Jesse Dorrestijn zingt ‘Ontwricht’

‘Communicatie’ van Aart Lamberts

Ik heb een rubriek ‘Sculpturen’ in Dwars door de Buurt, de buurtkrant van Amsterdam-Oost, en op de nieuwssite Oost-online. In de reeks ‘Sculpturen van Oost’ beschrijf ik beelden die in de openbare ruimte staan. Daarbij voeg ik gedichten die geïnspireerd zijn op die beelden.
In het voorjaar van 2017 hingen in de vitrines van het Kunsthek, aan het hek van het Oosterpark, zes foto’s van sculpturen, en gedichten die op deze beelden waren geïnspireerd. Kunsthek schreef daarover: ‘Méland Langeveld wandelt en kijkt. Kauwt op de werkelijkheid. En schrijft. Mooie gedichten. Observaties. Een hek vol poëzie. Over kunst in het Oosterpark.’
Ook ‘Communicatie’ van Aart Lamberts hing daar samen met het gedicht ‘Ontwricht’. In het najaar van 2017 hing deze expositie ook in de ramen van de bibliotheek aan de Linnaeusstraat.
Ooit schreef ik op Oost-online over het beeld ‘Communicatie’ van Aart Lamberts, dat sinds november 2009 in het Oosterpark staat.

Ontwricht

Dag van glas
breekt zomaar aan
blinkt en glimt
voelt ijzig aan

een morgen waarin
geen enkel woord rijdt
klooft wakken, klooft
wakken in de tijd

wit duister pareert
tot aan de horizon,
vandaag is de dag
van zijn woord bestolen

geweld is waanzin
van onttoverde tijd,
dichtgetimmerd de dialoog

grauw de sneeuw die
hen het aangezicht dekt
verstard staan ze erbij

sta op, kijk elkaar
recht in de ogen aan

praat met elkaar
vind een uitweg

uit deze ontwrichte tijd.

Nu heeft singer-songwriter Jesse Dorrestijn dit gedicht op muziek gezet, en is dit lied hieronder te horen: het is de première van ‘Ontwricht’ op het podium van de OBA Oosterdok op 24 november 2018. Met Jesse treed ik geregeld op, en dit is het tweede gedicht van mij dat hij op muziek heeft gezet.
Al met al zijn er bij dit beeld nu drie lagen aangebracht: eerst was er de sculptuur ‘Communicatie’, daar kwam een gedicht bij, en dan nu een muzikale uitvoering.
Een vierde laag komt er ook nog aan in de vorm van een videoclip van ‘Ontwricht’.

Registratie: Jan ter Heide.

Geen stad als Amsterdam

Gedichten op gevels


In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel een deel van een strofe uit het gedicht ‘Een Amsterdamsch lied’ van Jan Campert. Het staat op de glazen gevel van de huisartsenpost van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in de Eerste Oosterparkstraat.

In grote witte letters aan de glazen gevel van het gebouw valt te lezen:
Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd.

Het volledige gedicht waar dit deel uitkomt, een lofzang op die prachtige stad, is deze:

Een Amsterdamsch lied

Verlaat ’t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de Beurs
en schepen onder ’t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ’t IJ.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ’t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ’t water stremt
en ’t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche- en Rembrandtplein
de wolken walmen doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ’t ingaan van de nacht.

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ’t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
’t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam.

Jan Campert (1902-1943) is dichter, schrijver, journalist en verzetsman. Hij begint in Den Haag met een verslaggeversbaan bij dagblad De Nieuwsbron. ‘Hij schrijft gemakkelijk en met een onmiskenbare flair,’ aldus een toenmalige collega. Tot zijn werkgebied behoort zo’n beetje alles: rechtbankverslagen, reportages van grote gebeurtenissen, toneel- en danskritieken, literaire kronieken en de dagelijkse sfeerbeschrijvinkjes, de zogenoemde ‘stemmingsstukjes’. In 1922 komt zijn eerste dichtbundel uit, en in de jaren dertig schrijft hij ook enkele romans. In 1929 krijgt hij zijn enige zoon: Remco Campert.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandt Jan Campert in het verzet, maar tijdens een poging een joodse man de Belgische grens over te smokkelen wordt hij in juli 1942 gearresteerd. Een halfjaar later sterft hij in het concentratiekamp Neuengamme.

