Kijk uit voor de vrouwtjes

Onalledaags


Vandaag ruikt het naar de lente, de lucht is strakblauw. De knoppen aan de bomen knappen ongevraagd uit hun basten, de groeispurt kan beginnen. Heerlijk in de zon struinen we met z’n tweeën langs de vijver van het Oosterpark. Roos huppelt vrolijk voor me uit. Dat doet ze eigenlijk altijd; voor haar maakt het niet uit of het nu keihard regent of stralend mooi weer is: ze is het zonnetje in m’n leven.
Er zijn vanochtend veel meer mensen in het park, ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Roos is bijna loops, ze wil zelf nog niet maar ruikt wel zeer aantrekkelijk voor de mannen. Goed opletten dus, want voor je het weet zit je met een nest vol puppy’s in huis.
In een mum van tijd komt er in volle vaart een reu aangesneld. Roos’ ranzige geur lokt soortgenoten van heinde en verre aan, en baasjes zijn dan meestal in geen velden of wegen te bekennen. Zo ook nu.
De reu lebbert haar uitgebreid, maar aan Roos zie ik dat ze er niet zoveel zin in heeft. Ze blaft en hapt hem van haar af. Hij wijkt even van haar zijde en gaat daarna vrolijk door. Dan bijt ze pinnig van haar af, trekt haar lippen op en laat haar tanden dreigend aan hem zien.
Het is een flinke hond, een maat groter dan Roos. Wanneer dit mannetje van wanten weet, dan zijn we genadeloos verloren. Waar blijft toch z’n baas?
Eindelijk verschijnt hij ten tonele, en zegt tegen zijn hond: ‘Barrel man, as ’n vrouw nee zegt, dan is ’t ook nee, begrijp dat dan man.’ Hij richt zijn blik naar mij. ‘Die twee kenne wel meedoen in ’n Postbus 51-spot.’ Een flinke walm alcohol onderstreept zijn woorden.
‘Ja, dit is wel zeer duidelijke taal van mijn hond. Ze kan inderdaad wel iets in de voorlichting gaan doen…’
‘Ja, daar ken je nog wat poen mee verdienen met die meid van je. Komt d’r nog wat poen in ’t laadje man. Plaats van dat die honde je bakke geld koste…’
‘Ja inderdaad.’
Hij richt zich tot Barrel: ‘Nee is nee, maffe idioot… Kijk nou maar uit, man. Met vrouwe ken je beter geen mot maken, daar krijg je alleen maar ellende van…’ Hij kijkt me met kleine oogjes aan, en er verschijnt een kinderlijke blik in zijn doorleefde gezicht: ‘Zei m’n ouwe moer al tegen me vroeger: kijk uit voor de vrouwtjes!’ Hij neemt een slok bier uit het blikje, en lacht. Dan gooit hij een stuk touw om de nek van zijn hond, en sjort hem met moeite met zich mee. Barrel probeert zich los te rukken, want die wil met man en macht naar Roos.
‘Koest Barrel, ik heb er nou echt genoeg van. Kom mee!’

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.

Wiegedood

Onalledaags

Wiegedood

In de plassen op straat doorbreken regendruppels het spiegelbeeld van de aaneen-
gesloten huizenrij. Een vaalgele vlag aan de gevel van de drogisterij hangt er als een drijfnatte vaatdoek bij; de wind krijgt er amper beweging in.
Roos houdt haar pas in en schudt haar vacht uit. We zijn beiden al behoorlijk nat geworden op onze weg naar het Oosterpark.
In het park loopt een tiental meters voor me een vrouw in een donkerrode regenjas die tot over haar knieën hangt. Ze draagt bruine, hoge laarzen met spekzolen, die een zuigend geluid voortbrengen. Ze loopt met een ouderwetse kinderwagen – model jaren zestig – en een aangelijnde hond, die haar ondanks zijn manke achter-
poot voorttrekt. Het heeft iets aandoenlijks. De chowchow trekt haar naar een lantaarnpaal, ruikt, tilt zijn manke achterpoot moeizaam op en pist tegen de uitgebeten plek.
Inmiddels is de regen gestopt, en komt de zon stilaan achter de wolken tevoorschijn. Ik haal de vrouw in, en gluur terloops in de kinderwagen. Er ligt geen baby in maar een hondje, goed toegedekt met een roze dekentje. Het kijkt me pienter aan.
Ik kijk de vrouw aan, en knik verlegen met mijn hoofd.
Ze vraagt me hoe mijn hond heet?
‘Roos.’
Met haar donkerbruine ogen kijkt ze me indringend aan. ‘Ben je boos pluk een roos…’ zegt ze vrolijk, en aait Roos over haar kop. ‘Mijn hond heet Dolly.’
Onder haar regenjas bevindt zich een vrijwel vormeloos lichaam, haar gezicht is mollig en aan haar kin zitten enkele zwarte haartjes.
‘We wouen d’r zelfde naam geve als ons overlede dochtertje. Maar toch maar nie gedaan. Wiegedood was ’t volgens dokter, en ik ken nou geen kind’ren meer krijge.’
Het donzige hondje blijft me intens aankijken. Het beestje maakt een heel wijze indruk op me. Het is net alsof ik naar een reïncarnatie van een mens kijk.
Als ik goed naar de vrouw kijk, zie ik dat ze nog jong is. Haar plompe voorkomen maakt haar een stuk ouder.
Met haar hand strijkt ze het groezelig blonde haar naar achteren. ‘We zijn ook verhuisd naar ’n andere buurt, na d’r dood. Je hoorde ze fluistere.’ Met haar hand maakt ze de fluisterbeweging en ondertussen kijkt ze naar het hondje in de kinder-
wagen. Dan barst ze in tranen uit.
Daar sta ik. Wat moet ik zeggen? Alleen omdat ik met een hond voorbijkom en even iets langer een blik in de kinderwagen werp, spreekt ze me aan en giet in enkele minuten een heel drama over me uit.
‘Maar, ik wil hier ook weer weg.’ Ondertussen veegt ze haar tranen met een zakdoekje weg.
‘Maar in Zuid wil ik ook nie wonen. D’r was ’k laatst. Wat ’n kakbuurt zeg.’
‘Nee, dat is ook niks,’ lispel ik. Ik wens haar sterkte en neem afscheid.
Roos hobbelt weer vrolijk met me mee: het maakt haar allemaal niets uit met wie ik sta te praten. Heerlijk zo’n onbevangen kijk op het leven…

