Hondenparadijs

Dog bakery Lost cookies staat er in sierlijke letters op de etalageruit. Ik werp een blik naar binnen en zie twee hondjes op de marmeren toonbank elk staan smullen van een gebakje.
Nieuwsgierig stap ik de tearoom voor viervoeters binnen. Voor de toonbank, op een pluche kleed, werkt een Dalmatiër gulzig enkele roomsoezen naar binnen.
‘Rustig aan m’n jongen, anders krijg je pijn in je buik,’ zegt een vrouw in bontjas bezorgd tegen hem, maar hij trekt zich er weinig van aan. In een mum van tijd zijn de soezen van het schoteltje verdwenen.
In de vitrine staan diverse soorten gebakjes en koekjes met tot verbeelding sprekende namen als: ‘hiding secrets’, ‘lost treasures’ en ‘new opportunities’.
Wanneer ik even later de smullende hondjes de rug toekeer, graait er buiten voor de hondenbakkerij een zwerver in een prullenbak. Hij vist er een afgekloven hamburger uit en duwt de gestolde hap gretig in zijn mond. Groter kan het contrast met daar binnen en hier buiten niet zijn. Ik geef hem een dollar. Hij bedankt me uiterst vriendelijk.

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Amerikaanse zelfcensuur

Na een verblijf van zes maanden in de Verenigde Staten kijk ik voor het eerst naar het Nederlandse achtuurjournaal. Mijn mond valt open van verbazing. Pro-Palestijnse actievoerders in Israël? Waar komen die ineens vandaan? En demonstrerende antiglobalisten? Die ben ik daar in de Amerikaanse kranten en op televisie nooit tegengekomen. Zelf deed ik eind september mee aan een vredesdemonstratie tegen de oorlog in Afghanistan. Ik schat dat er zo’n tweeduizend man aan meededen, maar ik las er de volgende dag in de Los Angeles Times, toch een serieuze krant, geen regel over. De kolommen in diezelfde krant en ook in de New York Times waren uitsluitend gevuld met pro-Amerikaanse verslaggeving over de oorlog in Afghanistan. Geen enkele keer twijfelden ze aan, of uitten ze kritiek op het bombarderen en er waren geen vermeldingen van anti-Amerikaanse betogingen elders in de wereld, noch van het aantal civiele slachtoffers dat er viel. Leuzen als: ‘Justice for the victims of september 11’, ‘our heroes are striking back’ en ‘We honor our soldiers who died for our God blessed country’ deden het erg goed. Tegenbewegingen zijn er wel degelijk, maar ze worden buiten de schijnwerpers gehouden. Buitenlands nieuws is in de Amerikaanse media mager aanwezig. Zo had de Los Angeles Times dagelijks slechts één pagina buitenland. Ander wereldnieuws was altijd in samenhang met Amerika. Op de televisie bestaat het buitenland nauwelijks – of president Bush moet er toevallig een bezoek brengen. Over de lokale zenders kan ik beter zwijgen. Het nieuws is altijd een soort show, op zijn best een soort ‘Hart van Nederland’. De Amerikaanse maatschappijcriticus Noam Chomsky spreekt in zijn ‘Propaganda Model’ over de filters die het nieuws schiften. Allereerst zijn de media in handen van een tiental multi-nationale ondernemingen die wederzijdse belangen met andere giganten, banken en de overheid hebben. Dat zorgt al voor een vertekening in de nieuwsvoorziening. Maar ook zonder die belangen vormen de mainstream media een gecontroleerd instituut. De controle is niet het gevolg van een of andere samenzwering, maar een uitvloeisel van vraag en aanbod. Nieuws is business waarmee ze adverteerders moeten aantrekken. Dit bereiken ze door meer mensen voor het nieuws te interesseren. Populaire onderwerpen spelen de hoofdrol. Het is dus belangrijk om iedereen voor de buis te krijgen: hoe hoger de kijk- en leescijfers, hoe hoger de winst. Verder moet het nieuws natuurlijk niet de adverteerders in de wielen rijden, want dat betekent financiële zelfmoord. Serieuze kritiek op activiteiten als ecologische schade, uitbuiting van Derde Wereldlanden, banden met het militair-industrieel complex blijven daardoor buiten beeld. Het marktmechanisme verbindt ook een andere belangrijke schakel die tot vertekening van het nieuws leidt: de relatie tussen de corporate-owned media en de overheid. Waarom wordt de informatie van overheden klakkeloos aangenomen als waar? Volgens Chomsky komt dit doordat het nieuws van de overheid zoals het Witte Huis en het Pentagon gratis en makkelijk te verkrijgen is. Met hun kant-en-klare nieuws dragen ze bij tot kostenbesparing bij de media. Bovendien zijn overheids- bronnen herkenbaar en boezemen vertrouwen in. De overheid maakt gebruik van dat vertrouwen en voert stelselmatig propaganda. Zo brengt het Pentagon onder het journalistieke mom televisieprogramma’s uit over militairen in oorlogsgebieden. Geromantiseerde, hollywood-achtige shots van soldaten in de frontlinie – maar het heeft niets met een echte oorlog te maken. Was het vechten tegen het rode gevaar voorheen de grootste inspanning, nu voert de overheid de ‘War on Drugs’ en de ‘War on Terrorism’ op als officiële vijanden. ‘Fighting narco-terrorists’ was voor Bush de officiële reden voor het sturen van militaire goederen naar Mexico waar ze tegen de Zapista-rebellen werden ingezet. De ware reden was het tegenhouden van destabilisatie in Mexico, want dat zou Amerikaanse investeringen schaden. De media voerden het op, zoals de overheid het wilde, als een anti-drugsactie. De Verenigde Staten waren het land van de kritische journalistiek, van Woodward en Bernstein. Maar na 11 september sluit het land zich van de wereld af in een kramp van kunstmatige angst en patriottisme.