Jan Campert is vooral bekend van het gedicht ‘De achttien dooden’. Het gedicht gaat over achttien verzetsstrijders die in hun cel op executie wachten.
Campert wordt na de oorlog als een verzetsheld gezien. In 1947 wordt de Jan Campertprijs in het leven geroepen als ‘blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945’.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Domweg gelukkig

Gedichten op gevels

Dapperstraat

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem (1887-1966). Het gedicht staat in zijn geheel op een gevel in de Dapperstraat.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem, geboren in 1887, is de dichter van onsterfelijke regels als:
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood.
(Eerste twee regels uit het gedicht ‘Insomnia’)

Dichter van verlangen
Bloem behoort tot de bekendste en meest gewaardeerde dichters van Nederland. Anders dan tijdgenoten als A. Roland Holst of P.N. van Eyck wordt Bloem nog steeds veel gelezen en geciteerd.
Bloem is de dichter van het verlangen, van de hunkering naar een vervulling of een geluk dat altijd onbereikbaar zal zijn, terwijl de dood steeds dichterbij komt. Berusting voert uiteindelijk de boventoon, gemengd met flarden liefde, genot, aanhankelijkheid en vreugde die de melancholie eigenlijk alleen nog maar sterker maken. In het korte gedicht ‘De nachtegalen’ schrijft hij:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Lijden aan het leven
J.C. Bloem ontdekt de poëzie op vijftienjarige leeftijd. Hij krijgt dan het gedicht ‘Sluimer’ van de jonggestorven Tachtiger Jacques Perk onder ogen. In één klap beseft hij dat gedichten onvoorstelbare werelden openbreken en zijn horizon enorm kunnen verbreden. Vanaf dat moment wil hij niets anders dan dichter worden. Op jonge leeftijd vindt hij aansluiting bij het tijdschrift ‘De beweging’ van Albert Verwey.
Bloem heeft maar vier bundels gepubliceerd, maar die hebben wel tot een groot lezerspubliek geleid. In al zijn werk is de dichter de thematiek van het verlangen trouw gebleven. Hij zei zelf dat hij in zijn poëzie probeerde ‘enkele essentiële dingen van het leven zo uit te spreken, dat dit van mij en van niemand anders zou hebben kunnen zijn.’ Tegelijkertijd schrapt hij uit zijn gedichten bijna alle concrete aanduidingen van personen en plaatsen, zodat ze een heel algemeen karakter krijgen. Bloems poëzie is bovendien van een bedrieglijke eenvoud en helderheid. Die algemeenheid en die helderheid zorgen samen met de universele thematiek van het lijden aan het leven voor de grote aantrekkingskracht van zijn gedichten.
Bloem overlijdt op 10 augustus 1966 in Kalenberg (Overijssel).

Geen molens en klompen
Het ontwerp van het gedicht op de gevel is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar (1929-2017): bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren. Jarenlang is hij ontwerper geweest bij De Nederlandsche Bank: ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in 2008 tegen Trouw. ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Hij verhuisde in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij op 13 juni 2017 overleed.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

De angsthaas

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het ‘Angstig konijn’, in de volksmond al snel de ‘Angsthaas’ genoemd. Het beeld is van kunstenaar en grafisch vormgever Piet Parra, en het staat sinds augustus 2018 in het Flevopark.

De organisatoren van Stichting Appelsap schenken dit beeld aan de gemeente. Jaarlijks organiseren zij in de zomer een hiphopfestival in het Flevopark.
Het beeld is deels gefinancierd door Stichting Appelsap en aangevuld met een subsidie van 35.000 euro van het Mondriaan Fonds en een sponsoring van WeTransfer.
Voor Stichting Appelsap is Piet Parra de meest voordehand liggende keuze omdat hij als kunstenaar, die veel internationaal succes geniet, onlosmakelijk verbonden is aan de Amsterdamse hiphop-, kunst- en modecultuur.

