IJzeren totempaal

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’, een ijzeren totempaal met chakra’s van beeldend kunstenaar Theo Niermeijer. Het staat in het Oosterpark, en is daar in 1970 geplaatst.

Volgens de kunstenaar zijn het ‘symbolische voorstellingen van menselijke energiecentra’. De ronde figuren (chakra’s) die in deze totempaal zijn afgebeeld, komen uit de Oosterse filosofie (chakra betekent cirkel, wiel).
Theo Niermeijer reist in zijn jonge jaren door India, Tibet en China en raakt onder de indruk van het Zenboeddhisme. Die invloed is in zijn beeldend werk terug te vinden. Hij verdiept zich in de ceremoniën van het Zenboeddhisme, het aanroepen van de goden. ‘Het is een soort bezwering, een exorcisme, het afroepen van bescherming,’ aldus de kunstenaar, die in die periode enorme ‘blow-ups’ van tantra’s en mandala’s maakt. ‘Mijn beelden vormen een antigif tegen alle ellende die van buitenaf je (binnenste) leven verziekt. Ze dienen als middel tot meditatie.’
Niermeijer laat zich in zijn beeldend werk vaak door het spirituele inspireren.
De totempaal ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’ behoort tot zijn vroegere werk. Het zijn totempalen, opgebouwd uit liggende ovalen, met maan- en zonnetekens, spiralen, harten en maskerachtige gezichten. Het latere werk bestaat uit abstractere beelden.

De ijzeren dichter
Theo Niermeijer (1940-2005) volgde diverse kunstenaarsopleidingen in Amsterdam, Antwerpen en Warschau. Hij was in die tijd een daadkrachtig man en een verwoed reiziger.
Zijn vrienden noemden hem ‘de ijzeren dichter’. Een van zijn ateliers bevond zich op Zeeburg. Een enorme lap grond met loodsen, woonwagens, sloopauto’s en oude vrachtwagens. Honderden van zijn sculpturen stonden er tussen wrakken en brandnetels, geleund tegen bomen en muren.
Als je als beeldhouwer door je vrienden ‘de ijzeren dichter’ wordt genoemd dan moet je toch wel iets bijzonders hebben. Die titel kreeg hij van zijn vriend, de dichter Simon Vinkenoog. Zelf noemde hij zich liever ‘de dichter van het schroot’. Die omschrijving van zichzelf was goed gekozen, want hij werkte met afvalmateriaal dat hij vond op scheepswerven, bouwplaatsen en sloperijen waar hij de overblijfselen van de metaal-snijmachines verzamelde.
Vinkenoog had in 1962 al een rake typering van de toen net beginnende Niermeijer: ‘Zijn ontluikende metalen bloemen dragen al bij voorbaat de doem van nooit-ontluiken; zijn fantastische meteorieten komen van geen enkele aarde; zijn opgezette insecten zijn nooit geclassificeerd en gecatalogiseerd; en zijn ijzeren muren en gordijnen monden uit in geen enkele politiek.’

Ode aan het leven
Het werk van Niermeijer laat zich niet eenvoudig voor je winnen. Als je echter de tijd neemt, ga je het lyrische in zijn werk zien. Het afvalmateriaal dat hij gebruikte, verwerkte hij vrijwel zoals hij het had gevonden. Het zijn verwrongen stukken metaal, zaag resten, oude onderdelen, soms met de verfresten er nog aan. Daar maakte hij beelden mee. Soms door er alleen een voetstuk onder te lassen. Zijn werk lijkt daardoor bijna als vanzelf te zijn ontstaan. De kunstenaar wilde vooral het materiaal laten spreken en het op die manier weer teruggeven aan de schepping.
Niermeijer werkte in het wilde weg, toevallig en willekeurig, zonder vast rijm en metrum. Hij had een relatie met de gedachtewereld van het Zenboeddhisme, in die zin dat je wordt geholpen door een ‘onzichtbare hand die het denken stopt en die je helpt scheppen uit de oneindige zee van creatieve mogelijkheden. Het is absoluut noodzakelijk dat je veel werkt, liefst iedere dag om die stroom aan de gang te houden en om je ogen en handen te sturen’ aldus Niermeijer.
Theo Niermeijer gaat de geschiedenis niet in als een grote, vernieuwende beeldhouwer, maar hij heeft zijn leven wel geleefd en met zichtbaar plezier, dat is wat zijn sculpturen uitstralen: een lichtvoetige ode aan het leven.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs nadat ik in het donker langs het kunstwerk liep:

NACHTELIJK TREFFEN

Bevallig, en rond
blikt ze me zonder
blozen aan

zachtjes ademt ze
haar licht in mijn gezicht
overrompelt me naakt

mijn schaduw overmeestert
de nacht, rekt zich
uit in volle lengte

fraai, en rond
blikt ze me vol
emotie aan

wijst me de weg
die ik heb te gaan

welgevormd
is de maan

zo intens
blikt ze

me aan.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.