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Beverly Hills shit

Op de hoek van Beverly Drive en Wilshire Boulevard (Beverly Hills, Los Angeles) zit een Afro-Amerikaanse vrouw gehurkt achter een bankje. Voor haar staat een boodschappenkarretje gevuld met plastic zakken. Ik vraag me af wat ze aan het doen is? Als ik goed kijk, zie ik dat ze haar billen ontbloot heeft. Ze is op deze drukke kruising domweg aan het poepen. Met stukjes oude krant veegt ze haar billen af en stopt de bevuilde delen onder de bank. Er lopen in driedelig-pak-gestoken-mannen langs, maar die keuren haar geen blik waardig.
Even later komt er een dame op leeftijd met een keurig geknipte en gewassen poedel voorbij. Het beestje stopt, hurkt en laat een drolletje midden op het trottoir vallen. Met de punt omhoog staat het daar als de toren van Pisa pontificaal. De dame kijkt spiedend om zich heen, werpt een blik op de zwarte vrouw en sleurt dan snel het poedeltje met zich mee.
‘He old beauty, wait a sec. At least I put my shit under this fuck’n bench. That’s what you’ve to teach you fuck’n dog.’
De wangen van de face-lifted-lady lopen rood aan. Ondertussen dribbelt het hondje op de zwarte vrouw af, maar het baasje haalt als een visser de lijn binnen. Snel maakt de dame zich uit de voeten met in haar kielzog de ondeugende poedel die nog even naar achteren omkijkt.

Los Angeles, december 2001.

