Trouwe huisgenootjes

Onalledaags

Er kruipt een insect over de armleuning van mijn stoel: het is bruin, twee centimeter lang en het heeft twee enorme voelsprieten. Ik probeer het dood te meppen, maar hij heeft me in de smiezen. Het roetsjt vlak voor de inslag van mijn hand de leuning af, sprint over de vloerbedekking naar de plint en verdwijnt door een kier. Een insect met zo’n vaart heb ik nog nooit gezien. Wat zou dit voor een snelheidsmonster zijn?

Enkele uren later kom ik mijn buurvrouw van tweehoog bij de voordeur aan de straat tegen. Ik vraag haar – terwijl ik met mijn duim en wijsvinger de grootte aangeef –
of zij dit insect kent?
‘Nog nooit gezien,’ zegt ze kordaat.
Langzamerhand word ik wel erg nieuwsgierig naar dit rappe beestje. Terwijl ik de trap omhoog loop bel ik een vriend.
‘Het zijn kakkerlakken,’ zegt hij resoluut. Als de donder moet ik van hem de Ongedier-
tebestrijdingsdienst bellen. Anders zal er onherroepelijk een gigantische plaag uit-
breken, voorspelt hij me met een zekerheid die met een eenvoudige optelsom maar tot één uitkomst kan leiden.
Ik kom mijn onderbuurvrouw de volgende dag op de trap tegen. ‘Het zijn mooi wel kakkerlakken hoor,’ zeg ik enigszins aangedaan.
‘Ach buurman, geen paniek, die hebben we al járen in huis. Toen we hier zo’n veertig jaar geleden kwamen wonen, we waren net getrouwd, toen waren ze er al,’ zegt ze lachend. ‘Laatst zat er nog één in de klerenkast op ’t overhemd van m’n man. ’t Zijn trouwe beestjes, die doen je écht geen kwaad hoor.’ Ze strompelt de trap omhoog, met in elke hand een boodschappentas vol pakjes braadboter, instant aardappel-
puree en blikken groenten. Elke keer denk ik, als ik haar zie sjouwen met al dat spul, dat voor haar de oorlog morgen weer kan aanbreken.

Enkele dagen later klopt er iemand aan de deur. Voor me staat een man met een donkergroene brommerhelm op zijn hoofd. Zijn lange lederen jas zit tot aan zijn nek dichtgeknoopt.
‘Ongediertebestrijding,’ zegt hij met een plat-Amsterdams accent.
Ik laat hem binnen.
‘Ik kom net van tweehoog. Hordes kakkerlakken. Mevrouw had ’r een paar in ’n jam-
potje voor me verzameld. Van die dikke, weet u wel, vol met eitjes en hupsakee dat waren ’r anders weer ’n stuk of honderd geweest.’
Hij houdt zijn helm op, het lederen riempje zit strak onder zijn kin vastgesnoerd. Hij is zeker ver in de zestig. In zijn hand houdt hij een blocnote vast. Op zijn gerimpelde gezicht verschijnt een glimlach. ‘Weet u, ik amuseer me kostelijk. Dat nou net híj kakkerlakken heeft. Hij was m’n leraar op de boekhoudcursus. Altijd correct gekleed, in een streepjespak met stropdas. Tja, da’s alweer zeker bijna veertig jaar terug. Maar ik herkende hem meteen.’
‘Dat is grappig,’ zeg ik, ‘mijn buren schijnen die kakkerlakken al jaren te hebben, al vanaf hun trouwen.’
‘Tja meneer, dat hoor ik vaker, maar ’t leidt tot reusachtige plagen. Vooral in die oude woningen en zeker als ’r van die houten schrootjes tegen de wand getimmerd zitten. Daar kruipen ze zo lekker achter. Van die heerlijke warme en vochtige plekjes, daar houden ze ontzettend graag van. Weet u, ze zijn óók nog ’ns hermafrodiet. Begrijp u? ’t Is maar goed dat u ons gebeld heb.’

’s Middags kom ik mijn buurvrouw op straat tegen. Ze komt met twee zware bood-
schappentassen op me af sjokken, en draagt een donkere zonnebril terwijl het zwaarbewolkt is.
‘Buurman, ik heb zo’n vreselijke last van m’n ogen.’
Ik vraag haar hoe dat komt? Ze vertelt me dat ze de kakkerlakken met een spuitbus te lijf is gegaan. De nevel is op haar ogen neergeslagen.

Tien dagen later komen er twee mannen langs, in witte pakken gestoken en met reservoirs op hun ruggen. Samen met mijn hond verlaat ik het pand.
De afgelopen week was mijn buurvrouw nogal aan het kankeren. Ze moest door mijn toedoen haar enorme voorraad aan eten en serviesgoed uit de keukenkasten halen. Ook had haar zoon het afgelopen weekend de vurenhouten schrootjes van de keukenwand gesloopt en keek ze nu, dankzij mij, tegen afgebrokkeld stucwerk.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 172, 26 april 2014, en Oost-online.nl