Vrede

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Vrede’ van beeldhouwer Hans Reicher. Het beeld staat in het plantsoen aan de Radioweg in de Watergraafsmeer. Het beeld is van brons, en is daar in 1962 geplaatst.

Hans Reicher vervaardigt het beeld ‘Vrede’ niet als een oorlogsmonument, maar het verwijst wel naar de Tweede Wereldoorlog die toen nog niet zo lang geleden had plaatsgevonden. De duif die de vrouw laat wegvliegen symboliseert de bevrijding en de vrede. De vrouw is naakt vrouw, ze zit geknield en geeft de vogel de vrijheid. Begin jaren zestig, in de tijd van plaatsing, is het tamelijk ongewoon een dergelijk realistisch naakt midden in een woonwijk neer te zetten, en het heeft dan ook in de buurt nogal wat protest opgeleverd. Overigens wel tamelijk ludiek van aard.

Wit geschilderde beha
Vrede of niet, zoveel naaktheid is voor velen iets teveel van het goede. Twee keer per jaar krijgt het beeld dan ook een wit geschilderde beha aangemeten. Dat is jaarlijks met luilak, de zaterdag voor Pinksteren, en in de nacht van oud-op-nieuw. Het is een soort collectief ervaren preutsheid die een uitweg vindt in een beschaafde vorm van anoniem vandalisme. Niemand stoort zich eraan. Na een paar dagen poetst iemand de beha gewoon weer weg.
De bronzen naakte vrouw is in die tijd zo’n prominent object in de buurt, dat de aanduiding ‘het beeld’ volstaat, en daarmee wist iedereen om welk beeld het ging.

Hans Reicher (1895-1963), geboren in Berlijn, volgt een opleiding aan de Hochschule für Bildende Künste in Berlijn. In zijn jonge jaren komt hij naar Nederland, waar hij zich eerst in Den Haag vestigt. In 1937 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij docent wordt aan de Hendrick de Keyzerschool.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigt hij onder andere enkele oorlogsmonumenten. Zijn beeldhouwwerken blijven tot aan zijn dood figuratief. ‘Vrede’ is zijn laatste beeldhouwwerk.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het beeld ‘Vrede’ als uitgangspunt:

Zweem licht

Fluisterzacht in
de zonloze dag
laat de wind
bladeren dwarrelen

het is de herfst
in de bomen
van haar dromen
die haar laat stromen

vrij vrij vrij
wil ze zijn,
naakt reikend met
haar handen werpt

ze een duif
in de lucht,
zweem licht
rekt zich ver

voor de vogel uit,
het is de wind die
haar doet glijden

haar voorgoed de
vrijheid geeft.

© Méland Langeveld
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Honderd uit te boomen

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel twee passages uit de novelle ‘Titaantjes’ van Nescio uit 1915. De teksten staan sinds 1995 op de gevels van een appartementencomplex aan de Linnaeusstraat, tegenover het Tropeninstituut.

Het zijn twee verschillende passages uit ‘Titaantjes’ die op de voorgevels zijn aangebracht:
(…) ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.’

(…) En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er één klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’ (…)

Desillusie
In de novelle ‘Titaantjes’ komen vijf jongens elke avond bij elkaar om te filosoferen over het leven. Het thema van de ‘Titaantjes’: het ergste dat je kan overkomen is je plaats innemen in de burgermaatschappij, en dat je daarmee toch een van de vele mannetjes wordt die je verafschuwt. Maar ook de jongens eindigen zo. Behalve Bavink, die schildert een meesterwerk maar snijdt dit vervolgens aan stukken als hij ontdekt dat hij door dit schilderij bereikt wat de vrienden altijd hadden afgezworen: een succesvol en rijk man worden. Hij verdwijnt in een gekkenhuis.
‘Titaantjes’ schetst de desillusie van vrienden die een eigen leven wilden leiden, maar die dit streven door allerlei maatschappelijke hindernissen niet kunnen waarmaken.

Aanstellerij
Nescio, het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh, betekent: ‘ik weet het niet’ of ‘ik wil het niet weten’. Grönloh, geboren op 22 juni 1882, groeit op in Oost waar hij na de openbare lagere school in de Eerste van Swindenstraat naar de driejarige HBS aan de Mauritskade gaat.
Zijn debuut ‘De Uitvreter’ staat in 1911 in De Gids, ‘Titaantjes’ verschijnt daarin in 1915. De verhalen spelen zich af tussen 1900 en 1911. Nescio’s manier van schrijven – zijn directe en natuurlijke stijl – waardeert men in die jaren niet. Dit komt naast zijn taalgebruik waarschijnlijk doordat hij niet altijd ‘godlievend’ schrijft en zijn spelling te modern is (i = hij, werti = werd hij, hatti = had hij). De literaire critici vinden het proza te aanstellerig. Waardering voor Nescio komt pas na de Tweede Wereldoorlog. Nescio overlijdt in 1962.

