Honderd uit te boomen

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel twee passages uit de novelle ‘Titaantjes’ van Nescio uit 1915. De teksten staan sinds 1995 op de gevels van een appartementencomplex aan de Linnaeusstraat, tegenover het Tropeninstituut.

Het zijn twee verschillende passages uit ‘Titaantjes’ die op de voorgevels zijn aangebracht:
(…) ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.’

(…) En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er één klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’ (…)

Desillusie
In de novelle ‘Titaantjes’ komen vijf jongens elke avond bij elkaar om te filosoferen over het leven. Het thema van de ‘Titaantjes’: het ergste dat je kan overkomen is je plaats innemen in de burgermaatschappij, en dat je daarmee toch een van de vele mannetjes wordt die je verafschuwt. Maar ook de jongens eindigen zo. Behalve Bavink, die schildert een meesterwerk maar snijdt dit vervolgens aan stukken als hij ontdekt dat hij door dit schilderij bereikt wat de vrienden altijd hadden afgezworen: een succesvol en rijk man worden. Hij verdwijnt in een gekkenhuis.
‘Titaantjes’ schetst de desillusie van vrienden die een eigen leven wilden leiden, maar die dit streven door allerlei maatschappelijke hindernissen niet kunnen waarmaken.

Aanstellerij
Nescio, het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh, betekent: ‘ik weet het niet’ of ‘ik wil het niet weten’. Grönloh, geboren op 22 juni 1882, groeit op in Oost waar hij na de openbare lagere school in de Eerste van Swindenstraat naar de driejarige HBS aan de Mauritskade gaat.
Zijn debuut ‘De Uitvreter’ staat in 1911 in De Gids, ‘Titaantjes’ verschijnt daarin in 1915. De verhalen spelen zich af tussen 1900 en 1911. Nescio’s manier van schrijven – zijn directe en natuurlijke stijl – waardeert men in die jaren niet. Dit komt naast zijn taalgebruik waarschijnlijk doordat hij niet altijd ‘godlievend’ schrijft en zijn spelling te modern is (i = hij, werti = werd hij, hatti = had hij). De literaire critici vinden het proza te aanstellerig. Waardering voor Nescio komt pas na de Tweede Wereldoorlog. Nescio overlijdt in 1962.

Geen molens en klompen
De ontwerpen van de teksten op de gevels zijn van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren.
Oxenaar, geboren op 7 oktober 1929, studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en gaat in 1966 aan de slag als ontwerper voor De Nederlandsche Bank. President Jelle Zijlstra geeft hem de opdracht een eerste serie bankbiljetten te ontwerpen. Zijlstra bemoeit zich echter met het proces waardoor het met figuren uit de vaderlandse geschiedenis een vrij conventionele serie wordt. Van Zijlstra’s opvolger, Wim Duisenberg, krijgt Oxenaar wel de vrije hand. ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in een interview in Trouw (2008). ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Oxenaar is van 1979 tot 1991 buitengewoon hoogleraar Industriële Vormgeving aan de TU Delft. En van 1970 tot 1994 werkt hij bij de Dienst voor Esthetische Vormgeving van de PTT, waar hij onder meer verantwoordelijk voor de huisstijl is. Ook ontwierp hij af en toe postzegels.
Hij verhuist in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij onlangs, op 13 juni 2017 overlijdt.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Muiderpoortstation

muiderpoort
Deze bank staat bij het Muiderpoortstation in Amsterdam. Het is een roestvrijstalen gedenkbank met een gedicht van Victor E. van Vriesland erin gestansd.
Via het Muiderpoortstation zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog ruim elfduizend Joden naar kamp Westerbork afgevoerd.

MUIDERPOORTSTATION

Tocht er door hun schimmen
Nog een stroom van lang,
Lang vergeten namen
Lang vergeten ogen?

Zullen wij nog weten
Dat wij ons vergeten
Zijn vergeten?
Victor E. van Vriesland
Ontwerper: Steffen Maas
Geplaatst op 3 oktober 2002.

De herdenkingsbank hoort bij het herdenkingsmonument waarop onderstaande tekst staat:

MUIDERPOORTSTATION
VANAF DIT STATION ZIJN TUSSEN
3 OKTOBER 1942 EN 26 MEI 1944
RUIM ELFDUIZEND JODEN NAAR HET
DOORGANGSKAMP WESTERBORK WEGGEVOERD.
DE MEESTEN ZIJN VERMOORD IN DE
VERNIETIGINGSKAMPEN IN MIDDEN-EUROPA.