Kijk uit voor de vrouwtjes

Onalledaags


Vandaag ruikt het naar de lente, de lucht is strakblauw. De knoppen aan de bomen knappen ongevraagd uit hun basten, de groeispurt kan beginnen. Heerlijk in de zon struinen we met z’n tweeën langs de vijver van het Oosterpark. Roos huppelt vrolijk voor me uit. Dat doet ze eigenlijk altijd; voor haar maakt het niet uit of het nu keihard regent of stralend mooi weer is: ze is het zonnetje in m’n leven.
Er zijn vanochtend veel meer mensen in het park, ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Roos is bijna loops, ze wil zelf nog niet maar ruikt wel zeer aantrekkelijk voor de mannen. Goed opletten dus, want voor je het weet zit je met een nest vol puppy’s in huis.
In een mum van tijd komt er in volle vaart een reu aangesneld. Roos’ ranzige geur lokt soortgenoten van heinde en verre aan, en baasjes zijn dan meestal in geen velden of wegen te bekennen. Zo ook nu.
De reu lebbert haar uitgebreid, maar aan Roos zie ik dat ze er niet zoveel zin in heeft. Ze blaft en hapt hem van haar af. Hij wijkt even van haar zijde en gaat daarna vrolijk door. Dan bijt ze pinnig van haar af, trekt haar lippen op en laat haar tanden dreigend aan hem zien.
Het is een flinke hond, een maat groter dan Roos. Wanneer dit mannetje van wanten weet, dan zijn we genadeloos verloren. Waar blijft toch z’n baas?
Eindelijk verschijnt hij ten tonele, en zegt tegen zijn hond: ‘Barrel man, as ’n vrouw nee zegt, dan is ’t ook nee, begrijp dat dan man.’ Hij richt zijn blik naar mij. ‘Die twee kenne wel meedoen in ’n Postbus 51-spot.’ Een flinke walm alcohol onderstreept zijn woorden.
‘Ja, dit is wel zeer duidelijke taal van mijn hond. Ze kan inderdaad wel iets in de voorlichting gaan doen…’
‘Ja, daar ken je nog wat poen mee verdienen met die meid van je. Komt d’r nog wat poen in ’t laadje man. Plaats van dat die honde je bakke geld koste…’
‘Ja inderdaad.’
Hij richt zich tot Barrel: ‘Nee is nee, maffe idioot… Kijk nou maar uit, man. Met vrouwe ken je beter geen mot maken, daar krijg je alleen maar ellende van…’ Hij kijkt me met kleine oogjes aan, en er verschijnt een kinderlijke blik in zijn doorleefde gezicht: ‘Zei m’n ouwe moer al tegen me vroeger: kijk uit voor de vrouwtjes!’ Hij neemt een slok bier uit het blikje, en lacht. Dan gooit hij een stuk touw om de nek van zijn hond, en sjort hem met moeite met zich mee. Barrel probeert zich los te rukken, want die wil met man en macht naar Roos.
‘Koest Barrel, ik heb er nou echt genoeg van. Kom mee!’

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.

