Verloren been

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost het metershoge been, met de titel ‘Noch einmal’. Het is van Henk Visch en staat aan de Polderweg, langs het spoor, schuin tegenover bierbrouwerij Poesiat & Kater. Het been is daar eind juni 2018 geplaatst.

‘Noch einmal’ met deze afmeting is in 2011 in opdracht van woningcorporatie Ymere gemaakt. Sinds 1990 maakt Visch al benen met de toepasselijke titel ‘Noch einmal’. De eerste, een goudkleurige van 101 cm hoog, geeft hij als bijschrift unlimited edition, 1990 -. Het exemplaar in groengrijs gepatineerd brons dat nu aan de Polderweg staat, is aanvankelijk bestemd voor een woonwijk in Haarlem maar komt daar nooit te staan. Het gaat eerst naar Amersfoort en loopt daarna toepasselijk door naar Duitsland.
Dit been is het grootste dat Visch tot nu toe heeft gemaakt, bijna zes meter hoog, en heeft nu een permanente plek in Oostpoort gekregen, tegenover woningen van Ymere.

Vertrouwd maar ook vervreemdend
Zijn beelden van menselijke gestaltes zijn direct herkenbaar. Ze zijn bijna altijd gegoten in brons, en hebben een maat die prikkelt. Alles is erop gericht zijn beelden zintuigelijk te ervaren.
Visch zegt daarover: ‘Eigenlijk gaat al mijn werk over staan. Dat zou je best een soort thema kunnen noemen. Al mijn beelden staan op een voet of steunen ergens op. Het staan zoals je zelf ook staat en be-staat. Voeten waarmee je op de bodem staat, nee, niet op de bodem, op de aarde.’
In een e-mail aan Geheugen van Oost schrijft hij: ‘Het been is een werk, dat mij tijdens mijn leven begeleidt, ik maak er steeds weer één als ik een exemplaar verkoop. Het symboliseert mijn leven, het herinnert mij eraan dat ik leef: het been is een stap, het is mijn stap, eigenlijk de stap van iedereen. Een stap en nog één en nog één… Het verbeeldt het leven dat doorgaat, wat er ook gebeurt. De titel “Noch Einmal” doet mij eraan herinneren, mocht ik het ooit vergeten, nog een afgietsel te laten maken. De oplage is onbeperkt, maar het wordt na mijn dood niet meer gemaakt.’
Het eenzame ledemaat is exemplarisch voor Visch’ oeuvre. Op zijn werk is moeilijk een stempel te drukken omdat het zo gevarieerd is. Maar wie dat toch wil doen, zou kunnen zeggen dat het niet standaard is. Zelfs in zijn puur figuratieve beelden is er bijna altijd wel iets dat afwijkt: een beeld zonder arm, of zonder hoofd, of het been zonder de rest van het lijf.

Metafoor voor de realiteit
Henk Visch, in 1950 geboren te Eindhoven, is een veelzijdig kunstenaar die zich uitdrukt in verschillende disciplines. Hij begint als tekenaar en graficus, maar vanaf 1981 gaat hij ook beeldhouwen. De beelden van hem variëren van monumentale in brons gegoten beelden, houtconstructies, grote polyester vormen tot kleine figuren van gevonden materiaal.
Het maken van sculpturen vergelijkt Visch met hardop denken in hout, verf en andere materialen. Hij wil niet zozeer de zichtbare werkelijkheid in beeld brengen, maar het beeld een metafoor laten zijn voor de realiteit van ervaringen.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Verloren been

Benen zijn er om mee te lopen
én op te staan, dat is al zolang
wij op de aardbol rondgaan

echter mijn rechterbeen besloot
op een dag dat-ie liever bleef staan
heel wat argumenten roerde ik aan

toch vond mijn been dat-ie niet
langer moest lopen, hij weigerde
zelfs nog één stap te verzetten

op die bewuste plek heb ik hem
toen maar afgekoppeld, want
ík wilde toch écht verder

sindsdien dicht de dichter met
één been, hinkt nota bene elke
dag langs zijn verloren been

echter met de dag wordt dat
been donkerder én langer
nu is-ie al tot zes meter uitgerekt

de dichter vraagt zich telkens
af tot hoe hoog zijn been
uiteindelijk wortelschiet

en hoopt dat ooit zijn been besluit
het leven weer met hem te delen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

De kunst van het doodgaan

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Gedichten op gevels’ met een gedicht van Rutger Kopland. En wel met de vierde strofe uit het gedicht De kunst van het doodgaan, dat op het raam van Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat 88 staat.

