Een bankstel kost u 15 euro

Onalledaags


Al enkele weken orden ik samen met mijn zus het leven van onze ouders. Hun etage in Nieuw-Zuid vormt een pakhuis in tijd. De ouderlijke woning, maar vooral de zolder, is tot de nok toe gevuld met ons verleden. Het is onvoorstelbaar wat we daar tegenkomen. Mijn allereerste tekenkrabbels van de kleuterschool, een babytruitje en een mutsje, schoolrapporten en zelfs een haarlok van mijn zus in een aangetast fotoalbum. Nooit hebben we geweten dat ze die al die jaren bewaarden. Nu ze beiden dood zijn kunnen we ze niets meer vragen. Wat zouden ze van onze eerste krabbels hebben gevonden? Waren jullie trots op onze rapportcijfers? En wat een schattig truitje heeft moeder gebreid.
‘Moet je kijken m’n indianenpak,’ zegt mijn zus, terwijl ze het uit een dekenkist tevoorschijn haalt. Ze houdt een crèmekleurige lap stof voor zich. Er zitten gaten in. De motten hebben als gieren hun prooi bestookt. Het hesje is met verschillende kleuren stof bedekt: het keurige naaiwerk van onze moeder.
‘En hier het hippie-pakje van jou.’
‘Goh, dat ze dat allemaal bewaard hebben.’ Ondertussen trek ik een laatje open met jampotjes waarin bouten, schroeven en spijkers een onderkomen hebben gevonden. Ik leeg de inhoud in een emmer vol oud ijzer. Onder de potjes vind ik een smoezelige enveloppe. Ik haal er een zwemdiploma uit die mijn vader in 1932 heeft behaald. Zijn Ausweis uit de Duitse bezetting, met een verbleekte pasfoto en van een stempel voorzien, zit erachter geschoven.
Het huis aan de Maasstraat moeten we aan het eind van de maand leeg opleveren, anders moeten we nog een maand huur ophoesten. Veel tijd hebben we niet meer. Selecteren, de kleine spulletjes met persoonlijke waarde eruit vissen. Een heleboel moet er helaas weg. We kunnen niet alles bewaren daarvoor hebben we beiden een te kleine woning. Een opkoper heeft zelfs enkele meubelstukken laten staan, hij zag daar zelfs geen handel in. Dat moet dus naar het grofvuil op straat.
Ik bel stadsdeel Zuid en krijg na doorverbinding Stadsreiniging aan de lijn.
‘Op welke dag wordt het grof huisvuil opgehaald?’
‘Op maandagochtend meneer, maar u mag ’t pas vanaf zes uur ’s ochtends buitenzetten en niet na achten, want anders zijn ze misschien al langs geweest.’
‘Maar ik woon daar niet. M’n ouders woonden daar. Ze zijn overleden en ik ruim hun huis leeg.’
‘Meneer, we komen ’t alleen gratis ophalen als u zich aan de tijden houdt. Doet u dat niet dan rekenen we u vijftien euro per halve kuub. Zo simpel is ’t.’
‘Hoeveel is een halve kuub dan wel niet?’
‘Zo ongeveer ’n bankstelletje meneer.’
Moet ik daarvoor zo vroeg uit mijn bed en naar Nieuw-Zuid fietsen om alleen het grof huisvuil buiten te zetten. Ik lijk wel gek. En m’n zus is ook geen optie, want die woont buiten de stad.
‘Maar ik woon in Oost en daar halen ze het vaker op, en het is hier ook gewoon grátis.’
‘Tja meneer, dat is Oost en dáár woont alleen maar gajes. Hier leven we in Zuid. En daar houden we er strikte regels op na, niet waar. En de gemeentelijke handhavers houden het hier ook zeer goed in de gaten, dus u bent een gewaarschuwd man. Goeiemorgen.’
Er zit weer een dag ontruimen op. Beneden trek ik de deur in het slot, en we nemen afscheid van elkaar. Vandaag hebben we weer een deel van ons wederzijds verleden in vuilniszakken gepropt, en het grofvuil zetten we nog maar niet aan de straat: het wachten is tot het maandagochtend vroeg…

