Drankkegelbode (het vervolg)

Onalledaags

Roos2

De drankkegelbode is nu een vrouw, deze is echter broodnuchter. Ze ziet er veel imponerender uit dan degene die een maand geleden bij me aan de deur stond, maar ook veel bedreigender. Ze heeft nogal wat zwaar materiaal aan haar heupen gegespt, waaronder een vuurwapen en verder wat ondefinieerbare gereedschappen om je vakkundig te vloeren.
Maar voordat ik bij haar aan de balie sta, moet ik mijn jas afgeven. Die komt op een lopende band terecht en wordt, zoals gebruikelijk op luchthavens, gescand. Zelf moet ik door een detectiepoort – en alsof dat niet genoeg is – moet een man me ook nog eens handmatig betasten.
‘De volgende keer als u komt graag uw jas in een bak gooien, anders blijft-ie in de scanner hangen,’ zegt de in uniform gestoken man.
‘Nou, ik hoop hier niet nog een keertje te komen.’
De man lacht schaapachtig, en laat me door.
In een kale betonnen ruimte zitten een aantal wachtenden. Verdachten, net als ik, maar ze zien er écht als verdachten uit. Van die lui die je ’s avonds liever niet tegen het lijf loopt. Met ongeschoren koppen, slonzig gekleed zitten ze wat voor zich uit te staren, of te scrollen op hun smartphone. Bij een van hen gaat de telefoon: ze wisselen wat uit in een Slavisch klinkende taal.
Ondertussen tikt de klok door, de wachttijd loopt flink op. Ik loop naar de balie waar de gerechtsbode kauwend op kauwgum zit te scrollen op haar telefoon.
‘Nog twee mensen voor u.’
Ik haal nog maar een kop koffie.
‘Meneer Langeveld u kunt met me meekomen.’ Samen lopen we naar de deur van de gerechtszaal.
Het is een omvangrijke zaal met een verzameling lege stoelen. Voorin zitten drie personen, twee vrouwen en een man ieder achter een beeldscherm.
Ik moet direct gaan staan voor de reling van het beklaagdenbankje. De vrouwelijke rechter noemt mijn naam die op een lijst staat, maar kan het dossier niet zo snel in haar computer vinden. Ze aarzelt wat, rommelt en vindt dan toch de gegevens.
Ze somt de feiten op. Dat ik ben aangehouden omdat ik niet aan mijn plicht voldeed mijn hond aan te lijnen. Verder haalt ze mijn schriftelijk verweer aan, waarin ik meld dat mijn hond volledig onder appèl staat en daarmee geestelijk aangelijnd is.
Ze kent het woord onder appèl staan niet, en vraagt me wat dit precies inhoudt? Ik vind dit vreemd, maar leg het haar uit: ‘Het heeft me heel veel tijd en energie gekost om dit voor elkaar te krijgen. Er is heel wat vallen en opstaan aan voorafgegaan. Op dat soort mensen, die daar zoveel tijd in investeren, zou de samenleving juist trots op moeten zijn, in plaats van die persoon af te straffen met een geldboete!’
Hierop heeft ze geen antwoord. Ze kijkt van me weg en verstopt zich even achter haar beeldscherm.
‘Maar u bent volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) verplicht uw hond aan te lijnen. Loopt u nu nog steeds los met uw hond over straat?’
‘Ja,’ zeg ik heel eerlijk.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Dus u loopt al die tijd, het is inmiddels alweer 2,5 jaar geleden dat u werd bekeurd, met uw hond onaangelijnd. Heeft u dan niet meer bekeuringen gehad?’
‘Nee.’ Ik besef dat ik deze zaak ga verliezen. Mijn antwoord was te eerlijk, en daar word ik nu op afgerekend. Ik moet het over een andere boeg gooien, anders verlies ik dit en ik wil voor mij en Roos de vrijheid!
‘Ik zal het u sterker vertellen: ik word soms ook door agenten aangesproken, maar ik laat hen dan zien hoe goed mijn hond alle commando’s opvolgt en dan geven ze me complimenten. En mag ik een aanvulling geven op de persoon die mij bekeurd heeft: hij heeft me bijna een jaar lang moedwillig achtervolgd om me op heterdaad te betrappen.’
‘Ah, hij heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt,’ zegt ze geïnteresseerd.
Ik moet hier op doorgaan, dit snijdt hout.
‘Ja, de man is inmiddels uit zijn functie gezet vanwege intimiderend gedrag.’
‘Heeft u een klacht over hem ingediend?’
‘Nee, maar er zijn wel veel klachten over hem binnengekomen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Van een vrouw, zij werkt bij Handhaving. Ik ken haar, ze heeft ook een hond.’