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

Het volledige gedicht waar deze strofe uitkomt, is deze:

De kunst van het doodgaan

Als het zover is – zal ik dan eindelijk
weten wat dat is, doodgaan
jezelf verlaten en weten
dat je nooit terugkeert

soms wanneer ik het koraal hoor
Nu komm’ der Heiden Heiland
doorstroomt mij een vermoeden van
onontkoombaar verlies –
maar wat geeft het

bij het zien van een uitzicht over bergen
een verte die verdwijnt in zichzelf
kan ik worden bevangen door een huiver
voor de eenzaamheid die mij wacht –
maar wat geeft het

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn.

Uit: ‘Een man in de tuin’. Van Oorschot, 2004.

Voorstellingen en scholing
Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat is een trainingscentrum en adviesbureau op het gebied van communiceren met kwetsbare doelgroepen, zoals mensen met dementie, een verstandelijke beperking, een psychische aandoening en ADHD en/of autisme. Theater Veder speelt en traint in zorginstellingen en organisaties door heel Nederland. Zij draagt de ‘Veder Methode’ uit en verspreidt deze om een bijdrage te leveren aan het doorbreken van sociaal isolement. Tijdens de interactieve voorstellingen wordt de doelgroep uitgedaagd tot het maken van wederzijds contact. Dit leidt tot mooie en bijzondere contactmomenten. Naast huiskamervoorstellingen biedt Veder ook voorstellingen op maat en theatervoorstellingen.
Daarnaast verzorgt Theater Veder trainingen en coaching-sessies aan medewerkers in de zorg, mantelzorgers en vrijwilligers. Zij leren de ‘Veder Methode’ toe te passen in de dagelijkse praktijk. Daardoor verbetert het contact met degenen voor wie zij zorgen en neemt het werkplezier toe. Dit leidt uiteindelijk tot een kostenbesparing voor de organisatie.

Bespiegelingen over vergankelijkheid
Rutger Kopland (1934-2012), het pseudoniem van Rutger Hendrik (Rudi) van den Hoofdakker (Hoofd > Kop, akker > land) was hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als psychiater was hij een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding door lichttherapie en slaapverschuiving.
Kopland is lange tijd een van de populairste dichters van Nederland. Hij debuteert in 1966 met de bundel ‘Onder het vee’. Meer dan tien bundels volgen, alsook diverse bundelingen aan essays.
Hij wist heel veel lezers aan zich te binden door zijn persoonlijke en intieme toon. In een onnadrukkelijke, observerende stijl met veel aandacht voor het gewone woord, belicht zijn poëzie algemeen-menselijke thema’s. Veel van zijn gedichten beschrijven een (bijvoorbeeld door een landschap opgeroepen) gestold moment, een kortstondige impressie, die aanleiding vormt tot een bespiegeling over vergankelijkheid, het voorbijgaan van het moment of het scheppingsproces van de dichter. Voor veel lezers en critici weet hij toegankelijkheid, relativering en diepgang te combineren.

En wie kent niet dit beroemde gedicht:

Jonge sla

Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.

Uit: ‘Alles op de fiets’. Van Oorschot, 1970.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

De zeegodin

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Amphitrite’ van beeldhouwer Albert Termote. Het beeld staat, na restauratie, aan het Azartplein op het KNSM-eiland. Het is daar – na nogal wat omzwervingen – in 2009 geplaatst. Het pronkt daar nu weer in de buurt van waar het van 1956 tot 1981 stond.

De beeldengroep is een voorstelling uit de Griekse mythologie. Amphitrite, de dochter van Nereus en zeegodin, berijdt een hippocampi (half paard, half vis), zoon Triton (half mens, half vis) blaast de hoorn. De groep bronzen beelden komt uit het water omhoog, en er spuiten fonteinen. Amphitrite is de vrouw van de zeegod Poseidon. Poseidon is in de Griekse mythologie de god die heerst over zeeën, wateren en hun goden.
De meeste schepen van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM) droegen namen die ontleend waren aan de Griekse, Romeinse of Egyptische mythologie.
Dichter A. Roland Holst schreef een gelegenheidsgedicht voor ‘Amphitrite’, dat op een van de rotsblokken in de fontein staat gebeiteld:

Dochter van Nereus, hoog te paard; hoe raast
de branding, waar uw zoon de zeehoorn blaast!
Luidt weer een eeuw hij in voor onze schepen?
Uw wild hart bleef hun harten steeds het naast.

