Kijk uit voor de vrouwtjes

Onalledaags


Vandaag ruikt het naar de lente, de lucht is strakblauw. De knoppen aan de bomen knappen ongevraagd uit hun basten, de groeispurt kan beginnen. Heerlijk in de zon struinen we met z’n tweeën langs de vijver van het Oosterpark. Roos huppelt vrolijk voor me uit. Dat doet ze eigenlijk altijd; voor haar maakt het niet uit of het nu keihard regent of stralend mooi weer is: ze is het zonnetje in m’n leven.
Er zijn vanochtend veel meer mensen in het park, ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Roos is bijna loops, ze wil zelf nog niet maar ruikt wel zeer aantrekkelijk voor de mannen. Goed opletten dus, want voor je het weet zit je met een nest vol puppy’s in huis.
In een mum van tijd komt er in volle vaart een reu aangesneld. Roos’ ranzige geur lokt soortgenoten van heinde en verre aan, en baasjes zijn dan meestal in geen velden of wegen te bekennen. Zo ook nu.
De reu lebbert haar uitgebreid, maar aan Roos zie ik dat ze er niet zoveel zin in heeft. Ze blaft en hapt hem van haar af. Hij wijkt even van haar zijde en gaat daarna vrolijk door. Dan bijt ze pinnig van haar af, trekt haar lippen op en laat haar tanden dreigend aan hem zien.
Het is een flinke hond, een maat groter dan Roos. Wanneer dit mannetje van wanten weet, dan zijn we genadeloos verloren. Waar blijft toch z’n baas?
Eindelijk verschijnt hij ten tonele, en zegt tegen zijn hond: ‘Barrel man, as ’n vrouw nee zegt, dan is ’t ook nee, begrijp dat dan man.’ Hij richt zijn blik naar mij. ‘Die twee kenne wel meedoen in ’n Postbus 51-spot.’ Een flinke walm alcohol onderstreept zijn woorden.
‘Ja, dit is wel zeer duidelijke taal van mijn hond. Ze kan inderdaad wel iets in de voorlichting gaan doen…’
‘Ja, daar ken je nog wat poen mee verdienen met die meid van je. Komt d’r nog wat poen in ’t laadje man. Plaats van dat die honde je bakke geld koste…’
‘Ja inderdaad.’
Hij richt zich tot Barrel: ‘Nee is nee, maffe idioot… Kijk nou maar uit, man. Met vrouwe ken je beter geen mot maken, daar krijg je alleen maar ellende van…’ Hij kijkt me met kleine oogjes aan, en er verschijnt een kinderlijke blik in zijn doorleefde gezicht: ‘Zei m’n ouwe moer al tegen me vroeger: kijk uit voor de vrouwtjes!’ Hij neemt een slok bier uit het blikje, en lacht. Dan gooit hij een stuk touw om de nek van zijn hond, en sjort hem met moeite met zich mee. Barrel probeert zich los te rukken, want die wil met man en macht naar Roos.
‘Koest Barrel, ik heb er nou echt genoeg van. Kom mee!’

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.