Het woord is nu aan de officier. Ze staat op van haar stoel. Het is een keurige dame, stijfjes, zonder enig menselijke uitstraling. Ze is het tegendeel van de rechter, die zeer beminnelijk op me overkomt. Ze doet haar zegje wat neerkomt op: regels zijn regels. Ofwel: het bekende riedeltje van de gezagdrager in functie. Verder heeft ze notie genomen van mijn verweer, maar vindt ze uit veiligheid voor de openbare orde dat ik mijn hond moet aanlijnen, want een hond kun je nooit voor honderd procent vertrouwen. Ze blijft bij haar eis dat ik de bekeuring moet betalen. Ze weet even niet om welk bedrag het gaat, en zoekt dit in haar computer op.
‘Heeft u hier nog iets aan toe te voegen?’ vraagt de rechter aan mij.
‘Ik ben het volledig eens met de officier dat je een hond nooit voor honderd procent kunt vertrouwen. Ik lijn m’n hond ook altijd aan bij het oversteken van drukke wegen en bij situaties die ik als gevaarlijk inschat. En overigens dat onaangelijnd lopen doe ik niet zomaar: als ik m’n hond niet voor driehonderd procent zou vertrouwen dan zou ik nooit los met haar lopen. Ze is m’n grootste liefde en bezit, dat wil ik niet zomaar kwijtraken onder een auto!’
De rechter knikt instemmend, en vraagt me naar mijn beroep.
‘Ik ben tekstschrijver en redacteur én ik schrijf gedichten. Binnenkort komt m’n dichtbundel uit.’
Ze kijkt zeer belangstellend. ‘En u heeft ook nog geen strafblad zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Dan kom ik nu tot een uitspraak. Ik wijk af van de eis van de officier. Ik leg u een voorwaardelijke straf op, dat betekent dat u deze boete niet hoeft te betalen, maar als u binnen twee jaar toch weer wordt bekeurd voor deze overtreding dan moet u deze alsnog betalen. Begrijpt u?’
‘Begrepen, en bedankt daarvoor.’
‘Dat was het, ik wens u een fijne dag.’
‘Jullie een fijn weekend, antwoord ik, en loop de lange zaal uit naar de uitgang.
Langzaam dringt de overwinning bij me door als ik de trappen af loop op weg naar de buitenlucht. Ik heb het gevoel dat de rechter me ongrijpbaar vond. Zoiets van het heeft geen zin deze man te bekeuren: hij blijft toch met z’n hond loslopen. Dat heeft ze dan volledig bij het rechte eind.
Het voelt heel goed: ik ben eerlijk geweest door te zeggen dat ik nog steeds met Roos losloop. Dat is onze gezamenlijke vrijheid en die heb ik voor ons beiden bevochten. En ik heb een persoonlijke overwinning behaalt op die irritante handhaver die me bijna een jaar moedwillig heeft gestalkt!

Voor wat eraan voorafging klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

De angsthaas

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het ‘Angstig konijn’, in de volksmond al snel de ‘Angsthaas’ genoemd. Het beeld is van kunstenaar en grafisch vormgever Piet Parra, en het staat sinds augustus 2018 in het Flevopark.

De organisatoren van Stichting Appelsap schenken dit beeld aan de gemeente. Jaarlijks organiseren zij in de zomer een hiphopfestival in het Flevopark.
Het beeld is deels gefinancierd door Stichting Appelsap en aangevuld met een subsidie van 35.000 euro van het Mondriaan Fonds en een sponsoring van WeTransfer.
Voor Stichting Appelsap is Piet Parra de meest voordehand liggende keuze omdat hij als kunstenaar, die veel internationaal succes geniet, onlosmakelijk verbonden is aan de Amsterdamse hiphop-, kunst- en modecultuur.