Zwervend bestaan
Personeel van de KNSM schenkt in 1956 de beeldengroep ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de rederij. Het krijgt een plek in het door tuinarchitect Mien Ruys ontworpen parkje op het KNSM-eiland, midden in een bassin. In 1980 verplaatst de havenactiviteit naar de havens in Amsterdam-West en Rotterdam. Het oostelijk havengebied raakt in verval. De beeldengroep gaat vanaf dan een zwervend bestaan tegemoet. Eerst ligt het nogal wat jaren gedemonteerd en opgeslagen op het terrein van een schroothandel. Maar dan halen de ‘Kroonvaarders’, de vereniging van voormalig personeel van de KNSM, ‘Amphitrite’ uit dit armtierige bestaan. Zij krijgt in 1989 een plek in het water, een rechthoekige betonnen bak op een kunstmatig eiland, grenzend aan de Prins Hendrikkade, tegenover het Scheepvaartmuseum. Daar staat ze tot 2008.
Rond het jaar 2000 beginnen de onderhandelingen over de mogelijke terugkeer van ‘Amphitrite’ naar het KNSM-eiland. Er gaat negen jaar voorbij voordat het zover is. Maar na een grondige restauratie is de beeldengroep teruggekeerd: ‘Amphitrite’ staat nu voor Loods 9 aan de kop van de KNSM-laan.

Beeldhouwer Albert Termote (1887-1978) heeft veel monumenten, beelden, portretten en ruiterbeelden gemaakt. Termote is geboren te Lichtervelde in België. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vlucht hij naar Engeland, en in 1915 trekt hij naar Amsterdam waar hij tot 1918 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten, onder leiding van Jan Bronner, studeert. In 1922 verhuist hij naar Voorburg waar hij de rest van zijn leven blijft. Door de vele tentoonstellingen van Pulchri Studio verwerft hij landelijke bekendheid. Hij krijgt veel opdrachten.
Termote werkt tot zijn 85ste. Op doktersadvies en vanwege moeilijkheden met de huur van zijn atelier besluit hij met het zware beeldhouwerswerk te stoppen. Op 13 juli 1972 slaat hij in zijn atelier vele van zijn gipsmodellen aan stukken. Hij heeft besloten zich alleen nog bezig te houden met kleine plastieken in een atelier aan huis.
Kenmerkend is zijn bescheidenheid waarmee hij met zijn bekendheid omgaat. Tijdens een tentoonstelling, een jaar voor zijn dood, van zijn werken in Museum Swaensteyn zei hij: ‘Ik kan haast niet geloven, dat dit allemaal mijn werk is, maar aan de andere kant, weet ik nog precies waar, wanneer en waarom ik de dingen maakte.’

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Nalatenschap

Onalledaags


De postbode heeft zojuist een aangetekende brief bij me bezorgd. Het is een brief van de woningbouwcoöperatie. Ik vraag me af waarom deze aangetekend is. Nieuwsgierig scheur ik de enveloppe open, haal de brief eruit, lees en schrik. ‘U dient onze woning te ontruimen vóór…’
Wat krijgen we nóu? Mijn ogen vliegen verder over het vel papier.
‘Wij wijzen U erop dat U op een onrechtmatige wijze ons eigendom bewoont.’
Verdomme, nee, niet dít ook nog eens, verzucht ik.
‘Bij controle van onze huuradministratie is gebleken dat de hoofdhuurder niet langer de huur van de woning voldoet, maar dat dit sinds twee maanden door een andere persoon wordt voldaan.’
Wat een schoftenstreek. Ik kijk naar buiten. De regen waait in vlagen tegen de ruit.

