Vrijpostige barbie

Onalledaags

barbie
Via een opening in de heg valt mijn oog op Willemijn, de buurvrouw, die met een stel kussens de tuin in loopt. Met haar lange blonde haren, smalle schouders, wespentaille, en haar meterslange benen is ze een levensechte barbiepop.
Het toeval wil ook nog eens dat Willemijn barbies verzamelt. Ze heeft de complete reeks, vanaf de eerste barbie die in 1959 op de markt kwam tot aan de allernieuwste. Dat heeft ze me een keer met trots verteld.
Op mijn vraag of ze Barbies vriend, Ken, ook in haar verzameling heeft, antwoordde ze resoluut: ‘Nee, die vind ik absoluut niet leuk, ik vind ’m een vreselijke kwal en ook nog ’ns lelijk!’
Haar vochtige benedenhuis, dat ze met drie pensloten en een ijzeren strip heeft beveiligd, is te klein om haar verzameling naar behoren te etaleren. De meeste liggen languit gestrekt in een schoenendoos, wachtend op mooi weer, want dan mogen haar lievelingen naar buiten.
Elk jaar moet ik op dat spektakel wachten, maar vandaag is de dag aangebroken. De zon schijnt fel en het is al aangenaam warm. Haar halve tuin ligt nu bezaaid met kussens en opgestapelde dozen. Willemijn opent telkens een deksel van een doos, tilt voorzichtig een barbie eruit, trekt het jurkje strak en vleit haar op een kussen. Sommige barbies streelt ze even, van een andere kamt ze de lange blonde haren, en aan een andere ruikt ze even onder de oksel voordat ze haar neerlegt.
Wanneer al haar barbies in de zon liggen, pakt ze de stretcher uit het schuurtje, vouwt hem uit en vleit zich naast haar troetelkinderen. Willemijn heeft een donkerroze jurkje aan dat ze tot aan haar heupen heeft opgestroopt, de bandjes om haar schouder heeft ze omlaag getrokken. Er is slechts één barbie in de verzameling die een identiek jurkje met dezelfde kleur aan heeft.
Naarmate het warmer wordt, staat ze op en loopt haar huis in. Even later verschijnt Willemijn in een lichtpaars badpakje. Opnieuw is ze ijverig bezig met haar barbies. Nu krijgen ze allemaal verschillende badpakjes aan. Sommige krijgen een bikini aangetrokken, en er ligt er nu ook eentje topless. Ze heeft het er maar druk mee. Zou ze de barbies ook nog met zonnebrand gaan insmeren? Ze is er gestoord genoeg voor, maar dat doet ze dan weer niet. De plastieken lijfjes kunnen de versterkte uv-straling als gevolg van de gaten in de ozonlaag klaarblijkelijk goed verdragen.
Een halfuurtje later ligt ze weer op haar stretcher, naast al haar barbies, en smeert ze haar meterslange benen in met zonnebrand. Nog steeds ligt ze in haar badpakje; helaas niet zoals die ene vrijpostige barbie die daar zo heerlijk met spitse borstjes ligt te zonnen.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.

Sultan de sul

De zon schijnt fel. De hitte van de vorige dag hangt nog in het huis. Ik loop de tuin in, maar daar is het nog heter. Op tweehoog aan de overkant blaft een hond. Elke keer als de hond een kat ziet, blaft hij de longen uit zijn lijf. Het lijkt er op alsof zijn leven ervan afhangt. Elke dag hetzelfde treurige tafereel. Steeds weer katten die hij moet verdrijven. Wat een vermoeiende levenstaak heeft hij op zijn schouders genomen. Helaas trekt de doorgewinterde huiskat zich niets van deze grote herdershond aan. Die bevindt zich toch veilig achter tralies ergens ver boven hen.
De hond, Sultan noemen ze hem, zit opgesloten op een balkonnetje van één bij vier meter vanwaar hij dagelijks zicht heeft op de tuinen in het omsloten huizenblok. Met uitzondering van de twee keer per dag dat hij het balkon mag verlaten voor een ‘blokje om’ het huizenblok waar hij zijn dagelijkse drol ergens pontificaal midden op de stoep kan deponeren. Het enige vertier voor de hond vormen de stuk of twintig katten die het blok rijk is. Elke keer trapt Sultan er in. Zijn balkonnetje verdedigt hij met man en macht; er zou toch eens een kat bij hem op het balkon komen… Zelfs met deze hitte houdt Sultan het niet voor gezien.