Geen molens en klompen
De ontwerpen van de teksten op de gevels zijn van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren.
Oxenaar, geboren op 7 oktober 1929, studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en gaat in 1966 aan de slag als ontwerper voor De Nederlandsche Bank. President Jelle Zijlstra geeft hem de opdracht een eerste serie bankbiljetten te ontwerpen. Zijlstra bemoeit zich echter met het proces waardoor het met figuren uit de vaderlandse geschiedenis een vrij conventionele serie wordt. Van Zijlstra’s opvolger, Wim Duisenberg, krijgt Oxenaar wel de vrije hand. ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in een interview in Trouw (2008). ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Oxenaar is van 1979 tot 1991 buitengewoon hoogleraar Industriële Vormgeving aan de TU Delft. En van 1970 tot 1994 werkt hij bij de Dienst voor Esthetische Vormgeving van de PTT, waar hij onder meer verantwoordelijk voor de huisstijl is. Ook ontwierp hij af en toe postzegels.
Hij verhuist in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij onlangs, op 13 juni 2017 overlijdt.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Geloof, Hoop en Liefde

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost de beelden ‘Geloof, Hoop en Liefde’ van de Engelse beeldhouwer Nicholas Pope. Ze stonden sinds 1997 op het dak van de nieuwbouw van het Tropeninstituut (gebouw naast de Muiderkerk), maar staan nu alweer ruim een halfjaar in de tuin van het Tropeninstituut.

Het zijn drie losse beelden vervaardigt van verguld metaal en terracotta. De beelden zien eruit als traditionele katholieke heiligenbeelden. Nicolas Pope verwijst met deze drie beelden naar de vrouwenbeelden die – hoog boven de hoofdingang van het Tropeninstituut aan de Mauritskade – het Nederlands-Indische eilandenrijk, Nederland en Amsterdam symboliseren.
‘Geloof’ en ‘Hoop’ stonden links en rechts op de hoek van het dak van het nieuwbouw gebouw. ‘Liefde’ stond op de begane grond in het gebouw. De beelden verdwenen vorig jaar van het dak en uit het pand nadat het Tropeninstituut dit gebouw verliet.

Brokken pure natuur
Vanaf het midden van de jaren zeventig maakt Nicholas Pope (1949) beelden van hout en steen, het zijn materialen uit zijn directe omgeving. Zijn beelden bestaan vaak uit verscheidene delen, die op elkaar gestapeld zijn of geformeerd tot een lijn of een groep. Ze roepen associaties op met de directheid en ongecompliceerdheid van het platteland, de omgeving waarin hij woont én werkt in Engeland.
Hoewel de materialen een langdurige en moeizame bewerking ondergaan hebben, zien zijn beelden eruit als brokken pure natuur. De kracht en de robuustheid van het materiaal blijven altijd zichtbaar. Zijn beelden hebben een krachtige, abstracte uitstraling, maar door het gebruik van natuurlijke materialen als hout en kalk bezit het tevens een ‘zachte’ kwaliteit.
Naast de invloed van de natuur zijn het twee reizen – die hij in de jaren zeventig naar Roemenië maakt –, die grote invloed op zijn werk hebben gehad. Hij voelde zich nauw verwant met de Roemeense plattelandsbevolking, en met de eeuwenoude nog voortlevende tradities. Vooral de oeroude, ingenieuze bouwconstructies van stapelingen en stuttende palen maakten diepe indruk op hem.
In de loop van de jaren tachtig gaat Pope over op materialen als keramiek, aluminium en stof. De beelden die vanaf die tijd ontstaan, bevatten vaak licht ironische verwijzingen naar christelijke thema’s of figuren, zoals de twaalf apostelen of de drie-eenheid.

Naïef kleiwerk
In 1987 trekt Pope zich tijdelijk terug uit de kunstwereld. Vijf jaar later pakt hij zijn artistieke carrière weer op en komt hij met naïef uitziend kleiwerk voor de dag. Religie en Christendom worden dan belangrijke thema’s in zijn werk. De beeldengroep ‘Geloof, Hoop en Liefde’ zijn daar een voorbeeld van.
Pope volgt zijn studie aan de Bath Academy of Art (Engeland). Zijn werken hebben door de jaren heen op vele tentoonstellingen gestaan. In 1981 wijdt het Kröller-Müller Museum een retrospectief aan hem. Een of meerdere werken van Nicolas Pope zijn in het bezit van het Kröller-Müller Museum, Rijksmuseum Twenthe, Stedelijk Museum in Den Bosch en het Centraal Museum in Utrecht.

‘Hoop’ staat nu in de tuin.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.

Fata morgana

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Fata Morgana’ van Iris Le Rütte. De drie plaatstalen beelden staan langs de spoordijk ter hoogte van de Ringdijk en de Wibautstraat. De drie dromedarissen strekken zich uit over een lengte van 15 meter, en zijn daar in 2005 geplaatst.

De dromedarissen hobbelen onverstoorbaar langs het spoor, tussen de razende treinen en de auto’s van de Wibautstraat. Ze bewegen zich door deze desolate stedelijke woestenij als drie donkere silhouetten langs de horizon, op weg naar het oosten.

Stedelijke woestijn
Iris Le Rütte in een radio-interview: ‘Het is begonnen met een studieopdracht voor de Wibautas waarvoor tien kunstenaars waren uitgenodigd. Ik had een aantal plekken van die Wibautas er uitgelicht om te kijken of ik daar een iets minder unheimischer plek van kon maken. Op een foto had ik de drie dromedarissen getekend. Ik wilde een soort vervreemdend effect, het is daar écht een stedelijke woestijn. Ik zag die horizon voor me en het was een non-plek, echt een plek waar je niet wilde zijn. Ik zag dat voor me en dacht als daar die drie dromedarissen lopen, doen ze mee met al die verkeersstromen: de fietsers, de auto’s, de treinen, de metro’s en ze gaan er tegenin. Ze gaan de andere kant uit, richting het oosten, ook heel symbolisch. Die plek is nu volgens mij veel minder unheimisch geworden.’ (Interview op NPO-radio 1, november 2015).