Vijf jaar geleden nemen Esther en ik plaats in een kleine ruimte. De muren zijn kaal wit. Tegenover ons zit een man. Hij draagt een zwarte hoornen bril. Een breed grijs bureaublad is als scheidslijn tussen ons opgeworpen.
‘Een mooie woning, hè, die jullie van ons toegewezen hebben gekregen,’ zegt hij iets te vriendelijk.
‘Ja, prachtig.’
‘Hier is de huurovereenkomst. Bekijk ’t maar even of alles klopt.’
Hij overhandigt het aan mij. Ik schuif het naar Esther zodat we het samen kunnen lezen.
‘Ik ga eventjes kopiëren.’ Hij verlaat het vertrek.
De huurovereenkomst blijkt alleen op mijn naam te staan.
‘Alles in orde?’ vraagt hij bij het binnenkomen.
‘Nee, we hadden doorgegeven dat we het contract op beide namen wilden hebben. Dat is nu niet het geval.’
‘Tja, helaas is dat bij ons niet mogelijk,’ zegt hij terwijl hij aan zijn rossige baard krabt, ‘het past eenvoudigweg niet in onze computer.’
‘Daar nemen we geen genoegen mee. We ondertekenen het contract alleen als het op twee namen staat. Daar hebben we recht op,’ zeg ik geërgerd.
‘Rechten hebben jullie hier niet!’ Hij kijkt ondertussen naar Esther, lacht haar toe en richt zich tot haar.
‘Kijk als woningbouwcorporatie sluiten wij alleen contracten af met de hoofdhuurder. Dat is nu eenmaal de regel hier en daar wíjken we niet van af. Tekent u nou maar gewoon dan krijgt u van mij de sleutel.’
‘Wij tekenen niet voordat we de ware reden van u te horen krijgen,’ zegt Esther met een verbeten stem.
Hij grist het contract bij ons vandaan, en zegt: ‘We verhuren deze woning net zo lief aan een minder lastig stel die ’r wel blij om zijn dat ze erop mogen wonen.’ Op zijn gezicht verschijnt een venijnige lach.
‘O, gaan we het zo spelen. We vragen alleen maar naar een reden, dat lijkt me toch niet al te veel gevraagd?’ zeg ik.
Opnieuw glijdt hij met zijn vingers door zijn baard.
‘Nou goed… eigenlijk doen we ’t niet langer…,’ zegt hij stotterend, ‘want die samenwonenden gaan toch maar steeds uit elkaar… en dan moeten wíj weer voor die vertrekkende een huis regelen.’
Zijn wangen tonen een rode gloed.
Esther en ik glimlachen naar elkaar. ‘Dat is nog eens banaal,’ zegt Esther.
‘Tja, ’t is niet anders, ’t heeft ons héél wat woningen gekost.’
‘Goed, een van ons zet z’n handtekening, maar dan wil ik wel dat het contract op de naam van mijn vriendin komt te staan,’ zeg ik kordaat.
‘Dat is ongebruikelijk maar goed dat kunnen we doen. Dan moet ik een nieuw contract opmaken en dat kán niet nu.’
Het betreft alleen een wijziging van naam, maar hij heeft geen tijd. De dag erop moeten we maar langskomen, dan heeft hij het wel geregeld. Vervolgens staat hij op en verdwijnt. Sprakeloos kijken we elkaar aan.

Ruim een jaar later verdwijnt Esther voorgoed uit mijn leven.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Vrede

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Vrede’ van beeldhouwer Hans Reicher. Het beeld staat in het plantsoen aan de Radioweg in de Watergraafsmeer. Het beeld is van brons, en is daar in 1962 geplaatst.

Hans Reicher vervaardigt het beeld ‘Vrede’ niet als een oorlogsmonument, maar het verwijst wel naar de Tweede Wereldoorlog die toen nog niet zo lang geleden had plaatsgevonden. De duif die de vrouw laat wegvliegen symboliseert de bevrijding en de vrede. De vrouw is naakt vrouw, ze zit geknield en geeft de vogel de vrijheid. Begin jaren zestig, in de tijd van plaatsing, is het tamelijk ongewoon een dergelijk realistisch naakt midden in een woonwijk neer te zetten, en het heeft dan ook in de buurt nogal wat protest opgeleverd. Overigens wel tamelijk ludiek van aard.

Wit geschilderde beha
Vrede of niet, zoveel naaktheid is voor velen iets teveel van het goede. Twee keer per jaar krijgt het beeld dan ook een wit geschilderde beha aangemeten. Dat is jaarlijks met luilak, de zaterdag voor Pinksteren, en in de nacht van oud-op-nieuw. Het is een soort collectief ervaren preutsheid die een uitweg vindt in een beschaafde vorm van anoniem vandalisme. Niemand stoort zich eraan. Na een paar dagen poetst iemand de beha gewoon weer weg.
De bronzen naakte vrouw is in die tijd zo’n prominent object in de buurt, dat de aanduiding ‘het beeld’ volstaat, en daarmee wist iedereen om welk beeld het ging.

Hans Reicher (1895-1963), geboren in Berlijn, volgt een opleiding aan de Hochschule für Bildende Künste in Berlijn. In zijn jonge jaren komt hij naar Nederland, waar hij zich eerst in Den Haag vestigt. In 1937 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij docent wordt aan de Hendrick de Keyzerschool.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigt hij onder andere enkele oorlogsmonumenten. Zijn beeldhouwwerken blijven tot aan zijn dood figuratief. ‘Vrede’ is zijn laatste beeldhouwwerk.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het beeld ‘Vrede’ als uitgangspunt:

Zweem licht

Fluisterzacht in
de zonloze dag
laat de wind
bladeren dwarrelen

het is de herfst
in de bomen
van haar dromen
die haar laat stromen

vrij vrij vrij
wil ze zijn,
naakt reikend met
haar handen werpt

ze een duif
in de lucht,
zweem licht
rekt zich ver

voor de vogel uit,
het is de wind die
haar doet glijden

haar voorgoed de
vrijheid geeft.

© Méland Langeveld
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Honderd uit te boomen

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel twee passages uit de novelle ‘Titaantjes’ van Nescio uit 1915. De teksten staan sinds 1995 op de gevels van een appartementencomplex aan de Linnaeusstraat, tegenover het Tropeninstituut.