Zelfportret
Parra komt met een reusachtig konijn dat angstig in elkaar gedoken zit. Het beeld is drie meter hoog en 400 kilo zwaar. De schets van Parra laat nog opstaande konijnenoren zien, maar dat idee laat hij in een later stadium los: hij modelleert de oren tegen de schedel. Parra handhaaft wel zijn signatuur in de spitsvormige snoet van het konijn, die spitsvormige kop komt vaker in zijn kunstwerken voor.
De firma Blow Ups – een fabriek voor kunst- en reclame in het Limburgse Heijen – gaat aan de slag om dit ‘opgeblazen’ konijn te fabriceren. Het holle beeld is gemaakt van purschuim en met een staalconstructie versterkt. De buitenhuid bestaat uit glasvezelversterkt polyester.
De kunstenaar noemt het zelf een zelfportret, dan wel een portret van mensen die altijd klagen over festivals.
‘Angstig konijn’ heeft een voorganger, getiteld ‘Anxiety’: het is een urethaanschuimen beeldje uit 2016, slechts 56 bij 60 bij 56 centimeter groot en hardroze van kleur. Het heeft echter wel opstaande konijnenoren.

Weerstand
Het ‘Angstig konijn’ heeft een tijdelijke vergunning van drie maanden gekregen. Blijkt er na die periode genoeg draagvlak voor het kunstwerk te zijn, dan kan de vergunning worden verlengd. Het beeld is op 11 augustus 2018 tijdens het Appelsap festival onthuld.
Maar er is ook weerstand. De Vrienden van het Flevopark laten in een brief aan de wethouder van Kunst en Cultuur weten dat ze tegen de plaatsing van het beeld zijn omdat er volgens hen niet genoeg draagvlak is gecreëerd. Verder is er geen omgevingsprocedure doorlopen. Volgens hen past het beeld ook veel beter op een stedelijke plek, en niet in een natuurlijk park als het Flevopark. Zij willen kunst die past bij het karakter van het park, en waar belangengroepen zoals de Vrienden van het Flevopark en bewoners van de Indische Buurt actief bij betrokken worden.

Piet Parra is de artiestennaam van grafisch ontwerper en illustrator Pieter Janssen (1976). Onder de naam Parra maakt Janssen grafisch werk voor affiches en flyers. Ook ontwerpt hij het design voor een aantal schoenen van Nike, waaronder de Air Max 1: ‘Cherrywood’ en de Air Max 95: ‘The Running Man’. Janssen is mede oprichter en creatief hoofd van het merk Rockwell Clothing, dat vanaf 2015 wordt voortgezet onder de naam By Parra.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Ineengedoken

Ineengedoken sta je zwart
en log in het open veld, zo
tevergeefs opzoek naar
een geschikte schuilplek

angstig konijn, gaven ze je
als titel mee, maar al rap
kreeg je het label angsthaas
opgeplakt, waarom sta je

zo ineengedoken in het
uitgestrekte veld, toon dat je
je angst kan overwinnen
maak je sterk, laat zien dat

je die plek in het Flevopark
waardig bent, kijk met

triomf de wijde wereld in:
laat je vooral niet wegsturen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

Verloren been

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost het metershoge been, met de titel ‘Noch einmal’. Het is van Henk Visch en staat aan de Polderweg, langs het spoor, schuin tegenover bierbrouwerij Poesiat & Kater. Het been is daar eind juni 2018 geplaatst.

‘Noch einmal’ met deze afmeting is in 2011 in opdracht van woningcorporatie Ymere gemaakt. Sinds 1990 maakt Visch al benen met de toepasselijke titel ‘Noch einmal’. De eerste, een goudkleurige van 101 cm hoog, geeft hij als bijschrift unlimited edition, 1990 -. Het exemplaar in groengrijs gepatineerd brons dat nu aan de Polderweg staat, is aanvankelijk bestemd voor een woonwijk in Haarlem maar komt daar nooit te staan. Het gaat eerst naar Amersfoort en loopt daarna toepasselijk door naar Duitsland.
Dit been is het grootste dat Visch tot nu toe heeft gemaakt, bijna zes meter hoog, en heeft nu een permanente plek in Oostpoort gekregen, tegenover woningen van Ymere.

