Geen stad als Amsterdam

Gedichten op gevels


In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel een deel van een strofe uit het gedicht ‘Een Amsterdamsch lied’ van Jan Campert. Het staat op de glazen gevel van de huisartsenpost van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in de Eerste Oosterparkstraat.

In grote witte letters aan de glazen gevel van het gebouw valt te lezen:
Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd.

Het volledige gedicht waar dit deel uitkomt, een lofzang op die prachtige stad, is deze:

Een Amsterdamsch lied

Verlaat ’t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de Beurs
en schepen onder ’t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ’t IJ.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ’t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ’t water stremt
en ’t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche- en Rembrandtplein
de wolken walmen doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ’t ingaan van de nacht.

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ’t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
’t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam.

Jan Campert (1902-1943) is dichter, schrijver, journalist en verzetsman. Hij begint in Den Haag met een verslaggeversbaan bij dagblad De Nieuwsbron. ‘Hij schrijft gemakkelijk en met een onmiskenbare flair,’ aldus een toenmalige collega. Tot zijn werkgebied behoort zo’n beetje alles: rechtbankverslagen, reportages van grote gebeurtenissen, toneel- en danskritieken, literaire kronieken en de dagelijkse sfeerbeschrijvinkjes, de zogenoemde ‘stemmingsstukjes’. In 1922 komt zijn eerste dichtbundel uit, en in de jaren dertig schrijft hij ook enkele romans. In 1929 krijgt hij zijn enige zoon: Remco Campert.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandt Jan Campert in het verzet, maar tijdens een poging een joodse man de Belgische grens over te smokkelen wordt hij in juli 1942 gearresteerd. Een halfjaar later sterft hij in het concentratiekamp Neuengamme.

Jan Campert is vooral bekend van het gedicht ‘De achttien dooden’. Het gedicht gaat over achttien verzetsstrijders die in hun cel op executie wachten.
Campert wordt na de oorlog als een verzetsheld gezien. In 1947 wordt de Jan Campertprijs in het leven geroepen als ‘blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945’.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Een bankstel kost u 15 euro

Onalledaags


Al enkele weken orden ik samen met mijn zus het leven van onze ouders. Hun etage in Nieuw-Zuid vormt een pakhuis in tijd. De ouderlijke woning, maar vooral de zolder, is tot de nok toe gevuld met ons verleden. Het is onvoorstelbaar wat we daar tegenkomen. Mijn allereerste tekenkrabbels van de kleuterschool, een babytruitje en een mutsje, schoolrapporten en zelfs een haarlok van mijn zus in een aangetast fotoalbum. Nooit hebben we geweten dat ze die al die jaren bewaarden. Nu ze beiden dood zijn kunnen we ze niets meer vragen. Wat zouden ze van onze eerste krabbels hebben gevonden? Waren jullie trots op onze rapportcijfers? En wat een schattig truitje heeft moeder gebreid.
‘Moet je kijken m’n indianenpak,’ zegt mijn zus, terwijl ze het uit een dekenkist tevoorschijn haalt. Ze houdt een crèmekleurige lap stof voor zich. Er zitten gaten in. De motten hebben als gieren hun prooi bestookt. Het hesje is met verschillende kleuren stof bedekt: het keurige naaiwerk van onze moeder.
‘En hier het hippie-pakje van jou.’
‘Goh, dat ze dat allemaal bewaard hebben.’ Ondertussen trek ik een laatje open met jampotjes waarin bouten, schroeven en spijkers een onderkomen hebben gevonden. Ik leeg de inhoud in een emmer vol oud ijzer. Onder de potjes vind ik een smoezelige enveloppe. Ik haal er een zwemdiploma uit die mijn vader in 1932 heeft behaald. Zijn Ausweis uit de Duitse bezetting, met een verbleekte pasfoto en van een stempel voorzien, zit erachter geschoven.
Het huis aan de Maasstraat moeten we aan het eind van de maand leeg opleveren, anders moeten we nog een maand huur ophoesten. Veel tijd hebben we niet meer. Selecteren, de kleine spulletjes met persoonlijke waarde eruit vissen. Een heleboel moet er helaas weg. We kunnen niet alles bewaren daarvoor hebben we beiden een te kleine woning. Een opkoper heeft zelfs enkele meubelstukken laten staan, hij zag daar zelfs geen handel in. Dat moet dus naar het grofvuil op straat.
Ik bel stadsdeel Zuid en krijg na doorverbinding Stadsreiniging aan de lijn.
‘Op welke dag wordt het grof huisvuil opgehaald?’
‘Op maandagochtend meneer, maar u mag ’t pas vanaf zes uur ’s ochtends buitenzetten en niet na achten, want anders zijn ze misschien al langs geweest.’
‘Maar ik woon daar niet. M’n ouders woonden daar. Ze zijn overleden en ik ruim hun huis leeg.’
‘Meneer, we komen ’t alleen gratis ophalen als u zich aan de tijden houdt. Doet u dat niet dan rekenen we u vijftien euro per halve kuub. Zo simpel is ’t.’
‘Hoeveel is een halve kuub dan wel niet?’
‘Zo ongeveer ’n bankstelletje meneer.’
Moet ik daarvoor zo vroeg uit mijn bed en naar Nieuw-Zuid fietsen om alleen het grof huisvuil buiten te zetten. Ik lijk wel gek. En m’n zus is ook geen optie, want die woont buiten de stad.
‘Maar ik woon in Oost en daar halen ze het vaker op, en het is hier ook gewoon grátis.’
‘Tja meneer, dat is Oost en dáár woont alleen maar gajes. Hier leven we in Zuid. En daar houden we er strikte regels op na, niet waar. En de gemeentelijke handhavers houden het hier ook zeer goed in de gaten, dus u bent een gewaarschuwd man. Goeiemorgen.’
Er zit weer een dag ontruimen op. Beneden trek ik de deur in het slot, en we nemen afscheid van elkaar. Vandaag hebben we weer een deel van ons wederzijds verleden in vuilniszakken gepropt, en het grofvuil zetten we nog maar niet aan de straat: het wachten is tot het maandagochtend vroeg…