Zelfportret
Parra komt met een reusachtig konijn dat angstig in elkaar gedoken zit. Het beeld is drie meter hoog en 400 kilo zwaar. De schets van Parra laat nog opstaande konijnenoren zien, maar dat idee laat hij in een later stadium los: hij modelleert de oren tegen de schedel. Parra handhaaft wel zijn signatuur in de spitsvormige snoet van het konijn, die spitsvormige kop komt vaker in zijn kunstwerken voor.
De firma Blow Ups – een fabriek voor kunst- en reclame in het Limburgse Heijen – gaat aan de slag om dit ‘opgeblazen’ konijn te fabriceren. Het holle beeld is gemaakt van purschuim en met een staalconstructie versterkt. De buitenhuid bestaat uit glasvezelversterkt polyester.
De kunstenaar noemt het zelf een zelfportret, dan wel een portret van mensen die altijd klagen over festivals.
‘Angstig konijn’ heeft een voorganger, getiteld ‘Anxiety’: het is een urethaanschuimen beeldje uit 2016, slechts 56 bij 60 bij 56 centimeter groot en hardroze van kleur. Het heeft echter wel opstaande konijnenoren.

Weerstand
Het ‘Angstig konijn’ heeft een tijdelijke vergunning van drie maanden gekregen. Blijkt er na die periode genoeg draagvlak voor het kunstwerk te zijn, dan kan de vergunning worden verlengd. Het beeld is op 11 augustus 2018 tijdens het Appelsap festival onthuld.
Maar er is ook weerstand. De Vrienden van het Flevopark laten in een brief aan de wethouder van Kunst en Cultuur weten dat ze tegen de plaatsing van het beeld zijn omdat er volgens hen niet genoeg draagvlak is gecreëerd. Verder is er geen omgevingsprocedure doorlopen. Volgens hen past het beeld ook veel beter op een stedelijke plek, en niet in een natuurlijk park als het Flevopark. Zij willen kunst die past bij het karakter van het park, en waar belangengroepen zoals de Vrienden van het Flevopark en bewoners van de Indische Buurt actief bij betrokken worden.

Piet Parra is de artiestennaam van grafisch ontwerper en illustrator Pieter Janssen (1976). Onder de naam Parra maakt Janssen grafisch werk voor affiches en flyers. Ook ontwerpt hij het design voor een aantal schoenen van Nike, waaronder de Air Max 1: ‘Cherrywood’ en de Air Max 95: ‘The Running Man’. Janssen is mede oprichter en creatief hoofd van het merk Rockwell Clothing, dat vanaf 2015 wordt voortgezet onder de naam By Parra.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Ineengedoken

Ineengedoken sta je zwart
en log in het open veld, zo
tevergeefs opzoek naar
een geschikte schuilplek

angstig konijn, gaven ze je
als titel mee, maar al rap
kreeg je het label angsthaas
opgeplakt, waarom sta je

zo ineengedoken in het
uitgestrekte veld, toon dat je
je angst kan overwinnen
maak je sterk, laat zien dat

je die plek in het Flevopark
waardig bent, kijk met

triomf de wijde wereld in:
laat je vooral niet wegsturen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

Verloren been

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost het metershoge been, met de titel ‘Noch einmal’. Het is van Henk Visch en staat aan de Polderweg, langs het spoor, schuin tegenover bierbrouwerij Poesiat & Kater. Het been is daar eind juni 2018 geplaatst.

‘Noch einmal’ met deze afmeting is in 2011 in opdracht van woningcorporatie Ymere gemaakt. Sinds 1990 maakt Visch al benen met de toepasselijke titel ‘Noch einmal’. De eerste, een goudkleurige van 101 cm hoog, geeft hij als bijschrift unlimited edition, 1990 -. Het exemplaar in groengrijs gepatineerd brons dat nu aan de Polderweg staat, is aanvankelijk bestemd voor een woonwijk in Haarlem maar komt daar nooit te staan. Het gaat eerst naar Amersfoort en loopt daarna toepasselijk door naar Duitsland.
Dit been is het grootste dat Visch tot nu toe heeft gemaakt, bijna zes meter hoog, en heeft nu een permanente plek in Oostpoort gekregen, tegenover woningen van Ymere.