Vertrouwd maar ook vervreemdend
Zijn beelden van menselijke gestaltes zijn direct herkenbaar. Ze zijn bijna altijd gegoten in brons, en hebben een maat die prikkelt. Alles is erop gericht zijn beelden zintuigelijk te ervaren.
Visch zegt daarover: ‘Eigenlijk gaat al mijn werk over staan. Dat zou je best een soort thema kunnen noemen. Al mijn beelden staan op een voet of steunen ergens op. Het staan zoals je zelf ook staat en be-staat. Voeten waarmee je op de bodem staat, nee, niet op de bodem, op de aarde.’
In een e-mail aan Geheugen van Oost schrijft hij: ‘Het been is een werk, dat mij tijdens mijn leven begeleidt, ik maak er steeds weer één als ik een exemplaar verkoop. Het symboliseert mijn leven, het herinnert mij eraan dat ik leef: het been is een stap, het is mijn stap, eigenlijk de stap van iedereen. Een stap en nog één en nog één… Het verbeeldt het leven dat doorgaat, wat er ook gebeurt. De titel “Noch Einmal” doet mij eraan herinneren, mocht ik het ooit vergeten, nog een afgietsel te laten maken. De oplage is onbeperkt, maar het wordt na mijn dood niet meer gemaakt.’
Het eenzame ledemaat is exemplarisch voor Visch’ oeuvre. Op zijn werk is moeilijk een stempel te drukken omdat het zo gevarieerd is. Maar wie dat toch wil doen, zou kunnen zeggen dat het niet standaard is. Zelfs in zijn puur figuratieve beelden is er bijna altijd wel iets dat afwijkt: een beeld zonder arm, of zonder hoofd, of het been zonder de rest van het lijf.

Metafoor voor de realiteit
Henk Visch, in 1950 geboren te Eindhoven, is een veelzijdig kunstenaar die zich uitdrukt in verschillende disciplines. Hij begint als tekenaar en graficus, maar vanaf 1981 gaat hij ook beeldhouwen. De beelden van hem variëren van monumentale in brons gegoten beelden, houtconstructies, grote polyester vormen tot kleine figuren van gevonden materiaal.
Het maken van sculpturen vergelijkt Visch met hardop denken in hout, verf en andere materialen. Hij wil niet zozeer de zichtbare werkelijkheid in beeld brengen, maar het beeld een metafoor laten zijn voor de realiteit van ervaringen.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Verloren been

Benen zijn er om mee te lopen
én op te staan, dat is al zolang
wij op de aardbol rondgaan

echter mijn rechterbeen besloot
op een dag dat-ie liever bleef staan
heel wat argumenten roerde ik aan

toch vond mijn been dat-ie niet
langer moest lopen, hij weigerde
zelfs nog één stap te verzetten

op die bewuste plek heb ik hem
toen maar afgekoppeld, want
ík wilde toch écht verder

sindsdien dicht de dichter met
één been, hinkt nota bene elke
dag langs zijn verloren been

echter met de dag wordt dat
been donkerder én langer
nu is-ie al tot zes meter uitgerekt

de dichter vraagt zich telkens
af tot hoe hoog zijn been
uiteindelijk wortelschiet

en hoopt dat ooit zijn been besluit
het leven weer met hem te delen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

‘Het begon met een dubbeltje’

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het kunstwerk ‘Het begon met een dubbeltje’. Het huizenhoge kunstwerk is aan de zijmuur van de zogenoemde ‘Dubbeltjespanden’ gemetseld, en vertelt de geschiedenis van de panden en haar bewoners.

De Dubbeltjespanden aan de Mauritskade zijn de eerste sociale woningen van Amsterdam. De 28 panden (met daarin 56 woningen) vormen samen een zijstraatje van de Mauritskade, en zijn gebouwd naar een ontwerp van architect Jan Willem Zoutseling.
In 2012 knapt Woonstichting De Key de woningen grondig op. Ter gelegenheid van deze renovatie, en het 145-jarig bestaan van de panden, maakt De Key in nauw overleg met de bewoners dit kunstwerk mogelijk.

