telkens een deksel van een doos, tilt voorzichtig een barbie eruit, trekt het jurkje strak en vleit haar op een kussen. Sommige barbies streelt ze even, van een andere kamt ze de lange blonde haren, en aan een andere ruikt ze even onder de oksel voordat ze haar neerlegt.
Wanneer al haar barbies in de zon liggen, pakt ze de stretcher uit het schuurtje, vouwt hem uit en vleit zich naast haar troetelkinderen. Willemijn heeft een donkerroze jurkje aan dat ze tot aan haar heupen heeft opgestroopt, de bandjes om haar schouder heeft ze omlaag getrokken. Er is slechts één barbie in de verzameling die een identiek jurkje met dezelfde kleur aan heeft.
Naarmate het warmer wordt, staat ze op en loopt haar huis in. Even later verschijnt Willemijn in een lichtpaars badpakje. Opnieuw is ze ijverig bezig met haar barbies. Nu krijgen ze allemaal verschillende badpakjes aan. Sommige krijgen een bikini aangetrokken, en er ligt er nu ook eentje topless. Ze heeft het er maar druk mee. Zou ze de barbies ook nog met zonnebrand gaan insmeren? Ze is er gestoord genoeg voor, maar dat doet ze dan weer niet. De plastieken lijfjes kunnen de versterkte uv-straling als gevolg van de gaten in de ozonlaag klaarblijkelijk goed verdragen.
Een halfuurtje later ligt ze weer op haar stretcher, naast al haar barbies, en smeert ze haar meterslange benen in met zonnebrand. Nog steeds ligt ze in haar badpakje; helaas niet zoals die ene vrijpostige barbie die daar zo heerlijk met spitse borstjes ligt te zonnen.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.

Fata morgana

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Fata Morgana’ van Iris Le Rütte. De drie plaatstalen beelden staan langs de spoordijk ter hoogte van de Ringdijk en de Wibautstraat. De drie dromedarissen strekken zich uit over een lengte van 15 meter, en zijn daar in 2005 geplaatst.

De dromedarissen hobbelen onverstoorbaar langs het spoor, tussen de razende treinen en de auto’s van de Wibautstraat. Ze bewegen zich door deze desolate stedelijke woestenij als drie donkere silhouetten langs de horizon, op weg naar het oosten.

Stedelijke woestijn
Iris Le Rütte in een radio-interview: ‘Het is begonnen met een studieopdracht voor de Wibautas waarvoor tien kunstenaars waren uitgenodigd. Ik had een aantal plekken van die Wibautas er uitgelicht om te kijken of ik daar een iets minder unheimischer plek van kon maken. Op een foto had ik de drie dromedarissen getekend. Ik wilde een soort vervreemdend effect, het is daar écht een stedelijke woestijn. Ik zag die horizon voor me en het was een non-plek, echt een plek waar je niet wilde zijn. Ik zag dat voor me en dacht als daar die drie dromedarissen lopen, doen ze mee met al die verkeersstromen: de fietsers, de auto’s, de treinen, de metro’s en ze gaan er tegenin. Ze gaan de andere kant uit, richting het oosten, ook heel symbolisch. Die plek is nu volgens mij veel minder unheimisch geworden.’ (Interview op NPO-radio 1, november 2015).

Eeuwig balanceren
Het werk van Iris Le Rütte is veelzijdig, poëtisch en gelaagd. In haar beelden voor de openbare ruimte lijkt zij het leven van de feeërieke kant te tonen, maar bij nadere beschouwing blijkt haar werkelijkheid eerder ambigu. Iris nodigt in haar beelden de beschouwer uit om plaats te nemen in haar universum, waarin mensen, dieren en dingen naar evenwicht moeten zoeken en eeuwig balanceren op de rand van het mogelijke. Haar beelden brengen het publiek even in een andere wereld, die de werkelijkheid niet schuwt, maar waar ook ruimte is voor transformatie en verstilde bezinning in plaats van een snel oordeel.
Inspiratiebronnen voor Le Rütte zijn onder meer de dichtkunst en de klassieke literatuur.