Eeuwig balanceren
Het werk van Iris Le Rütte is veelzijdig, poëtisch en gelaagd. In haar beelden voor de openbare ruimte lijkt zij het leven van de feeërieke kant te tonen, maar bij nadere beschouwing blijkt haar werkelijkheid eerder ambigu. Iris nodigt in haar beelden de beschouwer uit om plaats te nemen in haar universum, waarin mensen, dieren en dingen naar evenwicht moeten zoeken en eeuwig balanceren op de rand van het mogelijke. Haar beelden brengen het publiek even in een andere wereld, die de werkelijkheid niet schuwt, maar waar ook ruimte is voor transformatie en verstilde bezinning in plaats van een snel oordeel.
Inspiratiebronnen voor Le Rütte zijn onder meer de dichtkunst en de klassieke literatuur.

Iris Le Rütte (Eindhoven, 1960) is beeldend kunstenaar en dichter. Zij studeerde aan de Amsterdamse Academie voor Beeldende Vorming en de Rijksakademie van Beelden Kunsten. Zij maakt grote sculpturen voor de openbare ruimte.
Haar werk bevindt zich in musea zoals Beelden aan Zee, en in bedrijfscollecties zoals van Ahold en Akzo Nobel.
Onlangs verscheen haar debuutbundel Ik dicht je bij me, waarin haar gedichten verlucht zijn met eigen tekeningen. Iris’ werk kenmerkt zich door ambiguïteit: waar het op het eerste gezicht harmonieus en lieflijk lijkt over te komen, blijkt daaronder veelal een donkere laag die daarmee contrasteert, schuurt of wringt. Maar de verwondering over het leven, in al zijn aspecten, blijft altijd zichtbaar. Haar werk wordt gezien als toegankelijk, semirealistisch en sprookjesachtig, waarbij silhouetten, schaduwen, spiegelbeelden, mensvormen en dieren een belangrijke rol spelen.

Het gedicht ‘Echt’ van Iris le Rutte:

ECHT

De wolken hebben pootjes
en grazen in het blauwe gras.
Een schoorsteen steekt scheef
uit het rode dak, de rookpluim
buigt schuin om de koperen zon
de hoogte in. Lieveheersbeestjes
kruipen door glutonlicht, waarin alles
niets weegt. Hier heeft mijn
hoofd gewoond, toen de wereld
nog in een jampot paste. Geen ladder
om eruit te komen.

Dit gedicht behaalde de Top 20 van de Turing gedichtenwedstrijd in 2014.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 193, 19 mei 2017
en Oost-online.

IJzeren totempaal

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’, een ijzeren totempaal met chakra’s van beeldend kunstenaar Theo Niermeijer. Het staat in het Oosterpark, en is daar in 1970 geplaatst.

Volgens de kunstenaar zijn het ‘symbolische voorstellingen van menselijke energiecentra’. De ronde figuren (chakra’s) die in deze totempaal zijn afgebeeld, komen uit de Oosterse filosofie (chakra betekent cirkel, wiel).
Theo Niermeijer reist in zijn jonge jaren door India, Tibet en China en raakt onder de indruk van het Zenboeddhisme. Die invloed is in zijn beeldend werk terug te vinden. Hij verdiept zich in de ceremoniën van het Zenboeddhisme, het aanroepen van de goden. ‘Het is een soort bezwering, een exorcisme, het afroepen van bescherming,’ aldus de kunstenaar, die in die periode enorme ‘blow-ups’ van tantra’s en mandala’s maakt. ‘Mijn beelden vormen een antigif tegen alle ellende die van buitenaf je (binnenste) leven verziekt. Ze dienen als middel tot meditatie.’
Niermeijer laat zich in zijn beeldend werk vaak door het spirituele inspireren.
De totempaal ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’ behoort tot zijn vroegere werk. Het zijn totempalen, opgebouwd uit liggende ovalen, met maan- en zonnetekens, spiralen, harten en maskerachtige gezichten. Het latere werk bestaat uit abstractere beelden.

De ijzeren dichter
Theo Niermeijer (1940-2005) volgde diverse kunstenaarsopleidingen in Amsterdam, Antwerpen en Warschau. Hij was in die tijd een daadkrachtig man en een verwoed reiziger.
Zijn vrienden noemden hem ‘de ijzeren dichter’. Een van zijn ateliers bevond zich op Zeeburg. Een enorme lap grond met loodsen, woonwagens, sloopauto’s en oude vrachtwagens. Honderden van zijn sculpturen stonden er tussen wrakken en brandnetels, geleund tegen bomen en muren.
Als je als beeldhouwer door je vrienden ‘de ijzeren dichter’ wordt genoemd dan moet je toch wel iets bijzonders hebben. Die titel kreeg hij van zijn vriend, de dichter Simon Vinkenoog. Zelf noemde hij zich liever ‘de dichter van het schroot’. Die omschrijving van zichzelf was goed gekozen, want hij werkte met afvalmateriaal dat hij vond op scheepswerven, bouwplaatsen en sloperijen waar hij de overblijfselen van de metaal-snijmachines verzamelde.
Vinkenoog had in 1962 al een rake typering van de toen net beginnende Niermeijer: ‘Zijn ontluikende metalen bloemen dragen al bij voorbaat de doem van nooit-ontluiken; zijn fantastische meteorieten komen van geen enkele aarde; zijn opgezette insecten zijn nooit geclassificeerd en gecatalogiseerd; en zijn ijzeren muren en gordijnen monden uit in geen enkele politiek.’