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Domweg gelukkig

Gedichten op gevels

Dapperstraat

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem (1887-1966). Het gedicht staat in zijn geheel op een gevel in de Dapperstraat.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem, geboren in 1887, is de dichter van onsterfelijke regels als:
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood.
(Eerste twee regels uit het gedicht ‘Insomnia’)

Dichter van verlangen
Bloem behoort tot de bekendste en meest gewaardeerde dichters van Nederland. Anders dan tijdgenoten als A. Roland Holst of P.N. van Eyck wordt Bloem nog steeds veel gelezen en geciteerd.
Bloem is de dichter van het verlangen, van de hunkering naar een vervulling of een geluk dat altijd onbereikbaar zal zijn, terwijl de dood steeds dichterbij komt. Berusting voert uiteindelijk de boventoon, gemengd met flarden liefde, genot, aanhankelijkheid en vreugde die de melancholie eigenlijk alleen nog maar sterker maken. In het korte gedicht ‘De nachtegalen’ schrijft hij:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Lijden aan het leven
J.C. Bloem ontdekt de poëzie op vijftienjarige leeftijd. Hij krijgt dan het gedicht ‘Sluimer’ van de jonggestorven Tachtiger Jacques Perk onder ogen. In één klap beseft hij dat gedichten onvoorstelbare werelden openbreken en zijn horizon enorm kunnen verbreden. Vanaf dat moment wil hij niets anders dan dichter worden. Op jonge leeftijd vindt hij aansluiting bij het tijdschrift ‘De beweging’ van Albert Verwey.
Bloem heeft maar vier bundels gepubliceerd, maar die hebben wel tot een groot lezerspubliek geleid. In al zijn werk is de dichter de thematiek van het verlangen trouw gebleven. Hij zei zelf dat hij in zijn poëzie probeerde ‘enkele essentiële dingen van het leven zo uit te spreken, dat dit van mij en van niemand anders zou hebben kunnen zijn.’ Tegelijkertijd schrapt hij uit zijn gedichten bijna alle concrete aanduidingen van personen en plaatsen, zodat ze een heel algemeen karakter krijgen. Bloems poëzie is bovendien van een bedrieglijke eenvoud en helderheid. Die algemeenheid en die helderheid zorgen samen met de universele thematiek van het lijden aan het leven voor de grote aantrekkingskracht van zijn gedichten.
Bloem overlijdt op 10 augustus 1966 in Kalenberg (Overijssel).