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in de Amsterdamse Transvaalbuurt wonen. De buurt zat vol met markante figuren waarover geschreven kon worden…
Dit is het tiende stukje van een serie dat ik destijds optekende.

Omstreden abaya

Abaya
Tegenover op driehoog verschijnt een Marokkaans meisje op het balkon. Ze draagt een donkerblauwe hoofddoek.
Ze hangt de was op en laat een abaya uit haar handen glippen. De abaya valt in de tuin. Beduusd kijkt ze naar beneden.
De deur aan de overkant van mijn tuin vliegt open. Een man stuift naar buiten met in zijn hand een flesje pils. Het lijkt erop alsof hij achter de vitrage op het kledingstuk heeft zitten wachten. Furieus schreeuwt hij naar boven.
‘Altijd gezeik met jullie Turk! Altijd smijten rotzooi in mijn tuin.’
Het komische van de situatie is dat hij zelf ook een allochtoon is, een Pakistaan. Geschrokken gaat het meisje naar binnen.
De broer van het Marokkaanse meisje verschijnt op het balkon. Hij biedt zijn excuses aan. De man mompelt nog iets en verdwijnt achter zijn vitrage. De Marokkaanse jongen haalt zijn schouders op en gaat naar binnen en het meisje hangt de was verder op alsof er niets is gebeurd. Als ze klaar is, kijkt ze nog even over de balkonrand naar beneden. De abaya ligt nog op dezelfde plaats.
Een tijdje later gaat de deur van de benedenwoning nogmaals open. De man loopt samen met een politieagente de tuin in. De agente raapt het fel omstreden kleding-
stuk op en spreekt enkele vermanende woorden tegen de man. Opnieuw gaat hij te keer. Het ene naar het andere verwijt slingert hij naar zijn bovenburen. De bewoners van driehoog staan op het balkon en bekijken het gebeuren. Ze begrijpen er niet veel van. Al die consternatie voor een abaya.

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in de Amsterdamse Transvaalbuurt wonen. De buurt zat vol met markante figuren waarover geschreven kon worden…
Dit is het negende stukje van een serie dat ik destijds optekende.

‘Ik mot ook dood’

Vandaag is het een hete dag. Ik loop de deur uit naar buiten. De hitte slaat me flink in het gezicht. Mijn trouwe viervoeter slentert achter me aan, de warmte overvalt ook Elsa want ze sukkelt meer dan ooit. Haar zwarte vacht is in de felle zon een ondraaglijke last, en samen eisen we de schaarse schaduw op.
Op de hoek van de straat houdt een vrouw ons staande. Ze staat op afgetrapte pantoffels en draagt een tot op de draad versleten winterjas. Ze stinkt zodanig dat ik er misselijk van word.
‘Hou oued is-tie hond?’
‘Ze is elf,’ zeg ik trots.
‘Elf maande.’
‘Nee mevrouw, zo jong ziet ze d’r toch niet meer uit, wel!’
‘Is ’t een wijffie? Ik hed ook ’n hondje’, maar nou is-ie dood. Ik mot ook dood,’ klaagt ze en strompelt door.

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in de Amsterdamse Transvaalbuurt wonen. De buurt zat vol met markante figuren waarover geschreven kon worden…
Dit is het zevende stukje van een serie dat ik destijds optekende.

