Anti-apartheidsmonument

 Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het Monument tegen Apartheid en Racisme. Het in brons gegoten beeld van de arm en het been is in 1987 in de Transvaalbuurt geplaatst.

Het monument staat op de hoek van de Schalk Burgerstraat en de Albert Luthulistraat (voorheen Louis Bothastraat geheten). Albert Luthuli was leider van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), en kreeg in 1960 de Nobelprijs voor de Vrede toegekend voor zijn rol in de geweldloze strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika. Het monument kwam er op initiatief van enkele buurtbewoners. De onthulling door burgemeester Ed van Thijn vond plaats op 20 juni 1987.Antiapartheid

Roerige geschiedenis
Exact 44 jaar eerder, op 20 juni 1943, voerde de Duitse bezetter in de Transvaalbuurt de laatste razzia uit. Alle nog aanwezige Joodse inwoners zijn toen opgepakt. De Transvaalbuurt was een van de drie wijken in Amsterdam waar de Duitsers de Joden verzamelden om ze daarna te kunnen deporteren naar vernietigingskampen. De Transvaalbuurt was ‘Judenviertel II’.
De woningen in de Transvaalbuurt zijn in de jaren 1910-’20 gebouwd. Veel arme Joden, die in de sloppenwijk van de Jodenbuurt rond het Waterlooplein woonden, kregen hier een degelijk huis in een keurige buurt.
Destijds was de naamgeving van de wijk en de straatnamen een politiek statement. Het was een steun in de rug voor de Afrikaanse boeren, de nazaten van Nederlandse kolonisten, die in de Boerenoorlog aan het einde van de negentiende eeuw tegen de Engelse overheerser vochten. De republiek die zij boven de Vaal (Transvaal) stichtten stond onder leiding van president Paul Kruger.
Zo’n vijftig jaar later, begin jaren zeventig, kwam de Boerenoorlog door het apart-
heidsregime in een heel ander daglicht te staan. Stemmen gingen op, en een verzoek werd ingediend om de straten te hernoemen naar prominente anti-apartheidsactivis-
ten. Buurtbewoners protesteerden toen. Met het wijzigen van de straatnamen zou de herinnering aan wat in de Tweede Wereldoorlog in de Transvaalbuurt was gebeurd voorgoed worden gewist.

Ruim tien jaar later ontstond het idee om een anti-apartheidsmonument op te richten. Buurtbewoners kozen een ontwerp van het monument van beeldhouwer Pépé Gregoire (1950), in samenwerking met de organisaties Kunst in Mokum, Anti-
Apartheidsbeweging Nederland en het Komitee Zuidelijk Afrika.
Het monument drukt het afgrijzen uit over het oppakken en wegvoeren van de joodse bevolking uit de buurt én de afschuw over de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika waarbij wederom mensen door racisme onderdrukt en vervolgd werden. Het monument symboliseert dat dingen die bij elkaar horen niet kunstmatig gescheiden mogen én kunnen worden. De tekst op de plaquette ‘Wie onder ons is meer of minder’ benadrukt de onderlinge verbondenheid van mensen. De relatie van arm en been staat voor menselijke eenheid in verscheidenheid. De onnatuurlijke splitsing ervan is de moedwillige ontkenning van die eenheid.

Onderstaand sonnet schreef Pieter Bol op 4 mei 1984, gepubliceerd in het mei-
nummer van 1984 van Wijkkrant Transvaal, en voorgedragen bij de onthulling van het monument:

4 mei Krugerplein
In het boek van Presser staan ze te kijk
De joden die de lange reis aanvaarden
Op het Krugerplein, vrachtwagens onder kale bomen
Polen, wie had daar ooit gedacht te komen?
Van alle plekken op de aarde
Ligt deze onder oogbereik
Maar ik kijk niet op want in mijn gedachten
Staan die rijen doden daar nog stil te wachten
De lente hangt over het plein
Mijn dochtertje staat voor het raam
En noemt de dingen bij hun naam
Alles van vroeger schijnt vergeten
Zou voor de mensen die het weten
Hier nog iets hetzelfde kunnen zijn?

© Pieter Bol

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, september 2014, en Oost-online.