Geen molens en klompen
Het ontwerp van het gedicht op de gevel is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar (1929-2017): bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren. Jarenlang is hij ontwerper geweest bij De Nederlandsche Bank: ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in 2008 tegen Trouw. ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Hij verhuisde in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij op 13 juni 2017 overleed.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

Rollade in de aanbieding

Onalledaags


Aanhoudend geklepper van het kattenluik maakt me nieuwsgierig. Verdedigt Joris, mijn kat, zijn toegangspoort? Het is daar vaker een strijd op leven en dood. Een homp vlees priemt deels door het luikje. Ditmaal geen rivaliserende kat, maar een rollade die de strijd met het deurtje aangaat. Ik kijk door de ruit van de keukendeur en zie mijn zwarte kat hemel en aarde bewegen om zijn zojuist gevangen prooi naar binnen te werken. Wat een gevaarte hangt er aan zijn bek; zijn tanden heeft hij in het netje gezet. Waar heeft hij die nou weer vandaan? Hopelijk niet bij mijn naaste buren waarmee ik in een onoplosbare vete verkeer.
Ik verlos Joris uit zijn worsteling door de deur te openen. Trots komt hij met zijn buit naar binnen gestrompeld waarbij hij zichzelf moeizaam in evenwicht probeert te houden. Het gevaarte helt als een zinkend schip naar bakboordzijde en sleept over de vloer. Ik pak het beet; zijn scherpe tandjes blijven in de touwtjes steken. Ik wrik het los waarbij hij me verongelijkt aankijkt.
Even later rinkelt de voordeurbel. De oude dame van twee huizen verder staat voor mijn neus.
‘Uw kat heeft mijn rollade uit m’n juspan gepikt. Ik zag ’m nog net over de schutting verdwijnen,’ zegt ze verontwaardigd.
‘Hoe is het mogelijk buurvrouw? Maar inderdaad hij kwam er zojuist mee naar binnen gewandeld. Ik vroeg me al af hoe-ie eraan was gekomen?’
Volgens haar was mijn kat door het openstaande raam naar binnen geklommen, op het aanrecht gesprongen, om vervolgens de rollade uit de pan te vissen, en met het gevaarte naar buiten te klauteren. Dit allemaal terwijl mijn buurvrouw even van het toilet gebruik maakte, zoals ze dat zo plechtig zei. Voor mijn kat was het pure pech dat ze hem bij het beklimmen van de schutting betrapte.
Gelukkig is het niet mijn naaste buurman waar Joris de boel op stelten heeft gezet, want met hem zou het volgende probleem zich hebben aangediend.
‘Ik zal u de rollade vergoeden buurvrouw, of beter ik loop even naar de slager om een nieuwe voor u te kopen?’
‘Nou dat zou wel erg fijn zijn buurman, dan hoef ik er niet opuit. Het is me er trouwens wel eentje die kat van u. ’t Is me nogal een gesjouw met zo’n rollade, en dan nog over die schuttingen’ zegt ze lachend.
‘Maar natuurlijk, ik ga er direct één voor u halen.’ Ik ben reuze blij dat ze het zo luchtig opvat. Had ik haar maar als naaste buurvrouw in plaats van die chagrijnige.
Bij de slager koop ik een nieuwe, en daarna loop ik nog even langs de slijter om voor haar een flesje advocaat te halen. Dat is vast wel iets waar ze van houdt.
Ik overhandig haar de rollade en de advocaat. ‘Nog wat lekkers voor de schrik buurvrouw. Laat het u smaken.’
‘Ach buurman wat lief van u, dat had u écht niet hoeven doen hoor. Maar dit is wel wat ik erg lekker vindt. Dank u wel hoor.’
’s Avonds snijd ik wat vlees van de rollade af en geef het Joris. Hij smult ervan en zijn bakje is in een mum van tijd leeg. Hij kijkt me vervolgens veelbelovend aan, geeft me kopjes en smeekt daarmee om meer.
‘Het is wel goed geweest Joris. Het was me het dagje wel met jou ouwe snaaier. Met deze rollade heb je meer dan een week eten voor jezelf binnen gehaald,’ zeg ik smuikend tegen hem.
Hij kijkt me zeer onschuldig aan, en miauwt nog maar eens om meer.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

De angsthaas

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het ‘Angstig konijn’, in de volksmond al snel de ‘Angsthaas’ genoemd. Het beeld is van kunstenaar en grafisch vormgever Piet Parra, en het staat sinds augustus 2018 in het Flevopark.