Ode aan het leven
Het werk van Niermeijer laat zich niet eenvoudig voor je winnen. Als je echter de tijd neemt, ga je het lyrische in zijn werk zien. Het afvalmateriaal dat hij gebruikte, verwerkte hij vrijwel zoals hij het had gevonden. Het zijn verwrongen stukken metaal, zaag resten, oude onderdelen, soms met de verfresten er nog aan. Daar maakte hij beelden mee. Soms door er alleen een voetstuk onder te lassen. Zijn werk lijkt daardoor bijna als vanzelf te zijn ontstaan. De kunstenaar wilde vooral het materiaal laten spreken en het op die manier weer teruggeven aan de schepping.
Niermeijer werkte in het wilde weg, toevallig en willekeurig, zonder vast rijm en metrum. Hij had een relatie met de gedachtewereld van het Zenboeddhisme, in die zin dat je wordt geholpen door een ‘onzichtbare hand die het denken stopt en die je helpt scheppen uit de oneindige zee van creatieve mogelijkheden. Het is absoluut noodzakelijk dat je veel werkt, liefst iedere dag om die stroom aan de gang te houden en om je ogen en handen te sturen’ aldus Niermeijer.
Theo Niermeijer gaat de geschiedenis niet in als een grote, vernieuwende beeldhouwer, maar hij heeft zijn leven wel geleefd en met zichtbaar plezier, dat is wat zijn sculpturen uitstralen: een lichtvoetige ode aan het leven.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs nadat ik in het donker langs het kunstwerk liep:

NACHTELIJK TREFFEN

Bevallig, en rond
blikt ze me zonder
blozen aan

zachtjes ademt ze
haar licht in mijn gezicht
overrompelt me naakt

mijn schaduw overmeestert
de nacht, rekt zich
uit in volle lengte

fraai, en rond
blikt ze me vol
emotie aan

wijst me de weg
die ik heb te gaan

welgevormd
is de maan

zo intens
blikt ze

me aan.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.

Doe je ogen even dicht…

Sculpturen

doe-je-ogen-dicht

Tekst en fotografie: Méland Langeveld
Gedicht: K. Michel

In de reeks Sculpturen van Oost het onlangs officieel geopende herinnerings-monument langs het talud van de spoordijk aan de Tugelaweg (Transvaalbuurt). De tekst langs het talud beweegt zich horizontaal als één lang doorlopend lint,
en begint bij het Tugelahuis (Maritzstraat).

De tekst schetst een bijzonder mooi beeld van het ontstaan van de Transvaalbuurt, waar eens de koeien in de weide stonden, over de mensen die er kwamen wonen, wat ze deden, hoe het straatbeeld eruitzag, en wat er met hen in de Tweede Wereldoorlog gebeurden…
Woningcorporatie Ymere vraagt schrijver en dichter K. Michel een tekst te schrijven voor dit herinneringsmonument. Grafisch ontwerpster Hansje van Halem geeft de tekst vorm. De stedelijke vernieuwing van de Transvaalbuurt, waaraan Ymere al een aantal jaren werkt, is de aanleiding voor dit bijzondere kunstproject. De nieuwbouw en renovatie van de woonblokken aan de Tugelaweg brengt historisch bewustzijn, idealen van de sociale volkshuisvesting en de huidige stedelijke en maatschappelijke ontwikkelingen samen. Met de stedelijke vernieuwing wil Ymere het verleden van de buurt niet wegpoetsen maar daarentegen de Joodse historie en de sociale geschiedenis zichtbaar maken.

Diamantwerkers en venters
Een echte uitdaging is het om het beladen verleden van deze wijk naar het heden te vertalen. Het herinneringsmonument, dat de dichter en de vormgeefster in nauwe samenwerking met elkaar hebben ontwikkeld, laat ons een plek zien die naar de Joodse geschiedenis van de buurt verwijst. De tekst gaat over een buurt van voor de Tweede Wereldoorlog, een levendige buurt van vooral diamantwerkers en venters, een buurt van ondernemerschap en handel. Tegelijk laat het het verlies van zoveel Joodse bewoners van de Transvaalbuurt zien.
Het talud van de spoorbaan, tussen de Maritzstraat en de Cillierstraat, is door Stadsdeel Oost als een openbare groenzone ingericht. Een slingerend wandelpad verbindt speel- en verblijfplaatsen; een ontmoetingsplek voor de buurt, net als vroeger toen hier de handkarrenloodsen van de venters stonden.
Het pad met een lengte van driehonderd meter – plusminus vijf minuten lopen – leidt langs de tekst die op de bijzonder ontworpen keerwand van het talud is aangebracht. De wandeling vraagt, en geeft, aandacht voor de Transvaalbuurt, voor de buurtbewoners en voor het verleden. De snelheid en de beleving van de wandeling is voor een ieder anders.

