‘Les Grandes Formes’

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ‘Les Grandes Formes’ van de Franse kunstenaar Jacques Vieille. Het kunstproject staat sinds 1995 op een stukje niemandsland bij de zogenoemde Gooise Knoop, het knooppunt A10/Gooiseweg.

‘Les Grandes Formes’ is een veld van fruitbomen, in rijen van 33 opgestelde hekwerken van metaal, waarlangs de takken van 84 perenbomen, 36 appelbomen en 71 druivenstruiken in diverse patronen zijn opgebonden. Vijftien elektriciteitsmasten staan er als een woud van metalen boomstammen naast. De masten hebben dezelfde vertakkingen als de leibomen (het zijn bomen waarvan de takken in een bepaalde richting zijn geleid). Dit levert een merkwaardige spanning tussen cultuur en natuur op.
De kunstenaar is vooral geïnteresseerd in het reconstrueren van de identiteit van een plek om deze vervolgens zichtbaar te maken. Voor zijn ontwerp heeft hij zich verdiept in de geschiedenis van de Watergraafsmeer, die een rijke traditie op het gebied van tuinieren en kweken heeft. In de zeventiende en achttiende eeuw hebben welgestelde Amsterdammers hier hun buitenplaatsen en pleziertuinen – meestal naar Frans voorbeeld vormgegeven – met moestuinen, fruitbomen, vijvers, fonteinen en beeldhouwwerken.
In die periode ontstaat het idee de fruitbomen langs raamwerken op te binden. Behalve dat het een gevoel van schoonheid geeft, toont het ook handelsgeest. Verder blijken de fruitbomen op deze manier meer en mooiere vruchten te geven dan in ongesnoeide vorm.
Jacques Vieille doet hetzelfde: hij brengt op elk rek een patroon aan. Sommige patronen zijn klassiek, andere zijn bedacht door hem en leerlingen van het Florens College.
Leerlingen van deze school, dat opleidingen verzorgt in ‘Natuur en Groen’, verzorgden de aanplant en ze dragen zorg voor het onderhoud. Ze maaien het gras, wieden het onkruid en snoeien de boomsoorten in de juiste patronen.
De oogst is voor de leerlingen, maar in de praktijk smullen de vogels ervan. De bomen staan zo dicht langs de snelweg, dat je maar beter de vruchten niet kan eten.

Stukjes niemandsland
Terwijl het verkeer voorbijraast en de regen druilerig over hen neerdaalt, legt Jacques Vieille tijdens de onthulling uit: ‘De omwonenden uit Betondorp zeiden tegen mij: jammer dat je die bomen hier hebt gezet! Maar dat ben ik niet met ze eens. Juist deze stukjes niemandsland, waarvan er zoveel zijn langs onze snelwegen, moeten geannexeerd worden.’
De kunstenaar wijst op de vrij druk bevaren Weespertrekvaart die langs het beplante grasveld van tweeduizend vierkante meter loopt, en het fietspad tussen Duivendrecht en Amsterdam waar veel mensen overheen fietsen.
‘Dit moet een openbare tuin worden voor passanten en buurtbewoners. Lang zal men hier niet blijven, vanwege het verkeerslawaai. Hooguit een paar minuten, waarin je de namen van de fruitbomen kunt lezen, of een appeltje van een boom plukt.’
Een vraag uit het publiek: ‘Wat doen de elektriciteitsmasten hier, die als een klein woud van metalen boomstammen achter de leibomen staan opgesteld?’
‘Ze vertonen vergelijkbare vertakkingen als de leibomen, zij zijn de industriële pendant van de “natuurlijke” bomen die als gevolg van het snoeien uiteraard verre van natuurlijk zijn. De masten zijn vooral voor de automobilist bedoeld, als een markering van deze plaats. De leibomen zijn eerder een symbool van de controle die de mens over de natuur wil hebben. Toch zal de natuur haar gang gaan midden in dit inferno van het moderne leven. De fruitbomen zullen bloeien en vrucht dragen, daar kan geen ringweg iets aan veranderen.” (17 juni 1995)

Jacques Vieille – geboren in 1948 te Baden-Baden, Duitsland – is hedendaags beeldend kunstenaar, wonend in Frankrijk. Zijn werk bestaat grotendeels uit installatiekunst en landschapskunst. Hij studeerde aan de Ecole des Beaux-Arts in Dijon.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 207, 17 mei 2019
en Oost-online.