De organisatoren van Stichting Appelsap schenken dit beeld aan de gemeente. Jaarlijks organiseren zij in de zomer een hiphopfestival in het Flevopark.
Het beeld is deels gefinancierd door Stichting Appelsap en aangevuld met een subsidie van 35.000 euro van het Mondriaan Fonds en een sponsoring van WeTransfer.
Voor Stichting Appelsap is Piet Parra de meest voordehand liggende keuze omdat hij als kunstenaar, die veel internationaal succes geniet, onlosmakelijk verbonden is aan de Amsterdamse hiphop-, kunst- en modecultuur.

Zelfportret
Parra komt met een reusachtig konijn dat angstig in elkaar gedoken zit. Het beeld is drie meter hoog en 400 kilo zwaar. De schets van Parra laat nog opstaande konijnenoren zien, maar dat idee laat hij in een later stadium los: hij modelleert de oren tegen de schedel. Parra handhaaft wel zijn signatuur in de spitsvormige snoet van het konijn, die spitsvormige kop komt vaker in zijn kunstwerken voor.
De firma Blow Ups – een fabriek voor kunst- en reclame in het Limburgse Heijen – gaat aan de slag om dit ‘opgeblazen’ konijn te fabriceren. Het holle beeld is gemaakt van purschuim en met een staalconstructie versterkt. De buitenhuid bestaat uit glasvezelversterkt polyester.
De kunstenaar noemt het zelf een zelfportret, dan wel een portret van mensen die altijd klagen over festivals.
‘Angstig konijn’ heeft een voorganger, getiteld ‘Anxiety’: het is een urethaanschuimen beeldje uit 2016, slechts 56 bij 60 bij 56 centimeter groot en hardroze van kleur. Het heeft echter wel opstaande konijnenoren.

Weerstand
Het ‘Angstig konijn’ heeft een tijdelijke vergunning van drie maanden gekregen. Blijkt er na die periode genoeg draagvlak voor het kunstwerk te zijn, dan kan de vergunning worden verlengd. Het beeld is op 11 augustus 2018 tijdens het Appelsap festival onthuld.
Maar er is ook weerstand. De Vrienden van het Flevopark laten in een brief aan de wethouder van Kunst en Cultuur weten dat ze tegen de plaatsing van het beeld zijn omdat er volgens hen niet genoeg draagvlak is gecreëerd. Verder is er geen omgevingsprocedure doorlopen. Volgens hen past het beeld ook veel beter op een stedelijke plek, en niet in een natuurlijk park als het Flevopark. Zij willen kunst die past bij het karakter van het park, en waar belangengroepen zoals de Vrienden van het Flevopark en bewoners van de Indische Buurt actief bij betrokken worden.

Piet Parra is de artiestennaam van grafisch ontwerper en illustrator Pieter Janssen (1976). Onder de naam Parra maakt Janssen grafisch werk voor affiches en flyers. Ook ontwerpt hij het design voor een aantal schoenen van Nike, waaronder de Air Max 1: ‘Cherrywood’ en de Air Max 95: ‘The Running Man’. Janssen is mede oprichter en creatief hoofd van het merk Rockwell Clothing, dat vanaf 2015 wordt voortgezet onder de naam By Parra.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Ineengedoken

Ineengedoken sta je zwart
en log in het open veld, zo
tevergeefs opzoek naar
een geschikte schuilplek

angstig konijn, gaven ze je
als titel mee, maar al rap
kreeg je het label angsthaas
opgeplakt, waarom sta je

zo ineengedoken in het
uitgestrekte veld, toon dat je
je angst kan overwinnen
maak je sterk, laat zien dat

je die plek in het Flevopark
waardig bent, kijk met

triomf de wijde wereld in:
laat je vooral niet wegsturen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

Verloren been

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost het metershoge been, met de titel ‘Noch einmal’. Het is van Henk Visch en staat aan de Polderweg, langs het spoor, schuin tegenover bierbrouwerij Poesiat & Kater. Het been is daar eind juni 2018 geplaatst.

‘Noch einmal’ met deze afmeting is in 2011 in opdracht van woningcorporatie Ymere gemaakt. Sinds 1990 maakt Visch al benen met de toepasselijke titel ‘Noch einmal’. De eerste, een goudkleurige van 101 cm hoog, geeft hij als bijschrift unlimited edition, 1990 -. Het exemplaar in groengrijs gepatineerd brons dat nu aan de Polderweg staat, is aanvankelijk bestemd voor een woonwijk in Haarlem maar komt daar nooit te staan. Het gaat eerst naar Amersfoort en loopt daarna toepasselijk door naar Duitsland.
Dit been is het grootste dat Visch tot nu toe heeft gemaakt, bijna zes meter hoog, en heeft nu een permanente plek in Oostpoort gekregen, tegenover woningen van Ymere.