Verschenen in Metro, 27 mei 2015
en Dwars door de Buurt, nummer 191, 10 februari 2017.

Roepende in de woestijn

Onalledaags

Roepende
Een laagje mist hangt boven het grote veld waar meeuwen als volleerde voetballers dribbelen, driftig op zoek naar regenwormen. In de verte ziet Roos haar vriendinnetje Tilly. Ze rent erop af en samen sjezen ze over het veld, officieel mogen ze dat niet – het kan je als baas een boete opleveren van maar liefst honderdtwintig euro.
Een tijdje geleden reden twee handhavers met hun scooters dwars over het zompige veld om mij in het midden op de bon te slingeren. Weken erna waren de diepe sporen van hun wielen nog zichtbaar. Dan vraag je je toch af wie brengt hier de grootste schade toe? Toch niet die onschuldige man met zijn lieve hond? Die honderdtwintig euro van me kan het Stadsdeel besteden aan graszaad om de gemaakte sporen weg te moffelen.
We laten onze honden maar even rondrennen: hier hebben ze de ruimte om hun energie kwijt te raken. Want dat heeft een hond in de stad toch écht dagelijks nodig.
Een tiental meter voor ons loopt een vrouw in een donkerblauwe lange regenjas, op haar hoofd een regenkapje, in haar linkerhand een lange witte stok. Ze waggelt een beetje, stopt en roept haar begeleider. In haar andere hand houdt ze het tuig vast waarin hij haar door het leven leidt. Waar is haar trouwe makker?
‘Waar bent u ’m kwijtgeraakt?’
‘Daarachter. Ik heb hem losgemaakt, zodat hij zijn behoefte kon doen, en zich even vrij kon bewegen. Ik doe dat wel vaker met hem.’ In haar stem klinkt lichte paniek door, haar donkere ogen staren me leeg aan. Ze moet zich als een roepende in de woestijn voelen. Stuurloos. Van God verlaten. Haar begeleider heeft zijn vrijheid wel écht genomen.
‘Ik ga ’m voor u zoeken.’
‘Heel fijn van u meneer.’
‘Wat voor ’n hond is het?
‘Een witte labrador.’
Ik tast het grote veld af, maar vang geen glimp van hem op. Dan loop ik naar verderop gelegen struikgewas en zie hem daar flink schranzen. Hoeveel geduld en training heeft het wel niet gekost de eeuwige vraatzucht uit hem te bannen? En als klap op de vuurpijl gaat hij stiekem genieten van die verrukkelijke boterham met leverworst. Deze labrador weet donders goed dat zijn baasje het toch niet ziet. Dit zal-ie vast vaker doen, want labradors staan bekend om hun onwijze gulzigheid.
Ik loop resoluut op hem af. Hij blikt me verschrikt aan, verbaasd dat ik hem kan zíen. Wanneer ik hem benader om hem bij zijn nekvel te grijpen, rent hij van me weg. De struiken uit, en sjokt dan, als de onschuld zelve, naar zijn baas. Ondertussen nakauwend op een korst brood.
‘Waar was je nou Sjors? Toch niet weer aan het vreten?’ Ze schudt haar hoofd, en bevestigt zijn tuig.
Ze bedankt me, en we wensen elkaar een fijne dag. Sjors zit weer in zijn keurslijf, en samen schuifelen ze voort. Hij werpt nog even een blik de struiken in, maar weet zich gelukkig in te houden. Het zou toch een dolkomisch, maar tevens triest, moment zijn als hij dat lekkers toch niet weet te weerstaan en daarmee zijn baas het struikgewas in sleept.

Verschenen in Metro, 28 september 2015.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 189, 28 oktober 2016.

In memoriam: Bruin

Bruin

 

 

 

 

 

 

 

 

