Geen stad als Amsterdam

Gedichten op gevels


In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel een deel van een strofe uit het gedicht ‘Een Amsterdamsch lied’ van Jan Campert. Het staat op de glazen gevel van de huisartsenpost van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in de Eerste Oosterparkstraat.

In grote witte letters aan de glazen gevel van het gebouw valt te lezen:
Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd.

Het volledige gedicht waar dit deel uitkomt, een lofzang op die prachtige stad, is deze:

Een Amsterdamsch lied

Verlaat ’t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de Beurs
en schepen onder ’t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ’t IJ.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ’t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ’t water stremt
en ’t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche- en Rembrandtplein
de wolken walmen doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ’t ingaan van de nacht.

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ’t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
’t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam.

Jan Campert (1902-1943) is dichter, schrijver, journalist en verzetsman. Hij begint in Den Haag met een verslaggeversbaan bij dagblad De Nieuwsbron. ‘Hij schrijft gemakkelijk en met een onmiskenbare flair,’ aldus een toenmalige collega. Tot zijn werkgebied behoort zo’n beetje alles: rechtbankverslagen, reportages van grote gebeurtenissen, toneel- en danskritieken, literaire kronieken en de dagelijkse sfeerbeschrijvinkjes, de zogenoemde ‘stemmingsstukjes’. In 1922 komt zijn eerste dichtbundel uit, en in de jaren dertig schrijft hij ook enkele romans. In 1929 krijgt hij zijn enige zoon: Remco Campert.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandt Jan Campert in het verzet, maar tijdens een poging een joodse man de Belgische grens over te smokkelen wordt hij in juli 1942 gearresteerd. Een halfjaar later sterft hij in het concentratiekamp Neuengamme.

Jan Campert is vooral bekend van het gedicht ‘De achttien dooden’. Het gedicht gaat over achttien verzetsstrijders die in hun cel op executie wachten.
Campert wordt na de oorlog als een verzetsheld gezien. In 1947 wordt de Jan Campertprijs in het leven geroepen als ‘blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945’.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Domweg gelukkig

Gedichten op gevels

Dapperstraat

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem (1887-1966). Het gedicht staat in zijn geheel op een gevel in de Dapperstraat.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem, geboren in 1887, is de dichter van onsterfelijke regels als:
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood.
(Eerste twee regels uit het gedicht ‘Insomnia’)

Dichter van verlangen
Bloem behoort tot de bekendste en meest gewaardeerde dichters van Nederland. Anders dan tijdgenoten als A. Roland Holst of P.N. van Eyck wordt Bloem nog steeds veel gelezen en geciteerd.
Bloem is de dichter van het verlangen, van de hunkering naar een vervulling of een geluk dat altijd onbereikbaar zal zijn, terwijl de dood steeds dichterbij komt. Berusting voert uiteindelijk de boventoon, gemengd met flarden liefde, genot, aanhankelijkheid en vreugde die de melancholie eigenlijk alleen nog maar sterker maken. In het korte gedicht ‘De nachtegalen’ schrijft hij:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Lijden aan het leven
J.C. Bloem ontdekt de poëzie op vijftienjarige leeftijd. Hij krijgt dan het gedicht ‘Sluimer’ van de jonggestorven Tachtiger Jacques Perk onder ogen. In één klap beseft hij dat gedichten onvoorstelbare werelden openbreken en zijn horizon enorm kunnen verbreden. Vanaf dat moment wil hij niets anders dan dichter worden. Op jonge leeftijd vindt hij aansluiting bij het tijdschrift ‘De beweging’ van Albert Verwey.
Bloem heeft maar vier bundels gepubliceerd, maar die hebben wel tot een groot lezerspubliek geleid. In al zijn werk is de dichter de thematiek van het verlangen trouw gebleven. Hij zei zelf dat hij in zijn poëzie probeerde ‘enkele essentiële dingen van het leven zo uit te spreken, dat dit van mij en van niemand anders zou hebben kunnen zijn.’ Tegelijkertijd schrapt hij uit zijn gedichten bijna alle concrete aanduidingen van personen en plaatsen, zodat ze een heel algemeen karakter krijgen. Bloems poëzie is bovendien van een bedrieglijke eenvoud en helderheid. Die algemeenheid en die helderheid zorgen samen met de universele thematiek van het lijden aan het leven voor de grote aantrekkingskracht van zijn gedichten.
Bloem overlijdt op 10 augustus 1966 in Kalenberg (Overijssel).

