Roepende in de woestijn

Onalledaags

Roepende
Een laagje mist hangt boven het grote veld waar meeuwen als volleerde voetballers dribbelen, driftig op zoek naar regenwormen. In de verte ziet Roos haar vriendinnetje Tilly. Ze rent erop af en samen sjezen ze over het veld, officieel mogen ze dat niet – het kan je als baas een boete opleveren van maar liefst honderdtwintig euro.
Een tijdje geleden reden twee handhavers met hun scooters dwars over het zompige veld om mij in het midden op de bon te slingeren. Weken erna waren de diepe sporen van hun wielen nog zichtbaar. Dan vraag je je toch af wie brengt hier de grootste schade toe? Toch niet die onschuldige man met zijn lieve hond? Die honderdtwintig euro van me kan het Stadsdeel besteden aan graszaad om de gemaakte sporen weg te moffelen.
We laten onze honden maar even rondrennen: hier hebben ze de ruimte om hun energie kwijt te raken. Want dat heeft een hond in de stad toch écht dagelijks nodig.
Een tiental meter voor ons loopt een vrouw in een donkerblauwe lange regenjas, op haar hoofd een regenkapje, in haar linkerhand een lange witte stok. Ze waggelt een beetje, stopt en roept haar begeleider. In haar andere hand houdt ze het tuig vast waarin hij haar door het leven leidt. Waar is haar trouwe makker?
‘Waar bent u ’m kwijtgeraakt?’
‘Daarachter. Ik heb hem losgemaakt, zodat hij zijn behoefte kon doen, en zich even vrij kon bewegen. Ik doe dat wel vaker met hem.’ In haar stem klinkt lichte paniek door, haar donkere ogen staren me leeg aan. Ze moet zich als een roepende in de woestijn voelen. Stuurloos. Van God verlaten. Haar begeleider heeft zijn vrijheid wel écht genomen.
‘Ik ga ’m voor u zoeken.’
‘Heel fijn van u meneer.’
‘Wat voor ’n hond is het?
‘Een witte labrador.’
Ik tast het grote veld af, maar vang geen glimp van hem op. Dan loop ik naar verderop gelegen struikgewas en zie hem daar flink schranzen. Hoeveel geduld en training heeft het wel niet gekost de eeuwige vraatzucht uit hem te bannen? En als klap op de vuurpijl gaat hij stiekem genieten van die verrukkelijke boterham met leverworst. Deze labrador weet donders goed dat zijn baasje het toch niet ziet. Dit zal-ie vast vaker doen, want labradors staan bekend om hun onwijze gulzigheid.
Ik loop resoluut op hem af. Hij blikt me verschrikt aan, verbaasd dat ik hem kan zíen. Wanneer ik hem benader om hem bij zijn nekvel te grijpen, rent hij van me weg. De struiken uit, en sjokt dan, als de onschuld zelve, naar zijn baas. Ondertussen nakauwend op een korst brood.
‘Waar was je nou Sjors? Toch niet weer aan het vreten?’ Ze schudt haar hoofd, en bevestigt zijn tuig.
Ze bedankt me, en we wensen elkaar een fijne dag. Sjors zit weer in zijn keurslijf, en samen schuifelen ze voort. Hij werpt nog even een blik de struiken in, maar weet zich gelukkig in te houden. Het zou toch een dolkomisch, maar tevens triest, moment zijn als hij dat lekkers toch niet weet te weerstaan en daarmee zijn baas het struikgewas in sleept.

Verschenen in Metro, 28 september 2015.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 189, 28 oktober 2016.