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Rollade in de aanbieding

Onalledaags


Aanhoudend geklepper van het kattenluik maakt me nieuwsgierig. Verdedigt Joris, mijn kat, zijn toegangspoort? Het is daar vaker een strijd op leven en dood. Een homp vlees priemt deels door het luikje. Ditmaal geen rivaliserende kat, maar een rollade die de strijd met het deurtje aangaat. Ik kijk door de ruit van de keukendeur en zie mijn zwarte kat hemel en aarde bewegen om zijn zojuist gevangen prooi naar binnen te werken. Wat een gevaarte hangt er aan zijn bek; zijn tanden heeft hij in het netje gezet. Waar heeft hij die nou weer vandaan? Hopelijk niet bij mijn naaste buren waarmee ik in een onoplosbare vete verkeer.
Ik verlos Joris uit zijn worsteling door de deur te openen. Trots komt hij met zijn buit naar binnen gestrompeld waarbij hij zichzelf moeizaam in evenwicht probeert te houden. Het gevaarte helt als een zinkend schip naar bakboordzijde en sleept over de vloer. Ik pak het beet; zijn scherpe tandjes blijven in de touwtjes steken. Ik wrik het los waarbij hij me verongelijkt aankijkt.
Even later rinkelt de voordeurbel. De oude dame van twee huizen verder staat voor mijn neus.
‘Uw kat heeft mijn rollade uit m’n juspan gepikt. Ik zag ’m nog net over de schutting verdwijnen,’ zegt ze verontwaardigd.
‘Hoe is het mogelijk buurvrouw? Maar inderdaad hij kwam er zojuist mee naar binnen gewandeld. Ik vroeg me al af hoe-ie eraan was gekomen?’
Volgens haar was mijn kat door het openstaande raam naar binnen geklommen, op het aanrecht gesprongen, om vervolgens de rollade uit de pan te vissen, en met het gevaarte naar buiten te klauteren. Dit allemaal terwijl mijn buurvrouw even van het toilet gebruik maakte, zoals ze dat zo plechtig zei. Voor mijn kat was het pure pech dat ze hem bij het beklimmen van de schutting betrapte.
Gelukkig is het niet mijn naaste buurman waar Joris de boel op stelten heeft gezet, want met hem zou het volgende probleem zich hebben aangediend.
‘Ik zal u de rollade vergoeden buurvrouw, of beter ik loop even naar de slager om een nieuwe voor u te kopen?’
‘Nou dat zou wel erg fijn zijn buurman, dan hoef ik er niet opuit. Het is me er trouwens wel eentje die kat van u. ’t Is me nogal een gesjouw met zo’n rollade, en dan nog over die schuttingen’ zegt ze lachend.
‘Maar natuurlijk, ik ga er direct één voor u halen.’ Ik ben reuze blij dat ze het zo luchtig opvat. Had ik haar maar als naaste buurvrouw in plaats van die chagrijnige.
Bij de slager koop ik een nieuwe, en daarna loop ik nog even langs de slijter om voor haar een flesje advocaat te halen. Dat is vast wel iets waar ze van houdt.
Ik overhandig haar de rollade en de advocaat. ‘Nog wat lekkers voor de schrik buurvrouw. Laat het u smaken.’
‘Ach buurman wat lief van u, dat had u écht niet hoeven doen hoor. Maar dit is wel wat ik erg lekker vindt. Dank u wel hoor.’
’s Avonds snijd ik wat vlees van de rollade af en geef het Joris. Hij smult ervan en zijn bakje is in een mum van tijd leeg. Hij kijkt me vervolgens veelbelovend aan, geeft me kopjes en smeekt daarmee om meer.
‘Het is wel goed geweest Joris. Het was me het dagje wel met jou ouwe snaaier. Met deze rollade heb je meer dan een week eten voor jezelf binnen gehaald,’ zeg ik smuikend tegen hem.
Hij kijkt me zeer onschuldig aan, en miauwt nog maar eens om meer.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

Drankkegelbode (het vervolg)