Wiegedood

Onalledaags

Wiegedood

In de plassen op straat doorbreken regendruppels het spiegelbeeld van de aaneen-
gesloten huizenrij. Een vaalgele vlag aan de gevel van de drogisterij hangt er als een drijfnatte vaatdoek bij; de wind krijgt er amper beweging in.
Roos houdt haar pas in en schudt haar vacht uit. We zijn beiden al behoorlijk nat geworden op onze weg naar het Oosterpark.
In het park loopt een tiental meters voor me een vrouw in een donkerrode regenjas die tot over haar knieën hangt. Ze draagt bruine, hoge laarzen met spekzolen, die een zuigend geluid voortbrengen. Ze loopt met een ouderwetse kinderwagen – model jaren zestig – en een aangelijnde hond, die haar ondanks zijn manke achter-
poot voorttrekt. Het heeft iets aandoenlijks. De chowchow trekt haar naar een lantaarnpaal, ruikt, tilt zijn manke achterpoot moeizaam op en pist tegen de uitgebeten plek.
Inmiddels is de regen gestopt, en komt de zon stilaan achter de wolken tevoorschijn. Ik haal de vrouw in, en gluur terloops in de kinderwagen. Er ligt geen baby in maar een hondje, goed toegedekt met een roze dekentje. Het kijkt me pienter aan.
Ik kijk de vrouw aan, en knik verlegen met mijn hoofd.
Ze vraagt me hoe mijn hond heet?
‘Roos.’
Met haar donkerbruine ogen kijkt ze me indringend aan. ‘Ben je boos pluk een roos…’ zegt ze vrolijk, en aait Roos over haar kop. ‘Mijn hond heet Dolly.’
Onder haar regenjas bevindt zich een vrijwel vormeloos lichaam, haar gezicht is mollig en aan haar kin zitten enkele zwarte haartjes.
‘We wouen d’r zelfde naam geve als ons overlede dochtertje. Maar toch maar nie gedaan. Wiegedood was ’t volgens dokter, en ik ken nou geen kind’ren meer krijge.’
Het donzige hondje blijft me intens aankijken. Het beestje maakt een heel wijze indruk op me. Het is net alsof ik naar een reïncarnatie van een mens kijk.
Als ik goed naar de vrouw kijk, zie ik dat ze nog jong is. Haar plompe voorkomen maakt haar een stuk ouder.
Met haar hand strijkt ze het groezelig blonde haar naar achteren. ‘We zijn ook verhuisd naar ’n andere buurt, na d’r dood. Je hoorde ze fluistere.’ Met haar hand maakt ze de fluisterbeweging en ondertussen kijkt ze naar het hondje in de kinder-
wagen. Dan barst ze in tranen uit.
Daar sta ik. Wat moet ik zeggen? Alleen omdat ik met een hond voorbijkom en even iets langer een blik in de kinderwagen werp, spreekt ze me aan en giet in enkele minuten een heel drama over me uit.
‘Maar, ik wil hier ook weer weg.’ Ondertussen veegt ze haar tranen met een zakdoekje weg.
‘Maar in Zuid wil ik ook nie wonen. D’r was ’k laatst. Wat ’n kakbuurt zeg.’
‘Nee, dat is ook niks,’ lispel ik. Ik wens haar sterkte en neem afscheid.
Roos hobbelt weer vrolijk met me mee: het maakt haar allemaal niets uit met wie ik sta te praten. Heerlijk zo’n onbevangen kijk op het leven…

Verschenen in Metro, 27 mei 2015
en Dwars door de Buurt, nummer 191, 10 februari 2017.