Op een mooie nazomerse middag in 2010 lopen Roos en ik het Oosterpark
in. Roos nog geen drie jaar oud huppelt en stuitert voor me uit. Dan plots
een sprint naar het middenveld, achter een hond aan die we niet eerder
hebben gezien. Hij is lichtbruin, en lijkt op een Vizsla. Samen sjezen ze
flink rond en hebben jolijt voor tien.
Op een bankje grenzend aan het veld zit een lange, blonde vrouw die met
veel plezier het rennende stel gadeslaat.
Al snel raak ik met haar aan de praat, over de honden natuurlijk. Ze heet
Merel, en haar grote liefde heet simpelweg: Bruin, of Bruintje en voor de
chique: Meneer de Bruin.
We keuvelen nog wat met elkaar, over het zo maar aanlopen van Bruin
bij haar op Bonaire, en nemen dan afscheid.
Het is een ontmoeting die Roos en ik absoluut niet dagelijks hebben, het
is zo eentje die blijft hangen. Niet alleen klikt het tussen Roos en Bruin: zij
worden hartsvriend en -vriendin. En dat zegt heel veel over de galante
manieren van Meneer de Bruin, want er is geen andere man waarmee Roos
het goed kan vinden. De meeste mannen hapt ze van zich af omdat ze te
hitsig zijn, en daar moet Roos niets van hebben. Bruin blijft daarentegen
zeer galant, zelfs als ze loops is en Bruin ons huis voor een logeerpartij
binnenkomt. Bescheiden ruikt hij even aan haar, maar laat haar verder met
rust. Ze kussen wat, stoeien wat, maar verder geen gedoe…
Maar niet alleen tussen Bruin en Roos klikt het meteen, ook tussen Merel
en mij. We bouwen een zeer goeie vriendschap op. Ook in de tijd dat ze
met Bruintje op Bonaire zit.
In de afgelopen 5,5 jaar heb ik heel veel samen met Merel, maar ook heel
veel alleen met Roos en Bruin gelopen. Wanneer Merel intensief moest
werken aan een montage, een workshop had, ze les gaf, naar Monica in
Italië was, of wanneer ze ziek was.
De band die ik met Bruin had, werd ook steeds intensiever. Ik leerde hem
goed kennen, en hij mij. ‘Pappa Bruin,’ noemde Merel me, en zo voelde
dat ook! Van elke wandeling met Bruintje heb ik genoten, van het scheuren
over de velden en de paardenpaden: hij begon meestal en Roos erachteraan.
En met stokken gooien, als Roos de stok had dan kwam-ie naar d’r toe,
Roos liet altijd direct los en dan sjeesde hij ermee vandoor, wat Roos altijd
goed vond. Die twee hadden zo’n ongelooflijk goeie verstandhouding met
elkaar. Dat was ontzettend fijn te zien.
Bruin had ook vaak van die vervelende reuen aan z’n kont hangen. Zo
maf, die geile reuen hadden geen enkele interesse in die mooie teef van me,
nee ze wilden alleen maar Bruin berijden. Eén keertje was er weer zo’n
vervelende die voor Roos echt te ver ging: Roos dook eropaf, beet ’m in
z’n zij en die eikel droop met hangende pootjes af. Als beloning kreeg ze
een flinke lik van Bruin en beiden vlogen in volle vaart weer achter elkaar
aan.
En hoe hij altijd z’n koppie schreef hield wanneer je met hem praatte, zo
schattig en vertederend. Hij luisterde dan ook écht naar je, en probeerde je
te begrijpen.
Hij was ook altijd happy. Elke keer zo blij om me te zien: al was ik maar
een kwartiertje weg om boodschappen te doen, en hij en Roos alleen
thuisbleven. Of na 1,5 jaar wanneer-ie terugkwam van Bonaire.
En wat hebben die twee achter de konijnen aan gejaagd: de rem was er
dan ook écht vanaf… en dan ’s avonds geen boe of bah meer zeggen. Te
moe om nog uit die mand te klauteren.
En avonturen heb ik ook met hem beleefd: ergens in de bossen van
Maarsbergen, een lange wandeling en aan het einde ineens een veld met
schapen. Bruin had ze eerder gespot, zijn neus snoof als de beste. Weg
was-ie, sprong als een volleerde hoogspringer over twee hekken en had al
snel een schaap bij z’n achterpoot beet. Moeizaam klauterde ik over de
hekken en rende op ’m af. Hij bleef gewoon staan terwijl het schaap
verwoede pogingen deed zich los te wurmen. Het was net alsof hij het
schaap voor mij vasthield totdat ik eraan kwam. Zo van, kijk baas dit heb ik
voor jou gevangen als dank voor de toffe vriendschap die we hebben… Ik
kon hem zo bij z’n halsband vastpakken en aanlijnen, hij rende niet van me
weg, en toen ik hem zeer vermanend toeriep, liet hij direct het schaap los.
Die rende weg naar z’n soortgenoten die op afstand het tafereel trillend
bekeken. Het schaap was ongedeerd, ook Bruin had geen bloed aan z’n
kaken. Ik was erg blij, want met Roos had ik dit weleens anders
meegemaakt!
Nog steeds blijft het onwerkelijk Bruin, dat je er niet meer bent. Ik mis je
man! Het ga je goed Bruintje daarboven. We hebben samen heel veel
plezier gehad, en je blijft in mijn herinnering de o zo happy dog! God
speed Bruin.

‘Beest stinkt’