Toren van Babel

Onalledaags

Illustratie: Judith Lammers

De gehuurde herenfiets trapt voor geen meter. Op Hailuoto, het kleine Finse eiland, waar ik een weekje op vakantie ben, had ik geen andere keus, en daarbij was de huurprijs spotgoedkoop. Maar nadat nu ook de ketting er geregeld afvliegt, is voor mij de maat vol: ik wil nou écht een andere fiets.
De koffiekantine, annex fietsenverhuur, is echter gesloten. Wel staat er een bord buiten waarop met krijt geschreven ‘kahvi kanssa leivonnaiset’ staat. ‘Kahvi’ kan ik nog ontcijferen omdat het bord bij een koffiehuis staat, maar die andere twee woorden zijn voor mij onherleidbaar. Later zoek ik die op en het blijkt ‘met gebak’ te betekenen.
In de directe omgeving van de koffiekantine is er niemand te bekennen, maar even verderop bij het haventje zie ik een man met een rosbruine baard staan, in zijn mondhoek hangt een pijp. Zijn overgebleven haren op zijn nagenoeg kale hoofd zitten steil naar achteren gekamd. Hij kijkt naar de vissers die hun vangst aan het lossen zijn. Ik loop met mijn fiets op hem af, richt me in het Engels tot hem en vraag hem of hij weet waar de eigenaar van de koffiekantine woont?
Er rollen voor mij volslagen onbekende klanken uit zijn mond. Gelardeerd met vele klinkers. Ik kan er werkelijk niets van brouwen. Na zijn stortvloed lacht hij me vriendelijk toe. Ik beantwoord zijn lach en probeer het met andere woorden opnieuw. Halverwege schakel ik over op het Nederlands. Wat maakt het uit, hij verstaat toch geen Engels.
Nogmaals stort hij een woordenbrij over me uit. We komen geen stap nader tot elkaar. Nu laat ik mijn fiets zijn zegje doen. De bel knarst. Ik til het achterwiel van de grond en duw met mijn voet de trapper aan. De ketting knierpt en dondert er voor de zoveelste keer vanaf.
Hij wenkt me met zijn arm. Eindelijk zit er schot in onze conversatie: hij begrijpt, geloof ik, de taal van mijn fiets. Wat fietsen onderling toch niet voor elkaar kunnen krijgen: er gaat een wereld voor me open. Langs de houten huisjes die alle een andere kleur hebben, lopen we de heuvel op. Daar staat een fiets, goed ingevet, te blinken. Een lederen zadel, geen krasje of spatje roest te bekennen: een toonbeeld van degelijkheid. Groter kan het verschil met mijn fiets niet zijn.
‘Prachtige fiets,’ zeg ik.
Trots kijkt hij me aan. Ook hij tilt zijn achterwiel iets op en trapt hem aan. De ketting loopt geluidloos en blijft keurig op de tandwielen ronddraaien. Het suizen van het wiel, zonder enig bijgeluid, is een waar genoegen voor mijn oren.
Ik gniffel om onze wederzijdse overwinning op de taal. We begrijpen dat de fiets het gespreksonderwerp is, maar daar houdt elke andere vorm van communicatie op. Vandaag laat ik de fiets voor wat hij is. Ik zet hem tegen de houten zijwand van de koffiekantine, een standaard zit er ook al niet meer aan.
Leve de toren van Babel, leve de Europese eenwording! Alleen met mijn euro’s kom ik hier moeiteloos vooruit.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 207, 17 mei 2019
en Oost-online.