Geen molens en klompen
Het ontwerp van het gedicht op de gevel is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar (1929-2017): bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren. Jarenlang is hij ontwerper geweest bij De Nederlandsche Bank: ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in 2008 tegen Trouw. ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Hij verhuisde in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij op 13 juni 2017 overleed.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

De kunst van het doodgaan

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Gedichten op gevels’ met een gedicht van Rutger Kopland. En wel met de vierde strofe uit het gedicht De kunst van het doodgaan, dat op het raam van Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat 88 staat.

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

Het volledige gedicht waar deze strofe uitkomt, is deze:

De kunst van het doodgaan

Als het zover is – zal ik dan eindelijk
weten wat dat is, doodgaan
jezelf verlaten en weten
dat je nooit terugkeert

soms wanneer ik het koraal hoor
Nu komm’ der Heiden Heiland
doorstroomt mij een vermoeden van
onontkoombaar verlies –
maar wat geeft het

bij het zien van een uitzicht over bergen
een verte die verdwijnt in zichzelf
kan ik worden bevangen door een huiver
voor de eenzaamheid die mij wacht –
maar wat geeft het

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn.

Uit: ‘Een man in de tuin’. Van Oorschot, 2004.

Voorstellingen en scholing
Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat is een trainingscentrum en adviesbureau op het gebied van communiceren met kwetsbare doelgroepen, zoals mensen met dementie, een verstandelijke beperking, een psychische aandoening en ADHD en/of autisme. Theater Veder speelt en traint in zorginstellingen en organisaties door heel Nederland. Zij draagt de ‘Veder Methode’ uit en verspreidt deze om een bijdrage te leveren aan het doorbreken van sociaal isolement. Tijdens de interactieve voorstellingen wordt de doelgroep uitgedaagd tot het maken van wederzijds contact. Dit leidt tot mooie en bijzondere contactmomenten. Naast huiskamervoorstellingen biedt Veder ook voorstellingen op maat en theatervoorstellingen.
Daarnaast verzorgt Theater Veder trainingen en coaching-sessies aan medewerkers in de zorg, mantelzorgers en vrijwilligers. Zij leren de ‘Veder Methode’ toe te passen in de dagelijkse praktijk. Daardoor verbetert het contact met degenen voor wie zij zorgen en neemt het werkplezier toe. Dit leidt uiteindelijk tot een kostenbesparing voor de organisatie.

Bespiegelingen over vergankelijkheid
Rutger Kopland (1934-2012), het pseudoniem van Rutger Hendrik (Rudi) van den Hoofdakker (Hoofd > Kop, akker > land) was hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als psychiater was hij een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding door lichttherapie en slaapverschuiving.
Kopland is lange tijd een van de populairste dichters van Nederland. Hij debuteert in 1966 met de bundel ‘Onder het vee’. Meer dan tien bundels volgen, alsook diverse bundelingen aan essays.
Hij wist heel veel lezers aan zich te binden door zijn persoonlijke en intieme toon. In een onnadrukkelijke, observerende stijl met veel aandacht voor het gewone woord, belicht zijn poëzie algemeen-menselijke thema’s. Veel van zijn gedichten beschrijven een (bijvoorbeeld door een landschap opgeroepen) gestold moment, een kortstondige impressie, die aanleiding vormt tot een bespiegeling over vergankelijkheid, het voorbijgaan van het moment of het scheppingsproces van de dichter. Voor veel lezers en critici weet hij toegankelijkheid, relativering en diepgang te combineren.

En wie kent niet dit beroemde gedicht:

Jonge sla

Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.

Uit: ‘Alles op de fiets’. Van Oorschot, 1970.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

Honderd uit te boomen

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel twee passages uit de novelle ‘Titaantjes’ van Nescio uit 1915. De teksten staan sinds 1995 op de gevels van een appartementencomplex aan de Linnaeusstraat, tegenover het Tropeninstituut.

Het zijn twee verschillende passages uit ‘Titaantjes’ die op de voorgevels zijn aangebracht:
(…) ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.’