Vertrouwd maar ook vervreemdend
Zijn beelden van menselijke gestaltes zijn direct herkenbaar. Ze zijn bijna altijd gegoten in brons, en hebben een maat die prikkelt. Alles is erop gericht zijn beelden zintuigelijk te ervaren.
Visch zegt daarover: ‘Eigenlijk gaat al mijn werk over staan. Dat zou je best een soort thema kunnen noemen. Al mijn beelden staan op een voet of steunen ergens op. Het staan zoals je zelf ook staat en be-staat. Voeten waarmee je op de bodem staat, nee, niet op de bodem, op de aarde.’
In een e-mail aan Geheugen van Oost schrijft hij: ‘Het been is een werk, dat mij tijdens mijn leven begeleidt, ik maak er steeds weer één als ik een exemplaar verkoop. Het symboliseert mijn leven, het herinnert mij eraan dat ik leef: het been is een stap, het is mijn stap, eigenlijk de stap van iedereen. Een stap en nog één en nog één… Het verbeeldt het leven dat doorgaat, wat er ook gebeurt. De titel “Noch Einmal” doet mij eraan herinneren, mocht ik het ooit vergeten, nog een afgietsel te laten maken. De oplage is onbeperkt, maar het wordt na mijn dood niet meer gemaakt.’
Het eenzame ledemaat is exemplarisch voor Visch’ oeuvre. Op zijn werk is moeilijk een stempel te drukken omdat het zo gevarieerd is. Maar wie dat toch wil doen, zou kunnen zeggen dat het niet standaard is. Zelfs in zijn puur figuratieve beelden is er bijna altijd wel iets dat afwijkt: een beeld zonder arm, of zonder hoofd, of het been zonder de rest van het lijf.

Metafoor voor de realiteit
Henk Visch, in 1950 geboren te Eindhoven, is een veelzijdig kunstenaar die zich uitdrukt in verschillende disciplines. Hij begint als tekenaar en graficus, maar vanaf 1981 gaat hij ook beeldhouwen. De beelden van hem variëren van monumentale in brons gegoten beelden, houtconstructies, grote polyester vormen tot kleine figuren van gevonden materiaal.
Het maken van sculpturen vergelijkt Visch met hardop denken in hout, verf en andere materialen. Hij wil niet zozeer de zichtbare werkelijkheid in beeld brengen, maar het beeld een metafoor laten zijn voor de realiteit van ervaringen.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Verloren been

Benen zijn er om mee te lopen
én op te staan, dat is al zolang
wij op de aardbol rondgaan

echter mijn rechterbeen besloot
op een dag dat-ie liever bleef staan
heel wat argumenten roerde ik aan

toch vond mijn been dat-ie niet
langer moest lopen, hij weigerde
zelfs nog één stap te verzetten

op die bewuste plek heb ik hem
toen maar afgekoppeld, want
ík wilde toch écht verder

sindsdien dicht de dichter met
één been, hinkt nota bene elke
dag langs zijn verloren been

echter met de dag wordt dat
been donkerder én langer
nu is-ie al tot zes meter uitgerekt

de dichter vraagt zich telkens
af tot hoe hoog zijn been
uiteindelijk wortelschiet

en hoopt dat ooit zijn been besluit
het leven weer met hem te delen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

De kunst van het doodgaan

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Gedichten op gevels’ met een gedicht van Rutger Kopland. En wel met de vierde strofe uit het gedicht De kunst van het doodgaan, dat op het raam van Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat 88 staat.

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

Het volledige gedicht waar deze strofe uitkomt, is deze:

De kunst van het doodgaan

Als het zover is – zal ik dan eindelijk
weten wat dat is, doodgaan
jezelf verlaten en weten
dat je nooit terugkeert

soms wanneer ik het koraal hoor
Nu komm’ der Heiden Heiland
doorstroomt mij een vermoeden van
onontkoombaar verlies –
maar wat geeft het

bij het zien van een uitzicht over bergen
een verte die verdwijnt in zichzelf
kan ik worden bevangen door een huiver
voor de eenzaamheid die mij wacht –
maar wat geeft het

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn.

Uit: ‘Een man in de tuin’. Van Oorschot, 2004.