Wiegedood

Onalledaags

Wiegedood

In de plassen op straat doorbreken regendruppels het spiegelbeeld van de aaneen-
gesloten huizenrij. Een vaalgele vlag aan de gevel van de drogisterij hangt er als een drijfnatte vaatdoek bij; de wind krijgt er amper beweging in.
Roos houdt haar pas in en schudt haar vacht uit. We zijn beiden al behoorlijk nat geworden op onze weg naar het Oosterpark.
In het park loopt een tiental meters voor me een vrouw in een donkerrode regenjas die tot over haar knieën hangt. Ze draagt bruine, hoge laarzen met spekzolen, die een zuigend geluid voortbrengen. Ze loopt met een ouderwetse kinderwagen – model jaren zestig – en een aangelijnde hond, die haar ondanks zijn manke achter-
poot voorttrekt. Het heeft iets aandoenlijks. De chowchow trekt haar naar een lantaarnpaal, ruikt, tilt zijn manke achterpoot moeizaam op en pist tegen de uitgebeten plek.
Inmiddels is de regen gestopt, en komt de zon stilaan achter de wolken tevoorschijn. Ik haal de vrouw in, en gluur terloops in de kinderwagen. Er ligt geen baby in maar een hondje, goed toegedekt met een roze dekentje. Het kijkt me pienter aan.
Ik kijk de vrouw aan, en knik verlegen met mijn hoofd.
Ze vraagt me hoe mijn hond heet?
‘Roos.’
Met haar donkerbruine ogen kijkt ze me indringend aan. ‘Ben je boos pluk een roos…’ zegt ze vrolijk, en aait Roos over haar kop. ‘Mijn hond heet Dolly.’
Onder haar regenjas bevindt zich een vrijwel vormeloos lichaam, haar gezicht is mollig en aan haar kin zitten enkele zwarte haartjes.
‘We wouen d’r zelfde naam geve als ons overlede dochtertje. Maar toch maar nie gedaan. Wiegedood was ’t volgens dokter, en ik ken nou geen kind’ren meer krijge.’
Het donzige hondje blijft me intens aankijken. Het beestje maakt een heel wijze indruk op me. Het is net alsof ik naar een reïncarnatie van een mens kijk.
Als ik goed naar de vrouw kijk, zie ik dat ze nog jong is. Haar plompe voorkomen maakt haar een stuk ouder.
Met haar hand strijkt ze het groezelig blonde haar naar achteren. ‘We zijn ook verhuisd naar ’n andere buurt, na d’r dood. Je hoorde ze fluistere.’ Met haar hand maakt ze de fluisterbeweging en ondertussen kijkt ze naar het hondje in de kinder-
wagen. Dan barst ze in tranen uit.
Daar sta ik. Wat moet ik zeggen? Alleen omdat ik met een hond voorbijkom en even iets langer een blik in de kinderwagen werp, spreekt ze me aan en giet in enkele minuten een heel drama over me uit.
‘Maar, ik wil hier ook weer weg.’ Ondertussen veegt ze haar tranen met een zakdoekje weg.
‘Maar in Zuid wil ik ook nie wonen. D’r was ’k laatst. Wat ’n kakbuurt zeg.’
‘Nee, dat is ook niks,’ lispel ik. Ik wens haar sterkte en neem afscheid.
Roos hobbelt weer vrolijk met me mee: het maakt haar allemaal niets uit met wie ik sta te praten. Heerlijk zo’n onbevangen kijk op het leven…

Verschenen in Metro, 27 mei 2015
Dwars door de Buurt, nummer 191, 10 februari 2017
en Oost-online.