(…) En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er één klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’ (…)

Desillusie
In de novelle ‘Titaantjes’ komen vijf jongens elke avond bij elkaar om te filosoferen over het leven. Het thema van de ‘Titaantjes’: het ergste dat je kan overkomen is je plaats innemen in de burgermaatschappij, en dat je daarmee toch een van de vele mannetjes wordt die je verafschuwt. Maar ook de jongens eindigen zo. Behalve Bavink, die schildert een meesterwerk maar snijdt dit vervolgens aan stukken als hij ontdekt dat hij door dit schilderij bereikt wat de vrienden altijd hadden afgezworen: een succesvol en rijk man worden. Hij verdwijnt in een gekkenhuis.
‘Titaantjes’ schetst de desillusie van vrienden die een eigen leven wilden leiden, maar die dit streven door allerlei maatschappelijke hindernissen niet kunnen waarmaken.

Aanstellerij
Nescio, het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh, betekent: ‘ik weet het niet’ of ‘ik wil het niet weten’. Grönloh, geboren op 22 juni 1882, groeit op in Oost waar hij na de openbare lagere school in de Eerste van Swindenstraat naar de driejarige HBS aan de Mauritskade gaat.
Zijn debuut ‘De Uitvreter’ staat in 1911 in De Gids, ‘Titaantjes’ verschijnt daarin in 1915. De verhalen spelen zich af tussen 1900 en 1911. Nescio’s manier van schrijven – zijn directe en natuurlijke stijl – waardeert men in die jaren niet. Dit komt naast zijn taalgebruik waarschijnlijk doordat hij niet altijd ‘godlievend’ schrijft en zijn spelling te modern is (i = hij, werti = werd hij, hatti = had hij). De literaire critici vinden het proza te aanstellerig. Waardering voor Nescio komt pas na de Tweede Wereldoorlog. Nescio overlijdt in 1962.

Geen molens en klompen
De ontwerpen van de teksten op de gevels zijn van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren.
Oxenaar, geboren op 7 oktober 1929, studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en gaat in 1966 aan de slag als ontwerper voor De Nederlandsche Bank. President Jelle Zijlstra geeft hem de opdracht een eerste serie bankbiljetten te ontwerpen. Zijlstra bemoeit zich echter met het proces waardoor het met figuren uit de vaderlandse geschiedenis een vrij conventionele serie wordt. Van Zijlstra’s opvolger, Wim Duisenberg, krijgt Oxenaar wel de vrije hand. ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in een interview in Trouw (2008). ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Oxenaar is van 1979 tot 1991 buitengewoon hoogleraar Industriële Vormgeving aan de TU Delft. En van 1970 tot 1994 werkt hij bij de Dienst voor Esthetische Vormgeving van de PTT, waar hij onder meer verantwoordelijk voor de huisstijl is. Ook ontwierp hij af en toe postzegels.
Hij verhuist in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij onlangs, op 13 juni 2017 overlijdt.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Muiderpoortstation

muiderpoort
Deze bank staat bij het Muiderpoortstation in Amsterdam. Het is een roestvrijstalen gedenkbank met een gedicht van Victor E. van Vriesland erin gestansd.
Via het Muiderpoortstation zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim elfduizend Joden naar doorgangskamp Westerbork afgevoerd.

MUIDERPOORTSTATION

Tocht er door hun schimmen
Nog een stroom van lang,
Lang vergeten namen
Lang vergeten ogen?

Zullen wij nog weten
Dat wij ons vergeten
Zijn vergeten?
Victor E. van Vriesland
Ontwerper: Steffen Maas
Geplaatst op 3 oktober 2002.

De herdenkingsbank hoort bij het herdenkingsmonument waarop onderstaande tekst staat:

MUIDERPOORTSTATION
VANAF DIT STATION ZIJN TUSSEN
3 OKTOBER 1942 EN 26 MEI 1944
RUIM ELFDUIZEND JODEN NAAR HET
DOORGANGSKAMP WESTERBORK WEGGEVOERD.
DE MEESTEN ZIJN VERMOORD IN DE
VERNIETIGINGSKAMPEN IN MIDDEN-EUROPA.

Doe je ogen even dicht…

Sculpturen

doe-je-ogen-dicht

Tekst en fotografie: Méland Langeveld
Gedicht: K. Michel

In de reeks Sculpturen van Oost het onlangs officieel geopende herinneringsmonument langs het talud van de spoordijk aan de Tugelaweg (Transvaalbuurt). De tekst langs het talud beweegt zich horizontaal als één lang doorlopend lint,
en begint bij het Tugelahuis (Maritzstraat).