Onalledaags

papegaai
Er staat een frisse oosterwind, maar hier op een bankje in het Oosterpark zit ik uit de wind en in de zon. Roos, mijn hond, ligt geduldig uitgestrekt voor mijn voeten.
Plotsklaps landt er in de boom vlak naast ons een papegaai. Zijn verendek is felgekleurd rood, geel en blauw, en hij heeft een kromme, bijna witte snavel. Voorzichtig haal ik mijn telefoon tevoorschijn om hem op de gevoelige plaat vast te leggen. Een papegaai heb ik hier niet eerder gezien, maar ik sta nergens meer van te kijken. Door de jaren heen heeft het park een rijke menagerie aan fauna voortgebracht. Wat de mens hier niet al de vrijheid geeft: het schattige waterschildpadje dat in het aquarium blijft doorgroeien en ten slotte in de vijver belandt, of de vogel die een open raam ziet en daarbij een eigenaar heeft die de kooi vergat af te sluiten. Of het konijn dat net voor de kerstmaaltijd weet te ontsnappen en hier vrolijk met de wijfies aan de haal gaat.
Ondertussen komt er een paar op leeftijd aangelopen. Met trotse blik duwt grootmoeder een kinderwagen voort. Het kind dat erin zit, is wat groot uitgevallen. Zijn mond, wangen en handen zitten onder de rode kleurstof van een lolly.
Ze stoppen vlak voor me en het stel wijst naar de felgekleurde verenpracht.
‘Sandertje, kijk eens wat een mooie vogel.’
‘Beest stinkt,’ komt het plompverloren uit zijn mond rollen.
‘Zeg kuttekop,’ klinkt het ad rem vanuit de boom.
De fiere blik is van grootmoeders gezicht verdwenen, en met rood aangelopen wangen maakt het paar zich snel uit de voeten.
Roos staat de papegaai dom aan te kijken. Ze houdt haar kop scheef en kijkt de papegaai recht in de ogen aan. Een pratende vogel? Uit onzekerheid slaat ze aan.
‘Hou je snavel,’ krijst de papegaai.
Ik schiet in de lach. Dit heeft deze papegaai van zijn eigenaar vast vaak te horen gekregen. Repeterende papegaaien zijn uitermate irritant. Vooral als ze overal commentaar op leveren. Deze papegaai heeft ongetwijfeld vaak zijn snavel moeten houden, en wellicht is dat de reden dat hij voor zijn vrijheid heeft gekozen.
Maar Roos weet niet van wijken, blaft vrolijk door.
De papegaai gelooft het verder wel. Hij fladdert op en vliegt een beetje klunzig weg, duidelijk niet gewend te vliegen.
Ik sta op en we lopen door. Het Oosterpark is een papegaai rijker.

Even later kom ik een vrouw met een rollator tegen. Op het mandje voorop zit een kraai. Hij tikt voortdurend met zijn snavel tegen een linnen tas.
‘Kaf, hou toch ’ns op, ik heb nu niks bij me. Ik moet nog naar de slager,’ zegt de vrouw.
De kraai kijkt haar met z’n zwarte kraaloogjes niet-begrijpend aan. Opnieuw gaat hij met z’n snavel tekeer.
‘Kijk toch uit Kaf, verdorie, je maakt m’n hele tas stuk…’
‘Hij heeft vreselijke honger mevrouw.’
Kaf wordt steeds ongeduldiger, en Roos slaat weer aan, maar Kaf is hier totaal niet van onder de indruk: als Woody Woodpecker gaat hij vrolijk door.
‘Het is wel echt uw vriendje, hij weet écht niet van wijken.’
‘Het is echte liefde, meneer… Hij komt iedere dag bij me op het balkon, ik woon vlak bij het park, en dan krijgt Kaf van mij wat tartaar. Daar is-ie dol op. Maar nu heeft-ie me hier in het park zien lopen, en gaat-ie niet meer weg, zonder een stukkie vlees… Gek beest.’
‘Misschien gaat-ie wel met u mee naar de slager?’
‘Tja, Kaf is er gek genoeg voor. Nou ik ga maar ’ns wat tartaar voor ’m halen. Meneer wordt nu wel erg ongeduldig.’
We nemen afscheid, en zij schuifelt met haar rollator met Kaf als bestuurder voorop. Het zou me niets verbazen als die maffe vogel gewoon meegaat naar de slager.

Verschenen in Metro, 21 april 2015.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 184, 19 februari 2016,
en Oost-online.

Zwartrijdende hond

Onalledaags

Zwartrijdende-hond
Dada noem ik haar om haar onconventionele gedrag. Zo plast ze nauwgezet boven het afvoerputje van de douche, loopt schaamteloos met je mee het toilet in, duwt daar haar snuit in je kruis, slurpt uit haar waterbak waarbij de helft over de rand gutst en springt zonder blikken of blozen op de bank.
Dada is een wit met bruin en zwart gevlekte beagle-achtige die op een zondag-
middag in het Oosterpark als een bezetene rondrent.
‘Is dat uw hond die daar rondrent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die is? Maar het lijkt erop dat er geen baas bij is.’
‘U moet uw eigen hond hier aanlijnen.’
Ik kijk naar Roos, die keurig aan voet met me meeloopt, en schudt m’n hoofd. ‘Jullie kunnen je beter om dat hondje bekommeren. Er is duidelijk geen baas bij. Dat hondje is helemaal de kluts kwijt. Zien jullie dat dán niet?’
‘Dat is niet onze taak meneer. Als u uw hond nú niet aanlijnt dan gaan wij u bekeuren.’ Hij kijkt me vanachter zijn stuur onverbiddelijk aan. Zijn stropdas zit wat slordig geknoopt, zijn pet een beetje scheef op zijn hoofd, en onder die pet zitten grijze haren. Triest eigenlijk, wanneer je op die leeftijd dagelijks nog dit soort werk doet. De godganselijke dag in een busje rondtuffen, en alleen maar bezig zijn je medemens een vervelende dag te bezorgen, en een kleine honderd euro uit zijn of haar porte-
monnee te troggelen omdat er een hond niet is aangelijnd.
Ik klik Roos aan en ren achter het hondje aan dat in paniek het park uit rent, de weg oversteekt en er op een haar na niet meer is. Vlug loop ik op het hondje af en til het op; blij likt ze m’n nek. Dada draagt een halsbandje, maar daar zit geen naamplaatje aan.
De handhavers zijn in geen velden of wegen te bekennen. Wanneer je ze nodig hebt, dan drukken ze hun snor.
Bij het politiebureau willen ze het hondje in een kooi stoppen, want het dierenasiel is gesloten. Dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen en ik neem Dada mee naar huis. Op de trap naar boven kom ik Ibrahim, mijn buurjongetje, tegen. Verrukt kijkt hij me aan.
‘Heb je nieuw hondje?’
‘Ik heb ’m in het park gevonden. Hij lag bijna onder een auto.’
‘Hoe heet hondje?’
‘Weet ik niet, maar ik noem ’m Dada.’
‘Is jongen of meisje.’
‘Een meisje.’
‘Moet-ie naar school?’
‘Ja zeker, want hij moet nog héél véél leren. Hoe hij moet oversteken: eerst naar links kijken, dan naar rechts, weer naar links en dan pas oversteken.’
‘Ikke van mama leren, niet van juf.’
Wat moet ik daarop zeggen? Ik kan toch moeilijk tegen hem zeggen dat het hondje bij zijn moeder is weggehaald. ‘Tja… Dada moet alles nog op de hondenschool leren. Ze is nog heel jong.’
‘Hoeveel?’ Hij laat zijn vingertjes zien.
‘Misschien pas één jaar.’
Ibrahim steekt vier vingertjes omhoog. ‘Ikke ouder. Ikke meer weten.’
Die avond bel ik de Dierenkwijtlijn, en het blijkt dat Dada een Oekraïense bazin heeft die in Oud-West woont. Ik vond Dada in het Oosterpark. Het kleine ding is dwars door Amsterdam getrokken, zonder een auto te raken. Moet ze nog wel naar school?
De dame van de Dierenkwijtlijn kijkt er niet vreemd van op – honden nemen gewoon de tram: ze hobbelen achter mensen aan de tram in en stappen haltes later uit. Ik vind Dada een heel slim hondje. Met lijn 14 breng ik haar terug naar haar baas, en ver-
domd de kleine Dada beklimt tree voor tree de tram en springt direct bij mij op schoot.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 183, 18 december 2015
en Oost-online.