Roepende in de woestijn

Onalledaags

Roepende
Een laagje mist hangt boven het grote veld waar meeuwen als volleerde voetballers dribbelen, driftig op zoek naar regenwormen. In de verte ziet Roos haar vriendinnetje Tilly. Ze rent erop af en samen sjezen ze over het veld, officieel mogen ze dat niet – het kan je als baas een boete opleveren van maar liefst honderdtwintig euro.
Een tijdje geleden reden twee handhavers met hun scooters dwars over het zompige veld om mij in het midden op de bon te slingeren. Weken erna waren de diepe sporen van hun wielen nog zichtbaar. Dan vraag je je toch af wie brengt hier de grootste schade toe? Toch niet die onschuldige man met zijn lieve hond? Die honderdtwintig euro van me kan het Stadsdeel besteden aan graszaad om de gemaakte sporen weg te moffelen.
We laten onze honden maar even rondrennen: hier hebben ze de ruimte om hun energie kwijt te raken. Want dat heeft een hond in de stad toch écht dagelijks nodig.
Een tiental meter voor ons loopt een vrouw in een donkerblauwe lange regenjas, op haar hoofd een regenkapje, in haar linkerhand een lange witte stok. Ze waggelt een beetje, stopt en roept haar begeleider. In haar andere hand houdt ze het tuig vast waarin hij haar door het leven leidt. Waar is haar trouwe makker?
‘Waar bent u ’m kwijtgeraakt?’
‘Daarachter. Ik heb hem losgemaakt, zodat hij zijn behoefte kon doen, en zich even vrij kon bewegen. Ik doe dat wel vaker met hem.’ In haar stem klinkt lichte paniek door, haar donkere ogen staren me leeg aan. Ze moet zich als een roepende in de woestijn voelen. Stuurloos. Van God verlaten. Haar begeleider heeft zijn vrijheid wel écht genomen.
‘Ik ga ’m voor u zoeken.’
‘Heel fijn van u meneer.’
‘Wat voor ’n hond is het?
‘Een witte labrador.’
Ik tast het grote veld af, maar vang geen glimp van hem op. Dan loop ik naar verderop gelegen struikgewas en zie hem daar flink schranzen. Hoeveel geduld en training heeft het wel niet gekost de eeuwige vraatzucht uit hem te bannen? En als klap op de vuurpijl gaat hij stiekem genieten van die verrukkelijke boterham met leverworst. Deze labrador weet donders goed dat zijn baasje het toch niet ziet. Dit zal-ie vast vaker doen, want labradors staan bekend om hun onwijze gulzigheid.
Ik loop resoluut op hem af. Hij blikt me verschrikt aan, verbaasd dat ik hem kan zíen. Wanneer ik hem benader om hem bij zijn nekvel te grijpen, rent hij van me weg. De struiken uit, en sjokt dan, als de onschuld zelve, naar zijn baas. Ondertussen nakauwend op een korst brood.
‘Waar was je nou Sjors? Toch niet weer aan het vreten?’ Ze schudt haar hoofd, en bevestigt zijn tuig.
Ze bedankt me, en we wensen elkaar een fijne dag. Sjors zit weer in zijn keurslijf, en samen schuifelen ze voort. Hij werpt nog even een blik de struiken in, maar weet zich gelukkig in te houden. Het zou toch een dolkomisch, maar tevens triest, moment zijn als hij dat lekkers toch niet weet te weerstaan en daarmee zijn baas het struikgewas in sleept.

Verschenen in Metro, 28 september 2015.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 189, 28 oktober 2016.