De tekst schetst een bijzonder mooi beeld van het ontstaan van de Transvaalbuurt, waar eens de koeien in de weide stonden, over de mensen die er kwamen wonen, wat ze deden, hoe het straatbeeld eruitzag, en wat er met hen in de Tweede Wereldoorlog gebeurden…
Woningcorporatie Ymere vraagt schrijver en dichter K. Michel een tekst te schrijven voor dit herinneringsmonument. Grafisch ontwerpster Hansje van Halem geeft de tekst vorm. De stedelijke vernieuwing van de Transvaalbuurt, waaraan Ymere al een aantal jaren werkt, is de aanleiding voor dit bijzondere kunstproject. De nieuwbouw en renovatie van de woonblokken aan de Tugelaweg brengt historisch bewustzijn, idealen van de sociale volkshuisvesting en de huidige stedelijke en maatschappelijke ontwikkelingen samen. Met de stedelijke vernieuwing wil Ymere het verleden van de buurt niet wegpoetsen maar daarentegen de Joodse historie en de sociale geschiedenis zichtbaar maken.

Diamantwerkers en venters
Een echte uitdaging is het om het beladen verleden van deze wijk naar het heden te vertalen. Het herinneringsmonument, dat de dichter en de vormgeefster in nauwe samenwerking met elkaar hebben ontwikkeld, laat ons een plek zien die naar de Joodse geschiedenis van de buurt verwijst. De tekst gaat over een buurt van voor de Tweede Wereldoorlog, een levendige buurt van vooral diamantwerkers en venters, een buurt van ondernemerschap en handel. Tegelijk laat het het verlies van zoveel Joodse bewoners van de Transvaalbuurt zien.
Het talud van de spoorbaan, tussen de Maritzstraat en de Cillierstraat, is door Stadsdeel Oost als een openbare groenzone ingericht. Een slingerend wandelpad verbindt speel- en verblijfplaatsen; een ontmoetingsplek voor de buurt, net als vroeger toen hier de handkarrenloodsen van de venters stonden.
Het pad met een lengte van driehonderd meter – plusminus vijf minuten lopen – leidt langs de tekst die op de bijzonder ontworpen keerwand van het talud is aangebracht. De wandeling vraagt, en geeft, aandacht voor de Transvaalbuurt, voor de buurtbewoners en voor het verleden. De snelheid en de beleving van de wandeling is voor een ieder anders.

Bijzondere uitvoering
De lichtgroene wand heeft een veertig centimeter hoge tekstband. De tekst is uit een metalen plaat gesneden en gegalvaniseerd. Daarna is het in een lichtgroene neutrale kleur – de kleur die ook in de geglazuurde tegels in de bebouwing aan de overkant van de straat terugkomt – gepoedercoat, en op de wand bevestigd.
De verdikkingen in een aantal spijlen vormen samen één letter. De vorm tussen de spijlen is uit de plaat gesneden. De letters komen als het ware uit het niets tevoorschijn en zijn tegelijk onlosmakelijk aan de plaat verbonden. Voor- en achtergrond, tekst en bladspiegel, vormen één geheel. Geschiedenis, het vooroorlogse leven, verblijf en een wandeling komen er samen.

Dichter en ontwerpster
K. Michel (1958) schreef dit gedicht speciaal voor dit kunstproject. Het gedicht is, aldus de dichter: ‘iets uitgebreider dan de tekst van het herinneringsmonument. Om praktische redenen heb ik hier en daar inkortingen aangebracht. Een ander verschil is dat het gedicht van boven naar beneden loopt en witregels heeft tussen de strofen, terwijl de tekst langs het talud geen witregels kent en zich horizontaal beweegt als één lang doorlopend lint.’
Het werk van Hansje van Halem (1978) krijgt steeds meer bekendheid. Haar letterontwerpen en grafische patronen voor schutbladen hebben een bijzonder karakter. Haar ontwerpen, en de door haar vormgegeven boeken zijn al op veel tentoonstellingen te zien geweest.