Vertrouwd maar ook vervreemdend
Zijn beelden van menselijke gestaltes zijn direct herkenbaar. Ze zijn bijna altijd gegoten in brons, en hebben een maat die prikkelt. Alles is erop gericht zijn beelden zintuigelijk te ervaren.
Visch zegt daarover: ‘Eigenlijk gaat al mijn werk over staan. Dat zou je best een soort thema kunnen noemen. Al mijn beelden staan op een voet of steunen ergens op. Het staan zoals je zelf ook staat en be-staat. Voeten waarmee je op de bodem staat, nee, niet op de bodem, op de aarde.’
In een e-mail aan Geheugen van Oost schrijft hij: ‘Het been is een werk, dat mij tijdens mijn leven begeleidt, ik maak er steeds weer één als ik een exemplaar verkoop. Het symboliseert mijn leven, het herinnert mij eraan dat ik leef: het been is een stap, het is mijn stap, eigenlijk de stap van iedereen. Een stap en nog één en nog één… Het verbeeldt het leven dat doorgaat, wat er ook gebeurt. De titel “Noch Einmal” doet mij eraan herinneren, mocht ik het ooit vergeten, nog een afgietsel te laten maken. De oplage is onbeperkt, maar het wordt na mijn dood niet meer gemaakt.’
Het eenzame ledemaat is exemplarisch voor Visch’ oeuvre. Op zijn werk is moeilijk een stempel te drukken omdat het zo gevarieerd is. Maar wie dat toch wil doen, zou kunnen zeggen dat het niet standaard is. Zelfs in zijn puur figuratieve beelden is er bijna altijd wel iets dat afwijkt: een beeld zonder arm, of zonder hoofd, of het been zonder de rest van het lijf.

Metafoor voor de realiteit
Henk Visch, in 1950 geboren te Eindhoven, is een veelzijdig kunstenaar die zich uitdrukt in verschillende disciplines. Hij begint als tekenaar en graficus, maar vanaf 1981 gaat hij ook beeldhouwen. De beelden van hem variëren van monumentale in brons gegoten beelden, houtconstructies, grote polyester vormen tot kleine figuren van gevonden materiaal.
Het maken van sculpturen vergelijkt Visch met hardop denken in hout, verf en andere materialen. Hij wil niet zozeer de zichtbare werkelijkheid in beeld brengen, maar het beeld een metafoor laten zijn voor de realiteit van ervaringen.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Verloren been

Benen zijn er om mee te lopen
én op te staan, dat is al zolang
wij op de aardbol rondgaan

echter mijn rechterbeen besloot
op een dag dat-ie liever bleef staan
heel wat argumenten roerde ik aan

toch vond mijn been dat-ie niet
langer moest lopen, hij weigerde
zelfs nog één stap te verzetten

op die bewuste plek heb ik hem
toen maar afgekoppeld, want
ík wilde toch écht verder

sindsdien dicht de dichter met
één been, hinkt nota bene elke
dag langs zijn verloren been

echter met de dag wordt dat
been donkerder én langer
nu is-ie al tot zes meter uitgerekt

de dichter vraagt zich telkens
af tot hoe hoog zijn been
uiteindelijk wortelschiet

en hoopt dat ooit zijn been besluit
het leven weer met hem te delen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

Drankkegelbode

Gerechtsbode

Foto: Candice Storm

De bel gaat, ik vraag via de intercom wie daar is?
‘Gerechtsbode, heb ’n stuk waarvoor getekend mot worde,’ hoor ik iemand mompelen.
Ik loop de trappen af, en bedenk me dat we dan toch bij de rechter op het matje moet komen…
Voor de deur staat een man die ik herken als een alcoholist die vaak dronken in het Oosterpark rondhangt. Hoe kan deze man in godsnaam bode bij de rechtbank zijn?
De man kijkt me schaapachtig aan: ‘Ben u de heer Langeveld?’ Een flinke damp alcohol lift vrolijk met zijn vraag mee.
‘Ja.’
‘En is u voornaam Méland?’
Ik knik instemmend, en ben verbaasd dat hij m’n voornaam juist uitspreekt. Daar wordt in de regel nogal wat mee gehaspeld.
‘Heb ’n gerechtelijk bevel van de rechtbank. Zet u hier naam en handtekening.’ Hij wijst op een vel vol met letters, dat ligt te trillen in zijn hand.
Ik vertrouw dit zaakje toch niet helemaal, want wat moet die zuiplap met mijn gegevens… Maar kennelijk ziet hij mijn vertwijfeling.
‘Ja normaal heb ik ’n uniform an, ’t is me vandaag effe te warm,’ lacht-ie wat dommig.
Ik teken daar waar hij wijst, en zeg tegen hem: ‘Krijg ik dan nu die brief.’ Het komt er nogal dwingend uit, want ik weet me god niet waar ik mijn handtekening onder heb gezet. Zonder een leesbril ben ik een analfabeet in geletterd landschap.
‘Ja, mot ’t toch effe afscheuren,’ antwoordt hij kregelig.
Er wordt tegenwoordig toch ook maar wat uit de kast gerukt en in een baan geplugd.