Voorstellingen en scholing
Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat is een trainingscentrum en adviesbureau op het gebied van communiceren met kwetsbare doelgroepen, zoals mensen met dementie, een verstandelijke beperking, een psychische aandoening en ADHD en/of autisme. Theater Veder speelt en traint in zorginstellingen en organisaties door heel Nederland. Zij draagt de ‘Veder Methode’ uit en verspreidt deze om een bijdrage te leveren aan het doorbreken van sociaal isolement. Tijdens de interactieve voorstellingen wordt de doelgroep uitgedaagd tot het maken van wederzijds contact. Dit leidt tot mooie en bijzondere contactmomenten. Naast huiskamervoorstellingen biedt Veder ook voorstellingen op maat en theatervoorstellingen.
Daarnaast verzorgt Theater Veder trainingen en coaching-sessies aan medewerkers in de zorg, mantelzorgers en vrijwilligers. Zij leren de ‘Veder Methode’ toe te passen in de dagelijkse praktijk. Daardoor verbetert het contact met degenen voor wie zij zorgen en neemt het werkplezier toe. Dit leidt uiteindelijk tot een kostenbesparing voor de organisatie.

Bespiegelingen over vergankelijkheid
Rutger Kopland (1934-2012), het pseudoniem van Rutger Hendrik (Rudi) van den Hoofdakker (Hoofd > Kop, akker > land) was hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als psychiater was hij een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding door lichttherapie en slaapverschuiving.
Kopland is lange tijd een van de populairste dichters van Nederland. Hij debuteert in 1966 met de bundel ‘Onder het vee’. Meer dan tien bundels volgen, alsook diverse bundelingen aan essays.
Hij wist heel veel lezers aan zich te binden door zijn persoonlijke en intieme toon. In een onnadrukkelijke, observerende stijl met veel aandacht voor het gewone woord, belicht zijn poëzie algemeen-menselijke thema’s. Veel van zijn gedichten beschrijven een (bijvoorbeeld door een landschap opgeroepen) gestold moment, een kortstondige impressie, die aanleiding vormt tot een bespiegeling over vergankelijkheid, het voorbijgaan van het moment of het scheppingsproces van de dichter. Voor veel lezers en critici weet hij toegankelijkheid, relativering en diepgang te combineren.

En wie kent niet dit beroemde gedicht:

Jonge sla

Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.

Uit: ‘Alles op de fiets’. Van Oorschot, 1970.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

De zeegodin

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Amphitrite’ van beeldhouwer Albert Termote. Het beeld staat, na restauratie, aan het Azartplein op het KNSM-eiland. Het is daar – na nogal wat omzwervingen – in 2009 geplaatst. Het pronkt daar nu weer in de buurt van waar het van 1956 tot 1981 stond.

De beeldengroep is een voorstelling uit de Griekse mythologie. Amphitrite, de dochter van Nereus en zeegodin, berijdt een hippocampi (half paard, half vis), zoon Triton (half mens, half vis) blaast de hoorn. De groep bronzen beelden komt uit het water omhoog, en er spuiten fonteinen. Amphitrite is de vrouw van de zeegod Poseidon. Poseidon is in de Griekse mythologie de god die heerst over zeeën, wateren en hun goden.
De meeste schepen van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM) droegen namen die ontleend waren aan de Griekse, Romeinse of Egyptische mythologie.
Dichter A. Roland Holst schreef een gelegenheidsgedicht voor ‘Amphitrite’, dat op een van de rotsblokken in de fontein staat gebeiteld:

Dochter van Nereus, hoog te paard; hoe raast
de branding, waar uw zoon de zeehoorn blaast!
Luidt weer een eeuw hij in voor onze schepen?
Uw wild hart bleef hun harten steeds het naast.

Zwervend bestaan
Personeel van de KNSM schenkt in 1956 de beeldengroep ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de rederij. Het krijgt een plek in het door tuinarchitect Mien Ruys ontworpen parkje op het KNSM-eiland, midden in een bassin. In 1980 verplaatst de havenactiviteit naar de havens in Amsterdam-West en Rotterdam. Het oostelijk havengebied raakt in verval. De beeldengroep gaat vanaf dan een zwervend bestaan tegemoet. Eerst ligt het nogal wat jaren gedemonteerd en opgeslagen op het terrein van een schroothandel. Maar dan halen de ‘Kroonvaarders’, de vereniging van voormalig personeel van de KNSM, ‘Amphitrite’ uit dit armtierige bestaan. Zij krijgt in 1989 een plek in het water, een rechthoekige betonnen bak op een kunstmatig eiland, grenzend aan de Prins Hendrikkade, tegenover het Scheepvaartmuseum. Daar staat ze tot 2008.
Rond het jaar 2000 beginnen de onderhandelingen over de mogelijke terugkeer van ‘Amphitrite’ naar het KNSM-eiland. Er gaat negen jaar voorbij voordat het zover is. Maar na een grondige restauratie is de beeldengroep teruggekeerd: ‘Amphitrite’ staat nu voor Loods 9 aan de kop van de KNSM-laan.