De kunst van het doodgaan

In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een gedicht van Rutger Kopland (1934-2012).
De vierde strofe uit het gedicht De kunst van het doodgaan staat op het raam van Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat, Amsterdam.

Als het zover is – zal ik dan eindelijk
weten wat dat is, doodgaan
jezelf verlaten en weten
dat je nooit terugkeert

soms wanneer ik het koraal hoor
Nun komm’ der Heiden Heiland
doorstroomt mij een vermoeden van
onontkoombaar verlies –
maar wat geeft het

bij het zien van een uitzicht over bergen
een verte die verdwijnt in zichzelf
kan ik worden bevangen door een huiver
voor de eenzaamheid die mij wacht –
maar wat geeft het

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn.

Uit: Verzamelde gedichten. Van Oorschot, 2006.

‘Honderd uit te boomen’

Nescio

In de reeks ‘Literaire teksten op gevels’: een passage uit Nescio’s Titaantjes, 1915.

(…) ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschre-
ven tegenwoordig. Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.’

Het ontwerp is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem en de vuurtoren.
Het appartementencomplex staat in de Linnaeusstraat in Amsterdam-Oost.

‘Blote Roosje’

Gedichten op gevels

image002

In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een liefdesgedicht van Jacob van Lennep.
Het is een muurschildering op een zijgevel – de grootste ooit in Amsterdam gemaakt met het gedicht Aan een Roosje – in 2004 ontworpen door kunstenaar Rombout Oomen. Het bevindt zich op de hoek van de Jacob van Lennepstraat en de Nassaukade in Oud-West.

Aan een Roosje

Zachtgekleurde lentebloesem,
Die Selindes borstjes kust,
Die zo mollig op haar boezem
Tussen donzen peulen rust!
Aartig roosje, vers ontloken,
Ware uw zalig lot het mijn’,
Lag ik ook zo neergedoken
Tussen ’t dubbel halssatijn,
’k Lei geenszins als gij bewustloos
’t Hangend hoofdje stil op zij;
Nee, ’k bekeek, nieuwsgierig, rustloos,
Heel de omtrek van nabij.
’k Zou, door hete zucht gedreven,
Aan die borsten, blank en mals,
Duizend, duizend kusjens geven,
’k Zoende schouders, nek en hals.
’k Zoude ook samen vergelijken
Die twee bollen, wit en rond:
Zien, of deez’ voor die moest wijken,
Of er onderscheid bestond,
Wie met blauwer aders praalde,
Wie de blankste tint bezat,
Wie de meeste veerkracht haalde
Wie de roodste bezie had.
’k Zou dan trachten op te sporen
Waar de holle weg ons leidt
Die gelijk een diepe voren
De ene bol van d’andre scheidt,
Die stilzwijgend schijnt.

‘Blote Roosje’ zorgt echter voor de nodige commotie, en dat in Amsterdam 😉
Een fragment uit: ‘Een kut in pixels is niet arrogant’, van Annet Maseland in
Vrij Nederland (18 december 2004):
“De verhoudingen in Oud-West raakten deze zomer op scherp door de muurschildering ‘Blote Roosje’. Roosje werd betaald uit Europese gelden om sociale samenhang te bevorderen. Maar wie wilde Roosje nu eigenlijk?
‘Ik heb geen routebeschrijving meer nodig voor mijn bezoekers,’ zegt Arjan, een jonge meubelmaker aan de Jacob van Lennepstraat. ‘Mijn atelier zit naast dat schilderij, dan weten ze me wel te vinden.’ De muurschildering van de blote vrouw, geënt op het liefdesgedicht ‘Aan een Roosje’ van Jacob van Lennep, heeft de straat landelijk op de kaart gezet. Buurvrouw Mirjam is er blij mee. ‘Het is een opknapper voor de buurt. Jammer dat het hard tegen hard is geworden. Gut, we wonen in Amsterdam. Daar moet dit toch kunnen.’”