Bijzondere uitvoering
De lichtgroene wand heeft een veertig centimeter hoge tekstband. De tekst is uit een metalen plaat gesneden en gegalvaniseerd. Daarna is het in een lichtgroene neutrale kleur – de kleur die ook in de geglazuurde tegels in de bebouwing aan de overkant van de straat terugkomt – gepoedercoat, en op de wand bevestigd.
De verdikkingen in een aantal spijlen vormen samen één letter. De vorm tussen de spijlen is uit de plaat gesneden. De letters komen als het ware uit het niets tevoorschijn en zijn tegelijk onlosmakelijk aan de plaat verbonden. Voor- en achtergrond, tekst en bladspiegel, vormen één geheel. Geschiedenis, het vooroorlogse leven, verblijf en een wandeling komen er samen.

Dichter en ontwerpster
K. Michel (1958) schreef dit gedicht speciaal voor dit kunstproject. Het gedicht is, aldus de dichter: ‘iets uitgebreider dan de tekst van het herinneringsmonument. Om praktische redenen heb ik hier en daar inkortingen aangebracht. Een ander verschil is dat het gedicht van boven naar beneden loopt en witregels heeft tussen de strofen, terwijl de tekst langs het talud geen witregels kent en zich horizontaal beweegt als één lang doorlopend lint.’
Het werk van Hansje van Halem (1978) krijgt steeds meer bekendheid. Haar letterontwerpen en grafische patronen voor schutbladen hebben een bijzonder karakter. Haar ontwerpen, en de door haar vormgegeven boeken zijn al op veel tentoonstellingen te zien geweest.

Het gedicht van K. Michel:

VAN HIER NAAR TOEN

doe je ogen even dicht, maak je blik leeg
en stel je voor dat dit ooit polderland was
eeuwenlang gras, sloten, koeien, schuurtjes

tot het ineens veranderde in een gebied
vol huizenblokken, straten en pleinen
zeg maar, in de periode voor de oorlog

kijk hier op de hoek was een haringstal
daar stond Fransman weer of geen weer
haring schoon te maken, nieuwe voor 3 cent

en hier schuin tegenover woonde zanger
dirigent Meijer Smeer en iets verderop
was de banketbakkerij van Pront en ginds

stonden karrenloodsen voor straatventers
daar werden ook spandoeken geschilderd
in de verkiezingstijd, plakkaten en banieren

het was een tijd vol onrust en vernieuwing
het was een levendige wijk waar veel mensen
uit de oude Jodenbuurt naar toe waren verhuisd

een wijk waarin diamantwerkers woonden
onderwijzers, straatventers en handelaren
een wijk met een veelal rode mentaliteit

waar zondags rumoerig werd gediscussieerd
over werkelijk alles door de mannen op straat

een wijk waar geknikkerd werd op de stoep
hoedentikkertje gespeeld en diefje met verlos

waar het sjabbatsmaal op vrijdag het hart van alles was
familie en kippensoep, gezellige drukte en snoepgoed

een wijk waar je bij veel winkels op de lat kon kopen
en waar men elkaar hielp ondanks of juist door de armoe

waar in de winter lange ijsglijbanen werden aangelegd
waar je ’s nachts treinen stoom kon horen afblazen

waar werklozen elke dag moesten stempelen
en elf soms zestien gulden per week kregen

waar op het Transvaalplein een meiboom vol slingers stond
waar omheen werd gedanst op de dag van de arbeid

waar ambtenaren bij steuntrekkers aan huis kwamen
en ter controle in kasten keken en tandenborstels telden

waar een synagoge statig in de Linnaeusstraat verrees
daar waar na de sloop een flatgebouw werd neergepoot

waar douchen in het badhuis een dubbeltje kostte
en waar je aan de rand van de buurt slootje kon springen

een woonwijk voor de oorlog waar in de zomer
bonen op straat werden gedopt en waar af en toe
na provocaties stevig met de NSB werd geknokt

voor de oorlog toen van de Joodse bewoners nog niet
bijna iedereen was weggevoerd en vermoord

voor de oorlog toen er bij het overvliegen van de zeppelin
drommen mensen verbaasd op de spoorbrug stonden
en toen de vele zangkoren namen droegen als ‘Dageraad’
‘Morgenrood’ ‘Kunst na arbeid’ en ‘Klimop’

voor de oorlog toen de hele Tugelaweg nog vieren kon
dat Sara Goedel-Trijtel honderd jaar was geworden

stel je de straat voor die dag versierd met vlaggetjes
kijk, er staat een grote muziektent voor haar huis
de opperrabbijn spreekt de jarige toe en de koningin
stuurt gelukwensen en schenkt haar een ruststoel
het weer is fris maar helder ’s avonds valt een buitje
het is juli 1937 en het rommelt al stevig in het oosten
maar zoiets als oorlog lijkt nog onvoorstelbaar ver weg.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 191, 10 februari 2017,
en Oost-online.

Ingegraven hoofd

Sculpturen

ingegraven-hoofd

In de reeks Sculpturen van Oost ‘Bolgewas’ van Paul Koning. Het beeld staat in het Oosterpark, en is daar in 1969 geplaatst.