Zuipende gerechtsbode (het vervolg)

Roos2

De drankkegelbode is nu een vrouw, en ze is broodnuchter. Ze ziet er veel imponerender uit dan degene die enkele maanden geleden bij me aan de deur stond, maar ook veel bedreigender. Ze heeft nogal wat zwaar materiaal aan haar heupen gegespt, waaronder een vuurwapen en verder wat ondefinieerbare gereedschappen om je vakkundig te vloeren.
Maar voordat ik bij haar aan de balie sta, moet ik mijn jas afgeven. Die komt op een lopende band terecht en wordt, zoals gebruikelijk op luchthavens, gescand. Zelf moet ik door een detectiepoort – en alsof dat niet genoeg is – moet een man me ook nog eens handmatig betasten.
‘De volgende keer als u komt graag uw jas in een bak gooien, anders blijft-ie in de scanner hangen,’ zegt de in uniform gestoken man.
‘Ik hoop hier niet nog een keertje te komen.’
De man lacht schaapachtig, en laat me door.
In een kale grijs betonnen ruimte zitten een aantal wachtenden. Verdachten, net als ik, maar ze zien er écht als verdachten uit. Van die lui die je ’s avonds liever niet tegen het lijf loopt. Met ongeschoren koppen, slonzig gekleed zitten ze wat voor zich uit te staren, of te scrollen op hun smartphone. Bij een van hen gaat de telefoon: ze wisselen wat zinnen uit in een Slavisch klinkende taal.
Ondertussen tikt de klok door, de wachttijd loopt flink op. Ik loop naar de balie waar de gerechtsbode al kauwend op kauwgum zit te scrollen op haar telefoon.
‘Nog twee mensen voor u.’
Ik haal maar weer een kop koffie.
‘Meneer Langeveld u kunt met me meekomen.’ Samen lopen we naar de deur die ze voor me opent.
Het is een omvangrijke zaal met een verzameling lege stoelen. Voorin zitten drie personen, twee vrouwen en een man elk achter een beeldscherm.
Ik moet direct gaan staan voor de reling van het beklaagdenbankje. De vrouwelijke rechter noemt mijn naam die op een lijst staat, maar kan het dossier niet zo snel  in haar computer terugvinden. Ze aarzelt wat, rommelt en vindt dan toch de gegevens.
Ze somt de feiten op. Dat ik ben aangehouden omdat ik niet aan mijn plicht voldeed mijn hond aan te lijnen. Verder haalt ze mijn schriftelijk verweer aan, waarin ik meld dat mijn hond volledig onder appèl staat en daarmee geestelijk aangelijnd is.
Ze kent het woord onder appèl staan niet, en vraagt me wat dit precies inhoudt? Ik vind dit vreemd, maar leg het haar uit.
‘Het heeft me heel veel tijd en energie gekost om dit voor elkaar te krijgen. Er is heel wat vallen en opstaan aan voorafgegaan: op dat soort mensen, die daar zoveel tijd in investeren, daar zou de samenleving trots op moeten zijn, in plaats van die persoon af te straffen met een geldboete…’
Hierop heeft ze geen antwoord. Ze kijkt van me weg en verstopt zich even achter haar beeldscherm.
‘Maar u bent volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) verplicht uw hond aan te lijnen. Loopt u nu nog steeds los met uw hond over straat?’
‘Ja,’ zeg ik heel eerlijk.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Dus u loopt al die tijd, het is inmiddels alweer 2,5 jaar geleden dat u werd bekeurd, met uw hond onaangelijnd: heeft u dan niet meer bekeuringen gehad?’
‘Nee.’ Ik besef dat ik deze zaak ga verliezen. Mijn antwoord was te eerlijk, en daar word ik nu op afgerekend. Ik moet het over een andere boeg gooien, anders verlies ik dit en ik wil voor mij en Roos de vrijheid!
‘Ik zal het u sterker vertellen: ik word soms ook door agenten aangesproken, maar ik laat hen dan zien hoe goed mijn hond alle commando’s opvolgt en dan geven ze me complimenten. En mag ik een aanvulling geven op de persoon die mij bekeurd heeft: hij heeft me bijna een jaar lang moedwillig achtervolgd om me op heterdaad te betrappen.’
‘Ah, hij heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt,’ zegt ze geïnteresseerd.
Ik moet hier op doorgaan, dit snijdt hout.
‘Ja, de man is inmiddels uit zijn functie gezet vanwege dat intimiderende gedrag.’
‘Heeft u een klacht over hem ingediend?’
‘Nee, maar er zijn wel veel klachten over hem binnengekomen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Van een vrouw, zij werkt bij Handhaving. Ik ken haar, ze heeft ook een hond.’