Zwartrijdende hond

Onalledaags

Zwartrijdende-hond
Dada noem ik haar om haar onconventionele gedrag. Zo plast ze nauwgezet boven het afvoerputje van de douche, loopt schaamteloos met je mee het toilet in, duwt daar haar snuit in je kruis, slurpt uit haar waterbak waarbij de helft over de rand gutst en springt zonder blikken of blozen op de bank.
Dada is een wit met bruin en zwart gevlekte beagle-achtige die op een zondag-
middag in het Oosterpark als een bezetene rondrent.
‘Is dat uw hond die daar rondrent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die is? Maar het lijkt erop dat er geen baas bij is.’
‘U moet uw eigen hond hier aanlijnen.’
Ik kijk naar Roos, die keurig aan voet met me meeloopt, en schudt m’n hoofd. ‘Jullie kunnen je beter om dat hondje bekommeren. Er is duidelijk geen baas bij. Dat hondje is helemaal de kluts kwijt. Zien jullie dat dán niet?’
‘Dat is niet onze taak meneer. Als u uw hond nú niet aanlijnt dan gaan wij u bekeuren.’ Hij kijkt me vanachter zijn stuur onverbiddelijk aan. Zijn stropdas zit wat slordig geknoopt, zijn pet een beetje scheef op zijn hoofd, en onder die pet zitten grijze haren. Triest eigenlijk, wanneer je op die leeftijd dagelijks nog dit soort werk doet. De godganselijke dag in een busje rondtuffen, en alleen maar bezig zijn je medemens een vervelende dag te bezorgen, en een kleine honderd euro uit zijn of haar porte-
monnee te troggelen omdat er een hond niet is aangelijnd.
Ik klik Roos aan en ren achter het hondje aan dat in paniek het park uit rent, de weg oversteekt en er op een haar na niet meer is. Vlug loop ik op het hondje af en til het op; blij likt ze m’n nek. Dada draagt een halsbandje, maar daar zit geen naamplaatje aan.
De handhavers zijn in geen velden of wegen te bekennen. Wanneer je ze nodig hebt, dan drukken ze hun snor.
Bij het politiebureau willen ze het hondje in een kooi stoppen, want het dierenasiel is gesloten. Dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen en ik neem Dada mee naar huis. Op de trap naar boven kom ik Ibrahim, mijn buurjongetje, tegen. Verrukt kijkt hij me aan.
‘Heb je nieuw hondje?’
‘Ik heb ’m in het park gevonden. Hij lag bijna onder een auto.’
‘Hoe heet hondje?’
‘Weet ik niet, maar ik noem ’m Dada.’
‘Is jongen of meisje.’
‘Een meisje.’
‘Moet-ie naar school?’
‘Ja zeker, want hij moet nog héél véél leren. Hoe hij moet oversteken: eerst naar links kijken, dan naar rechts, weer naar links en dan pas oversteken.’
‘Ikke van mama leren, niet van juf.’
Wat moet ik daarop zeggen? Ik kan toch moeilijk tegen hem zeggen dat het hondje bij zijn moeder is weggehaald. ‘Tja… Dada moet alles nog op de hondenschool leren. Ze is nog heel jong.’
‘Hoeveel?’ Hij laat zijn vingertjes zien.
‘Misschien pas één jaar.’
Ibrahim steekt vier vingertjes omhoog. ‘Ikke ouder. Ikke meer weten.’
Die avond bel ik de Dierenkwijtlijn, en het blijkt dat Dada een Oekraïense bazin heeft die in Oud-West woont. Ik vond Dada in het Oosterpark. Het kleine ding is dwars door Amsterdam getrokken, zonder een auto te raken. Moet ze nog wel naar school?
De dame van de Dierenkwijtlijn kijkt er niet vreemd van op – honden nemen gewoon de tram: ze hobbelen achter mensen aan de tram in en stappen haltes later uit. Ik vind Dada een heel slim hondje. Met lijn 14 breng ik haar terug naar haar baas, en ver-
domd de kleine Dada beklimt tree voor tree de tram en springt direct bij mij op schoot.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 183, 18 december 2015
en Oost-online.

Zuipende gerechtsbode (het vervolg)