Publiekelijk terechtgesteld

In een Porsche cabriolet scheurt ze over de Coastal Highway op weg naar Malibu. Op de voet gevolgd door de Highway Patrol die als een gillende keukenmeid in haar nek hijgt.
Plotseling remt ze, rent haar wagen uit en probeert het strand op te rennen, maar de sheriff vloert haar vakkundig. Binnen enkele seconden is ze geboeid en sjort hij haar overeind.
‘I’m innocence as a virgin. God bless you all,’ schreeuwt ze als een waanzinnige naar de mensen die op het strand geamuseerd staan toe te kijken. De agent is alleen en hij heeft de grootste moeite zijn vangst in bedwang te houden. Al snel krijgt hij hulp van een burger die zojuist met zijn auto gestopt is. Als een spartelende vis slepen ze haar mee en stouwen haar in de surveillancewagen.
Even later komt er een tweede politiewagen aanrijden. Deze sheriff doorzoekt de Porsche en tovert de een na de andere handtas tevoorschijn. Zou ze de bolide en al die handtassen gestolen hebben? Die vraag doemt kennelijk ook bij de toeschouwers op.
‘Did she steal the car?’ vraagt een omstander.
‘We don’t know yet, but she was driving like a lunatic, ignoring some red lights.’
‘Well, put her in the brick for a while,’ roept een van de toeschouwers.
Ik sta verbaasd dat het publiek antwoord krijgt. In Nederland vraag je zoiets niet aan politie in actie, en een antwoord hoef je op zo’n moment al helemaal niet te verwachten. Dit hier heeft iets weg van een openbare terechtwijzing, zoals in vroegere eeuwen op het marktplein waar het volk rotte eieren naar de veroordeelde kon gooien.

Los Angeles, september 2001.

In God we trust: united we stand?

Ze heeft in haar rolstoel moeite met de helling; haar armspieren werken op volle kracht. Een geblokte deken camoufleert deels haar ontbrekende onderbenen. In haar schoot ligt een handtasje. Wat is ze weerloos. Zou ik haar even de helling opduwen of zou ze mijn hulp afslaan? Blinden willen in de regel ook nooit bij het oversteken geholpen worden.
‘Zal ik u een duwtje geven?’ Ik grijp de beide handvatten vast en zet me schrap.
Ze kijkt me argwanend aan, grijpt haar tasje beet en omklemt het angstvallig. Ze is zeker bang dat ik haar van haar geld beroof. Dit maakt ze vast nooit mee.
Met gierende sirenes scheurt er een politiewagen voorbij.
‘To hell met de terroristen,’ roept ze de sheriffs na.
‘Het is vreselijk wat ze hebben gedaan,’ antwoord ik.
‘Ik wou dat ik toen in de Twin Towers zat. Ik had m’n miserabele leven graag met een ander willen ruilen,’ zegt ze triest.
Wat moet ik daarop zeggen?
‘God zegende me niet, en zo ook niet die zevenenveertighonderd doden daar aan de Oostkust.’
‘Dat is waar, maar we moeten toch nog ergens in de mensheid geloven?’
Ze schudt haar hoofd. ‘To hell met de God bless America stuff.’
Inmiddels zijn we boven aan de helling gekomen en neem ik afscheid van haar.
‘Je bent een goeie jongen, pas op jezelf.’ Ze plaatst haar handen op de wielen en zet zichzelf in beweging. Wat een geweldige vrouw.

Los Angeles, oktober 2001.

The sky is the limit

Los Angeles is de komende maanden onze thuisbasis. Het land van de onbegrensde mogelijkheden ontvouwt ons zijn voortvarendheid. Binnen twee dagen hebben we een auto gekocht, een appartement gehuurd én een aanvraag voor telefoon, gas en elektra geregeld die de volgende morgen reeds zijn aangesloten.
‘Your California driver license or ID please.’
‘We don’t have them, we are Dutch.’
De man die de verzekering voor onze auto regelt, lacht me vriendelijk toe. ‘Okay, what else do you have?’
‘We have an international driver license,’ zeg ik serieus.
Hij werpt een blik op het grijze ANWB-document en neemt het nummer dat op de voorzijde staat over. Dit getypte document – met een typografische uitstraling van de jaren zeventig – blijkt onze toegangspoort te zijn voor alle ambtelijke en commerciële handelingen. In onze visa, paspoorten en roze rijbewijzen zijn ze niet geïnteresseerd. Met het ANWB-bewijs dat we voor zesentwintig piek kochten, sluiten we hier alle contracten af.
Hoe eenvoudig moet het voor de terroristen van het ‘elf-september-drama’ geweest zijn als je met één simpel document jezelf tot Amerikaan kunt bombarderen. Je nestelt je vervolgens vredig in een buurt en gedraagt je voorbeeldig.
‘Morning neighbor, how are you today?’
‘I’m fine, thank you.’
Tot de dag dat je jezelf als bom inzet en de buren het niet kunnen begrijpen omdat je zo’n aardige man was.