Wat eraan voorafging: Bewoners en ondernemers in en rond de Jacob van Lennepstraat willen de straat aantrekkelijker maken. Meubelmakers vervaardigen banken en kunstenaars ontwerpen een aantal kunstwerken, waaronder de muurschildering. De bedoeling is om de sociale binding in de buurt te verbeteren, in het kader van het Europees subsidieproject Urban II.
Tijdens een buurtfeest presenteren ze het ontwerp van de muurschildering. Ze interviewen bezoekers van het feest over hun mening over de schildering. Het overgrote deel reageert positief. De kunstenaar Rombout Oomen bezoekt vervolgens met een ambtenaar van stadsdeel Oud-West de bewoners die recht tegenover het kunstwerk wonen. De bewoners waarderen de persoonlijke toelichting. Zij willen liever geen muurschildering, maar vinden het geen probleem als andere bewoners in de buurt het wel graag willen.

De Commissie voor Welstand en Monumenten toetst het ontwerp. De commissie is van mening dat het geschilderde, naakte vrouwenlichaam een typisch geval van ‘functioneel naakt’ is en dat het past bij het liefdesgedicht. Met dit advies en de uitslag van de enquête besluiten ze de muurschildering uit te gaan voeren.
Echter nog voordat de werkzaamheden starten stappen de bewoners van het pand tegenover de schildering naar de stadsdeelvoorzitter. De bewoners zijn niet blij met het naakt en vinden dat hun woongenot is beperkt. De kunstenaar legt de betekenis van het kunstwerk uit. Het gesprek verloopt goed, maar de bezwaren van de bewoners zijn niet weggenomen. Daarom heeft stadsdeel Oud-West aangeboden om de kosten te vergoeden voor matglas en grote planten voor bewoners die liever niet uitkijken op de muurschildering. Aan het kunstwerk zelf wordt niets veranderd.

Enkele weken later is het tafereel met verfbommen beschadigd. De beschadiging is weer hersteld, maar er zijn nu ‘schaamblokjes’ aangebracht…

‘Zoo moest ’t maar blijven’

Gedichten op gevels

6e8c12720097c3aae2f6898ad1850343_700_540
In de reeks ‘Literaire teksten op gevels’: een passage uit Nescio’s ‘Titaantjes’, 1915.

(…) En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’ (…)

Het ontwerp is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem en de vuurtoren.
Het appartementencomplex staat in de Linnaeusstraat in Amsterdam-Oost.

Ik heb ze lief

Gedichten op gevels

Ik heb ze lief
In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een gedicht van Margerite Luitwieler.

Ik heb ze lief
 de plekken waar het tocht
 wanneer je er de bocht
 omgaat
 Geef mij maar de achterkant
 van huizen en gebieden
 waar elke groene spriet
 omringt door scheve stenen
 de droge grond uitschiet
 Het onbedoeld gemaakt
 gebied.

Het gedicht is in 2003 in opdracht van het Stadsdeel geplaatst op een zijgevel van woningen in de Czaar Peterstraat in Amsterdam-Oost. Het moest de zaak optooien tijdens de vele werkzaamheden die in en rondom de straat in die tijd plaatsvonden.

Margerite Luitwieler (1960) is dichter en beeldend kunstenaar. De gedichten van Luitwieler – die veelal in de stilte van de avond tot stand komen – gaan in op de rauwheid en de kwetsbaarheid van het bestaan en de behoefte aan tederheid en troost.

Het lied van Amsterdam

Gedichten op gevels

Jan Campert
In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een gedicht van Jan Campert (1902-1943).

HET LIED VAN AMSTERDAM

Verlaat ’t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de bBeurs
en schepen onder ’t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ’t Y.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ’t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ’t water stremt
en ’t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche en Rembrandtplein
de wolken walmen doet doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ’t ingaan van de nacht.

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ’t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
‘t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam.

Het deel van de stofe staat op de glazen gevel van de huisartsenpost van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam-Oost.
Jan Campert is vooral bekend van het gedicht De achttien dooden, dat hij schreef naar aanleiding van de executie van vijftien verzetslieden.

De Dapperstraat

Gedichten op gevels

Dapperstraat

In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een gedicht van J.C. Bloem (1887-1966).

DE DAPPERSTRAAT

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.
Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.
Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.
Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

Het ontwerp is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem en de vuurtoren.
Het appartement staat in de Dapperstraat in Amsterdam-Oost, en het gedicht staat in z’n geheel op de gevel gedrukt.