Beeldhouwer Albert Termote (1887-1978) heeft veel monumenten, beelden, portretten en ruiterbeelden gemaakt. Termote is geboren te Lichtervelde in België. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vlucht hij naar Engeland, en in 1915 trekt hij naar Amsterdam waar hij tot 1918 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten, onder leiding van Jan Bronner, studeert. In 1922 verhuist hij naar Voorburg waar hij de rest van zijn leven blijft. Door de vele tentoonstellingen van Pulchri Studio verwerft hij landelijke bekendheid. Hij krijgt veel opdrachten.
Termote werkt tot zijn 85ste. Op doktersadvies en vanwege moeilijkheden met de huur van zijn atelier besluit hij met het zware beeldhouwerswerk te stoppen. Op 13 juli 1972 slaat hij in zijn atelier vele van zijn gipsmodellen aan stukken. Hij heeft besloten zich alleen nog bezig te houden met kleine plastieken in een atelier aan huis.
Kenmerkend is zijn bescheidenheid waarmee hij met zijn bekendheid omgaat. Tijdens een tentoonstelling, een jaar voor zijn dood, van zijn werken in Museum Swaensteyn zei hij: ‘Ik kan haast niet geloven, dat dit allemaal mijn werk is, maar aan de andere kant, weet ik nog precies waar, wanneer en waarom ik de dingen maakte.’

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Nalatenschap

Onalledaags


De postbode heeft zojuist een aangetekende brief bij me bezorgd. Het is een brief van de woningbouwcoöperatie. Ik vraag me af waarom deze aangetekend is. Nieuwsgierig scheur ik de enveloppe open, haal de brief eruit, lees en schrik. ‘U dient onze woning te ontruimen vóór…’
Wat krijgen we nóu? Mijn ogen vliegen verder over het vel papier.
‘Wij wijzen U erop dat U op een onrechtmatige wijze ons eigendom bewoont.’
Verdomme, nee, niet dít ook nog eens, verzucht ik.
‘Bij controle van onze huuradministratie is gebleken dat de hoofdhuurder niet langer de huur van de woning voldoet, maar dat dit sinds twee maanden door een andere persoon wordt voldaan.’
Wat een schoftenstreek. Ik kijk naar buiten. De regen waait in vlagen tegen de ruit.