Het woord is nu aan de officier. Ze staat op van haar stoel. Het is een keurige dame, stijfjes, zonder enig menselijke uitstraling. Ze is het tegendeel van de rechter, die zeer beminnelijk op me overkomt. Ze doet haar zegje wat neerkomt op: regels zijn regels. Ofwel: het bekende riedeltje van de gezagdrager in functie. Verder heeft ze notie genomen van mijn verweer, maar vindt ze uit veiligheid voor de openbare orde dat ik m’n hond moet aanlijnen, want een hond kun je nooit voor honderd procent vertrouwen. Ze blijft bij haar eis dat ik de bekeuring moet betalen. Ze weet even niet om welk bedrag het gaat, en zoekt dit in haar computer op.
‘Heeft u hier nog iets aan toe te voegen?’ vraagt de rechter aan mij.
‘Ik ben het volledig eens met de officier dat je een hond nooit voor honderd procent kunt vertrouwen. Ik lijn m’n hond ook altijd aan bij het oversteken van drukke wegen en bij situaties die ik als gevaarlijk inschat. En overigens dat onaangelijnd lopen doe ik niet zomaar: als ik m’n hond niet voor driehonderd procent zou vertrouwen dan zou ik nooit los met haar lopen. Ze is m’n grootste liefde en bezit, dat wil ik niet zomaar kwijtraken onder een auto!’
De rechter knikt instemmend, en vraagt me naar mijn beroep.
‘Ik ben tekstschrijver en redacteur én ik schrijf gedichten. Binnenkort komt m’n dichtbundel uit.’
Ze kijkt zeer belangstellend. ‘En u heeft ook nog geen strafblad zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Dan kom ik nu tot een uitspraak. Ik wijk af van de eis van de officier. Ik leg u een voorwaardelijke straf op, dat betekent dat u deze boete niet hoeft te betalen, maar als u binnen twee jaar toch weer wordt bekeurd voor deze overtreding dan moet u deze alsnog betalen. Begrijpt u?’
‘Begrepen, en bedankt daarvoor.’
‘Dat was het, ik wens u een fijne dag.’
‘Jullie een fijn weekend, antwoord ik, en loop de lange zaal uit naar de uitgang.
Langzaam dringt de overwinning bij me door als ik de trappen af loop op weg naar de buitenlucht die vochtig koud aanvoelt. Ik heb het gevoel dat de rechter me ongrijpbaar vond. Zoiets van het heeft geen zin deze man te bekeuren: hij blijft toch met z’n hond loslopen… Dat heeft ze dan volledig bij het rechte eind.
Het voelt heel goed: ik ben eerlijk geweest door te zeggen dat ik nog steeds met Roos losloop. Dat is onze gezamenlijke vrijheid en die heb ik voor ons beiden bevochten. En ik heb een persoonlijke overwinning behaalt op die irritante handhaver die me bijna een jaar moedwillig heeft gestalkt!

Voor wat eraan voorafging klik hier.

Zuipende gerechtsbode

Gerechtsbode

Foto: Candice Storm

De bel gaat, en ik vraag via de intercom wie daar is?
‘Gerechtsbode, heb een stuk waarvoor getekend mot worden,’ hoor ik iemand mompelen.
Ik loop de drie trappen naar beneden, en bedenk me dat we dan toch bij de rechter op het matje moet komen…
Door het glas van de benedendeur zie ik een man staan die ik ken als een alcoholist die vaak dronken rondhangt in het Oosterpark. Hoe kan deze man in godsnaam bode bij de rechtbank zijn?
Ik trek de deur open.
De man kijkt me wat schaapachtig aan: ‘Ben u de heer Langeveld?’ Een flinke damp alcohol lift vrolijk met zijn vraag mee.
‘Ja.’
‘En zijn u voornamen Dirk Meland?’
Ik knik instemmend mijn hoofd, en ben verbaasd dat hij Meland juist uitspreekt. Daar wordt in de regel nogal wat mee gehaspeld.
‘Ik heb een gerechtelijk bevel van de rechtbank. Zet u hier naam en handtekening.’ Hij wijst op een vel vol met letters, dat ligt te trillen in zijn hand.
Ik vertrouw dit zaakje toch niet helemaal, want wat moet die zuiplap met mijn gegevens… Maar kennelijk ziet hij mijn vertwijfeling.
‘Ja normaal heb ik een uniform aan, maar ’t is me vandaag te warm,’ lacht-ie wat dommig.
Ik teken daar waar hij wijst, en zeg tegen hem: ‘Krijg ik dan nu die brief.’ Het komt er nogal dwingend uit, want ik weet me god niet waar ik mijn handtekening onder heb gezet. Zonder een leesbril ben ik een analfabeet in geletterd landschap.
‘Ja, ik mot ’t toch effe afscheuren,’ antwoordt hij kregelig.
Er wordt tegenwoordig toch ook maar wat uit de kast gerukt en in een baan geplugd.