Van mattenklopper tot olifant
De Dubbeltjespanden liggen haaks op de drukke Mauritskade, verstopt achter een blinde gevel. Om voorbijgangers iets van de intimiteit van het korte en smalle straatje mee te geven, en nieuwsgierig te maken naar de bijzondere geschiedenis van ‘De Dubbeltjes’ ontwerpt kunstenares Marjet Wessels Boer een huizenhoge, gemetselde letterbak.
Vroeger zaten er in een letterbak bij een drukkerij zetletters. Op die manier verwijst het kunstwerk naar de krant die de Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) uitbracht om leden te werven voor de bouw van de Dubbeltjespanden. Later krijgt de letterbak de functie van toonkast en worden er souvenirs en pronkstukjes in uitgestald.
Ook Wessels Boer gebruikt de letterbak als toonkast. Ze verzamelt persoonlijke en historische verhalen over de Dubbeltjespanden en vertaalt die in aluminium silhouetten. De voorwerpen met een huisnummer zijn aangedragen door huidige bewoners. Het resultaat is een bonte verzameling objecten, van mattenklopper tot olifant. Tezamen schetsen de silhouetten de geschiedenis van een unieke plek in Amsterdam. Een geschiedenis die nog lang niet ten einde is. Niet voor niets laat de kunstenares vakken in de letterbak open in afwachting op verhalen uit de toekomst.

Huurprijs van één gulden 75
De Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) is in 1868 opgericht. Doel van de Bouwmaatschappij is goede, betaalbare woningen voor arbeiders te bouwen die vaak in duurbetaalde, verkrotte woningen leven. Het eerste bouwproject zijn de Dubbeltjespanden, vernoemd naar het wekelijkse dubbeltje dat de leden van de BVEW aan contributie betalen. Door het betalen van de huur en de inleg van dit dubbeltje zouden bewoners na twintig jaar eigenaar van hun woning worden. Dit is uiteindelijk niet gelukt.
De eerste vier Dubbeltjespanden dateren uit maart 1872. Door financiële problemen bij de bouwmaatschappij loopt de bouw van de overige panden vertraging op. Het grootste deel van het straatje is in 1878 gereed. In 1885 zijn de laatste twee panden klaar. De huurprijs bedraagt één gulden en 75 cent (€ 0,80) per week. De panden hebben een beneden- en bovenwoning die elk een eigen toegang hebben. De oppervlakte van de woningen is ongeveer 30 vierkante meter.
Het straatje wordt tegenwoordig hoog gewaardeerd om zijn cultuurhistorische betekenis.
De BVEW ging in de jaren zestig op in ‘Onze Woning’ die in 1996 fuseerde met Woonstichting De Key. De missie van de BVEW is na 145 jaar onveranderd, want ook De Key heeft als doel: het zorgen voor goede en betaalbare huisvesting.

Marjet Wessels Boer (1978) studeert in 2001 af aan de Gerrit Rietveld Academie, en opent haar ontwerpstudio. Studio Wessels Boer verrijkt de openbare ruimte met verrassende objecten of ingrepen die het publiek thuis doen voelen, gezelschap houden en verwonderen. Vaak is het werk van Wessels Boer geïntegreerd in architectuur of infrastructuur.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 200, 18 mei 2018
en Oost-online.

De kunst van het doodgaan

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Gedichten op gevels’ met een gedicht van Rutger Kopland. En wel met de vierde strofe uit het gedicht De kunst van het doodgaan, dat op het raam van Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat 88 staat.

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

Het volledige gedicht waar deze strofe uitkomt, is deze:

De kunst van het doodgaan

Als het zover is – zal ik dan eindelijk
weten wat dat is, doodgaan
jezelf verlaten en weten
dat je nooit terugkeert

soms wanneer ik het koraal hoor
Nu komm’ der Heiden Heiland
doorstroomt mij een vermoeden van
onontkoombaar verlies –
maar wat geeft het

bij het zien van een uitzicht over bergen
een verte die verdwijnt in zichzelf
kan ik worden bevangen door een huiver
voor de eenzaamheid die mij wacht –
maar wat geeft het

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn.

Uit: ‘Een man in de tuin’. Van Oorschot, 2004.