Het beeld is in brons gegoten. Oorspronkelijk is ‘Bolgewas’ in beton uitgevoerd, maar in de jaren zeventig is het door vandalen onthoofd. Een nieuw exemplaar in brons komt ervoor terug. Een flinke glimlach op het gezicht trekt de aandacht. Het is een vrolijk beeld van een klein mannetje ondergronds.
Elke ochtend loop ik er samen met mijn hond langs, en elke keer kijkt hij me jolig aan. Zijn hoofd en schouders steken als een soort van bolgewas uit het gras omhoog. Hij staat in het middendeel van het park, langs het water, in de buurt van de Bokkenrijder.
Met z’n lach op zijn gezicht blijft hij zin in het leven hebben, ondanks dat-ie daar zo ingegraven staat. Als kind groef je jezelf nog weleens op het strand in, alleen je hoofd stak dan boven die berg zand uit.
Een andere gedachte over ‘Bolgewas’ vond ik bij Pierre’s column: “‘Wie zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, die wordt zijn kop afgehakt.’ We kennen die uitdrukking allemaal. ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ is een variant daarop met een ietwat andere betekenis. Maar we begrijpen deze uitdrukkingen allemaal. Aan die gezegden moet ik altijd denken, wanneer ik ‘Bolgewas’ passeer. Ik kan mij telkens weer identificeren met het mannetje dat zijn hoofd boven het gras uitsteekt; ik voel met hem mee. Ik hoor in mijn gedachten de vernietigende maaimachines al aankomen, en daarom krijg ik de neiging hem toe te roepen om snel weer ondergronds te gaan.” Bron.

Naturalisme
Paul Koning, (1916-1998) was een Nederlands beeldhouwer, graficus, tekenaar en lithograaf. Zijn opleiding deed hij aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam, en hij kreeg les van Jan Bronner.
Figuur- en diervoorstellingen waren voornamelijk de onderwerpen van zijn werk. Hij werkte naturalistisch, het liefst naar model. Een korte periode heeft hij iets geabstraheerd, maar het mensbeeld bleef duidelijk bestaan. Voor zijn werk gebruikte hij materialen als hardsteen, klei, brons, gewapend beton en gips. Hij werkte in meerdere ateliers zoals aan het Rapenburg in Amsterdam en zijn atelierschip ‘Grisbi’ in Eemnes.
Drie jaar voor zijn dood verscheen het boek Paul Koning sculptuur en grafiek Eemnes met reproducties van zijn beelden en grafisch werk. (Helaas niet langer verkrijgbaar, wellicht wel tweedehands).

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het kunstwerk als uitgangspunt:

Ingegraven hoofd

Schokvast in gedachten
 zit ik tot aan mijn nek
 in de drek

steeds dieper zink ik
 weg in dit land
 zonder bodem

maar de lach
 blijft op
 mijn gezicht

want op een dag
 sjor ik me omhoog
 loop weg zonder gedachten.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 190, 18 december 2016,
en Oost-online.

De bokkenrijder

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ‘de Bokkenrijder’, een in brons gegoten beeld van een bok waar een jongen op zit. De benen van de jongen raken net niet de grond. Het beeld is van Gerrit Bolhuis.

BokkenrijderVolgens het opschrift heet het ‘de Bokkerijder’ (zonder tussen-n, volgens de spelling van vóór 1995). Het beeld staat in het midden van het Oosterpark, en is daar in 1957 geplaatst. Daarvoor staat het enige tijd in de tuin van het Stedelijk Museum, maar de beeldhouwer wil dat dit beeld een plaats krijgt bij spelende kinderen. Het beeld nodigt uit om achter de jongen op de bok te gaan zitten. Nog steeds zie je dagelijks nog wel kinderen erop klimmen, ofwel zit of hangt iemand aan de bok om zich te laten fotograferen.
Ook zijn bronzen beeld ‘de Lammetjes’ uit 1967 op het Osdorpplein is een object voor spelende kinderen. Levensechte bronzen lammetjes huppelen met de ronding van de muur mee bij de fonteinen midden op het binnenplein van winkelcentrum Osdorp.

Lammetjes

Eind jaren zestig. Foto: Stadsarchief Amsterdam

Zonder-sokkel

De bokkerijder’ hier nog in de tuin van het Stedelijk. Het stond toen niet op een bakstenen sokkel, zoals het er nu staat! Foto: Rijksvoorlichtingsdienst

Gerrit Bolhuis (1907-1975), geboren en overleden in Amsterdam, is tijdens zijn opleiding aan de Rijksacademie van beeldende kunsten in Amsterdam een veelbelovend talent. Hij wint in 1934 de Prix de Rome. Later is Bolhuis de gedoodverfde opvolger van professor Bronner als hoogleraar aan de Rijksacademie. In 1947 krijgt hij, tot zijn grote teleurstelling, deze positie echter niet.
Na de Tweede Wereldoorlog maakt Bolhuis een aantal oorlogsmonumenten, onder andere ‘Fusillade’ (1954), ofwel: ‘De gevallen hoornblazer’. In de volksmond heet het beeld ‘de keeper’, en het staat aan het Weteringplantsoen. Ook het beeld van Bonifatius in Dokkum is van zijn hand. En in Stavenisse staat een vis ter nagedachtenis aan de watersnoodramp van 1953.
Bolhuis is als beeldhouwer zeer gewaardeerd bij zijn collega’s, maar blijft onbekend bij het grote publiek. Na het winnen van de prestigieuze Prix de Rome in 1934 lijkt de wereld voor de jonge beeldhouwer open te liggen, maar de Tweede Wereldoorlog komt ertussen. Hoewel Bolhuis na de oorlog veel opdrachten krijgt, wordt zijn naamsbekendheid er niet veel groter van. In de jaren zestig raakt hij geleidelijk in de vergetelheid. Zijn teruggetrokken leven is daar grotendeels debet aan.
In 1975 overlijdt hij in Amsterdam en wordt hij op de Nieuwe Oosterbegraafplaats begraven.