Vijf minuten je ogen dicht

Onalledaags

Ik loop de trap af, en voor me uit loopt mijn buurvrouw van tweehoog. Beneden aan de trap groet ze me vriendelijk. Haar donkerblauwe djellaba reikt tot aan haar voeten en om haar hoofd heeft ze een wit sjaaltje gestrikt.
‘Buurvrouw, is mooi weertje hè,’ zegt ze lachend, en daarmee gunt ze me een blik op haar slechte gebit.
‘Ja, eindelijk voorjaar. Daar zijn we wel aan toe na al die regen en storm.’
Ze opent de deur voor me en samen lopen we naar buiten.
‘Waar jij naar toegaan?’
‘Eventjes naar de supermarkt,’ antwoord ik.
‘O, ik ook boodschappen doen. Ik meelopen?’
Ik knik instemmend. We slaan de hoek om. Een rinkelende tram dendert aan ons voorbij. De zon schijnt recht in onze gezichten en voelt heerlijk ontspannen aan.
M’n buurvrouw heeft een stevig postuur, ademt zwaar en waggelt als een eend achter me aan. Toch is ze, denk ik, niet veel ouder dan ik. Ik houd mijn pas voor haar in. Ze glimlacht en komt naast me lopen.
‘Met Yasmine alles goed?’ vraag ik haar.
‘Ja, goed op school en goeie rapport.’
‘Slimme dochter heb jij, lief ook. Laatst liep ik met haar mee toen ze uit school kwam, en ze zei tegen me dat ze later dierenarts wilde worden, want ze hield zo van dieren.’
M’n buurvrouw lacht, en is zichtbaar blij. ‘Ja ze wil graag hond, maar wij niet vinden goed. Probleem met geloof.’
Ik knik. ‘Wat jammer voor Yasmine, want ze is zo gek met onze hond.’
‘Waarom jij geen kindertjes krijgen?’ vraagt ze me plompverloren.
Ik kijk haar van opzij aan, en lach haar vriendelijk toe. ‘Nou, ik heb niet echt de behoefte. Druk met m’n werk, en m’n man hoeft ook niet zo zeer… Ik vind ’t eigenlijk wel prima zo.’
Ze lacht me lief toe, maar haar blik verraad onbegrip. Ze snapt onze bewuste keuze om geen kinderen te nemen vast niet. Opnieuw vertraag ik mijn tred.
‘Ik niet begrijpen, jij zó lieve man hebben, dan jij ook krijgen heel lieve kindertjes.’
Ik schiet in de lach. Onbeholpen grinnikt ze met me mee. Inderdaad, ik heb een schat van een man in huis rondlopen.
‘Vijf minuten je ogen dicht, dan is lief kindertje gemaakt.’ Ze giechelt en knippert met haar ogen.
Tja, wat moet ik daar nu op zeggen? Gelukkig staan we nu voor de supermarkt, en lopen samen naar binnen. We pakken ieder een winkelwagentje uit de rij en draaien daarmee het hek door. Dan zeg ik haar gedag, en terwijl ik een paar levensmiddelen aan het inladen ben, dringt de strekking van de vijf minuten je ogen dicht! pas tot me door. Wat een triestheid borrelt er, als moerasgas, uit díe vijf woorden naar boven.
Telkens als ik nu mijn buurman van tweehoog in het trappenhuis tegenkom, denk ik aan haar vijf minuten de ogen dichtdoen en voel ik oprechte compassie met mijn buurvrouw.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 206, 29 maart 2019
en Oost-online.

Drijvende gedichtenkamer

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost de ‘Floating Poetry Room’ van de Amerikaanse kunstenaar Siah Armajani. De drijvende gedichtenkamer ligt aan de Paul Hufkade op IJburg, dobberend in het water als een gedichtenkamer met bankjes, krukjes en een podium.

Het is een rustpunt, een plek om te verblijven, te mijmeren, te zitten, te spelen, te lezen en op te treden. De ‘Floating Poetry Room’ is een ponton, omringd door een hekwerk waarin een zestig meter lang gedicht is verwekt. Het is van de Amsterdamse dichter F. Starik. Hij zei daarover: ‘Van de kade loop je via een steiger de drijvende kamer in, je strijkt neer op een van de bankjes en wordt getroffen door bijvoorbeeld de tekst “kom dichterbij, nader mij”. Het gedicht gaat over water, het verlangen om te vertrekken en terug te komen.’
In december 2005 is de ‘Floating Poetry Room’ op IJburg officieel onthuld.

Het gedicht van F. Starik, dat in grootkapitaal in het hek staat:

Wie was het? De mens, zichzelf genoeg
draagt stenen steden stenen aan.
Zand waarin men palen slaat
overkant, kom dichterbij.
De pier die in het water steekt
de damwand die de golven breekt
de weg waarlangs een auto rijdt.

We gaan. Want alle water
is een echo van de oceaan.
De regen valt maar raakt niet kwijt
in water, dat mijn bootje draagt.
Vogel, vlieg, omhoog, omlaag.
Nader mij. Beloof me land.
Zolang ik op de kade sta
zo zingt mijn hart: Amerika.

Waarheen, waarheen?
Blijf hier en denk jezelf een zee.

De Nieuw Amsterdam
Een op schaal nagebouwde oceaanstomer – de ‘Nieuw Amsterdam’ – zit op het hek gemonteerd. Over dit schip is nogal wat commotie geweest, want de ‘Nieuw Amsterdam’ heeft nooit in de Amsterdamse havens gelegen. Het had zijn thuishaven in Rotterdam.
Uitvoerend kunstenaar Ben Raaijman, die in nauwe samenwerking met de ontwerper Siah Armajani de ‘Floating Poetry Room’ produceert, schrijft over deze commotie: ‘De beslissing om een echt Nederlands scheepsmodel te laten bouwen in plaats van een goedkoop algemeen model te kopen is door mij genomen, en voor de keuze van het uiteindelijke model heb ik zo veel mogelijk bronnen geraadpleegd. De oceaanstomer op dit werk is een van de vele onderdelen die tezamen de ‘Floating Poetry Room’ vormt. Het werk is absoluut geen monument voor of herinnering aan scheepvaart of aan de Amsterdamse havens, maar wil een dichterlijke sfeer rondom reizen, verten, vertrek en aankomst en nog meer gevoelens die ook verbonden zijn met de grote passagiersschepen voelbaar maken. Er waren twee grote routes bij de Nederlandse Passagiersvaart te onderscheiden: die naar de Oost, en die naar de West, de nieuwe wereld en Amerika. De Amsterdamse rederijen en schepen voeren vooral naar de Oost. Ik associeer ze met de koloniën, de politionele acties en het einde van een koloniale overheersing. Het is de westelijke route die tot de verbeelding spreekt en symbool staat voor hoopvol reizen.’