Los Angeles, september 2001.

Bush’s nieuwe oorlog

MGM

Nog geen drie maanden na de aanslag op de Twin Towers (11 september 2001) loop ik over de boulevard van Venice Beach, Los Angeles. Tussen kraampjes met allerlei souvenirs, sieraden, nieuw age-spulletjes en andere hebbedingetjes, en de Aziatische masseurs die massages aanbieden, staat een oud televisietoestel. Het staat op een tafeltje en er gaapt een gat in waar ooit de beeldbuis zat. Voor de televisie hangt een bakje met opschrift: ‘It activates by $1’. Achter het toestel staat een wat oudere man met lang sliertig haar en een slonzige baard.
Een moeder geeft haar dochtertje een dollarbiljet en hij steekt zijn hoofd door het toestel en geeft het meisje aanwijzingen waar ze het geld in moet stoppen. Dan trekt hij een doek als schermvulling omlaag. Het is met het logo van MGM Pictures beschilderd, met een gat in het midden waar hij een speelgoed leeuw al brullend doorheen steekt. Daarna start hij ‘de film’ op. Dat doet hij door het aanleggen van een zandhoopje waar hij twee gewapende soldaatjes op zet. Tijdens hun missie raken ze in een zandstorm terecht en in noodweer waarbij hij de figuurtjes met een waterpistool bespuit. Al snel is het tijd voor de commercial en na de ‘break’ komt hij met een als moslim uitgedoste pop met baard op de proppen. Zou dit Osama bin Laden zijn? Een nogal beladen onderwerp hier in de States. Tijdens Halloween was het officieel verboden als de meest gezochte terrorist verkleed te gaan en ‘sick jokes’ vang ik hier niet over hem op.
Ja het is hem, het is Bin Laden die te grazen wordt genomen. De soldaatjes binden Osama achter een jeep en de commentator meldt dat ze hem met een vaartje van zo’n zevenenveertig miles door de woestijn slepen. ‘Dat is wat we met deze mother-tuut-tuut-tuut doen.’
Het gezicht van de moeder van het dochtertje trekt bleek weg. Ze pakt haar dochtertje beet en sleept haar mee.
De voorstelling prikkelt mijn nieuwsgierigheid meer en meer. Enkele seconden later vliegt het hoofd van het lijf en valt het doek. Voor slechts één dollar laat hij ons zien wat Bush al weken lang zo graag zou willen doen met zíjn vijand in zíjn nieuwe oorlog.

Los Angeles, december 2001.

Verschenen in Metro, 24 augustus 2015.