Voorstellingen en scholing
Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat is een trainingscentrum en adviesbureau op het gebied van communiceren met kwetsbare doelgroepen, zoals mensen met dementie, een verstandelijke beperking, een psychische aandoening en ADHD en/of autisme. Theater Veder speelt en traint in zorginstellingen en organisaties door heel Nederland. Zij draagt de ‘Veder Methode’ uit en verspreidt deze om een bijdrage te leveren aan het doorbreken van sociaal isolement. Tijdens de interactieve voorstellingen wordt de doelgroep uitgedaagd tot het maken van wederzijds contact. Dit leidt tot mooie en bijzondere contactmomenten. Naast huiskamervoorstellingen biedt Veder ook voorstellingen op maat en theatervoorstellingen.
Daarnaast verzorgt Theater Veder trainingen en coaching-sessies aan medewerkers in de zorg, mantelzorgers en vrijwilligers. Zij leren de ‘Veder Methode’ toe te passen in de dagelijkse praktijk. Daardoor verbetert het contact met degenen voor wie zij zorgen en neemt het werkplezier toe. Dit leidt uiteindelijk tot een kostenbesparing voor de organisatie.

Bespiegelingen over vergankelijkheid
Rutger Kopland (1934-2012), het pseudoniem van Rutger Hendrik (Rudi) van den Hoofdakker (Hoofd > Kop, akker > land) was hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als psychiater was hij een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding door lichttherapie en slaapverschuiving.
Kopland is lange tijd een van de populairste dichters van Nederland. Hij debuteert in 1966 met de bundel ‘Onder het vee’. Meer dan tien bundels volgen, alsook diverse bundelingen aan essays.
Hij wist heel veel lezers aan zich te binden door zijn persoonlijke en intieme toon. In een onnadrukkelijke, observerende stijl met veel aandacht voor het gewone woord, belicht zijn poëzie algemeen-menselijke thema’s. Veel van zijn gedichten beschrijven een (bijvoorbeeld door een landschap opgeroepen) gestold moment, een kortstondige impressie, die aanleiding vormt tot een bespiegeling over vergankelijkheid, het voorbijgaan van het moment of het scheppingsproces van de dichter. Voor veel lezers en critici weet hij toegankelijkheid, relativering en diepgang te combineren.

En wie kent niet dit beroemde gedicht:

Jonge sla

Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.

Uit: ‘Alles op de fiets’. Van Oorschot, 1970.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

De zeegodin

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Amphitrite’ van beeldhouwer Albert Termote. Het beeld staat, na restauratie, aan het Azartplein op het KNSM-eiland. Het is daar – na nogal wat omzwervingen – in 2009 geplaatst. Het pronkt daar nu weer in de buurt van waar het van 1956 tot 1981 stond.

De beeldengroep is een voorstelling uit de Griekse mythologie. Amphitrite, de dochter van Nereus en zeegodin, berijdt een hippocampi (half paard, half vis), zoon Triton (half mens, half vis) blaast de hoorn. De groep bronzen beelden komt uit het water omhoog, en er spuiten fonteinen. Amphitrite is de vrouw van de zeegod Poseidon. Poseidon is in de Griekse mythologie de god die heerst over zeeën, wateren en hun goden.
De meeste schepen van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM) droegen namen die ontleend waren aan de Griekse, Romeinse of Egyptische mythologie.
Dichter A. Roland Holst schreef een gelegenheidsgedicht voor ‘Amphitrite’, dat op een van de rotsblokken in de fontein staat gebeiteld:

Dochter van Nereus, hoog te paard; hoe raast
de branding, waar uw zoon de zeehoorn blaast!
Luidt weer een eeuw hij in voor onze schepen?
Uw wild hart bleef hun harten steeds het naast.