Bovengekomen scheur ik de enveloppe open. Het is zo’n zelfde enveloppe –alleen een paar maten groter – als waar je je pincode van de bankpas per post meekrijgt: zo quasi geheim, om je het gevoel te geven dat deze brief werkelijk niet te kraken valt.
Het betreft een ‘oproeping verdachte na ingesteld verzet’, zoals het onderwerp in het briefhoofd vermeldt. Ik voel me bij het woord ‘verdachte’ direct al een halve crimineel…
‘Aan u is het navolgende ten laste gelegd: hij, op of omstreeks 9 april 2016, te Amsterdam, als eigenaar of houder van een hond, welke zich bevond op en/of in de omgeving van de Andreas Bonnstraat, althans op en/of aan een weg, niet aan zijn verplichting heeft voldaan ervoor te zorgen dat die hond was aangelijnd.’
We moeten dan eindelijk samen voor de rechter verschijnen, ruim twee jaar nadat we een bekeuring kregen van onze stalker: een doorgewinterde, uitermate fanatieke gemeentelijke handhaver van het type dat onder een fout regime, zonder enige scrupules je beul wordt.
De lange, magere man – stijfjes en strak in het uniform – liep ons bijna een jaar te stalken met maar één doel: ons op heterdaad betrappen. Onlangs zei een van mijn hondenvriendinnen nog het volgende over hem: ‘Is het je weleens opgevallen dat die lange net iets korter is dan jou; dat moet ongetwijfeld z’n frustratie zijn, en de reden dat-ie je op de bon heeft geslingerd!’
Maar Roos en ik gaan naar de rechter, en Roos zal de rechter laten zien dat ze keurig onder appèl aan voet met haar baas – als een volwassen meid – kan lopen, en dat we daarmee een geestelijke lijn met elkaar hebben, en daarmee ‘aangelijnd’ door het leven gaan. Want deze poppenkastvoorstelling willen we beiden niet missen…

Voor het vervolg klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

Publicatie van ‘Maison perdue’

Stichting Literaire Activiteiten Avier publiceerde m’n gedicht  Maison perdue
als weekgedicht op hun website.

Maison perdue

Groen getint geluid ritselt
in het frêle ochtendlicht,
slonzig slungelige slierten
al worstelend door dak
vensters en deuren

het is de vogelkers die
onverschrokken woekert
schaamteloos kraakt ze ’t
verloren huis: geen bed, stoel
én tafel zijn daar voor nodig

onverzettelijk doorbreekt ze
de lijzige stilte terwijl de
dag zich aan haar opricht,
vlagen mist zwalkend door
weerbarstig onkruid

enkele zwaluwen als schimmen
schichtig voorbijflitsend, in
de verte loeit een koe

droomdoorvlochten jaren liggen
hier ademloos dichtbij.

Link naar de website van SLA | Avier

Het gedicht schreef ik in de zomer van 2017 bij een ‘verloren huis’ in Bretagne.
Dit huis gaat de omslagfoto voor mijn nieuwe dichtbundel worden, met als werktitel Het wachten voorbij.

Publicatie van ‘Reçu 5813’


Stichting Literaire Activiteiten Avier publiceerde m’n gedicht Reçu 5813
als weekgedicht op hun website.

Reçu 5813

Vader droeg z’n colbert
als wonend in z’n eigen huis,
nu draag ik vaders realiteit

tast in de gaten van z’n zakken
die overeenkomen met
hiaten in z’n geheugen

van een vader die
de weg kwijt was,
– z’n colbert weifelend droeg –

die moest verkassen naar een
bewaakte plek tussen vier muren
waar hij schreeuwend wakker lag

in de voering een nooit
opgehaalde broek bij de
stomerij: reçu 5813

een zilveren rijksdaalder
relikwie van een
verloren jeugd

ik hang het colbert
in de kast, sluit
het voorgoed af

als de dekplaat
van z’n graf.