Iris Le Rütte (Eindhoven, 1960) is beeldend kunstenaar en dichter. Zij studeerde aan de Amsterdamse Academie voor Beeldende Vorming en de Rijksakademie van Beelden Kunsten. Zij maakt grote sculpturen voor de openbare ruimte.
Haar werk bevindt zich in musea zoals Beelden aan Zee, en in bedrijfscollecties zoals van Ahold en Akzo Nobel.
Onlangs verscheen haar debuutbundel Ik dicht je bij me, waarin haar gedichten verlucht zijn met eigen tekeningen. Iris’ werk kenmerkt zich door ambiguïteit: waar het op het eerste gezicht harmonieus en lieflijk lijkt over te komen, blijkt daaronder veelal een donkere laag die daarmee contrasteert, schuurt of wringt. Maar de verwondering over het leven, in al zijn aspecten, blijft altijd zichtbaar. Haar werk wordt gezien als toegankelijk, semirealistisch en sprookjesachtig, waarbij silhouetten, schaduwen, spiegelbeelden, mensvormen en dieren een belangrijke rol spelen.

Het gedicht ‘Echt’ van Iris le Rutte:

ECHT

De wolken hebben pootjes
en grazen in het blauwe gras.
Een schoorsteen steekt scheef
uit het rode dak, de rookpluim
buigt schuin om de koperen zon
de hoogte in. Lieveheersbeestjes
kruipen door glutonlicht, waarin alles
niets weegt. Hier heeft mijn
hoofd gewoond, toen de wereld
nog in een jampot paste. Geen ladder
om eruit te komen.

Dit gedicht behaalde de Top 20 van de Turing gedichtenwedstrijd in 2014.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 193, 19 mei 2017
en Oost-online.

Ochtendgymnastiekende hond

Onalledaags

Illustratie: Judith Lammers

De zon hangt laag, ze komt net boven de daken aan de Oosterparkstraat uit. Frêle mist hangt boven het grote veld waarop een groep meeuwen dribbelend op zoek is naar regenwormen.
Roos sjeest plots van me weg, in de verte huppelt een konijn, het witte staartje hipt vrolijk met elke beweging mee. Dwars door de struiken gaat het nu. Het lijf van Roos komt in sprongen boven het struikgewas uit: ochtendgymnastiek in het Oosterpark. Na een paar daagjes haar vriendje – een konijnenjager pur sang – als logeetje te hebben gehad, is het van god los met die meid van me. Ondertussen zit het konijn hoog en droog in zijn hol, maar dat heeft Roos nog niet door, de geur zit flink in haar neus. Maar ze heeft nog nooit een konijn in de kraag gevat.
‘Is dat uw hond die daar door de struiken rent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die hond is?’ zeg ik met een onschuldig gezicht. Ik zit niet te wachten op een bekeuring van honderd euro voor een onschuldig ochtendgymnastiekende hond.
De handhaver kijkt me met ongeloof vanachter zijn stuur aan. Zijn stropdas zit wat slordig geknoopt, zijn pet een beetje scheef op zijn hoofd, en onder die pet zitten grijze haren. Triest eigenlijk, wanneer je op die leeftijd dagelijks nog dit soort werk doet. De godganselijke dag in een autootje rondtuffen, en alleen maar bezig zijn je medemens een vervelende dag te bezorgen, en honderd euro uit zijn of haar portemonnee te troggelen omdat er een hond niet is aangelijnd.
‘De volgende keer zal ik u op heterdaad betrappen. Ik hou u in de gaten, want volgens mij heb ik u al vaker met die hond zien lopen,’ zegt hij beslist.
Ik loop maar door, want ik heb geen zin in dit soort flauwe kul, en zeker niet op de vroege ochtend.
Even later lopen Roos en ik weer keurig samen. Roos nog een beetje verwilderd, maar wederom aan voet, zoals ze altijd met me loopt als er geen konijnen in de buurt rondsjouwen.
Een eind verderop zie ik een man moeizaam voortbewegen. Hij sjort een groot zwart voorwerp aan een lijn met zich mee. Waar loopt die man in godsnaam mee? Het lijkt wel een pluche speelgoedbeest.
Twee jongens komen de man tegemoet lopen. Nadrukkelijk kijken ze naar het gevaarte dat hij voortsleept. De man stopt en kijkt fluitend naar de strakblauwe lucht. De twee halen hun schouders op en lopen door. Opnieuw sleurt hij het gevaarte met zich mee.
Nu zie ik pas dat het een jonge bouvier is die zijn vier poten stram houdt. Roos slaat aan. Haar blaf galmt door het Oosterpark.
‘Wat is ’r met uw hond?’ vraag ik.
‘Hij verdomt ’t om te lopen.’
Zelfs voor een wild blaffende Roos komt het beest niet in beweging.
De man kijkt me schaapachtig aan. ‘Ik weet ’t ook niet. Ik denk dat ik ’m maar ga terugbrengen. ’k Heb duidelijk ’n kat in de zak gekocht…’
‘Misschien moet u met hem naar een hondenpsychiater?’
‘Heb je die ook al tegenwoordig? Wat ze toch niet allemaal voor gekkigheid verzinnen…’
Ik geef de man wat adviezen, maar ze helpen niet veel: we krijgen z’n hond niet aan de praat.
‘Ik geloof wel dat uw hond zo’n zielenknijper kan gebruiken.’
Hij kijkt me verbolgen aan. Dit was weer een verkeerde opmerking van me.
Ik neem afscheid, en wens hem veel succes met z’n hond die niet wil lopen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 193, 19 mei 2017
en Oost-online.