Wankele torens
Siah Armajani is environment kunstenaar, architect en filosoof, geboren in 1939 in Teheran, Iran. In 1960 verhuist hij naar Amerika. Na het afronden van de kunstacademie begint hij aan conceptuele kunstprojecten met gebruik van computers.
Vanaf 1967 werkt Armajani als architect en richt zich op het ontwerp van leestuinen, bijeenkomstruimten en parken. Vanaf 1986 ontwikkelt Armajani zijn zogenaamde Elementen, die architecturale situaties en hun betekenis ter discussie stellen. De ontwerpen zijn op functionele elementen gebaseerd, zoals venster, koepel en trap, maar bruikbaar zijn ze niet. Onbewoonbare huizen, bruggen die niets overspannen en wankele torens. Het zijn dan ook geen bouwwerken maar sculpturen met architectuur als onderwerp.

‘Poule des Doods’
F. Starik studeert fotografie en mixed media aan de Rietveldacademie. Zijn debuut als dichter is met Nepvuur (1987). Na nog enkele publicaties concentreert Starik zich meer op zijn beeldende kunst, maar vanaf 2002 publiceert Starik opnieuw dichtbundels.
In datzelfde jaar richt hij het Eenzame uitvaartproject de ‘Poule des Doods’ op, een dichterscollectief dat zorgt voor een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen. Van 2010 tot 2011 is Starik stadsdichter van Amsterdam. Hij overlijdt in 2018 op 59-jarige leeftijd aan een hartstilstand.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 206, 29 maart 2019
en Oost-online.

Geen stad als Amsterdam

Gedichten op gevels


In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel een deel van een strofe uit het gedicht ‘Een Amsterdamsch lied’ van Jan Campert. Het staat op de glazen gevel van de huisartsenpost van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in de Eerste Oosterparkstraat.

In grote witte letters aan de glazen gevel van het gebouw valt te lezen:
Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd.

Het volledige gedicht waar dit deel uitkomt, een lofzang op die prachtige stad, is deze:

Een Amsterdamsch lied

Verlaat ’t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de Beurs
en schepen onder ’t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ’t IJ.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ’t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ’t water stremt
en ’t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche- en Rembrandtplein
de wolken walmen doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ’t ingaan van de nacht.

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ’t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
’t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam.

Jan Campert (1902-1943) is dichter, schrijver, journalist en verzetsman. Hij begint in Den Haag met een verslaggeversbaan bij dagblad De Nieuwsbron. ‘Hij schrijft gemakkelijk en met een onmiskenbare flair,’ aldus een toenmalige collega. Tot zijn werkgebied behoort zo’n beetje alles: rechtbankverslagen, reportages van grote gebeurtenissen, toneel- en danskritieken, literaire kronieken en de dagelijkse sfeerbeschrijvinkjes, de zogenoemde ‘stemmingsstukjes’. In 1922 komt zijn eerste dichtbundel uit, en in de jaren dertig schrijft hij ook enkele romans. In 1929 krijgt hij zijn enige zoon: Remco Campert.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandt Jan Campert in het verzet, maar tijdens een poging een joodse man de Belgische grens over te smokkelen wordt hij in juli 1942 gearresteerd. Een halfjaar later sterft hij in het concentratiekamp Neuengamme.

Jan Campert is vooral bekend van het gedicht ‘De achttien dooden’. Het gedicht gaat over achttien verzetsstrijders die in hun cel op executie wachten.
Campert wordt na de oorlog als een verzetsheld gezien. In 1947 wordt de Jan Campertprijs in het leven geroepen als ‘blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945’.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Een bankstel kost u 15 euro