SVP aanbieden in gesloten zak

De in een sjofel pak gestoken man, van naar ik schat een jaar of vijftig, klimt met beide voeten op een fiets die tegen een container aanstaat. Hij duwt de deksel open en steekt zijn ongeschoren kop naar binnen. De inhoud van de groene container komt volgens het er slordig opgespoten opschrift: ‘ten goede aan hulpbehoefenden (met een f) in de Derde Wereld, ook voor Roemenië.’ Dit aldus de mij onbekende stichting Kici.
Met twee vuilniszakken kledij in mijn hand sta ik naast de container te wachten. Ongestoord blijft de man de inhoud inspecteren. Voorbijgangers kijken maar besteden er niet lang aandacht aan.
‘Zullen we ’m d’r maar ingooien?’ zeg ik net iets te hard tegen mijn vriendin.
De verlopen kop komt naar buiten. Met een verwilderde blik in zijn ogen staart hij me aan. Dan waggelt-ie weg, werpt nog even een stuurse blik naar achter en verdwijnt om de hoek.

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in de Amsterdamse Transvaalbuurt wonen. De buurt zat vol met markante figuren waarover geschreven kon worden…
Dit is het vijfde stukje van een serie dat ik destijds optekende.

‘Raszuivere’ broodjes

Ik loop bij de bakker binnen en bestel een halfje volkoren.
‘Moet je kijken wat een rommel,’ zegt het stevige bakkersmeisje en wijst naar buiten naar de overkant.
Ik zie nergens rotzooi liggen, en vraag haar wat ze bedoelt?
‘Ja, kijk daar aan de overkant,’ en wijst naar de slagerij tegenover.
Ik zie ook geen afgekeurd vlees liggen.
‘Ik weet niet wat je bedoelt, hoor,’ antwoord ik enigszins geïrriteerd.
‘Die Turken, bedoel ik.’ Ik kijk nog eens en zie drie Marokkaanse mannen in de slagerij staan.
‘Zeg, niet zo racistisch graag. Wat is er mis met hen?’
De Hollandse slager is ermee opgehouden. Een Marokkaan heeft de slagerszaak overgenomen. Dit gebeurt steeds vaker. De Hollandse middenstand houdt het in mijn buurt niet langer vol. De concurrentie van supermarkten en allochtone winkeliers is moordend. In elke lege winkel komt een allochtone middenstander.
‘Die slager is met de noorderzon vertrokken, zonder iets tegen ons te zeggen,’ zegt ze gepikeerd. ‘Zat er wel in, hij verkocht de laatste tijd alleen nog maar vlees uit de diepvries. Dat kun je niet maken! Ik verkoop toch ook geen diepvries brood… Mijn broodjes zijn knisperend vers!’ en terwijl ze dit zegt, neemt ze een broodje in haar forse hand. ‘Hoor maar.’
Het tijgerbolletje bezwijkt knarsend.
Vandaag besluit ik nooit meer naar die bakkerij te gaan. Voortaan loop ik een straat verder voor mijn dagelijks brood.

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in de Amsterdamse Transvaalbuurt wonen. De buurt zat vol met markante figuren waarover geschreven kon worden…
Dit is het vierde stukje van een serie dat ik destijds optekende.

Een pak Douwe Egberts

Samen lopen we naar de buurtsuper van Joop. Helaas verbiedt een gebodsbordje Elsa de toegang tot het pand. Ik laat haar achter maar weet dat ze de zaak toch binnendringt. Ze hoeft maar voor de elektronische verklikker te gaan staan en de deur opent zich vanzelf.
Het is druk in de zaak; de kassa’s zijn weer eens onderbezet.
En er is vanmiddag ook weer eens consternatie bij de kassa: een agent slaat een vrouw in de boeien en voert haar af. Haar prooi: een pak Douwe Egberts. Joop heeft zijn ogen niet in zijn zak zitten en menigeen verliest bij hem het graaispel.
Inmiddels sjokt Elsa naast me mee. Gelukkig kent Joop haar.
‘Ze wordt al oud maar blijft ondeugend,’ zegt hij lachend.
‘Ja’, ze houdt van gewoontes,’ voeg ik er onnodig aan toe.
Daarmee is de kous als gewoonlijk afgedaan en mag Elsa het laatste gedeelte wachtend in de rij met me doorbrengen.
Bij het afrekenen, blijk ik niet over de nodige duiten te beschikken. Ik pak een paar artikelen die ik toch niet écht nodig heb en geef ze aan het kassameisje. Dit overkomt me net iets te vaak!
Elsa sloft achter me aan naar huis. Ik hoef niet achterom te kijken, het tikken van haar nagels op het trottoir geeft haar positie nauwgezet aan. En zelfstandig oversteken kan ze al jaren!