Vijf jaar geleden nemen Esther en ik plaats in een kleine ruimte. De muren zijn kaal wit. Tegenover ons zit een man. Hij draagt een zwarte hoornen bril. Een breed grijs bureaublad is als scheidslijn tussen ons opgeworpen.
‘Een mooie woning, hè, die jullie van ons toegewezen hebben gekregen,’ zegt hij iets te vriendelijk.
‘Ja, prachtig.’
‘Hier is de huurovereenkomst. Bekijk ’t maar even of alles klopt.’
Hij overhandigt het aan mij. Ik schuif het naar Esther zodat we het samen kunnen lezen.
‘Ik ga eventjes kopiëren.’ Hij verlaat het vertrek.
De huurovereenkomst blijkt alleen op mijn naam te staan.
‘Alles in orde?’ vraagt hij bij het binnenkomen.
‘Nee, we hadden doorgegeven dat we het contract op beide namen wilden hebben. Dat is nu niet het geval.’
‘Tja, helaas is dat bij ons niet mogelijk,’ zegt hij terwijl hij aan zijn rossige baard krabt, ‘het past eenvoudigweg niet in onze computer.’
‘Daar nemen we geen genoegen mee. We ondertekenen het contract alleen als het op twee namen staat. Daar hebben we recht op,’ zeg ik geërgerd.
‘Rechten hebben jullie hier niet!’ Hij kijkt ondertussen naar Esther, lacht haar toe en richt zich tot haar.
‘Kijk als woningbouwcorporatie sluiten wij alleen contracten af met de hoofdhuurder. Dat is nu eenmaal de regel hier en daar wíjken we niet van af. Tekent u nou maar gewoon dan krijgt u van mij de sleutel.’
‘Wij tekenen niet voordat we de ware reden van u te horen krijgen,’ zegt Esther met een verbeten stem.
Hij grist het contract bij ons vandaan, en zegt: ‘We verhuren deze woning net zo lief aan een minder lastig stel die ’r wel blij om zijn dat ze erop mogen wonen.’ Op zijn gezicht verschijnt een venijnige lach.
‘O, gaan we het zo spelen. We vragen alleen maar naar een reden, dat lijkt me toch niet al te veel gevraagd?’ zeg ik.
Opnieuw glijdt hij met zijn vingers door zijn baard.
‘Nou goed… eigenlijk doen we ’t niet langer…,’ zegt hij stotterend, ‘want die samenwonenden gaan toch maar steeds uit elkaar… en dan moeten wíj weer voor die vertrekkende een huis regelen.’
Zijn wangen tonen een rode gloed.
Esther en ik glimlachen naar elkaar. ‘Dat is nog eens banaal,’ zegt Esther.
‘Tja, ’t is niet anders, ’t heeft ons héél wat woningen gekost.’
‘Goed, een van ons zet z’n handtekening, maar dan wil ik wel dat het contract op de naam van mijn vriendin komt te staan,’ zeg ik kordaat.
‘Dat is ongebruikelijk maar goed dat kunnen we doen. Dan moet ik een nieuw contract opmaken en dat kán niet nu.’
Het betreft alleen een wijziging van naam, maar hij heeft geen tijd. De dag erop moeten we maar langskomen, dan heeft hij het wel geregeld. Vervolgens staat hij op en verdwijnt. Sprakeloos kijken we elkaar aan.

Ruim een jaar later verdwijnt Esther voorgoed uit mijn leven.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Vrede

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Vrede’ van beeldhouwer Hans Reicher. Het beeld staat in het plantsoen aan de Radioweg in de Watergraafsmeer. Het beeld is van brons, en is daar in 1962 geplaatst.

Hans Reicher vervaardigt het beeld ‘Vrede’ niet als een oorlogsmonument, maar het verwijst wel naar de Tweede Wereldoorlog die toen nog niet zo lang geleden had plaatsgevonden. De duif die de vrouw laat wegvliegen symboliseert de bevrijding en de vrede. De vrouw is naakt vrouw, ze zit geknield en geeft de vogel de vrijheid. Begin jaren zestig, in de tijd van plaatsing, is het tamelijk ongewoon een dergelijk realistisch naakt midden in een woonwijk neer te zetten, en het heeft dan ook in de buurt nogal wat protest opgeleverd. Overigens wel tamelijk ludiek van aard.

Wit geschilderde beha
Vrede of niet, zoveel naaktheid is voor velen iets teveel van het goede. Twee keer per jaar krijgt het beeld dan ook een wit geschilderde beha aangemeten. Dat is jaarlijks met luilak, de zaterdag voor Pinksteren, en in de nacht van oud-op-nieuw. Het is een soort collectief ervaren preutsheid die een uitweg vindt in een beschaafde vorm van anoniem vandalisme. Niemand stoort zich eraan. Na een paar dagen poetst iemand de beha gewoon weer weg.
De bronzen naakte vrouw is in die tijd zo’n prominent object in de buurt, dat de aanduiding ‘het beeld’ volstaat, en daarmee wist iedereen om welk beeld het ging.

Hans Reicher (1895-1963), geboren in Berlijn, volgt een opleiding aan de Hochschule für Bildende Künste in Berlijn. In zijn jonge jaren komt hij naar Nederland, waar hij zich eerst in Den Haag vestigt. In 1937 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij docent wordt aan de Hendrick de Keyzerschool.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigt hij onder andere enkele oorlogsmonumenten. Zijn beeldhouwwerken blijven tot aan zijn dood figuratief. ‘Vrede’ is zijn laatste beeldhouwwerk.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het beeld ‘Vrede’ als uitgangspunt:

Zweem licht

Fluisterzacht in
de zonloze dag
laat de wind
bladeren dwarrelen

het is de herfst
in de bomen
van haar dromen
die haar laat stromen

vrij vrij vrij
wil ze zijn,
naakt reikend met
haar handen werpt

ze een duif
in de lucht,
zweem licht
rekt zich ver

voor de vogel uit,
het is de wind die
haar doet glijden

haar voorgoed de
vrijheid geeft.

© Méland Langeveld
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.