Onalledaags


Al enkele weken orden ik samen met mijn zus het leven van onze ouders. Hun etage in Nieuw-Zuid vormt een pakhuis in tijd. De ouderlijke woning, maar vooral de zolder, is tot de nok toe gevuld met ons verleden. Het is onvoorstelbaar wat we daar tegenkomen. Mijn allereerste tekenkrabbels van de kleuterschool, een babytruitje en een mutsje, schoolrapporten en zelfs een haarlok van mijn zus in een aangetast fotoalbum. Nooit hebben we geweten dat ze die al die jaren bewaarden. Nu ze beiden dood zijn kunnen we ze niets meer vragen. Wat zouden ze van onze eerste krabbels hebben gevonden? Waren jullie trots op onze rapportcijfers? En wat een schattig truitje heeft moeder gebreid.
‘Moet je kijken m’n indianenpak,’ zegt mijn zus, terwijl ze het uit een dekenkist tevoorschijn haalt. Ze houdt een crèmekleurige lap stof voor zich. Er zitten gaten in. De motten hebben als gieren hun prooi bestookt. Het hesje is met verschillende kleuren stof bedekt: het keurige naaiwerk van onze moeder.
‘En hier het hippie-pakje van jou.’
‘Goh, dat ze dat allemaal bewaard hebben.’ Ondertussen trek ik een laatje open met jampotjes waarin bouten, schroeven en spijkers een onderkomen hebben gevonden. Ik leeg de inhoud in een emmer vol oud ijzer. Onder de potjes vind ik een smoezelige enveloppe. Ik haal er een zwemdiploma uit die mijn vader in 1932 heeft behaald. Zijn Ausweis uit de Duitse bezetting, met een verbleekte pasfoto en van een stempel voorzien, zit erachter geschoven.
Het huis aan de Maasstraat moeten we aan het eind van de maand leeg opleveren, anders moeten we nog een maand huur ophoesten. Veel tijd hebben we niet meer. Selecteren, de kleine spulletjes met persoonlijke waarde eruit vissen. Een heleboel moet er helaas weg. We kunnen niet alles bewaren daarvoor hebben we beiden een te kleine woning. Een opkoper heeft zelfs enkele meubelstukken laten staan, hij zag daar zelfs geen handel in. Dat moet dus naar het grofvuil op straat.
Ik bel stadsdeel Zuid en krijg na doorverbinding Stadsreiniging aan de lijn.
‘Op welke dag wordt het grof huisvuil opgehaald?’
‘Op maandagochtend meneer, maar u mag ’t pas vanaf zes uur ’s ochtends buitenzetten en niet na achten, want anders zijn ze misschien al langs geweest.’
‘Maar ik woon daar niet. M’n ouders woonden daar. Ze zijn overleden en ik ruim hun huis leeg.’
‘Meneer, we komen ’t alleen gratis ophalen als u zich aan de tijden houdt. Doet u dat niet dan rekenen we u vijftien euro per halve kuub. Zo simpel is ’t.’
‘Hoeveel is een halve kuub dan wel niet?’
‘Zo ongeveer ’n bankstelletje meneer.’
Moet ik daarvoor zo vroeg uit mijn bed en naar Nieuw-Zuid fietsen om alleen het grof huisvuil buiten te zetten. Ik lijk wel gek. En m’n zus is ook geen optie, want die woont buiten de stad.
‘Maar ik woon in Oost en daar halen ze het vaker op, en het is hier ook gewoon grátis.’
‘Tja meneer, dat is Oost en dáár woont alleen maar gajes. Hier leven we in Zuid. En daar houden we er strikte regels op na, niet waar. En de gemeentelijke handhavers houden het hier ook zeer goed in de gaten, dus u bent een gewaarschuwd man. Goeiemorgen.’
Er zit weer een dag ontruimen op. Beneden trek ik de deur in het slot, en we nemen afscheid van elkaar. Vandaag hebben we weer een deel van ons wederzijds verleden in vuilniszakken gepropt, en het grofvuil zetten we nog maar niet aan de straat: het wachten is tot het maandagochtend vroeg…

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Domweg gelukkig

Gedichten op gevels

Dapperstraat

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem (1887-1966). Het gedicht staat in zijn geheel op een gevel in de Dapperstraat.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem, geboren in 1887, is de dichter van onsterfelijke regels als:
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood.
(Eerste twee regels uit het gedicht ‘Insomnia’)