Fred Flinter

Onalledaags

Fred-Flinter1
‘Yabba-Dabba-Doo!’ staat er op de voorkant van een oranje Vespa-car geschilderd. Het tweetakt-wagentje staat vlakbij de ingang van het Oosterpark. Aan de zijkanten zijn Fred, Wilma, Barney en Betty, de kinderen en de baby dinosaurus er met verschil-
lende kleuren opgeverfd. Beide families zitten in Fred’s ‘benenwagen’ met de stenen wielen, en Barney roept enthousiast ‘Let’s go’.
Ik sta de ‘Flintmobiel’ te fotograferen.
‘Dat vind ik ’n gaaf autootje,’ zegt een meisje met ravenzwarte haren dat op mij af komt lopen enthousiast. ‘Ja, écht supergaaf. Is-ie van u?’
‘Nee, maar ik vind hem ook heel mooi. Daarom maak ik er een foto van.’
Het meisje is een jaar of zes. Ze draagt een vrolijk gekleurd jurkje en rode kniekousen.
‘Zou die zijn van Sinterkláás? Ik zag ’m net lopen met twee Pieten. Wel mooi voor Sinterkláás. En de cadeautjes kunnen daar allemaal achterin.’
‘Nee hoor, die is niet van Sinterklaas. De Sint is vast met z’n paard gekomen. Trouwens in dit karretje past hij nooit met zijn mijter in.’
Ze kijkt me met haar donkere oogjes vragend aan. ‘Wat is mijt?’
Ik glimlach. Een mijter is een hoge, rode muts met een gouden kruis erop, die de Sint op z’n hoofd draagt.’
‘O die. Ja, maar die zet-ie dan toch gewoon af,’ zegt ze doodgemoedereerd.
‘Nee, de Sint zet nooit zijn mijter af, als hij dat doet dan is hij geen échte Sinterklaas.’
‘Ook niet als-ie gaat slapen?’ In haar stem klinkt medelijden door.
‘Ja, dan natuurlijk wel, en thuis ook, maar niet als hij onder de mensen is.’
‘Ik mag van m’n vader geen schoen zetten,’ zegt ze een beetje zielig. ‘Papa zegt dat Sinterkláás alleen bij Nederlanders komt, en niet bij ons… En ook omdat we geen schoorsteen hebben.’ Ze kijkt een beetje treurig, en zegt dan: ‘Maar bij Louise, m’n vriendinnetje, hebben ze ook geen schoorsteen, en die heeft wel al wat in haar schoen gevonden…’
Ik knik, werp het onderwerp over de andere boeg en begin over het autootje.
‘De eigenaar heeft er een Fred Flintstone-auto van gemaakt. Van de tekenfilm die jaren geleden, toen ik zo’n beetje net zo oud als jou was, op de televisie was.’
‘Die Fred Flinter ken ik niet, maar ik vind ’t wel ’n heel gááf autootje.’
Tja, hoe leg je een Turks meisje van zes uit wie Fred Flintstone was?
‘Nou ik ga weer, misschien kom ik Sinterkláás nog op z’n paard tegen. Doei.’

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 190, 18 december 2016
en Oost-online.

Roepende in de woestijn

Onalledaags

Roepende
Een laagje mist hangt boven het grote veld waar meeuwen als volleerde voetballers dribbelen, driftig op zoek naar regenwormen. In de verte ziet Roos haar vriendinnetje Tilly. Ze rent erop af en samen sjezen ze over het veld, officieel mogen ze dat niet – het kan je als baas een boete opleveren van maar liefst honderdtwintig euro.
Een tijdje geleden reden twee handhavers met hun scooters dwars over het zompige veld om mij in het midden op de bon te slingeren. Weken erna waren de diepe sporen van hun wielen nog zichtbaar. Dan vraag je je toch af wie brengt hier de grootste schade toe? Toch niet die onschuldige man met zijn lieve hond? Die honderdtwintig euro van me kan het Stadsdeel besteden aan graszaad om de gemaakte sporen weg te moffelen.
We laten onze honden maar even rondrennen: hier hebben ze de ruimte om hun energie kwijt te raken. Want dat heeft een hond in de stad toch écht dagelijks nodig.
Een tiental meter voor ons loopt een vrouw in een donkerblauwe lange regenjas, op haar hoofd een regenkapje, in haar linkerhand een lange witte stok. Ze waggelt een beetje, stopt en roept haar begeleider. In haar andere hand houdt ze het tuig vast waarin hij haar door het leven leidt. Waar is haar trouwe makker?
‘Waar bent u ’m kwijtgeraakt?’
‘Daarachter. Ik heb hem losgemaakt, zodat hij zijn behoefte kon doen, en zich even vrij kon bewegen. Ik doe dat wel vaker met hem.’ In haar stem klinkt lichte paniek door, haar donkere ogen staren me leeg aan. Ze moet zich als een roepende in de woestijn voelen. Stuurloos. Van God verlaten. Haar begeleider heeft zijn vrijheid wel écht genomen.
‘Ik ga ’m voor u zoeken.’
‘Heel fijn van u meneer.’
‘Wat voor ’n hond is het?
‘Een witte labrador.’
Ik tast het grote veld af, maar vang geen glimp van hem op. Dan loop ik naar verderop gelegen struikgewas en zie hem daar flink schranzen. Hoeveel geduld en training heeft het wel niet gekost de eeuwige vraatzucht uit hem te bannen? En als klap op de vuurpijl gaat hij stiekem genieten van die verrukkelijke boterham met leverworst. Deze labrador weet donders goed dat zijn baasje het toch niet ziet. Dit zal-ie vast vaker doen, want labradors staan bekend om hun onwijze gulzigheid.
Ik loop resoluut op hem af. Hij blikt me verschrikt aan, verbaasd dat ik hem kan zíen. Wanneer ik hem benader om hem bij zijn nekvel te grijpen, rent hij van me weg. De struiken uit, en sjokt dan, als de onschuld zelve, naar zijn baas. Ondertussen nakauwend op een korst brood.
‘Waar was je nou Sjors? Toch niet weer aan het vreten?’ Ze schudt haar hoofd, en bevestigt zijn tuig.
Ze bedankt me, en we wensen elkaar een fijne dag. Sjors zit weer in zijn keurslijf, en samen schuifelen ze voort. Hij werpt nog even een blik de struiken in, maar weet zich gelukkig in te houden. Het zou toch een dolkomisch, maar tevens triest, moment zijn als hij dat lekkers toch niet weet te weerstaan en daarmee zijn baas het struikgewas in sleept.