Het gedicht van K. Michel:

VAN HIER NAAR TOEN

doe je ogen even dicht, maak je blik leeg
en stel je voor dat dit ooit polderland was
eeuwenlang gras, sloten, koeien, schuurtjes

tot het ineens veranderde in een gebied
vol huizenblokken, straten en pleinen
zeg maar, in de periode voor de oorlog

kijk hier op de hoek was een haringstal
daar stond Fransman weer of geen weer
haring schoon te maken, nieuwe voor 3 cent

en hier schuin tegenover woonde zanger
dirigent Meijer Smeer en iets verderop
was de banketbakkerij van Pront en ginds

stonden karrenloodsen voor straatventers
daar werden ook spandoeken geschilderd
in de verkiezingstijd, plakkaten en banieren

het was een tijd vol onrust en vernieuwing
het was een levendige wijk waar veel mensen
uit de oude Jodenbuurt naar toe waren verhuisd

een wijk waarin diamantwerkers woonden
onderwijzers, straatventers en handelaren
een wijk met een veelal rode mentaliteit

waar zondags rumoerig werd gediscussieerd
over werkelijk alles door de mannen op straat

een wijk waar geknikkerd werd op de stoep
hoedentikkertje gespeeld en diefje met verlos

waar het sjabbatsmaal op vrijdag het hart van alles was
familie en kippensoep, gezellige drukte en snoepgoed

een wijk waar je bij veel winkels op de lat kon kopen
en waar men elkaar hielp ondanks of juist door de armoe

waar in de winter lange ijsglijbanen werden aangelegd
waar je ’s nachts treinen stoom kon horen afblazen

waar werklozen elke dag moesten stempelen
en elf soms zestien gulden per week kregen

waar op het Transvaalplein een meiboom vol slingers stond
waar omheen werd gedanst op de dag van de arbeid

waar ambtenaren bij steuntrekkers aan huis kwamen
en ter controle in kasten keken en tandenborstels telden

waar een synagoge statig in de Linnaeusstraat verrees
daar waar na de sloop een flatgebouw werd neergepoot

waar douchen in het badhuis een dubbeltje kostte
en waar je aan de rand van de buurt slootje kon springen

een woonwijk voor de oorlog waar in de zomer
bonen op straat werden gedopt en waar af en toe
na provocaties stevig met de NSB werd geknokt

voor de oorlog toen van de Joodse bewoners nog niet
bijna iedereen was weggevoerd en vermoord

voor de oorlog toen er bij het overvliegen van de zeppelin
drommen mensen verbaasd op de spoorbrug stonden
en toen de vele zangkoren namen droegen als ‘Dageraad’
‘Morgenrood’ ‘Kunst na arbeid’ en ‘Klimop’

voor de oorlog toen de hele Tugelaweg nog vieren kon
dat Sara Goedel-Trijtel honderd jaar was geworden

stel je de straat voor die dag versierd met vlaggetjes
kijk, er staat een grote muziektent voor haar huis
de opperrabbijn spreekt de jarige toe en de koningin
stuurt gelukwensen en schenkt haar een ruststoel
het weer is fris maar helder ’s avonds valt een buitje
het is juli 1937 en het rommelt al stevig in het oosten
maar zoiets als oorlog lijkt nog onvoorstelbaar ver weg.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 191, 10 februari 2017,
en Oost-online.

‘Blote Roosje’

Gedichten op gevels

image002

In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een liefdesgedicht van Jacob van Lennep.
Het is een muurschildering op een zijgevel – de grootste ooit in Amsterdam gemaakt met het gedicht Aan een Roosje – in 2004 ontworpen door kunstenaar Rombout Oomen. Het bevindt zich op de hoek van de Jacob van Lennepstraat en de Nassaukade in Oud-West.

Aan een Roosje

Zachtgekleurde lentebloesem,
Die Selindes borstjes kust,
Die zo mollig op haar boezem
Tussen donzen peulen rust!
Aartig roosje, vers ontloken,
Ware uw zalig lot het mijn’,
Lag ik ook zo neergedoken
Tussen ’t dubbel halssatijn,
’k Lei geenszins als gij bewustloos
’t Hangend hoofdje stil op zij;
Nee, ’k bekeek, nieuwsgierig, rustloos,
Heel de omtrek van nabij.
’k Zou, door hete zucht gedreven,
Aan die borsten, blank en mals,
Duizend, duizend kusjens geven,
’k Zoende schouders, nek en hals.
’k Zoude ook samen vergelijken
Die twee bollen, wit en rond:
Zien, of deez’ voor die moest wijken,
Of er onderscheid bestond,
Wie met blauwer aders praalde,
Wie de blankste tint bezat,
Wie de meeste veerkracht haalde
Wie de roodste bezie had.
’k Zou dan trachten op te sporen
Waar de holle weg ons leidt
Die gelijk een diepe voren
De ene bol van d’andre scheidt,
Die stilzwijgend schijnt.