Een mogelijke bekeerling

Onalledaags

Mogelijke bekeerling
Het gras van het grote veld van het Oosterpark kleurt felgroen op door de weerkaatsing van de zon op deze prachtige voorjaarsdag. Het park heeft een ingrijpende renovatie achter de rug, en de grasmat is nog steeds herstellende. De waterplassen van de hevige regenbuien zijn weer verdwenen. De lucht is strakblauw, en vormt met het felle groen een magnifiek contrast.
Het valt me op dat er vanochtend veel meer mensen in het park zijn. Ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Ik neem plaats op een bankje en geniet van de verkwikkende warmte. Op het andere bankje naast me duikelt een jonge man plotsklap voorover. Naast hem staat een nagenoeg lege fles whisky. Dat vormt voldoende bewijs voor me om niet in te grijpen. Roos kijkt verbaasd naar de wijd uitgespreide, lange jas maar ze slaat niet aan. Pas wanneer de dronkaard op handen-en-voeten naar zijn plek terug strompelt, komt ze in actie en wanneer de man een riedeltje terug blaft dan is voor haar de maat vol. Haar hoge blaf weergalmt door het Oosterpark. Na een hoop gestuntel en geklauter zit de man weer rechtop, en is het voor Roos weer in de haak.
‘Ik kan niet meer weg,’ rochelt hij mijn kant op.
‘Nou dan zou ik dat laatste restje maar mooi laten staan.’
Met een glazige blik kijkt hij me aan en knikt instemmend.
‘Blijf maar even rustig zitten.’
‘Ja meneer,’ mompelt hij gedwee.
Geen reguliere drinker. Een onaangenaam bericht heeft hem vast verrast en dat heeft hij flink willen weg zuipen op deze prachtige, zonnige voorjaarsochtend.
Even later staat er een vrouw voor me. Mantelpakje, permanentje, nep parelkettinkje. In haar hand een foldertje dat ze me voorhoudt: JEZUS LEEFT EN KAN U REDDEN, staat er in rood gedrukt.
‘Vandaag niet mevrouw, het is me te mooi weer!’
‘Dankzij Jezus kunt u van de zon genieten meneer.’
Ik moet toegeven dat ze zeer gevat antwoord geeft. Toch schud ik mijn hoofd. Dan loopt ze door. Geen ellenlange dialogen deze keer: dit is een doorgewinterd exemplaar.
Mijn buurman is de volgende klant. De dronkaard krijgt de folder voorgeschoteld.
‘Kan ik uw arm lenen?’ vraagt hij plompverloren.
Niet-begrijpend kijkt ze hem aan en buigt zich naar hem toe. Opnieuw vraagt hij om haar arm.
Ze steekt haar rechterarm uit en hij hijst zich moeizaam aan haar op. Ze moet zich flink schrap zetten om niet uit balans te raken, maar het lukt haar. Met beide handen ondersteunt ze hem. De folder dwarrelt naar de grond. Traag schuifelen ze voort, maar bij het volgende bankje ploft hij als een te zwaar geworden last neer. Zij vleit zich barmhartig naast hem. De dame komt haar gelofte strikt na; zij deelt niet alleen domweg folders uit. In deze man heeft ze het ultieme slachtoffer gevonden.
Een vijftal minuten later sjokken ze door naar een volgende bank. Het bekeren gaat hier in fasen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 186, 20 mei 2016,
en Oost-online.
Eerder verschenen in Trouw en Metro.

‘Beest stinkt’

Onalledaags

papegaai
Er staat een frisse oosterwind, maar hier op een bankje in het Oosterpark zit ik uit de wind en in de zon. Roos, mijn hond, ligt geduldig uitgestrekt voor mijn voeten.
Plotsklaps landt er in de boom vlak naast ons een papegaai. Zijn verendek is felgekleurd rood, geel en blauw, en hij heeft een kromme, bijna witte snavel. Voorzichtig haal ik mijn telefoon tevoorschijn om hem op de gevoelige plaat vast te leggen. Een papegaai heb ik hier niet eerder gezien, maar ik sta nergens meer van te kijken. Door de jaren heen heeft het park een rijke menagerie aan fauna voortgebracht. Wat de mens hier niet al de vrijheid geeft: het schattige waterschildpadje dat in het aquarium blijft doorgroeien en ten slotte in de vijver belandt, of de vogel die een open raam ziet en daarbij een eigenaar heeft die de kooi vergat af te sluiten. Of het konijn dat net voor de kerstmaaltijd weet te ontsnappen en hier vrolijk met de wijfies aan de haal gaat.
Ondertussen komt er een paar op leeftijd aangelopen. Met trotse blik duwt grootmoeder een kinderwagen voort. Het kind dat erin zit, is wat groot uitgevallen. Zijn mond, wangen en handen zitten onder de rode kleurstof van een lolly.
Ze stoppen vlak voor me en het stel wijst naar de felgekleurde verenpracht.
‘Sandertje, kijk eens wat een mooie vogel.’
‘Beest stinkt,’ komt het plompverloren uit zijn mond rollen.
‘Zeg kuttekop,’ klinkt het ad rem vanuit de boom.
De fiere blik is van grootmoeders gezicht verdwenen, en met rood aangelopen wangen maakt het paar zich snel uit de voeten.
Roos staat de papegaai dom aan te kijken. Ze houdt haar kop scheef en kijkt de papegaai recht in de ogen aan. Een pratende vogel? Uit onzekerheid slaat ze aan.
‘Hou je snavel,’ krijst de papegaai.
Ik schiet in de lach. Dit heeft deze papegaai van zijn eigenaar vast vaak te horen gekregen. Repeterende papegaaien zijn uitermate irritant. Vooral als ze overal commentaar op leveren. Deze papegaai heeft ongetwijfeld vaak zijn snavel moeten houden, en wellicht is dat de reden dat hij voor zijn vrijheid heeft gekozen.
Maar Roos weet niet van wijken, blaft vrolijk door.
De papegaai gelooft het verder wel. Hij fladdert op en vliegt een beetje klunzig weg, duidelijk niet gewend te vliegen.
Ik sta op en we lopen door. Het Oosterpark is een papegaai rijker.