Verschenen in Metro, 28 september 2015.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 189, 28 oktober 2016
en Oost-online.

Een mogelijke bekeerling

Onalledaags

Mogelijke bekeerling
Het gras van het grote veld van het Oosterpark kleurt felgroen op door de weerkaatsing van de zon op deze prachtige voorjaarsdag. Het park heeft een ingrijpende renovatie achter de rug, en de grasmat is nog steeds herstellende. De waterplassen van de hevige regenbuien zijn weer verdwenen. De lucht is strakblauw, en vormt met het felle groen een magnifiek contrast.
Het valt me op dat er vanochtend veel meer mensen in het park zijn. Ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Ik neem plaats op een bankje en geniet van de verkwikkende warmte. Op het andere bankje naast me duikelt een jonge man plotsklap voorover. Naast hem staat een nagenoeg lege fles whisky. Dat vormt voldoende bewijs voor me om niet in te grijpen. Roos kijkt verbaasd naar de wijd uitgespreide, lange jas maar ze slaat niet aan. Pas wanneer de dronkaard op handen-en-voeten naar zijn plek terug strompelt, komt ze in actie en wanneer de man een riedeltje terug blaft dan is voor haar de maat vol. Haar hoge blaf weergalmt door het Oosterpark. Na een hoop gestuntel en geklauter zit de man weer rechtop, en is het voor Roos weer in de haak.
‘Ik kan niet meer weg,’ rochelt hij mijn kant op.
‘Nou dan zou ik dat laatste restje maar mooi laten staan.’
Met een glazige blik kijkt hij me aan en knikt instemmend.
‘Blijf maar even rustig zitten.’
‘Ja meneer,’ mompelt hij gedwee.
Geen reguliere drinker. Een onaangenaam bericht heeft hem vast verrast en dat heeft hij flink willen weg zuipen op deze prachtige, zonnige voorjaarsochtend.
Even later staat er een vrouw voor me. Mantelpakje, permanentje, nep parelkettinkje. In haar hand een foldertje dat ze me voorhoudt: JEZUS LEEFT EN KAN U REDDEN, staat er in rood gedrukt.
‘Vandaag niet mevrouw, het is me te mooi weer!’
‘Dankzij Jezus kunt u van de zon genieten meneer.’
Ik moet toegeven dat ze zeer gevat antwoord geeft. Toch schud ik mijn hoofd. Dan loopt ze door. Geen ellenlange dialogen deze keer: dit is een doorgewinterd exemplaar.
Mijn buurman is de volgende klant. De dronkaard krijgt de folder voorgeschoteld.
‘Kan ik uw arm lenen?’ vraagt hij plompverloren.
Niet-begrijpend kijkt ze hem aan en buigt zich naar hem toe. Opnieuw vraagt hij om haar arm.
Ze steekt haar rechterarm uit en hij hijst zich moeizaam aan haar op. Ze moet zich flink schrap zetten om niet uit balans te raken, maar het lukt haar. Met beide handen ondersteunt ze hem. De folder dwarrelt naar de grond. Traag schuifelen ze voort, maar bij het volgende bankje ploft hij als een te zwaar geworden last neer. Zij vleit zich barmhartig naast hem. De dame komt haar gelofte strikt na; zij deelt niet alleen domweg folders uit. In deze man heeft ze het ultieme slachtoffer gevonden.
Een vijftal minuten later sjokken ze door naar een volgende bank. Het bekeren gaat hier in fasen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 186, 20 mei 2016,
en Oost-online.
Eerder verschenen in Trouw en Metro.