Bokkerijder-foto-1969

Voorjaar 1961. Foto: J.F. Westerman. Stadsarchief Amsterdam

Limburgse bokkenrijders
De naamgeving ‘de Bokkenrijder’ heeft niets te maken met de Bokkenrijders uit Zuid-Limburg. Volgens het volksgeloof aldaar waren de bokkenrijders geesten die op bokken door de lucht reden. Van dit volksgeloof maakte een bende dieven en inbrekers gebruik om de bevolking de stuipen op het lijf te jagen. De bokkenrijders waren in de achttiende eeuw in Zuid-Limburg, de Belgische Voerstreek, de regio rond Luik en de Kempen actief. De strooptochten waren vooral gericht op boerderijen en pastorieën.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het kunstwerk als uitgangspunt:

Bokkenrijdster

De nacht borrelt naar
boven, en schuiert tegen
me aan, dan zie ik je dolen
als een bokkenrijdster
door de nacht

schraal is de wind
die wappert door je haren,
ontluisterend licht
rekt zich over je uit

vraag me niet waarheen
je moet rijden, het is de
wind die je zal leiden
naar het punt waar de dag
uit de nacht omhoogrijst

kijk niet weg in stilte, maar
sus me met zachte stem
wikkel me in je donzen deken
wrijf me warm in je herinnering

roep me één laatste maal
dan werp ik me naast je

in de dag die zich verlaat.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 189, 28 oktober 2016.

Spelende kinderen

Sculpturen

spelende-kinderen
In de serie Sculpturen van Oost ‘Spelende kinderen’ van Gerda Rubinstein. Het beeld staat sinds 1957 in het Oosterpark.

Het beeld, in brons uitgevoerd, is een tijdlang aan een andere kunstenares toegeschreven geweest. Het plaquette vermeldt dan: ‘Spelende kinderen’ door Kattinka van Rood-Limpers, 1957. (Kattinka met dubbel-t nog wel, terwijl het Katinka moet zijn).
Maar in 2010 staat er ineens Gerda Rubinstein. Hoe kon dit gebeuren?
Een speurtocht levert het volgende op: zowel op de pagina van Katinka op Wikipedia, als in het overzicht van de kunstwerken in de openbare ruimte in Oost, als in de Beeldbank van het Stadsarchief, staat aangegeven dat Katinka van Rood-Limpers de maker is van ‘Spelende kinderen’. Maar in het augustus-nummer van Ons Amsterdam uit 1971, met een overzicht van kunstwerken in de stad, staat als maker mej. G. Rubinstein.

Waar ging het mis?
Gerda woont al meer dan vijftig jaar in Engeland, en aan de telefoon legt ze aan Parool-journalist Paul Arnoldussen uit hoe dit zit: ‘Er was de laatste jaren al iets merkwaardigs aan de hand. Bekenden van me schreven dat ze dat beeld van me in het Oosterpark niet konden vinden. Toen ik in 2008 in Amsterdam was, ben ik eens gaan kijken. Het stond er nog prima bij, maar het verbaasde me wel dat het nu aan iemand anders was toegeschreven.’ (Paul Arnoldussen in Het Parool, 13 september 2010).
Pas in 2010 schakelt Gerda een aangetrouwd familielid in. Met krantenknipsels uit 1957 en 1959 laat hij bij Stadsdeel Oost zien dat het beeld toch écht van Rubinstein is. Aanvankelijk is er een plaquette met de juiste naam, dat verdwijnt en bij het maken van een nieuw bordje zijn ze in hun zoektocht waarschijnlijk bij de naam van Van Rood-Limpers blijven steken, want die staat dan op diverse websites foutief vermeld.

Gerda Rubinstein, geboren in 1931, is de twee jaar jongere zus van schrijfster Renate. Tot haar twaalfde trekt Gerda voornamelijk met haar tweelingbroer Jan op, daarna meer met haar zus Renate. In 1957 vertrekt Gerda naar Londen. In de jaren ervoor woont ze enkele jaren samen met Renate op de Oudezijds Achterburgwal waar ze haar atelier heeft.
In Engeland is Gerda Rubinstein veel bekender geworden met haar werk dan in Nederland. Haar eerste tentoonstelling in Nederland is pas in 1986: Haar zus Renate opent deze met een speech waarin ze terugkijkt: ‘Met haar beelden ben ik opgegroeid, niet uit eigen keuze (…) maar omdat we nu eenmaal zusters zijn. Het was allemaal zo gewóón. Pas een jaar of tien geleden kwam de gedachte bij mij op: Gerda is misschien helemaal niet zo gewoon, ze is eigenlijk verdomd goed. Andere mensen hadden me dat al eerder gezegd maar met complimenten aan je familie is het net zo als met complimenten aan jezelf, je waardeert de vriendelijkheid, maar je neemt ze niet au sérieux.’ (uit: Rondom MS van de stichting MS Research, 2005).