Even later kom ik een vrouw met een rollator tegen. Op het mandje voorop zit een kraai. Hij tikt voortdurend met zijn snavel tegen een linnen tas.
‘Kaf, hou toch ’ns op, ik heb nu niks bij me. Ik moet nog naar de slager,’ zegt de vrouw.
De kraai kijkt haar met z’n zwarte kraaloogjes niet-begrijpend aan. Opnieuw gaat hij met z’n snavel tekeer.
‘Kijk toch uit Kaf, verdorie, je maakt m’n hele tas stuk…’
‘Hij heeft vreselijke honger mevrouw.’
Kaf wordt steeds ongeduldiger, en Roos slaat weer aan, maar Kaf is hier totaal niet van onder de indruk: als Woody Woodpecker gaat hij vrolijk door.
‘Het is wel echt uw vriendje, hij weet écht niet van wijken.’
‘Het is echte liefde, meneer… Hij komt iedere dag bij me op het balkon, ik woon vlak bij het park, en dan krijgt Kaf van mij wat tartaar. Daar is-ie dol op. Maar nu heeft-ie me hier in het park zien lopen, en gaat-ie niet meer weg, zonder een stukkie vlees… Gek beest.’
‘Misschien gaat-ie wel met u mee naar de slager?’
‘Tja, Kaf is er gek genoeg voor. Nou ik ga maar ’ns wat tartaar voor ’m halen. Meneer wordt nu wel erg ongeduldig.’
We nemen afscheid, en zij schuifelt met haar rollator met Kaf als bestuurder voorop. Het zou me niets verbazen als die maffe vogel gewoon meegaat naar de slager.

Verschenen in Metro, 21 april 2015.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 184, 19 februari 2016,
en Oost-online.

Zuipende gerechtsbode

Gerechtsbode

Foto: Candice Storm

De bel gaat, en ik vraag via de intercom wie daar is?
‘Gerechtsbode, heb een stuk waarvoor getekend mot worden,’ hoor ik iemand mompelen.
Ik loop de drie trappen naar beneden, en bedenk me dat we dan toch bij de rechter op het matje moet komen…
Door het glas van de benedendeur zie ik een man staan die ik ken als een alcoholist die vaak dronken rondhangt in het Oosterpark. Hoe kan deze man in godsnaam bode bij de rechtbank zijn?
Ik trek de deur open.
De man kijkt me wat schaapachtig aan: ‘Ben u de heer Langeveld?’ Een flinke damp alcohol lift vrolijk met zijn vraag mee.
‘Ja.’
‘En zijn u voornamen Dirk Meland?’
Ik knik instemmend mijn hoofd, en ben verbaasd dat hij Meland juist uitspreekt. Daar wordt in de regel nogal wat mee gehaspeld.
‘Ik heb een gerechtelijk bevel van de rechtbank. Zet u hier naam en handtekening.’ Hij wijst op een vel vol met letters, dat ligt te trillen in zijn hand.
Ik vertrouw dit zaakje toch niet helemaal, want wat moet die zuiplap met mijn gegevens… Maar kennelijk ziet hij mijn vertwijfeling.
‘Ja normaal heb ik een uniform aan, maar ’t is me vandaag te warm,’ lacht-ie wat dommig.
Ik teken daar waar hij wijst, en zeg tegen hem: ‘Krijg ik dan nu die brief.’ Het komt er nogal dwingend uit, want ik weet me god niet waar ik mijn handtekening onder heb gezet. Zonder een leesbril ben ik een analfabeet in geletterd landschap.
‘Ja, ik mot ’t toch effe afscheuren,’ antwoordt hij kregelig.
Er wordt tegenwoordig toch ook maar wat uit de kast gerukt en in een baan geplugd.