Daar gaat je liefie

Onalledaags

Duif
Even is het voorjaar met een temperatuur die je de jas doet uittrekken. Op een bankje aan de rand van het grote veld van het Oosterpark kijkt een vrouw voor zich uit. Het is meer dan kijken wat ze doet. Naast haar ligt een schetsboek en een lederen tas bevlekt met vele tinten verf.
Ze pakt het schetsboek op, legt het op haar knieën en met een potlood zet ze enkele lijntjes uit. Dan pakt ze uit de tas enkele tubes verf, kwasten en een palet. Ze mengt enkele kleuren en brengt de eerste contouren aan. Ondertussen ben ik op het bankje ernaast gaan zitten, en mijn hond, Roos, ligt voor m’n voeten.
Een klein meisje huppelt van het veld onze kant op. Met een olijke blik in haar ogen gaat ze naast de schilderes staan.
‘Wat schilder jij?’ vraagt ze.
‘Die spelende kinderen en dat kleine, zwart met witte hondje.’
‘O. Ik word later schilder. Jij ook?’
De schilderes kijkt het meisje aan en onderdrukt haar lach. ‘Ja, ik word denk ik later ook maar schilder, dat lijkt me wel wat.’
Het meisje lacht haar melkwitte tanden bloot. ‘Ja, dan kan ik iedereen schilderen, dat vindt mamma mooi.’
‘Nou, ik ga maar weer door,’ zegt de schilderes, ‘dan leer ik schilderen en dan word ik later ook schilder, dat lijkt me wel een mooi beroep.’
‘Ja, dan worden we samen schilder, dat vind ik leuk,’ zegt het meisje, en ze huppelt vrolijk terug naar haar moeder die even verderop op een kleed zit met limonade en broodjes, haar blik gericht op haar smartphone.
De schilderes kijkt me met een knipoog aan. We moeten lachen om deze vrolijke conversatie. De kunstenares die schilder moet worden, terwijl ze hiermee reeds jaren haar brood verdient.
Ik wens haar veel succes met het schilderen en een fijne dag, en loop met Roos door.

We komen bij de muziekkoepel waar een duif op de reling zit. Ze houdt haar kopje scheef, blikt even naar links en rechts, fladdert op en landt op een fietsstuur. Een man pakt uit zijn fietstas een zakje met vogelzaad, strooit wat in de palm van zijn hand en houdt het haar voor. Zonder aarzelen pikt ze de zaadjes vliegensvlug weg terwijl hij ondertussen naar een blikje bier grijpt.
Roos houdt even haar pas in, kijkt omhoog naar de pikkende duif en struint verder. Mijn hond kijkt in dit park niet meer op van afwijkende taferelen.
‘Die duif heeft het goed voor mekaar,’ merk ik lachend op.
‘Ze is ’n houtduif meneer,’ klinkt het in plat-Amsterdams. Hij zet z’n blikje bier op zijn zadel en aait de houtduif over haar kopje.
Als ik naar twee verderop waggelende stadsduiven kijk, zie ik onmiskenbare verschillen. Zíj heeft een roodgeel snaveltje, blauwgrijs kopje met aan de achterzijde zwarte streepjes, wit kraagje en een paarsig lijfje. Stukken mooier dan de doodordinaire duif.
Een andere alcoholist komt erbij staan. ‘Is geen houtduifie meer hoor, maar ’n huisduifie…
Lekker makkelek wijfie, hè Jan,’ schatert hij uit.
‘Tam is ze zeker én knap ook,’ zeg ik.
‘Zeker weten, dit wijfie ken-ie nog in z’n hand houwe, and’re niet meer.’ Opnieuw barst hij in lachen uit.
Onverstoorbaar gaat Jan door met het voeren van zijn vriendin. Als ze uitgegeten is, strijkt hij over haar verenmantel. Dat laat ze zich wel gevallen. Maar dan vliegt ze weg.
‘Daar gaat je liefie, Jan.’
Zo gewonnen zo geronnen, denk ik. Nooit viel het me op dat er in de stad twee soorten duiven rondhangen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 185, 1 april 2016,
en Oost-online.
Deels eerder verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