Koolhaas: een ware ster

Buiten, bij de ingang van de theaterzaal van de UCLA (University of California Los Angeles) wachten mensen in een lange rij, als bij een Hollywood-première, voor een lezing van Rem Koolhaas. Hoe is het mogelijk dat hij hier zo populair is? Ik vraag het aan een jongen die naast me staat en voeg eraan toe dat de man in Nederland toch niet zo’n tweeduizend mensen voor een lezing kan interesseren.
‘Ik denk dat ’t te maken heeft met ’t sterrendom dat ze hier aan mensen toebedelen en misschien ook omdat zijn ideeën verder reiken dan de architectuur.’ Hij vraagt me naar meer bekende Nederlandse architecten. Herman Hertzberger schiet me te binnen. Geen geringe naam maar die kent hij niet.
De LA Times portretteerde Koolhaas ruim twee maanden geleden; zijn ontwerp was gekozen voor de verbouwing van LACMA (Los Angeles County Museum of Art). Zijn achternaam kunnen ze hier niet uitspreken en ze maken er ‘Coolhouse’ van. Met zo’n naam moet je ontwerp wel winnen, lijkt me. Ook dat hij lang en eerstgeborene is, leidde volgens de LA Times tot zijn succes. De krant betitelde hem als ‘the leading rock-god/philosopher of contemporary design’.
Op de voorste rij ontwaar ik een aantal celebraties: Diane Keaton, Michael York, Martha Stewart, Brad Pitt. De spanning in de zaal stijgt. De lange in wit overhemd gestoken kalende man treedt binnen. Hier en daar klinken opgewonden kreten. Koolhaas is hier een ware ster.
Hij begint zijn verhaal met het zogenoemde ¥ € $-regime: de Yen, de Euro en de Dollar die de wereld dicteren. Uit onderzoek blijkt dat in de afgelopen tien jaar in China een tienvoudige bouwexplosie ten opzichte van Europa heeft plaatsgevonden. Daarbij blijkt een Chinese architect een tiende van een Europese architect te verdienen. Tijdens het spreken frommelt hij voortdurend met zijn vingers. Gelach klinkt op als Koolhaas meldt dat ze in de States meer dan in Europa bouwen, terwijl de Amerikaanse architect minder dan zijn Europese collega verdient. Vloeiend voegt hij eraan toe: ‘I hope you will permit me to find your laughter extremely unpleasant.’
Dan springt hij over naar de roltrap en de airconditioning die volgens hem de architectuurprincipes omver hebben gehaald: oneindige gebouwen zijn het resultaat. Dia’s van de Twin Towers voor en na 11 September illustreren zijn betoog. Een gewaagde zet. Gemompel. Naast me kijkt een student me ontzet aan en schudt zijn hoofd. De controversiële vraag is dan of buitensporige gebouwen hun langste tijd hebben gehad? Het blijft verdacht stil. De skyline karakteriseert in dit land bijna elke stad.
Bij het beantwoorden van vragen uit het publiek laat zijn lichaamstaal zien dat hij er weinig zin in heeft. Dat is in de stad der sterren erg ‘on-Hollywoods’. Maar Coolhouse’s imago kan hier niet stuk.

Los Angeles, maart 2002.

Zo verstuurt u een miltvuurbrief

Beneden bij mijn brievenbus loop ik de postbode tegen het lijf. Ze draagt plastic handschoentjes. Ik vraag haar of ze niet bang is voor het miltvuur?
‘Zeker, maar ik kan er toch niet voor weglopen, we hebben schoolgaande kinderen.’ Haar glimlach is afgemeten. ‘Hier, ik heb wat voor u.’ Ze duwt me een kaart in mijn hand. ‘Van m’n hoogste baas, wat aanwijzingen, ik weet niet of je er wat aan hebt.’ Nogmaals laat ze die glimlach zien.
Het is een bericht van de Postmaster General uit Washington DC.

What should make me suspect a piece of mail?
1. It’s unexpected or from someone you don’t know.
2. It’s addressed to someone no longer at your adress.
3. It’s handwritten and has no return address or bears one that you can’t confirm is legitimate.
4. It’s lopsided or lumpy in appearance.
5. It’s sealed with excessive amounts of tape.
6. It has excessive postage.

Dit zijn op maat gesneden aanwijzingen voor diegene(n) die de post met miltvuur volsmeren. Zorg er dus in het vervolg voor dat de persoon, die je om zeep wilt helpen, werkelijk op het adres woont, adresseer de brieven niet meer met de hand, plak het niet langer met meters plakband dicht en doe er vooral niet te veel postzegels op. Dat miltvuur is toch al zo’n dure grap.

Los Angeles, november 2001.