Het zijn twee verschillende passages uit ‘Titaantjes’ die op de voorgevels zijn aangebracht:
(…) ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.’

(…) En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er één klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’ (…)

Desillusie
In de novelle ‘Titaantjes’ komen vijf jongens elke avond bij elkaar om te filosoferen over het leven. Het thema van de ‘Titaantjes’: het ergste dat je kan overkomen is je plaats innemen in de burgermaatschappij, en dat je daarmee toch een van de vele mannetjes wordt die je verafschuwt. Maar ook de jongens eindigen zo. Behalve Bavink, die schildert een meesterwerk maar snijdt dit vervolgens aan stukken als hij ontdekt dat hij door dit schilderij bereikt wat de vrienden altijd hadden afgezworen: een succesvol en rijk man worden. Hij verdwijnt in een gekkenhuis.
‘Titaantjes’ schetst de desillusie van vrienden die een eigen leven wilden leiden, maar die dit streven door allerlei maatschappelijke hindernissen niet kunnen waarmaken.

Aanstellerij
Nescio, het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh, betekent: ‘ik weet het niet’ of ‘ik wil het niet weten’. Grönloh, geboren op 22 juni 1882, groeit op in Oost waar hij na de openbare lagere school in de Eerste van Swindenstraat naar de driejarige HBS aan de Mauritskade gaat.
Zijn debuut ‘De Uitvreter’ staat in 1911 in De Gids, ‘Titaantjes’ verschijnt daarin in 1915. De verhalen spelen zich af tussen 1900 en 1911. Nescio’s manier van schrijven – zijn directe en natuurlijke stijl – waardeert men in die jaren niet. Dit komt naast zijn taalgebruik waarschijnlijk doordat hij niet altijd ‘godlievend’ schrijft en zijn spelling te modern is (i = hij, werti = werd hij, hatti = had hij). De literaire critici vinden het proza te aanstellerig. Waardering voor Nescio komt pas na de Tweede Wereldoorlog. Nescio overlijdt in 1962.

Geen molens en klompen
De ontwerpen van de teksten op de gevels zijn van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren.
Oxenaar, geboren op 7 oktober 1929, studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en gaat in 1966 aan de slag als ontwerper voor De Nederlandsche Bank. President Jelle Zijlstra geeft hem de opdracht een eerste serie bankbiljetten te ontwerpen. Zijlstra bemoeit zich echter met het proces waardoor het met figuren uit de vaderlandse geschiedenis een vrij conventionele serie wordt. Van Zijlstra’s opvolger, Wim Duisenberg, krijgt Oxenaar wel de vrije hand. ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in een interview in Trouw (2008). ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Oxenaar is van 1979 tot 1991 buitengewoon hoogleraar Industriële Vormgeving aan de TU Delft. En van 1970 tot 1994 werkt hij bij de Dienst voor Esthetische Vormgeving van de PTT, waar hij onder meer verantwoordelijk voor de huisstijl is. Ook ontwierp hij af en toe postzegels.
Hij verhuist in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij onlangs, op 13 juni 2017 overlijdt.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Vrijpostige barbie

Onalledaags

barbie
Via een opening in de heg valt mijn oog op Willemijn, de buurvrouw, die met een stel kussens de tuin in loopt. Met haar lange blonde haren, smalle schouders, wespentaille, en haar meterslange benen is ze een levensechte barbiepop.
Het toeval wil ook nog eens dat Willemijn barbies verzamelt. Ze heeft de complete reeks, vanaf de eerste barbie die in 1959 op de markt kwam tot aan de allernieuwste. Dat heeft ze me een keer met trots verteld.
Op mijn vraag of ze Barbies vriend, Ken, ook in haar verzameling heeft, antwoordde ze resoluut: ‘Nee, die vind ik absoluut niet leuk, ik vind ’m een vreselijke kwal en ook nog ’ns lelijk!’
Haar vochtige benedenhuis, dat ze met drie pensloten en een ijzeren strip heeft beveiligd, is te klein om haar verzameling naar behoren te etaleren. De meeste liggen languit gestrekt in een schoenendoos, wachtend op mooi weer, want dan mogen haar lievelingen naar buiten.
Elk jaar moet ik op dat spektakel wachten, maar vandaag is de dag aangebroken. De zon schijnt fel en het is al aangenaam warm. Haar halve tuin ligt nu bezaaid met kussens en opgestapelde dozen. Willemijn opent telkens een deksel van een doos, tilt voorzichtig een barbie eruit, trekt het jurkje strak en vleit haar op een kussen. Sommige barbies streelt ze even, van een andere kamt ze de lange blonde haren, en aan een andere ruikt ze even onder de oksel voordat ze haar neerlegt.
Wanneer al haar barbies in de zon liggen, pakt ze de stretcher uit het schuurtje, vouwt hem uit en vleit zich naast haar troetelkinderen. Willemijn heeft een donkerroze jurkje aan dat ze tot aan haar heupen heeft opgestroopt, de bandjes om haar schouder heeft ze omlaag getrokken. Er is slechts één barbie in de verzameling die een identiek jurkje met dezelfde kleur aan heeft.
Naarmate het warmer wordt, staat ze op en loopt haar huis in. Even later verschijnt Willemijn in een lichtpaars badpakje. Opnieuw is ze ijverig bezig met haar barbies. Nu krijgen ze allemaal verschillende badpakjes aan. Sommige krijgen een bikini aangetrokken, en er ligt er nu ook eentje topless. Ze heeft het er maar druk mee. Zou ze de barbies ook nog met zonnebrand gaan insmeren? Ze is er gestoord genoeg voor, maar dat doet ze dan weer niet. De plastieken lijfjes kunnen de versterkte uv-straling als gevolg van de gaten in de ozonlaag klaarblijkelijk goed verdragen.
Een halfuurtje later ligt ze weer op haar stretcher, naast al haar barbies, en smeert ze haar meterslange benen in met zonnebrand. Nog steeds ligt ze in haar badpakje; helaas niet zoals die ene vrijpostige barbie die daar zo heerlijk met spitse borstjes ligt te zonnen.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.