‘Beest stinkt’

Onalledaags

papegaai
Er staat een frisse oosterwind, maar hier op een bankje in het Oosterpark zit ik uit de wind en in de zon. Roos, mijn hond, ligt geduldig uitgestrekt voor mijn voeten.
Plotsklaps landt er in de boom vlak naast ons een papegaai. Zijn verendek is felgekleurd rood, geel en blauw, en hij heeft een kromme, bijna witte snavel. Voorzichtig haal ik mijn telefoon tevoorschijn om hem op de gevoelige plaat vast te leggen. Een papegaai heb ik hier niet eerder gezien, maar ik sta nergens meer van te kijken. Door de jaren heen heeft het park een rijke menagerie aan fauna voortgebracht. Wat de mens hier niet al de vrijheid geeft: het schattige waterschildpadje dat in het aquarium blijft doorgroeien en ten slotte in de vijver belandt, of de vogel die een open raam ziet en daarbij een eigenaar heeft die de kooi vergat af te sluiten. Of het konijn dat net voor de kerstmaaltijd weet te ontsnappen en hier vrolijk met de wijfies aan de haal gaat.
Ondertussen komt er een paar op leeftijd aangelopen. Met trotse blik duwt grootmoeder een kinderwagen voort. Het kind dat erin zit, is wat groot uitgevallen. Zijn mond, wangen en handen zitten onder de rode kleurstof van een lolly.
Ze stoppen vlak voor me en het stel wijst naar de felgekleurde verenpracht.
‘Sandertje, kijk eens wat een mooie vogel.’
‘Beest stinkt,’ komt het plompverloren uit zijn mond rollen.
‘Zeg kuttekop,’ klinkt het ad rem vanuit de boom.
De fiere blik is van grootmoeders gezicht verdwenen, en met rood aangelopen wangen maakt het paar zich snel uit de voeten.
Roos staat de papegaai dom aan te kijken. Ze houdt haar kop scheef en kijkt de papegaai recht in de ogen aan. Een pratende vogel? Uit onzekerheid slaat ze aan.
‘Hou je snavel,’ krijst de papegaai.
Ik schiet in de lach. Dit heeft deze papegaai van zijn eigenaar vast vaak te horen gekregen. Repeterende papegaaien zijn uitermate irritant. Vooral als ze overal commentaar op leveren. Deze papegaai heeft ongetwijfeld vaak zijn snavel moeten houden, en wellicht is dat de reden dat hij voor zijn vrijheid heeft gekozen.
Maar Roos weet niet van wijken, blaft vrolijk door.
De papegaai gelooft het verder wel. Hij fladdert op en vliegt een beetje klunzig weg, duidelijk niet gewend te vliegen.
Ik sta op en we lopen door. Het Oosterpark is een papegaai rijker.

Even later kom ik een vrouw met een rollator tegen. Op het mandje voorop zit een kraai. Hij tikt voortdurend met zijn snavel tegen een linnen tas.
‘Kaf, hou toch ’ns op, ik heb nu niks bij me. Ik moet nog naar de slager,’ zegt de vrouw.
De kraai kijkt haar met z’n zwarte kraaloogjes niet-begrijpend aan. Opnieuw gaat hij met z’n snavel tekeer.
‘Kijk toch uit Kaf, verdorie, je maakt m’n hele tas stuk…’
‘Hij heeft vreselijke honger mevrouw.’
Kaf wordt steeds ongeduldiger, en Roos slaat weer aan, maar Kaf is hier totaal niet van onder de indruk: als Woody Woodpecker gaat hij vrolijk door.
‘Het is wel echt uw vriendje, hij weet écht niet van wijken.’
‘Het is echte liefde, meneer… Hij komt iedere dag bij me op het balkon, ik woon vlak bij het park, en dan krijgt Kaf van mij wat tartaar. Daar is-ie dol op. Maar nu heeft-ie me hier in het park zien lopen, en gaat-ie niet meer weg, zonder een stukkie vlees… Gek beest.’
‘Misschien gaat-ie wel met u mee naar de slager?’
‘Tja, Kaf is er gek genoeg voor. Nou ik ga maar ’ns wat tartaar voor ’m halen. Meneer wordt nu wel erg ongeduldig.’
We nemen afscheid, en zij schuifelt met haar rollator met Kaf als bestuurder voorop. Het zou me niets verbazen als die maffe vogel gewoon meegaat naar de slager.