Zwervend bestaan
Personeel van de KNSM schenkt in 1956 de beeldengroep ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de rederij. Het krijgt een plek in het door tuinarchitect Mien Ruys ontworpen parkje op het KNSM-eiland, midden in een bassin. In 1980 verplaatst de havenactiviteit naar de havens in Amsterdam-West en Rotterdam. Het oostelijk havengebied raakt in verval. De beeldengroep gaat vanaf dan een zwervend bestaan tegemoet. Eerst ligt het nogal wat jaren gedemonteerd en opgeslagen op het terrein van een schroothandel. Maar dan halen de ‘Kroonvaarders’, de vereniging van voormalig personeel van de KNSM, ‘Amphitrite’ uit dit armtierige bestaan. Zij krijgt in 1989 een plek in het water, een rechthoekige betonnen bak op een kunstmatig eiland, grenzend aan de Prins Hendrikkade, tegenover het Scheepvaartmuseum. Daar staat ze tot 2008.
Rond het jaar 2000 beginnen de onderhandelingen over de mogelijke terugkeer van ‘Amphitrite’ naar het KNSM-eiland. Er gaat negen jaar voorbij voordat het zover is. Maar na een grondige restauratie is de beeldengroep teruggekeerd: ‘Amphitrite’ staat nu voor Loods 9 aan de kop van de KNSM-laan.

Beeldhouwer Albert Termote (1887-1978) heeft veel monumenten, beelden, portretten en ruiterbeelden gemaakt. Termote is geboren te Lichtervelde in België. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vlucht hij naar Engeland, en in 1915 trekt hij naar Amsterdam waar hij tot 1918 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten, onder leiding van Jan Bronner, studeert. In 1922 verhuist hij naar Voorburg waar hij de rest van zijn leven blijft. Door de vele tentoonstellingen van Pulchri Studio verwerft hij landelijke bekendheid. Hij krijgt veel opdrachten.
Termote werkt tot zijn 85ste. Op doktersadvies en vanwege moeilijkheden met de huur van zijn atelier besluit hij met het zware beeldhouwerswerk te stoppen. Op 13 juli 1972 slaat hij in zijn atelier vele van zijn gipsmodellen aan stukken. Hij heeft besloten zich alleen nog bezig te houden met kleine plastieken in een atelier aan huis.
Kenmerkend is zijn bescheidenheid waarmee hij met zijn bekendheid omgaat. Tijdens een tentoonstelling, een jaar voor zijn dood, van zijn werken in Museum Swaensteyn zei hij: ‘Ik kan haast niet geloven, dat dit allemaal mijn werk is, maar aan de andere kant, weet ik nog precies waar, wanneer en waarom ik de dingen maakte.’

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Vrede

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Vrede’ van beeldhouwer Hans Reicher. Het beeld staat in het plantsoen aan de Radioweg in de Watergraafsmeer. Het beeld is van brons, en is daar in 1962 geplaatst.

Hans Reicher vervaardigt het beeld ‘Vrede’ niet als een oorlogsmonument, maar het verwijst wel naar de Tweede Wereldoorlog die toen nog niet zo lang geleden had plaatsgevonden. De duif die de vrouw laat wegvliegen symboliseert de bevrijding en de vrede. De vrouw is naakt vrouw, ze zit geknield en geeft de vogel de vrijheid. Begin jaren zestig, in de tijd van plaatsing, is het tamelijk ongewoon een dergelijk realistisch naakt midden in een woonwijk neer te zetten, en het heeft dan ook in de buurt nogal wat protest opgeleverd. Overigens wel tamelijk ludiek van aard.

Wit geschilderde beha
Vrede of niet, zoveel naaktheid is voor velen iets teveel van het goede. Twee keer per jaar krijgt het beeld dan ook een wit geschilderde beha aangemeten. Dat is jaarlijks met luilak, de zaterdag voor Pinksteren, en in de nacht van oud-op-nieuw. Het is een soort collectief ervaren preutsheid die een uitweg vindt in een beschaafde vorm van anoniem vandalisme. Niemand stoort zich eraan. Na een paar dagen poetst iemand de beha gewoon weer weg.
De bronzen naakte vrouw is in die tijd zo’n prominent object in de buurt, dat de aanduiding ‘het beeld’ volstaat, en daarmee wist iedereen om welk beeld het ging.