Roos2

De drankkegelbode is nu een vrouw, en ze is broodnuchter. Ze ziet er veel imponerender uit dan degene die enkele maanden geleden bij me aan de deur stond, maar ook veel bedreigender. Ze heeft nogal wat zwaar materiaal aan haar heupen gegespt, waaronder een vuurwapen en verder wat ondefinieerbare gereedschappen om je vakkundig te vloeren.
Maar voordat ik bij haar aan de balie sta, moet ik mijn jas afgeven. Die komt op een lopende band terecht en wordt, zoals gebruikelijk op luchthavens, gescand. Zelf moet ik door een detectiepoort – en alsof dat niet genoeg is – moet een man me ook nog eens handmatig betasten.
‘De volgende keer als u komt graag uw jas in een bak gooien, anders blijft-ie in de scanner hangen,’ zegt de in uniform gestoken man.
‘Ik hoop hier niet nog een keertje te komen.’
De man lacht schaapachtig, en laat me door.
In een kale grijs betonnen ruimte zitten een aantal wachtenden. Verdachten, net als ik, maar ze zien er écht als verdachten uit. Van die lui die je ’s avonds liever niet tegen het lijf loopt. Met ongeschoren koppen, slonzig gekleed zitten ze wat voor zich uit te staren, of te scrollen op hun smartphone. Bij een van hen gaat de telefoon: ze wisselen wat zinnen uit in een Slavisch klinkende taal.
Ondertussen tikt de klok door, de wachttijd loopt flink op. Ik loop naar de balie waar de gerechtsbode al kauwend op kauwgum zit te scrollen op haar telefoon.
‘Nog twee mensen voor u.’
Ik haal maar weer een kop koffie.
‘Meneer Langeveld u kunt met me meekomen.’ Samen lopen we naar de deur die ze voor me opent.
Het is een omvangrijke zaal met een verzameling lege stoelen. Voorin zitten drie personen, twee vrouwen en een man elk achter een beeldscherm.
Ik moet direct gaan staan voor de reling van het beklaagdenbankje. De vrouwelijke rechter noemt mijn naam die op een lijst staat, maar kan het dossier niet zo snel  in haar computer terugvinden. Ze aarzelt wat, rommelt en vindt dan toch de gegevens.
Ze somt de feiten op. Dat ik ben aangehouden omdat ik niet aan mijn plicht voldeed mijn hond aan te lijnen. Verder haalt ze mijn schriftelijk verweer aan, waarin ik meld dat mijn hond volledig onder appèl staat en daarmee geestelijk aangelijnd is.
Ze kent het woord onder appèl staan niet, en vraagt me wat dit precies inhoudt? Ik vind dit vreemd, maar leg het haar uit.
‘Het heeft me heel veel tijd en energie gekost om dit voor elkaar te krijgen. Er is heel wat vallen en opstaan aan voorafgegaan: op dat soort mensen, die daar zoveel tijd in investeren, daar zou de samenleving trots op moeten zijn, in plaats van die persoon af te straffen met een geldboete…’
Hierop heeft ze geen antwoord. Ze kijkt van me weg en verstopt zich even achter haar beeldscherm.
‘Maar u bent volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) verplicht uw hond aan te lijnen. Loopt u nu nog steeds los met uw hond over straat?’
‘Ja,’ zeg ik heel eerlijk.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Dus u loopt al die tijd, het is inmiddels alweer 2,5 jaar geleden dat u werd bekeurd, met uw hond onaangelijnd: heeft u dan niet meer bekeuringen gehad?’
‘Nee.’ Ik besef dat ik deze zaak ga verliezen. Mijn antwoord was te eerlijk, en daar word ik nu op afgerekend. Ik moet het over een andere boeg gooien, anders verlies ik dit en ik wil voor mij en Roos de vrijheid!
‘Ik zal het u sterker vertellen: ik word soms ook door agenten aangesproken, maar ik laat hen dan zien hoe goed mijn hond alle commando’s opvolgt en dan geven ze me complimenten. En mag ik een aanvulling geven op de persoon die mij bekeurd heeft: hij heeft me bijna een jaar lang moedwillig achtervolgd om me op heterdaad te betrappen.’
‘Ah, hij heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt,’ zegt ze geïnteresseerd.
Ik moet hier op doorgaan, dit snijdt hout.
‘Ja, de man is inmiddels uit zijn functie gezet vanwege dat intimiderende gedrag.’
‘Heeft u een klacht over hem ingediend?’
‘Nee, maar er zijn wel veel klachten over hem binnengekomen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Van een vrouw, zij werkt bij Handhaving. Ik ken haar, ze heeft ook een hond.’