Verschenen in Metro, 21 april 2015.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 184, 19 februari 2016,
en Oost-online.

Zwartrijdende hond

Onalledaags

Zwartrijdende-hond
Dada noem ik haar om haar onconventionele gedrag. Zo plast ze nauwgezet boven het afvoerputje van de douche, loopt schaamteloos met je mee het toilet in, duwt daar haar snuit in je kruis, slurpt uit haar waterbak waarbij de helft over de rand gutst en springt zonder blikken of blozen op de bank.
Dada is een wit met bruin en zwart gevlekte beagle-achtige die op een zondag-
middag in het Oosterpark als een bezetene rondrent.
‘Is dat uw hond die daar rondrent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die is? Maar het lijkt erop dat er geen baas bij is.’
‘U moet uw eigen hond hier aanlijnen.’
Ik kijk naar Roos, die keurig aan voet met me meeloopt, en schudt m’n hoofd. ‘Jullie kunnen je beter om dat hondje bekommeren. Er is duidelijk geen baas bij. Dat hondje is helemaal de kluts kwijt. Zien jullie dat dán niet?’
‘Dat is niet onze taak meneer. Als u uw hond nú niet aanlijnt dan gaan wij u bekeuren.’ Hij kijkt me vanachter zijn stuur onverbiddelijk aan. Zijn stropdas zit wat slordig geknoopt, zijn pet een beetje scheef op zijn hoofd, en onder die pet zitten grijze haren. Triest eigenlijk, wanneer je op die leeftijd dagelijks nog dit soort werk doet. De godganselijke dag in een busje rondtuffen, en alleen maar bezig zijn je medemens een vervelende dag te bezorgen, en een kleine honderd euro uit zijn of haar porte-
monnee te troggelen omdat er een hond niet is aangelijnd.
Ik klik Roos aan en ren achter het hondje aan dat in paniek het park uit rent, de weg oversteekt en er op een haar na niet meer is. Vlug loop ik op het hondje af en til het op; blij likt ze m’n nek. Dada draagt een halsbandje, maar daar zit geen naamplaatje aan.
De handhavers zijn in geen velden of wegen te bekennen. Wanneer je ze nodig hebt, dan drukken ze hun snor.
Bij het politiebureau willen ze het hondje in een kooi stoppen, want het dierenasiel is gesloten. Dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen en ik neem Dada mee naar huis. Op de trap naar boven kom ik Ibrahim, mijn buurjongetje, tegen. Verrukt kijkt hij me aan.
‘Heb je nieuw hondje?’
‘Ik heb ’m in het park gevonden. Hij lag bijna onder een auto.’
‘Hoe heet hondje?’
‘Weet ik niet, maar ik noem ’m Dada.’
‘Is jongen of meisje.’
‘Een meisje.’
‘Moet-ie naar school?’
‘Ja zeker, want hij moet nog héél véél leren. Hoe hij moet oversteken: eerst naar links kijken, dan naar rechts, weer naar links en dan pas oversteken.’
‘Ikke van mama leren, niet van juf.’
Wat moet ik daarop zeggen? Ik kan toch moeilijk tegen hem zeggen dat het hondje bij zijn moeder is weggehaald. ‘Tja… Dada moet alles nog op de hondenschool leren. Ze is nog heel jong.’
‘Hoeveel?’ Hij laat zijn vingertjes zien.
‘Misschien pas één jaar.’
Ibrahim steekt vier vingertjes omhoog. ‘Ikke ouder. Ikke meer weten.’
Die avond bel ik de Dierenkwijtlijn, en het blijkt dat Dada een Oekraïense bazin heeft die in Oud-West woont. Ik vond Dada in het Oosterpark. Het kleine ding is dwars door Amsterdam getrokken, zonder een auto te raken. Moet ze nog wel naar school?
De dame van de Dierenkwijtlijn kijkt er niet vreemd van op – honden nemen gewoon de tram: ze hobbelen achter mensen aan de tram in en stappen haltes later uit. Ik vind Dada een heel slim hondje. Met lijn 14 breng ik haar terug naar haar baas, en ver-
domd de kleine Dada beklimt tree voor tree de tram en springt direct bij mij op schoot.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 183, 18 december 2015
en Oost-online.