Fata morgana

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Fata Morgana’ van Iris Le Rütte. De drie plaatstalen beelden staan langs de spoordijk ter hoogte van de Ringdijk en de Wibautstraat. De drie dromedarissen strekken zich uit over een lengte van 15 meter, en zijn daar in 2005 geplaatst.

De dromedarissen hobbelen onverstoorbaar langs het spoor, tussen de razende treinen en de auto’s van de Wibautstraat. Ze bewegen zich door deze desolate stedelijke woestenij als drie donkere silhouetten langs de horizon, op weg naar het oosten.

Stedelijke woestijn
Iris Le Rütte in een radio-interview: ‘Het is begonnen met een studieopdracht voor de Wibautas waarvoor tien kunstenaars waren uitgenodigd. Ik had een aantal plekken van die Wibautas er uitgelicht om te kijken of ik daar een iets minder unheimischer plek van kon maken. Op een foto had ik de drie dromedarissen getekend. Ik wilde een soort vervreemdend effect, het is daar écht een stedelijke woestijn. Ik zag die horizon voor me en het was een non-plek, echt een plek waar je niet wilde zijn. Ik zag dat voor me en dacht als daar die drie dromedarissen lopen, doen ze mee met al die verkeersstromen: de fietsers, de auto’s, de treinen, de metro’s en ze gaan er tegenin. Ze gaan de andere kant uit, richting het oosten, ook heel symbolisch. Die plek is nu volgens mij veel minder unheimisch geworden.’ (Interview op NPO-radio 1, november 2015).

Eeuwig balanceren
Het werk van Iris Le Rütte is veelzijdig, poëtisch en gelaagd. In haar beelden voor de openbare ruimte lijkt zij het leven van de feeërieke kant te tonen, maar bij nadere beschouwing blijkt haar werkelijkheid eerder ambigu. Iris nodigt in haar beelden de beschouwer uit om plaats te nemen in haar universum, waarin mensen, dieren en dingen naar evenwicht moeten zoeken en eeuwig balanceren op de rand van het mogelijke. Haar beelden brengen het publiek even in een andere wereld, die de werkelijkheid niet schuwt, maar waar ook ruimte is voor transformatie en verstilde bezinning in plaats van een snel oordeel.
Inspiratiebronnen voor Le Rütte zijn onder meer de dichtkunst en de klassieke literatuur.

Iris Le Rütte (Eindhoven, 1960) is beeldend kunstenaar en dichter. Zij studeerde aan de Amsterdamse Academie voor Beeldende Vorming en de Rijksakademie van Beelden Kunsten. Zij maakt grote sculpturen voor de openbare ruimte.
Haar werk bevindt zich in musea zoals Beelden aan Zee, en in bedrijfscollecties zoals van Ahold en Akzo Nobel.
Onlangs verscheen haar debuutbundel Ik dicht je bij me, waarin haar gedichten verlucht zijn met eigen tekeningen. Iris’ werk kenmerkt zich door ambiguïteit: waar het op het eerste gezicht harmonieus en lieflijk lijkt over te komen, blijkt daaronder veelal een donkere laag die daarmee contrasteert, schuurt of wringt. Maar de verwondering over het leven, in al zijn aspecten, blijft altijd zichtbaar. Haar werk wordt gezien als toegankelijk, semirealistisch en sprookjesachtig, waarbij silhouetten, schaduwen, spiegelbeelden, mensvormen en dieren een belangrijke rol spelen.