Dichter van verlangen
Bloem behoort tot de bekendste en meest gewaardeerde dichters van Nederland. Anders dan tijdgenoten als A. Roland Holst of P.N. van Eyck wordt Bloem nog steeds veel gelezen en geciteerd.
Bloem is de dichter van het verlangen, van de hunkering naar een vervulling of een geluk dat altijd onbereikbaar zal zijn, terwijl de dood steeds dichterbij komt. Berusting voert uiteindelijk de boventoon, gemengd met flarden liefde, genot, aanhankelijkheid en vreugde die de melancholie eigenlijk alleen nog maar sterker maken. In het korte gedicht ‘De nachtegalen’ schrijft hij:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Lijden aan het leven
J.C. Bloem ontdekt de poëzie op vijftienjarige leeftijd. Hij krijgt dan het gedicht ‘Sluimer’ van de jonggestorven Tachtiger Jacques Perk onder ogen. In één klap beseft hij dat gedichten onvoorstelbare werelden openbreken en zijn horizon enorm kunnen verbreden. Vanaf dat moment wil hij niets anders dan dichter worden. Op jonge leeftijd vindt hij aansluiting bij het tijdschrift ‘De beweging’ van Albert Verwey.
Bloem heeft maar vier bundels gepubliceerd, maar die hebben wel tot een groot lezerspubliek geleid. In al zijn werk is de dichter de thematiek van het verlangen trouw gebleven. Hij zei zelf dat hij in zijn poëzie probeerde ‘enkele essentiële dingen van het leven zo uit te spreken, dat dit van mij en van niemand anders zou hebben kunnen zijn.’ Tegelijkertijd schrapt hij uit zijn gedichten bijna alle concrete aanduidingen van personen en plaatsen, zodat ze een heel algemeen karakter krijgen. Bloems poëzie is bovendien van een bedrieglijke eenvoud en helderheid. Die algemeenheid en die helderheid zorgen samen met de universele thematiek van het lijden aan het leven voor de grote aantrekkingskracht van zijn gedichten.
Bloem overlijdt op 10 augustus 1966 in Kalenberg (Overijssel).

Geen molens en klompen
Het ontwerp van het gedicht op de gevel is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar (1929-2017): bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren. Jarenlang is hij ontwerper geweest bij De Nederlandsche Bank: ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in 2008 tegen Trouw. ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Hij verhuisde in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij op 13 juni 2017 overleed.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

Rollade in de aanbieding

Onalledaags


Aanhoudend geklepper van het kattenluik maakt me nieuwsgierig. Verdedigt Joris, mijn kat, zijn toegangspoort? Het is daar vaker een strijd op leven en dood. Een homp vlees priemt deels door het luikje. Ditmaal geen rivaliserende kat, maar een rollade die de strijd met het deurtje aangaat. Ik kijk door de ruit van de keukendeur en zie mijn zwarte kat hemel en aarde bewegen om zijn zojuist gevangen prooi naar binnen te werken. Wat een gevaarte hangt er aan zijn bek; zijn tanden heeft hij in het netje gezet. Waar heeft hij die nou weer vandaan? Hopelijk niet bij mijn naaste buren waarmee ik in een onoplosbare vete verkeer.
Ik verlos Joris uit zijn worsteling door de deur te openen. Trots komt hij met zijn buit naar binnen gestrompeld waarbij hij zichzelf moeizaam in evenwicht probeert te houden. Het gevaarte helt als een zinkend schip naar bakboordzijde en sleept over de vloer. Ik pak het beet; zijn scherpe tandjes blijven in de touwtjes steken. Ik wrik het los waarbij hij me verongelijkt aankijkt.
Even later rinkelt de voordeurbel. De oude dame van twee huizen verder staat voor mijn neus.
‘Uw kat heeft mijn rollade uit m’n juspan gepikt. Ik zag ’m nog net over de schutting verdwijnen,’ zegt ze verontwaardigd.
‘Hoe is het mogelijk buurvrouw? Maar inderdaad hij kwam er zojuist mee naar binnen gewandeld. Ik vroeg me al af hoe-ie eraan was gekomen?’
Volgens haar was mijn kat door het openstaande raam naar binnen geklommen, op het aanrecht gesprongen, om vervolgens de rollade uit de pan te vissen, en met het gevaarte naar buiten te klauteren. Dit allemaal terwijl mijn buurvrouw even van het toilet gebruik maakte, zoals ze dat zo plechtig zei. Voor mijn kat was het pure pech dat ze hem bij het beklimmen van de schutting betrapte.
Gelukkig is het niet mijn naaste buurman waar Joris de boel op stelten heeft gezet, want met hem zou het volgende probleem zich hebben aangediend.
‘Ik zal u de rollade vergoeden buurvrouw, of beter ik loop even naar de slager om een nieuwe voor u te kopen?’
‘Nou dat zou wel erg fijn zijn buurman, dan hoef ik er niet opuit. Het is me er trouwens wel eentje die kat van u. ’t Is me nogal een gesjouw met zo’n rollade, en dan nog over die schuttingen’ zegt ze lachend.
‘Maar natuurlijk, ik ga er direct één voor u halen.’ Ik ben reuze blij dat ze het zo luchtig opvat. Had ik haar maar als naaste buurvrouw in plaats van die chagrijnige.
Bij de slager koop ik een nieuwe, en daarna loop ik nog even langs de slijter om voor haar een flesje advocaat te halen. Dat is vast wel iets waar ze van houdt.
Ik overhandig haar de rollade en de advocaat. ‘Nog wat lekkers voor de schrik buurvrouw. Laat het u smaken.’
‘Ach buurman wat lief van u, dat had u écht niet hoeven doen hoor. Maar dit is wel wat ik erg lekker vindt. Dank u wel hoor.’
’s Avonds snijd ik wat vlees van de rollade af en geef het Joris. Hij smult ervan en zijn bakje is in een mum van tijd leeg. Hij kijkt me vervolgens veelbelovend aan, geeft me kopjes en smeekt daarmee om meer.
‘Het is wel goed geweest Joris. Het was me het dagje wel met jou ouwe snaaier. Met deze rollade heb je meer dan een week eten voor jezelf binnen gehaald,’ zeg ik smuikend tegen hem.
Hij kijkt me zeer onschuldig aan, en miauwt nog maar eens om meer.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