Korzelig kraken

Solo-expositie van kunstenares Gea Zwart met samenwerking van acht dichters: ‘Beweging in de seizoenen’ in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch van 19 april tot en met 4 juli 2017.
In totaal 19 schilderijen op doek, uit de series: ‘Tuin’, ‘Bewegingen in de Seizoenen’ en ‘Mens en Identiteit’.

Bij het schilderij ‘Bloei’ schreef ik het gedicht Korzelig kraken.

Samenwerkingsproject van Poëzie & Kunst, foto’s Gea Zwart.

Voordracht van Korzelig kraken bij de opening van de expositie op 12 mei 2017 in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in Den Bosch.
Registratie: Martin Zwart.

Een hek vol poëzie


In het voorjaar van 2017 was er een expositie van foto’s en gedichten die geïnspireerd zijn op sculpturen in Oost. Het werk hing in de zeven vitrines van Kunsthek, aan het hek van het Oosterpark.

Kunsthek meldt: ‘Méland Langeveld wandelt en kijkt. Kauwt op de werkelijkheid. En schrijft. Mooie gedichten. Observaties. Een hek vol poëzie. Over kunst in het Oosterpark.’

Ik schreef zes gedichten, en liet me daarbij inspireren door deze beelden:
• ‘Communicatie’ (1995) van Aart Lamberts. Het beeld staat aan de noordzijde in het Oosterpark.
• ‘Spelende kinderen’ (1957) van Gerda Rubinstein (de zus van Renate Rubinstein). Het beeld staat op het grote veld van het Oosterpark.
• ‘Bolgewas’ (1969) van Paul Koning. Het beeld staat in het midden van het Oosterpark, langs het water).
• ‘Bokkerijder’ (1957) van Gerrit Bolhuis. Het beeld staat in het midden van het Oosterpark.
• ‘Monument voor De Tachtigers’ (1992) van Jan Wolkers. Het beeld staat aan de oostzijde van het Oosterpark, bij de vijver).
• ‘Man & schaap’ (2003) van Merijn Bolink. Het beeld staat aan de noordzijde van het Flevopark.

Zes ansichtkaarten van deze beelden, samen met de gedichten, zijn voor 5 euro te koop (per stuk zijn ze 1 euro) via Contact van deze site.
Voorbeelden ervan zijn hier te bewonderen.

Reactie van een bezoeker: ‘Toch wel erg leuk om te weten dat je je in de makers van de beelden verdiept hebt. Ik bijvoorbeeld, kijk nu met andere ogen naar de beelden en het gedicht. Heb me voorgenomen om me eens te laten inspireren door een gedicht en daar een schilderij bij te maken. Hartstikke leuk Méland, dat je werk daar hangt, een tijdelijke verrijking van de Linnaeusstraat.’

Op de website van Straatpoëzie.nl zijn de zes gedichten terug te vinden.

IJzeren totempaal

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’, een ijzeren totempaal met chakra’s van beeldend kunstenaar Theo Niermeijer. Het staat in het Oosterpark, en is daar in 1970 geplaatst.