Het gedicht ‘Echt’ van Iris le Rutte:

ECHT

De wolken hebben pootjes
en grazen in het blauwe gras.
Een schoorsteen steekt scheef
uit het rode dak, de rookpluim
buigt schuin om de koperen zon
de hoogte in. Lieveheersbeestjes
kruipen door glutonlicht, waarin alles
niets weegt. Hier heeft mijn
hoofd gewoond, toen de wereld
nog in een jampot paste. Geen ladder
om eruit te komen.

Dit gedicht behaalde de Top 20 van de Turing gedichtenwedstrijd in 2014.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 193, 19 mei 2017
en Oost-online.

Ochtendgymnastiekende hond

Onalledaags

Illustratie: Judith Lammers

De zon hangt laag, ze komt net boven de daken aan de Oosterparkstraat uit. Frêle mist hangt boven het grote veld waarop een groep meeuwen dribbelend op zoek is naar regenwormen.
Roos sjeest plots van me weg, in de verte huppelt een konijn, het witte staartje hipt vrolijk met elke beweging mee. Dwars door de struiken gaat het nu. Het lijf van Roos komt in sprongen boven het struikgewas uit: ochtendgymnastiek in het Oosterpark. Na een paar daagjes haar vriendje – een konijnenjager pur sang – als logeetje te hebben gehad, is het van god los met die meid van me. Ondertussen zit het konijn hoog en droog in zijn hol, maar dat heeft Roos nog niet door, de geur zit flink in haar neus. Maar ze heeft nog nooit een konijn in de kraag gevat.
‘Is dat uw hond die daar door de struiken rent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die hond is?’ zeg ik met een onschuldig gezicht. Ik zit niet te wachten op een bekeuring van honderd euro voor een onschuldig ochtendgymnastiekende hond.
De handhaver kijkt me met ongeloof vanachter zijn stuur aan. Zijn stropdas zit wat slordig geknoopt, zijn pet een beetje scheef op zijn hoofd, en onder die pet zitten grijze haren. Triest eigenlijk, wanneer je op die leeftijd dagelijks nog dit soort werk doet. De godganselijke dag in een autootje rondtuffen, en alleen maar bezig zijn je medemens een vervelende dag te bezorgen, en honderd euro uit zijn of haar portemonnee te troggelen omdat er een hond niet is aangelijnd.
‘De volgende keer zal ik u op heterdaad betrappen. Ik hou u in de gaten, want volgens mij heb ik u al vaker met die hond zien lopen,’ zegt hij beslist.
Ik loop maar door, want ik heb geen zin in dit soort flauwe kul, en zeker niet op de vroege ochtend.
Even later lopen Roos en ik weer keurig samen. Roos nog een beetje verwilderd, maar wederom aan voet, zoals ze altijd met me loopt als er geen konijnen in de buurt rondsjouwen.
Een eind verderop zie ik een man moeizaam voortbewegen. Hij sjort een groot zwart voorwerp aan een lijn met zich mee. Waar loopt die man in godsnaam mee? Het lijkt wel een pluche speelgoedbeest.
Twee jongens komen de man tegemoet lopen. Nadrukkelijk kijken ze naar het gevaarte dat hij voortsleept. De man stopt en kijkt fluitend naar de strakblauwe lucht. De twee halen hun schouders op en lopen door. Opnieuw sleurt hij het gevaarte met zich mee.
Nu zie ik pas dat het een jonge bouvier is die zijn vier poten stram houdt. Roos slaat aan. Haar blaf galmt door het Oosterpark.
‘Wat is ’r met uw hond?’ vraag ik.
‘Hij verdomt ’t om te lopen.’
Zelfs voor een wild blaffende Roos komt het beest niet in beweging.
De man kijkt me schaapachtig aan. ‘Ik weet ’t ook niet. Ik denk dat ik ’m maar ga terugbrengen. ’k Heb duidelijk ’n kat in de zak gekocht…’
‘Misschien moet u met hem naar een hondenpsychiater?’
‘Heb je die ook al tegenwoordig? Wat ze toch niet allemaal voor gekkigheid verzinnen…’
Ik geef de man wat adviezen, maar ze helpen niet veel: we krijgen z’n hond niet aan de praat.
‘Ik geloof wel dat uw hond zo’n zielenknijper kan gebruiken.’
Hij kijkt me verbolgen aan. Dit was weer een verkeerde opmerking van me.
Ik neem afscheid, en wens hem veel succes met z’n hond die niet wil lopen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 193, 19 mei 2017
en Oost-online.

IJzeren totempaal

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’, een ijzeren totempaal met chakra’s van beeldend kunstenaar Theo Niermeijer. Het staat in het Oosterpark, en is daar in 1970 geplaatst.