De angsthaas

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het ‘Angstig konijn’, in de volksmond al snel de ‘Angsthaas’ genoemd. Het beeld is van kunstenaar en grafisch vormgever Piet Parra, en het staat sinds augustus 2018 in het Flevopark.

De organisatoren van Stichting Appelsap schenken dit beeld aan de gemeente. Jaarlijks organiseren zij in de zomer een hiphopfestival in het Flevopark.
Het beeld is deels gefinancierd door Stichting Appelsap en aangevuld met een subsidie van 35.000 euro van het Mondriaan Fonds en een sponsoring van WeTransfer.
Voor Stichting Appelsap is Piet Parra de meest voordehand liggende keuze omdat hij als kunstenaar, die veel internationaal succes geniet, onlosmakelijk verbonden is aan de Amsterdamse hiphop-, kunst- en modecultuur.

Zelfportret
Parra komt met een reusachtig konijn dat angstig in elkaar gedoken zit. Het beeld is drie meter hoog en 400 kilo zwaar. De schets van Parra laat nog opstaande konijnenoren zien, maar dat idee laat hij in een later stadium los: hij modelleert de oren tegen de schedel. Parra handhaaft wel zijn signatuur in de spitsvormige snoet van het konijn, die spitsvormige kop komt vaker in zijn kunstwerken voor.
De firma Blow Ups – een fabriek voor kunst- en reclame in het Limburgse Heijen – gaat aan de slag om dit ‘opgeblazen’ konijn te fabriceren. Het holle beeld is gemaakt van purschuim en met een staalconstructie versterkt. De buitenhuid bestaat uit glasvezelversterkt polyester.
De kunstenaar noemt het zelf een zelfportret, dan wel een portret van mensen die altijd klagen over festivals.
‘Angstig konijn’ heeft een voorganger, getiteld ‘Anxiety’: het is een urethaanschuimen beeldje uit 2016, slechts 56 bij 60 bij 56 centimeter groot en hardroze van kleur. Het heeft echter wel opstaande konijnenoren.

Weerstand
Het ‘Angstig konijn’ heeft een tijdelijke vergunning van drie maanden gekregen. Blijkt er na die periode genoeg draagvlak voor het kunstwerk te zijn, dan kan de vergunning worden verlengd. Het beeld is op 11 augustus 2018 tijdens het Appelsap festival onthuld.
Maar er is ook weerstand. De Vrienden van het Flevopark laten in een brief aan de wethouder van Kunst en Cultuur weten dat ze tegen de plaatsing van het beeld zijn omdat er volgens hen niet genoeg draagvlak is gecreëerd. Verder is er geen omgevingsprocedure doorlopen. Volgens hen past het beeld ook veel beter op een stedelijke plek, en niet in een natuurlijk park als het Flevopark. Zij willen kunst die past bij het karakter van het park, en waar belangengroepen zoals de Vrienden van het Flevopark en bewoners van de Indische Buurt actief bij betrokken worden.

Piet Parra is de artiestennaam van grafisch ontwerper en illustrator Pieter Janssen (1976). Onder de naam Parra maakt Janssen grafisch werk voor affiches en flyers. Ook ontwerpt hij het design voor een aantal schoenen van Nike, waaronder de Air Max 1: ‘Cherrywood’ en de Air Max 95: ‘The Running Man’. Janssen is mede oprichter en creatief hoofd van het merk Rockwell Clothing, dat vanaf 2015 wordt voortgezet onder de naam By Parra.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Ineengedoken

Ineengedoken sta je zwart
en log in het open veld, zo
tevergeefs opzoek naar
een geschikte schuilplek

angstig konijn, gaven ze je
als titel mee, maar al rap
kreeg je het label angsthaas
opgeplakt, waarom sta je

zo ineengedoken in het
uitgestrekte veld, toon dat je
je angst kan overwinnen
maak je sterk, laat zien dat

je die plek in het Flevopark
waardig bent, kijk met

triomf de wijde wereld in:
laat je vooral niet wegsturen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

Verloren been

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost het metershoge been, met de titel ‘Noch einmal’. Het is van Henk Visch en staat aan de Polderweg, langs het spoor, schuin tegenover bierbrouwerij Poesiat & Kater. Het been is daar eind juni 2018 geplaatst.