Volgens de kunstenaar zijn het ‘symbolische voorstellingen van menselijke energiecentra’. De ronde figuren (chakra’s) die in deze totempaal zijn afgebeeld, komen uit de Oosterse filosofie (chakra betekent cirkel, wiel).
Theo Niermeijer reist in zijn jonge jaren door India, Tibet en China en raakt onder de indruk van het Zenboeddhisme. Die invloed is in zijn beeldend werk terug te vinden. Hij verdiept zich in de ceremoniën van het Zenboeddhisme, het aanroepen van de goden. ‘Het is een soort bezwering, een exorcisme, het afroepen van bescherming,’ aldus de kunstenaar, die in die periode enorme ‘blow-ups’ van tantra’s en mandala’s maakt. ‘Mijn beelden vormen een antigif tegen alle ellende die van buitenaf je (binnenste) leven verziekt. Ze dienen als middel tot meditatie.’
Niermeijer laat zich in zijn beeldend werk vaak door het spirituele inspireren.
De totempaal ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’ behoort tot zijn vroegere werk. Het zijn totempalen, opgebouwd uit liggende ovalen, met maan- en zonnetekens, spiralen, harten en maskerachtige gezichten. Het latere werk bestaat uit abstractere beelden.

De ijzeren dichter
Theo Niermeijer (1940-2005) volgde diverse kunstenaarsopleidingen in Amsterdam, Antwerpen en Warschau. Hij was in die tijd een daadkrachtig man en een verwoed reiziger.
Zijn vrienden noemden hem ‘de ijzeren dichter’. Een van zijn ateliers bevond zich op Zeeburg. Een enorme lap grond met loodsen, woonwagens, sloopauto’s en oude vrachtwagens. Honderden van zijn sculpturen stonden er tussen wrakken en brandnetels, geleund tegen bomen en muren.
Als je als beeldhouwer door je vrienden ‘de ijzeren dichter’ wordt genoemd dan moet je toch wel iets bijzonders hebben. Die titel kreeg hij van zijn vriend, de dichter Simon Vinkenoog. Zelf noemde hij zich liever ‘de dichter van het schroot’. Die omschrijving van zichzelf was goed gekozen, want hij werkte met afvalmateriaal dat hij vond op scheepswerven, bouwplaatsen en sloperijen waar hij de overblijfselen van de metaal-snijmachines verzamelde.
Vinkenoog had in 1962 al een rake typering van de toen net beginnende Niermeijer: ‘Zijn ontluikende metalen bloemen dragen al bij voorbaat de doem van nooit-ontluiken; zijn fantastische meteorieten komen van geen enkele aarde; zijn opgezette insecten zijn nooit geclassificeerd en gecatalogiseerd; en zijn ijzeren muren en gordijnen monden uit in geen enkele politiek.’

Ode aan het leven
Het werk van Niermeijer laat zich niet eenvoudig voor je winnen. Als je echter de tijd neemt, ga je het lyrische in zijn werk zien. Het afvalmateriaal dat hij gebruikte, verwerkte hij vrijwel zoals hij het had gevonden. Het zijn verwrongen stukken metaal, zaag resten, oude onderdelen, soms met de verfresten er nog aan. Daar maakte hij beelden mee. Soms door er alleen een voetstuk onder te lassen. Zijn werk lijkt daardoor bijna als vanzelf te zijn ontstaan. De kunstenaar wilde vooral het materiaal laten spreken en het op die manier weer teruggeven aan de schepping.
Niermeijer werkte in het wilde weg, toevallig en willekeurig, zonder vast rijm en metrum. Hij had een relatie met de gedachtewereld van het Zenboeddhisme, in die zin dat je wordt geholpen door een ‘onzichtbare hand die het denken stopt en die je helpt scheppen uit de oneindige zee van creatieve mogelijkheden. Het is absoluut noodzakelijk dat je veel werkt, liefst iedere dag om die stroom aan de gang te houden en om je ogen en handen te sturen’ aldus Niermeijer.
Theo Niermeijer gaat de geschiedenis niet in als een grote, vernieuwende beeldhouwer, maar hij heeft zijn leven wel geleefd en met zichtbaar plezier, dat is wat zijn sculpturen uitstralen: een lichtvoetige ode aan het leven.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs nadat ik in het donker langs het kunstwerk liep:

NACHTELIJK TREFFEN

Bevallig, en rond
blikt ze me zonder
blozen aan

zachtjes ademt ze
haar licht in mijn gezicht
overrompelt me naakt

mijn schaduw overmeestert
de nacht, rekt zich
uit in volle lengte

fraai, en rond
blikt ze me vol
emotie aan

wijst me de weg
die ik heb te gaan

welgevormd
is de maan

zo intens
blikt ze

me aan.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.