Bovengekomen scheur ik de enveloppe open. Het is zo’n zelfde enveloppe (alleen een paar maten groter) als waar je je pincode van je bankpas per post meekrijgt: zo quasi geheim, om je het gevoel te geven dat deze brief werkelijk niet te kraken valt.
Het betreft een ‘oproeping verdachte na ingesteld verzet’, zoals het onderwerp in het briefhoofd vermeldt. Ik voel me bij het woord ‘verdachte’ direct al een halve crimineel…
Aan u is het navolgende ten laste gelegd: hij, op of omstreeks 9 april 2013, te Amsterdam, als eigenaar of houder van een hond, welke zich bevond op en/of in de omgeving van de Andreas Bonnstraat, althans op en/of aan een weg, niet aan zijn verplichting heeft voldaan ervoor te zorgen dat die hond was aangelijnd;’

We moeten dan eindelijk samen voor de rechter verschijnen, ruim twee jaar nadat we een bekeuring kregen van onze stalker: een doorgewinterde, uitermate fanatieke gemeentelijke handhaver van het type dat onder een fout regime, zonder enige scrupules je beul wordt.
De lange, magere man – stijfjes en strak in het uniform – liep ons al meer dan een halfjaar te stalken met maar één doel: ons op heterdaad betrappen. Onlangs zei Marit, een van mijn hondenvriendinnen, nog het volgende over hem: ‘Méland, is het je weleens opgevallen dat die lange net iets korter is dan jou; dat moet ongetwijfeld z’n frustratie zijn, en de reden dat-ie je op de bon heeft geslingerd!’

Maar Roos en ik gaan naar de rechter, en Roos zal de rechter laten zien dat ze keurig onder appèl aan voet met haar baas – als een volwassen meid – kan lopen, en dat we daarmee een geestelijke lijn met elkaar hebben, en daarmee ‘aangelijnd’ door het leven gaan…
De uitspraak van de rechter laat nog even op zich wachten: onze oproep om te verschijnen, is midden in onze vakantie. Eerst moet je meer dan twee jaar op ze wachten en dan roepen ze je op als je met vakantie bent. Vandaag heb ik dan ook een verzoek om uitstel ingediend. Want deze poppenkastvoorstelling willen we beiden niet missen…

Voor het vervolg klik hier.

Verschenen in Metro, 8 juni 2015.