‘Noch einmal’ met deze afmeting is in 2011 in opdracht van woningcorporatie Ymere gemaakt. Sinds 1990 maakt Visch al benen met de toepasselijke titel ‘Noch einmal’. De eerste, een goudkleurige van 101 cm hoog, geeft hij als bijschrift unlimited edition, 1990 -. Het exemplaar in groengrijs gepatineerd brons dat nu aan de Polderweg staat, is aanvankelijk bestemd voor een woonwijk in Haarlem maar komt daar nooit te staan. Het gaat eerst naar Amersfoort en loopt daarna toepasselijk door naar Duitsland.
Dit been is het grootste dat Visch tot nu toe heeft gemaakt, bijna zes meter hoog, en heeft nu een permanente plek in Oostpoort gekregen, tegenover woningen van Ymere.

Vertrouwd maar ook vervreemdend
Zijn beelden van menselijke gestaltes zijn direct herkenbaar. Ze zijn bijna altijd gegoten in brons, en hebben een maat die prikkelt. Alles is erop gericht zijn beelden zintuigelijk te ervaren.
Visch zegt daarover: ‘Eigenlijk gaat al mijn werk over staan. Dat zou je best een soort thema kunnen noemen. Al mijn beelden staan op een voet of steunen ergens op. Het staan zoals je zelf ook staat en be-staat. Voeten waarmee je op de bodem staat, nee, niet op de bodem, op de aarde.’
In een e-mail aan Geheugen van Oost schrijft hij: ‘Het been is een werk, dat mij tijdens mijn leven begeleidt, ik maak er steeds weer één als ik een exemplaar verkoop. Het symboliseert mijn leven, het herinnert mij eraan dat ik leef: het been is een stap, het is mijn stap, eigenlijk de stap van iedereen. Een stap en nog één en nog één… Het verbeeldt het leven dat doorgaat, wat er ook gebeurt. De titel “Noch Einmal” doet mij eraan herinneren, mocht ik het ooit vergeten, nog een afgietsel te laten maken. De oplage is onbeperkt, maar het wordt na mijn dood niet meer gemaakt.’
Het eenzame ledemaat is exemplarisch voor Visch’ oeuvre. Op zijn werk is moeilijk een stempel te drukken omdat het zo gevarieerd is. Maar wie dat toch wil doen, zou kunnen zeggen dat het niet standaard is. Zelfs in zijn puur figuratieve beelden is er bijna altijd wel iets dat afwijkt: een beeld zonder arm, of zonder hoofd, of het been zonder de rest van het lijf.

Metafoor voor de realiteit
Henk Visch, in 1950 geboren te Eindhoven, is een veelzijdig kunstenaar die zich uitdrukt in verschillende disciplines. Hij begint als tekenaar en graficus, maar vanaf 1981 gaat hij ook beeldhouwen. De beelden van hem variëren van monumentale in brons gegoten beelden, houtconstructies, grote polyester vormen tot kleine figuren van gevonden materiaal.
Het maken van sculpturen vergelijkt Visch met hardop denken in hout, verf en andere materialen. Hij wil niet zozeer de zichtbare werkelijkheid in beeld brengen, maar het beeld een metafoor laten zijn voor de realiteit van ervaringen.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Verloren been

Benen zijn er om mee te lopen
én op te staan, dat is al zolang
wij op de aardbol rondgaan

echter mijn rechterbeen besloot
op een dag dat-ie liever bleef staan
heel wat argumenten roerde ik aan

toch vond mijn been dat-ie niet
langer moest lopen, hij weigerde
zelfs nog één stap te verzetten

op die bewuste plek heb ik hem
toen maar afgekoppeld, want
ík wilde toch écht verder

sindsdien dicht de dichter met
één been, hinkt nota bene elke
dag langs zijn verloren been

echter met de dag wordt dat
been donkerder én langer
nu is-ie al tot zes meter uitgerekt

de dichter vraagt zich telkens
af tot hoe hoog zijn been
uiteindelijk wortelschiet

en hoopt dat ooit zijn been besluit
het leven weer met hem te delen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.