Link naar de website van SLA | Avier.

‘Het begon met een dubbeltje’

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het kunstwerk ‘Het begon met een dubbeltje’. Het huizenhoge kunstwerk is aan de zijmuur van de zogenoemde ‘Dubbeltjespanden’ gemetseld, en vertelt de geschiedenis van de panden en haar bewoners.

De Dubbeltjespanden aan de Mauritskade zijn de eerste sociale woningen van Amsterdam. De 28 panden (met daarin 56 woningen) vormen samen een zijstraatje van de Mauritskade, en zijn gebouwd naar een ontwerp van architect Jan Willem Zoutseling.
In 2012 knapt Woonstichting De Key de woningen grondig op. Ter gelegenheid van deze renovatie, en het 145-jarig bestaan van de panden, maakt De Key in nauw overleg met de bewoners dit kunstwerk mogelijk.

Van mattenklopper tot olifant
De Dubbeltjespanden liggen haaks op de drukke Mauritskade, verstopt achter een blinde gevel. Om voorbijgangers iets van de intimiteit van het korte en smalle straatje mee te geven, en nieuwsgierig te maken naar de bijzondere geschiedenis van ‘De Dubbeltjes’ ontwerpt kunstenares Marjet Wessels Boer een huizenhoge, gemetselde letterbak.
Vroeger zaten er in een letterbak bij een drukkerij zetletters. Op die manier verwijst het kunstwerk naar de krant die de Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) uitbracht om leden te werven voor de bouw van de Dubbeltjespanden. Later krijgt de letterbak de functie van toonkast en worden er souvenirs en pronkstukjes in uitgestald.
Ook Wessels Boer gebruikt de letterbak als toonkast. Ze verzamelt persoonlijke en historische verhalen over de Dubbeltjespanden en vertaalt die in aluminium silhouetten. De voorwerpen met een huisnummer zijn aangedragen door huidige bewoners. Het resultaat is een bonte verzameling objecten, van mattenklopper tot olifant. Tezamen schetsen de silhouetten de geschiedenis van een unieke plek in Amsterdam. Een geschiedenis die nog lang niet ten einde is. Niet voor niets laat de kunstenares vakken in de letterbak open in afwachting op verhalen uit de toekomst.

Huurprijs van één gulden 75
De Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) is in 1868 opgericht. Doel van de Bouwmaatschappij is goede, betaalbare woningen voor arbeiders te bouwen die vaak in duurbetaalde, verkrotte woningen leven. Het eerste bouwproject zijn de Dubbeltjespanden, vernoemd naar het wekelijkse dubbeltje dat de leden van de BVEW aan contributie betalen. Door het betalen van de huur en de inleg van dit dubbeltje zouden bewoners na twintig jaar eigenaar van hun woning worden. Dit is uiteindelijk niet gelukt.
De eerste vier Dubbeltjespanden dateren uit maart 1872. Door financiële problemen bij de bouwmaatschappij loopt de bouw van de overige panden vertraging op. Het grootste deel van het straatje is in 1878 gereed. In 1885 zijn de laatste twee panden klaar. De huurprijs bedraagt één gulden en 75 cent (€ 0,80) per week. De panden hebben een beneden- en bovenwoning die elk een eigen toegang hebben. De oppervlakte van de woningen is ongeveer 30 vierkante meter.
Het straatje wordt tegenwoordig hoog gewaardeerd om zijn cultuurhistorische betekenis.
De BVEW ging in de jaren zestig op in ‘Onze Woning’ die in 1996 fuseerde met Woonstichting De Key. De missie van de BVEW is na 145 jaar onveranderd, want ook De Key heeft als doel: het zorgen voor goede en betaalbare huisvesting.

Marjet Wessels Boer (1978) studeert in 2001 af aan de Gerrit Rietveld Academie, en opent haar ontwerpstudio. Studio Wessels Boer verrijkt de openbare ruimte met verrassende objecten of ingrepen die het publiek thuis doen voelen, gezelschap houden en verwonderen. Vaak is het werk van Wessels Boer geïntegreerd in architectuur of infrastructuur.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 200, 18 mei 2018
en Oost-online.