‘Blote Roosje’ zorgt echter voor de nodige commotie, en dat in Amsterdam 😉
Een fragment uit: ‘Een kut in pixels is niet arrogant’, van Annet Maseland in
Vrij Nederland (18 december 2004):
“De verhoudingen in Oud-West raakten deze zomer op scherp door de muurschildering ‘Blote Roosje’. Roosje werd betaald uit Europese gelden om sociale samenhang te bevorderen. Maar wie wilde Roosje nu eigenlijk?
‘Ik heb geen routebeschrijving meer nodig voor mijn bezoekers,’ zegt Arjan, een jonge meubelmaker aan de Jacob van Lennepstraat. ‘Mijn atelier zit naast dat schilderij, dan weten ze me wel te vinden.’ De muurschildering van de blote vrouw, geënt op het liefdesgedicht ‘Aan een Roosje’ van Jacob van Lennep, heeft de straat landelijk op de kaart gezet. Buurvrouw Mirjam is er blij mee. ‘Het is een opknapper voor de buurt. Jammer dat het hard tegen hard is geworden. Gut, we wonen in Amsterdam. Daar moet dit toch kunnen.’”

Wat eraan voorafging: Bewoners en ondernemers in en rond de Jacob van Lennepstraat willen de straat aantrekkelijker maken. Meubelmakers vervaardigen banken en kunstenaars ontwerpen een aantal kunstwerken, waaronder de muurschildering. De bedoeling is om de sociale binding in de buurt te verbeteren, in het kader van het Europees subsidieproject Urban II.
Tijdens een buurtfeest presenteren ze het ontwerp van de muurschildering. Ze interviewen bezoekers van het feest over hun mening over de schildering. Het overgrote deel reageert positief. De kunstenaar Rombout Oomen bezoekt vervolgens met een ambtenaar van stadsdeel Oud-West de bewoners die recht tegenover het kunstwerk wonen. De bewoners waarderen de persoonlijke toelichting. Zij willen liever geen muurschildering, maar vinden het geen probleem als andere bewoners in de buurt het wel graag willen.

De Commissie voor Welstand en Monumenten toetst het ontwerp. De commissie is van mening dat het geschilderde, naakte vrouwenlichaam een typisch geval van ‘functioneel naakt’ is en dat het past bij het liefdesgedicht. Met dit advies en de uitslag van de enquête besluiten ze de muurschildering uit te gaan voeren.
Echter nog voordat de werkzaamheden starten stappen de bewoners van het pand tegenover de schildering naar de stadsdeelvoorzitter. De bewoners zijn niet blij met het naakt en vinden dat hun woongenot is beperkt. De kunstenaar legt de betekenis van het kunstwerk uit. Het gesprek verloopt goed, maar de bezwaren van de bewoners zijn niet weggenomen. Daarom heeft stadsdeel Oud-West aangeboden om de kosten te vergoeden voor matglas en grote planten voor bewoners die liever niet uitkijken op de muurschildering. Aan het kunstwerk zelf wordt niets veranderd.

Enkele weken later is het tafereel met verfbommen beschadigd. De beschadiging is weer hersteld, maar er zijn nu ‘schaamblokjes’ aangebracht…

Ik heb ze lief

Gedichten op gevels

Ik heb ze lief
In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een gedicht van Margerite Luitwieler.

Ik heb ze lief
de plekken waar het tocht
wanneer je er de bocht
omgaat
Geef mij maar de achterkant
van huizen en gebieden
waar elke groene spriet
omringt door scheve stenen
de droge grond uitschiet
Het onbedoeld gemaakt
gebied.

Het gedicht is in 2003 in opdracht van het Stadsdeel geplaatst op een zijgevel van woningen in de Czaar Peterstraat in Amsterdam-Oost. Het moest de zaak optooien tijdens de vele werkzaamheden die in en rondom de straat in die tijd plaatsvonden.

Margerite Luitwieler (1960) is dichter en beeldend kunstenaar. De gedichten van Luitwieler – die veelal in de stilte van de avond tot stand komen – gaan in op de rauwheid en de kwetsbaarheid van het bestaan en de behoefte aan tederheid en troost.