Hans Reicher (1895-1963), geboren in Berlijn, volgt een opleiding aan de Hochschule für Bildende Künste in Berlijn. In zijn jonge jaren komt hij naar Nederland, waar hij zich eerst in Den Haag vestigt. In 1937 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij docent wordt aan de Hendrick de Keyzerschool.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigt hij onder andere enkele oorlogsmonumenten. Zijn beeldhouwwerken blijven tot aan zijn dood figuratief. ‘Vrede’ is zijn laatste beeldhouwwerk.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het beeld ‘Vrede’ als uitgangspunt:

Zweem licht

Fluisterzacht in
de zonloze dag
laat de wind
bladeren dwarrelen

het is de herfst
in de bomen
van haar dromen
die haar laat stromen

vrij vrij vrij
wil ze zijn,
naakt reikend met
haar handen werpt

ze een duif
in de lucht,
zweem licht
rekt zich ver

voor de vogel uit,
het is de wind die
haar doet glijden

haar voorgoed de
vrijheid geeft.

© Méland Langeveld
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Honderd uit te boomen

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel twee passages uit de novelle ‘Titaantjes’ van Nescio uit 1915. De teksten staan sinds 1995 op de gevels van een appartementencomplex aan de Linnaeusstraat, tegenover het Tropeninstituut.

Het zijn twee verschillende passages uit ‘Titaantjes’ die op de voorgevels zijn aangebracht:
(…) ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.’

(…) En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er één klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’ (…)

Desillusie
In de novelle ‘Titaantjes’ komen vijf jongens elke avond bij elkaar om te filosoferen over het leven. Het thema van de ‘Titaantjes’: het ergste dat je kan overkomen is je plaats innemen in de burgermaatschappij, en dat je daarmee toch een van de vele mannetjes wordt die je verafschuwt. Maar ook de jongens eindigen zo. Behalve Bavink, die schildert een meesterwerk maar snijdt dit vervolgens aan stukken als hij ontdekt dat hij door dit schilderij bereikt wat de vrienden altijd hadden afgezworen: een succesvol en rijk man worden. Hij verdwijnt in een gekkenhuis.
‘Titaantjes’ schetst de desillusie van vrienden die een eigen leven wilden leiden, maar die dit streven door allerlei maatschappelijke hindernissen niet kunnen waarmaken.

Aanstellerij
Nescio, het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh, betekent: ‘ik weet het niet’ of ‘ik wil het niet weten’. Grönloh, geboren op 22 juni 1882, groeit op in Oost waar hij na de openbare lagere school in de Eerste van Swindenstraat naar de driejarige HBS aan de Mauritskade gaat.
Zijn debuut ‘De Uitvreter’ staat in 1911 in De Gids, ‘Titaantjes’ verschijnt daarin in 1915. De verhalen spelen zich af tussen 1900 en 1911. Nescio’s manier van schrijven – zijn directe en natuurlijke stijl – waardeert men in die jaren niet. Dit komt naast zijn taalgebruik waarschijnlijk doordat hij niet altijd ‘godlievend’ schrijft en zijn spelling te modern is (i = hij, werti = werd hij, hatti = had hij). De literaire critici vinden het proza te aanstellerig. Waardering voor Nescio komt pas na de Tweede Wereldoorlog. Nescio overlijdt in 1962.

Geen molens en klompen
De ontwerpen van de teksten op de gevels zijn van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren.
Oxenaar, geboren op 7 oktober 1929, studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en gaat in 1966 aan de slag als ontwerper voor De Nederlandsche Bank. President Jelle Zijlstra geeft hem de opdracht een eerste serie bankbiljetten te ontwerpen. Zijlstra bemoeit zich echter met het proces waardoor het met figuren uit de vaderlandse geschiedenis een vrij conventionele serie wordt. Van Zijlstra’s opvolger, Wim Duisenberg, krijgt Oxenaar wel de vrije hand. ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in een interview in Trouw (2008). ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Oxenaar is van 1979 tot 1991 buitengewoon hoogleraar Industriële Vormgeving aan de TU Delft. En van 1970 tot 1994 werkt hij bij de Dienst voor Esthetische Vormgeving van de PTT, waar hij onder meer verantwoordelijk voor de huisstijl is. Ook ontwierp hij af en toe postzegels.
Hij verhuist in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij onlangs, op 13 juni 2017 overlijdt.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.