Het woord is nu aan de officier. Ze staat op van haar stoel. Het is een keurige dame, stijfjes, zonder enig menselijke uitstraling. Ze is het tegendeel van de rechter, die zeer beminnelijk op me overkomt. Ze doet haar zegje wat neerkomt op: regels zijn regels. Ofwel: het bekende riedeltje van de gezagdrager in functie. Verder heeft ze notie genomen van mijn verweer, maar vindt ze uit veiligheid voor de openbare orde dat ik m’n hond moet aanlijnen, want een hond kun je nooit voor honderd procent vertrouwen. Ze blijft bij haar eis dat ik de bekeuring moet betalen. Ze weet even niet om welk bedrag het gaat, en zoekt dit in haar computer op.
‘Heeft u hier nog iets aan toe te voegen?’ vraagt de rechter aan mij.
‘Ik ben het volledig eens met de officier dat je een hond nooit voor honderd procent kunt vertrouwen. Ik lijn m’n hond ook altijd aan bij het oversteken van drukke wegen en bij situaties die ik als gevaarlijk inschat. En overigens dat onaangelijnd lopen doe ik niet zomaar: als ik m’n hond niet voor driehonderd procent zou vertrouwen dan zou ik nooit los met haar lopen. Ze is m’n grootste liefde en bezit, dat wil ik niet zomaar kwijtraken onder een auto!’
De rechter knikt instemmend, en vraagt me naar mijn beroep.
‘Ik ben tekstschrijver en redacteur én ik schrijf gedichten. Binnenkort komt m’n dichtbundel uit.’
Ze kijkt zeer belangstellend. ‘En u heeft ook nog geen strafblad zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Dan kom ik nu tot een uitspraak. Ik wijk af van de eis van de officier. Ik leg u een voorwaardelijke straf op, dat betekent dat u deze boete niet hoeft te betalen, maar als u binnen twee jaar toch weer wordt bekeurd voor deze overtreding dan moet u deze alsnog betalen. Begrijpt u?’
‘Begrepen, en bedankt daarvoor.’
‘Dat was het, ik wens u een fijne dag.’
‘Jullie een fijn weekend, antwoord ik, en loop de lange zaal uit naar de uitgang.
Langzaam dringt de overwinning bij me door als ik de trappen af loop op weg naar de buitenlucht die vochtig koud aanvoelt. Ik heb het gevoel dat de rechter me ongrijpbaar vond. Zoiets van het heeft geen zin deze man te bekeuren: hij blijft toch met z’n hond loslopen… Dat heeft ze dan volledig bij het rechte eind.
Het voelt heel goed: ik ben eerlijk geweest door te zeggen dat ik nog steeds met Roos losloop. Dat is onze gezamenlijke vrijheid en die heb ik voor ons beiden bevochten. En ik heb een persoonlijke overwinning behaalt op die irritante handhaver die me bijna een jaar moedwillig heeft gestalkt!

Voor wat eraan voorafging klik hier.

Zuipende gerechtsbode

Gerechtsbode

Foto: Candice Storm

De bel gaat, en ik vraag via de intercom wie daar is?
‘Gerechtsbode, heb een stuk waarvoor getekend mot worden,’ hoor ik iemand mompelen.
Ik loop de drie trappen naar beneden, en bedenk me dat we dan toch bij de rechter op het matje moet komen…
Door het glas van de benedendeur zie ik een man staan die ik ken als een alcoholist die vaak dronken rondhangt in het Oosterpark. Hoe kan deze man in godsnaam bode bij de rechtbank zijn?
Ik trek de deur open.
De man kijkt me wat schaapachtig aan: ‘Ben u de heer Langeveld?’ Een flinke damp alcohol lift vrolijk met zijn vraag mee.
‘Ja.’
‘En zijn u voornamen Dirk Meland?’
Ik knik instemmend mijn hoofd, en ben verbaasd dat hij Meland juist uitspreekt. Daar wordt in de regel nogal wat mee gehaspeld.
‘Ik heb een gerechtelijk bevel van de rechtbank. Zet u hier naam en handtekening.’ Hij wijst op een vel vol met letters, dat ligt te trillen in zijn hand.
Ik vertrouw dit zaakje toch niet helemaal, want wat moet die zuiplap met mijn gegevens… Maar kennelijk ziet hij mijn vertwijfeling.
‘Ja normaal heb ik een uniform aan, maar ’t is me vandaag te warm,’ lacht-ie wat dommig.
Ik teken daar waar hij wijst, en zeg tegen hem: ‘Krijg ik dan nu die brief.’ Het komt er nogal dwingend uit, want ik weet me god niet waar ik mijn handtekening onder heb gezet. Zonder een leesbril ben ik een analfabeet in geletterd landschap.
‘Ja, ik mot ’t toch effe afscheuren,’ antwoordt hij kregelig.
Er wordt tegenwoordig toch ook maar wat uit de kast gerukt en in een baan geplugd.

Bovengekomen scheur ik de enveloppe open. Het is zo’n zelfde enveloppe (alleen een paar maten groter) als waar je je pincode van je bankpas per post meekrijgt: zo quasi geheim, om je het gevoel te geven dat deze brief werkelijk niet te kraken valt.
Het betreft een ‘oproeping verdachte na ingesteld verzet’, zoals het onderwerp in het briefhoofd vermeldt. Ik voel me bij het woord ‘verdachte’ direct al een halve crimineel…
Aan u is het navolgende ten laste gelegd: hij, op of omstreeks 9 april 2013, te Amsterdam, als eigenaar of houder van een hond, welke zich bevond op en/of in de omgeving van de Andreas Bonnstraat, althans op en/of aan een weg, niet aan zijn verplichting heeft voldaan ervoor te zorgen dat die hond was aangelijnd;’

We moeten dan eindelijk samen voor de rechter verschijnen, ruim twee jaar nadat we een bekeuring kregen van onze stalker: een doorgewinterde, uitermate fanatieke gemeentelijke handhaver van het type dat onder een fout regime, zonder enige scrupules je beul wordt.
De lange, magere man – stijfjes en strak in het uniform – liep ons al meer dan een halfjaar te stalken met maar één doel: ons op heterdaad betrappen. Onlangs zei Marit, een van mijn hondenvriendinnen, nog het volgende over hem: ‘Méland, is het je weleens opgevallen dat die lange net iets korter is dan jou; dat moet ongetwijfeld z’n frustratie zijn, en de reden dat-ie je op de bon heeft geslingerd!’