Maffe beesten

Kraai

De zon hangt laag, ze komt net boven de daken aan de Oosterparkstraat uit. Frêle mist hangt boven het grote veld waarop een groep meeuwen landt, dribbelend op zoek naar regenwormen.
Roos sjeest plots van me weg, in de verte huppelt een konijn, het witte staartje hipt vrolijk met elke beweging mee. Dwars door de struiken gaat het nu. Het lijf van Roos komt in sprongen boven het struikgewas uit: ochtendgymnastiek in het Oosterpark. Na een week haar vriendje Bruin – een konijnenjager pur sang – als logeetje te hebben gehad, is het van god los met die meid van me. Ondertussen zit het konijn hoog en droog in zijn hol, maar dat heeft Roos nog niet door, de geur zit flink in haar neus. Maar ze heeft nog nooit een konijn in de kraag gevat.
Even later lopen we weer samen. Roos nog een beetje verwilderd, maar wederom aan voet.
In de buurt van de uitgang, kom ik een vrouw met een rollator tegen. Op het mandje voorop zit een kraai. Hij tikt voortdurend met zijn snavel tegen een linnen tas.
‘Kaf, hou toch ’ns op, ik heb nu niks bij me. Ik moet nog naar de slager.’
De kraai kijkt haar met z’n zwarte kraaloogjes niet-begrijpend aan. Opnieuw gaat hij met z’n snavel tekeer.
‘Kijk toch uit Kaf, verdorie, je maakt m’n hele tas stuk…’
‘Hij heeft vreselijke honger mevrouw.’
Kaf wordt steeds ongeduldiger, en Roos slaat weer aan, maar Kaf is hier totaal niet van onder de indruk: als Woody Woodpecker gaat hij vrolijk door.
‘Het is wel echt uw vriendje, hij weet écht niet van wijken.’
‘Het is echte liefde, meneer… Hij komt iedere dag bij me op het balkon, ik woon vlak bij het park, en dan krijgt Kaf van mij wat tartaar. Daar is-ie dol op. Maar nu heeft-ie me hier in het park zien lopen, en gaat-ie niet meer weg, zonder een stukkie vlees… Gek beest.’
‘Misschien gaat-ie wel mee met u naar de slager.’
‘Tja, Kaf is er gek genoeg voor. Nou ik ga maar ’ns wat tartaar voor ’m halen. Meneer wordt nu wel erg ongeduldig.’
We nemen afscheid, en zij schuifelt met haar rollator met Kaf als bestuurder voorop. Het zou me niets verbazen als die maffe vogel gewoon meegaat naar de slager.

Verschenen in Metro, 28 april 2015.

Bush’s nieuwe oorlog

MGM

Nog geen drie maanden na de aanslag op de Twin Towers (11 september 2001) loop ik over de boulevard van Venice Beach, Los Angeles. Tussen kraampjes met allerlei souvenirs, sieraden, nieuw age-spulletjes en andere hebbedingetjes, en de Aziatische masseurs die massages aanbieden, staat een oud televisietoestel. Het staat op een tafeltje en er gaapt een gat in waar ooit de beeldbuis zat. Voor de televisie hangt een bakje met opschrift: ‘It activates by $1’. Achter het toestel staat een wat oudere man met lang sliertig haar en een slonzige baard.
Een moeder geeft haar dochtertje een dollarbiljet en hij steekt zijn hoofd door het toestel en geeft het meisje aanwijzingen waar ze het geld in moet stoppen. Dan trekt hij een doek als schermvulling omlaag. Het is met het logo van MGM Pictures beschilderd, met een gat in het midden waar hij een speelgoed leeuw al brullend doorheen steekt. Daarna start hij ‘de film’ op. Dat doet hij door het aanleggen van een zandhoopje waar hij twee gewapende soldaatjes op zet. Tijdens hun missie raken ze in een zandstorm terecht en in noodweer waarbij hij de figuurtjes met een waterpistool bespuit. Al snel is het tijd voor de commercial en na de ‘break’ komt hij met een als moslim uitgedoste pop met baard op de proppen. Zou dit Osama bin Laden zijn? Een nogal beladen onderwerp hier in de States. Tijdens Halloween was het officieel verboden als de meest gezochte terrorist verkleed te gaan en ‘sick jokes’ vang ik hier niet over hem op.
Ja het is hem, het is Bin Laden die te grazen wordt genomen. De soldaatjes binden Osama achter een jeep en de commentator meldt dat ze hem met een vaartje van zo’n zevenenveertig miles door de woestijn slepen. ‘Dat is wat we met deze mother-tuut-tuut-tuut doen.’
Het gezicht van de moeder van het dochtertje trekt bleek weg. Ze pakt haar dochtertje beet en sleept haar mee.
De voorstelling prikkelt mijn nieuwsgierigheid meer en meer. Enkele seconden later vliegt het hoofd van het lijf en valt het doek. Voor slechts één dollar laat hij ons zien wat Bush al weken lang zo graag zou willen doen met zíjn vijand in zíjn nieuwe oorlog.

Los Angeles, december 2001.

Verschenen in Metro, 24 augustus 2015.