Gerda studeert bij Wessel Couzijn, en in 1952-’53 bij Ossip Zadkine in Parijs. Daar vertelt ze jaren later nog een mooi verhaal over aan het Algemeen Dagblad: ‘Hij (Zadkine) vroeg een keer een leerlinge of ze wist hoe ze pannenkoeken moest bakken. Voortvarend begon ze de ingrediënten op te sommen. Zadkine reageerde heel cynisch dat ze haar energie beter kon steken in die pannenkoeken dan in de kunst.’ (Bron: Paul Arnoldussen).

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het beeld als uitgangspunt:

Vertraagde wind

Ik ben het kind aan
 de rug van moeder
 mijn armpjes hangen
 om haar nek

haar jurkje en paardenstaart
 wapperen in de vertraagde
 wind, het laat ons
 zweven boven zee

maar dan is ze gevallen, haar
 rollator ligt zijdelings
 in de berm

haar jurkje omhoog
 gekropen, ik hijs haar op
 zet haar achter de rollator

kon ik maar domweg dat kind
 hangend aan haar rug zijn.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 188, 16 september 2016,
en Oost-online.

scaled-image

Rivierblindheid

Sculpturen

Rivierblindheid
In de reeks Sculpturen van Oost het beeld ‘Sightless among Miracles’ van de Amerikaanse kunstenaar Skip Wallen (1942). Het staat aan de Mauritskade bij de hoofdingang van het Tropeninstituut, en is daar in het najaar van 2005 onthuld.

Het beeld, in brons gegoten, toont een Afrikaanse jongen die met een stok een blinde man leidt. Het is de ziende zoon die zijn blinde vader leidt.
Als dank voor de steun aan de internationale bestrijding van rivierblindheid is het beeld bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) geplaatst. Het KIT is vele jaren betrokken geweest bij programma’s tegen rivierblindheid. En dankzij een internationale campagne is rivierblindheid de laatste decennia behoorlijk teruggedrongen. Nederland is een van de hoofdsponsors van dit Global Partnership to Eliminate Riverblindness.

Parasiet
Het beeld toont een scene die nog niet zo lang geleden een alledaags verschijnsel in West-Afrika was en in mindere mate in Midden- en Zuid-Amerika. Door rivierblindheid getroffen ouders zijn afhankelijk van hun ziende kinderen. De Simulium-vlieg (zwarte vlieg of kriebelmug) is de aanstichter van deze ziekte (Onchocerciase). Deze vliegen leven in de buurt van snelstromende rivieren. Ze zijn besmet met een parasitaire worm die zich bij de mens in de huid nestelt. De worm is zeer lang vruchtbaar en produceert dagelijks zo’n drieduizend larven. Deze larven dringen vervolgens het lichaam binnen wat leidt tot hevige jeuk, ernstige huidproblemen en hoornvliesontsteking, vaak met blindheid tot gevolg.
Maar rivierblindheid maakt helaas jaarlijks nog steeds slachtoffers, vooral in West-Afrika. In het verleden liepen ongeveer 120 miljoen mensen in Afrika serieus risico de ziekte op te lopen. Maar dankzij de gevoerde campagne is rivierblindheid in de afgelopen decennia flink teruggedrongen. De campagne concentreert zich op de bestrijding van de zwarte vlieg met insecticiden. En in de zwaarst getroffen gebieden worden jaarlijks grootschalige behandelingscampagnes met Ivermectin opgezet. Dit medicijn doodt de steeds vrijkomende larven bij een patiënt.
Diverse deelnemers nemen deel in het Global Partnership: internationale ontwikkelingsorganisaties, Afrikaanse overheden, regeringen van geïndustrialiseerde landen, onderzoeksinstituten, de farmaceutische industrie en maatschappelijke organisaties.

‘Sightless among Miracles’
Skip Wallen ontleende de titel van het beeld aan een Joods gebed over de wonderen die de mens dagelijks in zijn directe omgeving kan opmerken, als hij maar ogen heeft om te zien, oren om te horen en handen om te voelen…
Er zijn zes identieke beelden wereldwijd verspreid, en één kwam er naar Amsterdam. De andere vijf exemplaren staan in Genève (WHO), Ouagadougou (hoofdkwartier African Programme for Onchocerciasis Control APOC), Washington (Wereldbank), Atlanta (Carter Centre) en New Jersey (farmaceutisch bedrijf Merck & Co.).

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het kunstwerk als uitgangspunt:

Mount Kameroen

Zoon, leen me je ogen
 één laatste maal, en leid me
 naar de voet van de Kameroen
 waar ik zal wachten tot
 hij me laat halen.

Vader, ik blijf u trouw
 tot in de dood, maar
 de tijd is niet daar dus
 waar breng ik u naartoe?

Zoon, leid me naar
 de Kameroen
 laat me gaan
 ik vraag het je
 één laatste maal.

Vader, uw wens valt
 me zwaar, ik was uw
 oog voor zoveel jaar
 maar ik leid u
 zoals al die jaar.

Zoon, mijn dank is oneindig
 groot, voor al wat je deed

maar laten wij gaan
 voordat het is te laat.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 186, 20 mei 2016,
en Oost-online.