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in de Amsterdamse Transvaalbuurt wonen. De buurt zat vol met markante figuren waarover geschreven kon worden…
Dit is het derde stukje van een serie dat ik destijds optekende.

Vliegeren?

Het is aan het eind van de ochtend al tamelijk heet in de tuin. In de schaduw van de lindeboom drink ik een bak zwarte koffie. Op driehoog in de hoek van het binnen-
terrein speelt zich een amusant tafereel af. Vanaf het balkon probeert een kind van een jaar of negen een papieren vogel op te laten. Zijn speelterrein is tot pakweg één bij vier meter beperkt. De vlieger bengelt aan een stuk touw voor het raam van de benedenburen. Beteuterd kijkt hij naar het grote klos touw en de bruine arend onder hem. Hoe krijg ik dat ding daar boven aan de hemel, zie ik hem denken. Dat heeft hij ongetwijfeld weleens op de televisie gezien.
Na een halfuurtje van afwikkelen en opwinden van het klos touw en daarbij de vlieger van begane grond tot driehoog heen en weer te hebben laten gaan, besluit de jongen het probleemgeval naast zich neer te leggen. Hij trekt de gloednieuwe rollerskates met ‘turbo-geluid’ aan en manoeuvreert heen en weer over het met wasgoed vol gehangen balkon. Het ‘turbo-geweld’ weerkaatst tussen de vier opstaande gevels van het binnenterrein.
Enkele minuten later trapt hij de skates uit en smijt er één over de balkonrand. Beneden sneuvelt een ruit. Hij trekt aan de keukendeur, maar die geeft niet mee. Hij schreeuwt en krijst. Niemand reageert. Van angst trapt hij tegen de verrotte keuken-
deur en tegen de metalen vuilnisbak. Het haalt niets uit. De deur blijft gesloten. Dan kruipt hij in een hoek ineen en huilt hartverscheurend.

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in de Amsterdamse Transvaalbuurt wonen. De buurt zat vol met markante figuren waarover geschreven kon worden…
Dit is het tweede stukje van een serie dat ik destijds optekende.

Opnieuw verhuizen?

Sinds gisteren wonen we in de Transvaalbuurt.
‘Even uitrusten?’ oppert mijn vriendin.
We stappen de tuin in, draaien ieder een shaggie en steken ’m op.
Aan de overkant op eenhoog staat een vrouw voor het raam te kijken. Ze draagt een vale bloemetjesjurk. De zwarte haren heeft ze vol zitten met gekleurde krulspelden. Met moeite schuift ze het raam omhoog en steekt haar hoofd naar buiten.
‘Gaan jullie óók verhuize?’
‘We zijn nét verhuisd mevrouw.’
Ze fronst haar wenkbrauwen. Haar gezicht is zwaar opgemaakt.
‘O, ik mot d’r uit. Renovasie. Motten die woninge niet gesloopt worde dan?’
Ik schat haar een jaar of vijftig.
‘Voorlopig wordt hier nog niet gerenoveerd.’
Haar gezicht ziet er doorleefd uit. Zelfs de make-up kan het niet langer verbloemen.
‘Nou, ik ben blij dat ’k weg ken. Met al die Turke en Marokkane. Dat eten stink zó.’
Haar gezicht vertrekt daarbij in een grimas.
‘Wij vinden het hier juist een leuke buurt, veel verschillende nationaliteiten.’
Terwijl ik de buurt aan het aanprijzen ben, besef ik dat het weinig zin heeft. Haar houding verraadt dat ze niet in mijn verhaal geïnteresseerd is. Ze schuift het raam naar beneden en loopt ervan weg.
Dit is vast een ouwe, verstokte Transvaalbewoonster?

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in de Amsterdamse Transvaalbuurt wonen. De buurt zat vol met markante figuren waarover geschreven kon worden…
Dit is het eerste stukje van een serie dat ik destijds optekende.