Volgens de kunstenaar zijn het ‘symbolische voorstellingen van menselijke energiecentra’. De ronde figuren (chakra’s) die in deze totempaal zijn afgebeeld, komen uit de Oosterse filosofie (chakra betekent cirkel, wiel).
Theo Niermeijer reist in zijn jonge jaren door India, Tibet en China en raakt onder de indruk van het Zenboeddhisme. Die invloed is in zijn beeldend werk terug te vinden. Hij verdiept zich in de ceremoniën van het Zenboeddhisme, het aanroepen van de goden. ‘Het is een soort bezwering, een exorcisme, het afroepen van bescherming,’ aldus de kunstenaar, die in die periode enorme ‘blow-ups’ van tantra’s en mandala’s maakt. ‘Mijn beelden vormen een antigif tegen alle ellende die van buitenaf je (binnenste) leven verziekt. Ze dienen als middel tot meditatie.’
Niermeijer laat zich in zijn beeldend werk vaak door het spirituele inspireren.
De totempaal ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’ behoort tot zijn vroegere werk. Het zijn totempalen, opgebouwd uit liggende ovalen, met maan- en zonnetekens, spiralen, harten en maskerachtige gezichten. Het latere werk bestaat uit abstractere beelden.

De ijzeren dichter
Theo Niermeijer (1940-2005) volgde diverse kunstenaarsopleidingen in Amsterdam, Antwerpen en Warschau. Hij was in die tijd een daadkrachtig man en een verwoed reiziger.
Zijn vrienden noemden hem ‘de ijzeren dichter’. Een van zijn ateliers bevond zich op Zeeburg. Een enorme lap grond met loodsen, woonwagens, sloopauto’s en oude vrachtwagens. Honderden van zijn sculpturen stonden er tussen wrakken en brandnetels, geleund tegen bomen en muren.
Als je als beeldhouwer door je vrienden ‘de ijzeren dichter’ wordt genoemd dan moet je toch wel iets bijzonders hebben. Die titel kreeg hij van zijn vriend, de dichter Simon Vinkenoog. Zelf noemde hij zich liever ‘de dichter van het schroot’. Die omschrijving van zichzelf was goed gekozen, want hij werkte met afvalmateriaal dat hij vond op scheepswerven, bouwplaatsen en sloperijen waar hij de overblijfselen van de metaal-snijmachines verzamelde.
Vinkenoog had in 1962 al een rake typering van de toen net beginnende Niermeijer: ‘Zijn ontluikende metalen bloemen dragen al bij voorbaat de doem van nooit-ontluiken; zijn fantastische meteorieten komen van geen enkele aarde; zijn opgezette insecten zijn nooit geclassificeerd en gecatalogiseerd; en zijn ijzeren muren en gordijnen monden uit in geen enkele politiek.’

Ode aan het leven
Het werk van Niermeijer laat zich niet eenvoudig voor je winnen. Als je echter de tijd neemt, ga je het lyrische in zijn werk zien. Het afvalmateriaal dat hij gebruikte, verwerkte hij vrijwel zoals hij het had gevonden. Het zijn verwrongen stukken metaal, zaag resten, oude onderdelen, soms met de verfresten er nog aan. Daar maakte hij beelden mee. Soms door er alleen een voetstuk onder te lassen. Zijn werk lijkt daardoor bijna als vanzelf te zijn ontstaan. De kunstenaar wilde vooral het materiaal laten spreken en het op die manier weer teruggeven aan de schepping.
Niermeijer werkte in het wilde weg, toevallig en willekeurig, zonder vast rijm en metrum. Hij had een relatie met de gedachtewereld van het Zenboeddhisme, in die zin dat je wordt geholpen door een ‘onzichtbare hand die het denken stopt en die je helpt scheppen uit de oneindige zee van creatieve mogelijkheden. Het is absoluut noodzakelijk dat je veel werkt, liefst iedere dag om die stroom aan de gang te houden en om je ogen en handen te sturen’ aldus Niermeijer.
Theo Niermeijer gaat de geschiedenis niet in als een grote, vernieuwende beeldhouwer, maar hij heeft zijn leven wel geleefd en met zichtbaar plezier, dat is wat zijn sculpturen uitstralen: een lichtvoetige ode aan het leven.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs nadat ik in het donker langs het kunstwerk liep:

NACHTELIJK TREFFEN

Bevallig, en rond
blikt ze me zonder
blozen aan

zachtjes ademt ze
haar licht in mijn gezicht
overrompelt me naakt

mijn schaduw overmeestert
de nacht, rekt zich
uit in volle lengte

fraai, en rond
blikt ze me vol
emotie aan

wijst me de weg
die ik heb te gaan

welgevormd
is de maan

zo intens
blikt ze

me aan.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.