Maar Roos en ik gaan naar de rechter, en Roos zal de rechter laten zien dat ze keurig onder appèl aan voet met haar baas – als een volwassen meid – kan lopen, en dat we daarmee een geestelijke lijn met elkaar hebben, en daarmee ‘aangelijnd’ door het leven gaan…
De uitspraak van de rechter laat nog even op zich wachten: onze oproep om te verschijnen, is midden in onze vakantie. Eerst moet je meer dan twee jaar op ze wachten en dan roepen ze je op als je met vakantie bent. Vandaag heb ik dan ook een verzoek om uitstel ingediend. Want deze poppenkastvoorstelling willen we beiden niet missen…

Voor het vervolg klik hier.

Verschenen in Metro, 8 juni 2015.

Roos: handhaver van het Oosterpark

Buurtblaffer | Anna ten Bruggencate

Roos-1
Naam: Roos
Ras: Briard
Leeftijd: 5 jaar

Stadshond
Roos is een Briard, een Frans, intelligent hondenras dat oorspronkelijk gebruikt werd voor het hoeden en begeleiden van schaapskuddes. Dit soort honden zie je niet vaak in de stad, maar Roos voelt zich duidelijk overal op haar gemak. In Bar East of Eden aan de Linnaeusstraat, waar vanwege het slechte weer de kennismaking met baas en hond plaatsvindt, ligt ze heel rustig en houdt alles in de gaten. ‘Dat is typisch een kenmerk van de Briard,’ vertelt Méland. ‘Binnen zijn ze heel rustig, maar buiten zijn het echte werkhonden. Ik kan bijvoorbeeld heel goed door de stad lopen met Roos aan de voet. Ik heb haar zelden aan de riem.’ Dat wordt naar Mélands mening slecht begrepen door de gemeentelijke handhavers die eigenaren van een loslopende hond op de bon slingeren. Hij heeft dan ook niet zo’n goede relatie met ze. ‘Er is zoveel controle in het Oosterpark waar Roos en ik dagelijks komen. En het kan zo leuk zijn voor hondenbezitters. De hondenbezitters die van het Oosterpark gebruik maken, vormen een leuke en hechte groep, waaruit ook vriendschappen zijn ontstaan,’ licht Méland toe.

Sociaal
‘Ik vind het opvallend hoe een hond je dingen leert. Zoals het kennismaken met andere mensen. De hond kiest de mensen uit: namelijk hun hond. En de baasjes gaan dan met elkaar praten.’ Roos komt uit een nest bij mensen met jonge kinderen die veel aandacht gaven aan de puppy’s. ‘Roos is daarom heel goed met kinderen.
Als ze kinderstemmen hoort dan wil ze er altijd naartoe.’

Parkblaffer
Zoals kenmerkend voor het ras, heeft ook Roos een mooie langharige vacht. Van haar hoofd is vooral een stevige zwarte neus te zien en tussen de haren gluren een paar glinsterende kijkers. ‘Mensen maken vaak van die flauwe opmerkingen, zoals “moet-ie niet naar de kapper” of “ziet ze wel wat?” Maar Roos ziet al op grote afstand een kat of een konijn, en sjeest er dan achteraan. Het hoeden zit bij haar meer in het achter dit kleine grut aanjagen,’ zegt Méland lachend.
De oorspronkelijke functie van herdershond komt bij Roos bovendrijven wanneer ze bijvoorbeeld met een groep honden in het park is. ‘Ze wordt nu de Buurtblaffer van Dwars, maar ze is al de Parkblaffer. Roos is een hele zelfstandige hond en kan goed voor zichzelf opkomen. Ze wil graag de roedel hoeden; de regels handhaven. Wat dat betreft,’ lacht Méland, ‘houdt Roos me misschien een spiegel voor!’

Dit interview is eerder verschenen in ‘Dwars door de buurt’, 28 april 2013, en
Ons Oosterpark.nl