Bovengekomen scheur ik de enveloppe open. Het is zo’n zelfde enveloppe (alleen een paar maten groter) als waar je je pincode van je bankpas per post meekrijgt: zo quasi geheim, om je het gevoel te geven dat deze brief werkelijk niet te kraken valt.
Het betreft een ‘oproeping verdachte na ingesteld verzet’, zoals het onderwerp in het briefhoofd vermeldt. Ik voel me bij het woord ‘verdachte’ direct al een halve crimineel…
Aan u is het navolgende ten laste gelegd: hij, op of omstreeks 9 april 2013, te Amsterdam, als eigenaar of houder van een hond, welke zich bevond op en/of in de omgeving van de Andreas Bonnstraat, althans op en/of aan een weg, niet aan zijn verplichting heeft voldaan ervoor te zorgen dat die hond was aangelijnd;’

We moeten dan eindelijk samen voor de rechter verschijnen, ruim twee jaar nadat we een bekeuring kregen van onze stalker: een doorgewinterde, uitermate fanatieke gemeentelijke handhaver van het type dat onder een fout regime, zonder enige scrupules je beul wordt.
De lange, magere man – stijfjes en strak in het uniform – liep ons al meer dan een halfjaar te stalken met maar één doel: ons op heterdaad betrappen. Onlangs zei Marit, een van mijn hondenvriendinnen, nog het volgende over hem: ‘Méland, is het je weleens opgevallen dat die lange net iets korter is dan jou; dat moet ongetwijfeld z’n frustratie zijn, en de reden dat-ie je op de bon heeft geslingerd!’

Maar Roos en ik gaan naar de rechter, en Roos zal de rechter laten zien dat ze keurig onder appèl aan voet met haar baas – als een volwassen meid – kan lopen, en dat we daarmee een geestelijke lijn met elkaar hebben, en daarmee ‘aangelijnd’ door het leven gaan…
De uitspraak van de rechter laat nog even op zich wachten: onze oproep om te verschijnen, is midden in onze vakantie. Eerst moet je meer dan twee jaar op ze wachten en dan roepen ze je op als je met vakantie bent. Vandaag heb ik dan ook een verzoek om uitstel ingediend. Want deze poppenkastvoorstelling willen we beiden niet missen…

Voor het vervolg klik hier.

Verschenen in Metro, 8 juni 2015.

Voor spek en bonen

Onalledaags

Verkeersregelaar
Even verderop is het fietspad opgebroken. Twee wat oudere mannen in oranje en geel met grijs gestreepte werkvesten wijzen de nietsvermoedende fietsers op het ongemak. Op de achterzijde van hun reflecterende vesten staat in koeienletters: VERKEERSREGELAAR. Ze proberen de mensen naar het aan de overkant van de drukke weg gelegen fietspad te krijgen, maar de meesten volgen hun aanwijzingen niet op. Ze rijden over de trambaan of het trottoir. De mannen staan er voor spek en bonen bij. Twee dagen later staan ze er niet meer. Zouden ze bij hun superieuren hebben geklaagd over het geringe gezag dat ze daar op dat kruispunt uitstralen?
In de Verenigde Staten gaat het er heel anders aan toe… Ruim een halfjaar woonde ik in West-Hollywood, Los Angeles, en daar staan VERKEERSREGELAARS op de parkeerplaatsen van de winkelcentra met een fluitje de klant aanwijzingen te geven. En die worden strikt opgevolgd. Uniformen stralen daar nog steeds gezag uit. Anderen staan je boodschappen in te pakken in de supermarkt. Om daarna, als je erom vraagt, de boodschappen naar je auto te sjouwen. Het zijn daar banen. De klant is er koning.

Een andere baan trof ik alweer een tijdje geleden aan in het Oosterpark, waar ik dagelijks mijn hond, Roos, uitlaat. Vijf, in groen gestoken, mannen lopen gebogen voorover, alsof ze stelselmatig zoeken naar bewijsmateriaal inzake een misdrijf. In hun handen dragen ze speciaal gereedschap. Nieuwsgierig naar hun serieuze werk struin ik samen met Roos op hen af. En wat schetst mijn verbazing: de mannen verzamelen hondendrollen…
Ik groet de mannen, en hoop dat Roos niet haar drol pontificaal voor hun neus zal droppen. Vriendelijk beantwoorden ze mijn groet. Even later komt er een man met een herdershond aan. Zijn hond doet wat Roos gelukkig niet presteert en draait op geen steenworp afstand van de mannen een flinke bolus.
‘Wil u asjeblief die drol van uw hond opruimen,’ roept een van hen naar de schuldige hondenbezitter.
De man kijkt hen onderzoekend aan en tikt met zijn vinger naar het hoofd. ‘Ben je belazerd, dat doe ik nooit. Ik betaal trouw m’n hondenbelasting.’
‘Maar meneer, denk u nou werkelek dat we dit voor ons plezier doen.’
‘Hé, mijn hond houdt jullie wel aan ’t werk.’ Op zijn gezicht verschijnt een geniepige lach.
De mannen schudden hun hoofden en gaan stug door met hun werk.

