Toren van Babel

De gehuurde fiets op dit Finse eiland trapt voor geen meter. Ik wil hem ruilen maar de fietsenverhuur is gesloten. Aan een voorbijganger vraag ik in het Engels waar de eigenaar woont?
Er rollen voor mij volslagen onbekende klanken uit zijn mond. Gelardeerd met vele klinkers. Ik kan er niets van brouwen en schakel over op het Nederlands.
Nogmaals stort hij een woordenbrij over me uit. We komen geen stap nader. Nu laat ik mijn fiets zijn zegje doen. De bel knarst; de ketting knierpt.
Hij wenkt me met zijn arm. Ik geloof dat hij de taal van mijn fiets begrijpt. Langs de houten huisjes lopen we naar boven. Daar staat een fiets, goed ingevet, te blinken.
Ik gniffel. We begrepen dat de fiets het gespreksonderwerp was, maar daar hield alles op. Leve de toren van Babel! Alleen met mijn euro’s kom ik hier moeiteloos vooruit.

Eerder verschenen in dagblad De Pers.

In vijf minuten

Beneden aan de trap groet mijn buurvrouw van tweehoog me vriendelijk. Haar donkerblauwe djellaba reikt tot aan haar voeten en om haar hoofd heeft ze een wit sjaaltje gestrikt.
‘Buurvrouw, is mooi weertje hè,’ zegt ze lachend, en daarmee gunt ze me een blik op haar krakkemikkige gebit.
‘Ja, eindelijk voorjaar. Daar zijn we wel aan toe niet.’
Ze opent de deur voor me en samen lopen we naar buiten, het trottoir op.
‘Waar jij naar toegaan?’
‘Eventjes naar de supermarkt.’
‘O, ik ook boodschappen doen. Ik meelopen?’
Ik knik instemmend. We slaan de hoek om. Een rinkelende tram dendert aan ons voorbij. De zon schijnt recht in onze gezichten. Ze is zwaarlijvig en waggelt als een eend achter me aan. Ik houd mijn pas voor haar in. Ze glimlacht en komt naast me lopen.
‘Waarom jij geen kindertjes krijgen?’ vraagt ze me plompverloren.
Ik kijk haar van opzij aan. ‘Nou, ik heb niet echt de behoefte. Druk met m’n werk… Ik vind ’t eigenlijk wel prima zo.’
Ze lacht me lief toe maar haar blik verraad onbegrip. Ze snapt mijn bewuste keuze om geen kinderen te nemen vast niet. Opnieuw vertraag ik mijn tred.
‘Ik niet begrijpen, jij zó lieve man hebben, dan jij ook lieve kindertjes krijgen.’
Ik schiet in de lach. Onbeholpen grinnikt ze met me mee. Inderdaad, ik heb een schat van een man in huis rondlopen.
‘Vijf minuten je ogen dicht, dan is lief kindertje gemaakt.’ Ze giechelt en knippert met haar ogen.
Samen lopen we de supermarkt binnen. We pakken ieder een winkelwagentje uit de rij en draaien daarmee het hek door. Dan zeg ik haar gedag, en terwijl ik een paar levensmiddelen aan het inladen ben, dringt de lading van de vijf minuten je ogen dicht! pas tot me door. Wat een triestheid borrelt er, als moerasgas, uit díé vijf woorden naar boven.
Telkens als ik nu mijn buurman van tweehoog in het trappenhuis tegenkom, denk ik aan haar vijf minuten de ogen dichtdoen en voel ik oprechte compassie met mijn buurvrouw.

Eerder verschenen in dagblad De Pers.

Campingplatz D64

69957730

Tijdschriftenkiosk, met in een rek nog enkele nagenoeg onleesbare, vergeelde exemplaren van Neues Deutschland.

Ruim twintig jaar na ‘die Wende’ sta ik op een camping waar de sporen van de DDR nog duidelijk zichtbaar zijn. De drie kilometer lange toegangsweg dwars door het Spreewalderbos verkeert in een erbarmelijke staat, de fikse kuilen moeten voor de toenmalige Oostduitse Trabant een gigantisch avontuur zijn geweest. De camping aan de Schmöldesee ten zuiden van Berlijn draagt nog steeds de naam Campingplatz D64, de administratieve benaming voor de toentertijd van staatswege gerunde kampeerplaats. Het had naar zeggen een goed gevulde kampwinkel, die er nu vervallen bij ligt, waar dagelijks vlees en verse vis werd verkocht.
‘Verse groente, een uitgebreid assortiment, en op iedere zaterdagavond een gezamenlijke barbecue. Tja, dat was een gans mooie tijd, maar dat is alles voorbij. Die Wende had daar abrupt een einde aan gemaakt,’ verzucht een oude dame met een Oostberlijns accent, die hier al meer dan veertig jaar haar vaste stek heeft.
De barbecue is hier nu op zaterdag ingeruild voor een zomerse disco in de openlucht. In het zand van het strandje blijven de lange tafels met banken en de dansvloer nagenoeg de hele avond onbezet, terwijl het volume op stand negen staat. Af en toe loopt de diskjockey naar voren met in zijn hand een microfoon en perst er mistroostig een schlager uit. De zinloosheid van dit festijn heeft een aan de DDR grenzend kaliber: het opleggen van een regime waar de gewone man niet op zit te wachten. Hier op Campingplatz D64 bestaat de overgrote meerderheid uit gepensioneerden die graag om negen uur onder de wol kruipen en die nu tot diep in de nacht liggen te woelen.
Op mijn vraag of de Westberlijners toen hier konden kamperen, antwoordt ze me: ‘Nee, alles was voor hen versperd. Die hadden enkel die Wannsee met al hun luxueuze jachten, daar waren er meer van dan dat er water was,’ zegt ze met een brede glimlach. ‘Tja, die waren nog nooit in de natuur buiten Berlijn geweest. Die waren na die Wende stomverbaasd dat dit er allemaal was. Wij konden onze vakanties hier ieder jaar in de natuur vieren, wij waren de mazzelkonten, wij hadden de vrijheid! Der Erich was zo slecht nog niet!’
Met al die Oostberlijners hier op de kampplaats voel ik me even flink teruggeworpen in de tijd.

Eerder verschenen in dagblad De Pers.