Poepopruimers hebben ze daarentegen in Amerika niet nodig. In de meeste Staten is de hondenbezitter verplicht de uitwerpselen van zijn geliefde beestje zelf op te ruimen. Strenge controles en hoge boetes liggen eraan ten grondslag. Zelf laat ik op een zonnige dag in een park in Hollywood het hondje van mijn buren uit. Buddy, een klein pienter beestje dat huppelend voor me uit loopt. Ik ben vergeten een poepzakje mee te nemen om daarmee zijn drolletje weg te toveren. Maar misschien hoeft hij wel niet. Maar we zijn nog maar net met onze wandeling begonnen en dan moet hij al. Hij kan het niet langer ophouden en fabriceert een mooi droog drolletje. Shit, nu heb ik geen zakje bij me, maar met een boomtakje rol ik het keurig de berm in zodat niemand erin kan stappen. Maar terwijl ik met Buddy doorloop, komt er een Parkranger in een ‘four wheel-drive’ aan gescheurd. De man moet verderop om de hoek op ons hebben staan loeren. Dat kan niet anders. Zonder pardon slingert hij me op de bon. Twee zelfs. Eén voor het in het openbaar schijten van mijn hond zonder dat ik de moeite neem het op te ruimen, en de andere voor het loslaten lopen van de viervoeter terwijl het mijn plicht is met hem aangelijnd te lopen. Honderdvijftig dollar kost me die grap. Waarschuwen doen ze daar niet. Het is direct dokken in dat door dollars overheerste land.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, 15 mei 2015, en Oost-online.

Trouw met me

Onalledaags

Kastanjeplein

Samen met Roos, mijn hond, loop ik langs de Kastanjehof, het verzorgingshuis aan het Kastanjeplein. Een prachtige rustige plek, vlak bij het Oosterpark, waar je je laatste jaren kunt slijten. Wellicht moet ik daar alvast een kamertje reserveren voordat mijn generatiegenoten er en masse de kamers bezetten, maar ongetwijfeld zijn de verzorgingshuizen tegen die tijd allang opgeheven?
De zon voelt al heerlijk aan op deze voorjaarsochtend. Het is zo’n dag die niet meer stuk kan. Maar even op een bankje zitten. Gezicht in het zonnetje. Roos ligt voor m’n voeten. Dat is zo grappig aan een hond: ze liggen altijd trouw te wachten op een volgende actie van de baas.
Voetje voor voetje schuifelt over het plein iemand met haar rollator. Ze hangt scheef aan haar hulpstuk. De steunkousen, de regenjas, de bril en het hoofddoekje. Het is alsof mijn moeder uit het hiernamaals komt aansjokken.
Als een dobber komen die verrekte steunkousen van moeder weer in me boven-
drijven. Ik was ze toen, voordat ik naar huis ging, vergeten van haar benen af te pellen. Die nacht moet ze zich zeer beklemd hebben gevoeld.
Schuld borrelt opnieuw in me op.
Ik groet de passerende dame. Ook van dichtbij blijft de gelijkenis treffend. In het mandje dat aan haar rollator hangt, zit een wit donzig hondje, volledig toegestopt met een geruit dekentje. Het beestje zit me hijgend met zijn zwarte oogjes pienter aan te kijken.
Ik sta op, en steek het plein dwars over. Roos sjokt achter me aan.
Even verderop zit een vrouw in een rolstoel. Het haar zilvergrijs en dun. Indringend staart ze me aan. Het vel van haar armen en handen ligt als banen stof over elkaar gedrapeerd. Naast haar zit een jonge verpleegster op een bankje.
Ik loop met Roos op hen af. Je doet zoiets, denk ik, uit medeleven – een dier leidt even af.
De vrouw in de rolstoel kijkt me strak in de ogen aan, reikt naar voren en zwenkt met haar arm. Ze wil me beetpakken. Ik geef haar een hand. Met haar andere hand klemt ze me stevig vast, alsof ik haar laatste redmiddel ben.
‘Trouw met me.’
Ze overdondert me.
Roos drukt haar kop in haar schoot, maar voor haar toont ze geen enkele interesse.
Ik ben haar uitverkorene.
‘Je ben ’n mooie jongen, trouw met me!’
‘Dat zal helaas niet gaan mevrouw. Ik ben al getrouwd. Kijk maar.’ En nu hoop ik dat ze me loslaat om mijn trouwring te bekijken, maar ook daar heeft ze geen oog voor. Potig houdt ze me in de houdgreep. Ik voel me als een buit in de klauwen van een roofdier.
De verpleegster glimlacht naar me. ‘Ja meneer, deze dame is erg standvastig en laat niet gauw los. En ze is ook nog zo sterk als een os.’
Ik probeer mijn hand los te wurmen, maar ik krijg er geen beweging in. In de tang genomen. Gevangen. Als een vis in een fuik.
‘Oké, ik trouw met u.’
Ze lacht haar paar overgebleven grauwwitte tanden bloot. Even lijkt de starheid in haar ogen verdwenen, en haar hand ontspant zich een moment lang.
Ik zie mijn kans schoon en trek mijn hand snel uit haar klauw, mijn vingers voelen pijnlijk aan, ik masseer ze. Dan wens ik beide dames een fijne dag.
De verpleegster knipoogt. ‘We horen nog wel wanneer de bruiloft is nietwaar? We zijn hier te vinden.’ Ze wijst met haar hand naar het verzorgingshuis.
‘Ik ga iets regelen. Tot snel.’ Terwijl ik van hen weg loop, bedenk ik dat het toch wel wat aan de vroege kant is om me in het verzorgingshuis in te kopen. Vandaag voel ik me weer piepjong.

Verschenen in 'Dwars door de Buurt', 27 maart 2015, en Oost-online.
Eerder verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.