Onalledaags

Roos2

De drankkegelbode is nu een vrouw, deze is echter broodnuchter. Ze ziet er veel imponerender uit dan degene die een maand geleden bij me aan de deur stond, maar ook veel bedreigender. Ze heeft nogal wat zwaar materiaal aan haar heupen gegespt, waaronder een vuurwapen en verder wat ondefinieerbare gereedschappen om je vakkundig te vloeren.
Maar voordat ik bij haar aan de balie sta, moet ik mijn jas afgeven. Die komt op een lopende band terecht en wordt, zoals gebruikelijk op luchthavens, gescand. Zelf moet ik door een detectiepoort – en alsof dat niet genoeg is – moet een man me ook nog eens handmatig betasten.
‘De volgende keer als u komt graag uw jas in een bak gooien, anders blijft-ie in de scanner hangen,’ zegt de in uniform gestoken man.
‘Nou, ik hoop hier niet nog een keertje te komen.’
De man lacht schaapachtig, en laat me door.
In een kale betonnen ruimte zitten een aantal wachtenden. Verdachten, net als ik, maar ze zien er écht als verdachten uit. Van die lui die je ’s avonds liever niet tegen het lijf loopt. Met ongeschoren koppen, slonzig gekleed zitten ze wat voor zich uit te staren, of te scrollen op hun smartphone. Bij een van hen gaat de telefoon: ze wisselen wat uit in een Slavisch klinkende taal.
Ondertussen tikt de klok door, de wachttijd loopt flink op. Ik loop naar de balie waar de gerechtsbode kauwend op kauwgum zit te scrollen op haar telefoon.
‘Nog twee mensen voor u.’
Ik haal nog maar een kop koffie.
‘Meneer Langeveld u kunt met me meekomen.’ Samen lopen we naar de deur van de gerechtszaal.
Het is een omvangrijke zaal met een verzameling lege stoelen. Voorin zitten drie personen, twee vrouwen en een man ieder achter een beeldscherm.
Ik moet direct gaan staan voor de reling van het beklaagdenbankje. De vrouwelijke rechter noemt mijn naam die op een lijst staat, maar kan het dossier niet zo snel in haar computer vinden. Ze aarzelt wat, rommelt en vindt dan toch de gegevens.
Ze somt de feiten op. Dat ik ben aangehouden omdat ik niet aan mijn plicht voldeed mijn hond aan te lijnen. Verder haalt ze mijn schriftelijk verweer aan, waarin ik meld dat mijn hond volledig onder appèl staat en daarmee geestelijk aangelijnd is.
Ze kent het woord onder appèl staan niet, en vraagt me wat dit precies inhoudt? Ik vind dit vreemd, maar leg het haar uit: ‘Het heeft me heel veel tijd en energie gekost om dit voor elkaar te krijgen. Er is heel wat vallen en opstaan aan voorafgegaan. Op dat soort mensen, die daar zoveel tijd in investeren, zou de samenleving juist trots op moeten zijn, in plaats van die persoon af te straffen met een geldboete!’
Hierop heeft ze geen antwoord. Ze kijkt van me weg en verstopt zich even achter haar beeldscherm.
‘Maar u bent volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) verplicht uw hond aan te lijnen. Loopt u nu nog steeds los met uw hond over straat?’
‘Ja,’ zeg ik heel eerlijk.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Dus u loopt al die tijd, het is inmiddels alweer 2,5 jaar geleden dat u werd bekeurd, met uw hond onaangelijnd. Heeft u dan niet meer bekeuringen gehad?’
‘Nee.’ Ik besef dat ik deze zaak ga verliezen. Mijn antwoord was te eerlijk, en daar word ik nu op afgerekend. Ik moet het over een andere boeg gooien, anders verlies ik dit en ik wil voor mij en Roos de vrijheid!
‘Ik zal het u sterker vertellen: ik word soms ook door agenten aangesproken, maar ik laat hen dan zien hoe goed mijn hond alle commando’s opvolgt en dan geven ze me complimenten. En mag ik een aanvulling geven op de persoon die mij bekeurd heeft: hij heeft me bijna een jaar lang moedwillig achtervolgd om me op heterdaad te betrappen.’
‘Ah, hij heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt,’ zegt ze geïnteresseerd.
Ik moet hier op doorgaan, dit snijdt hout.
‘Ja, de man is inmiddels uit zijn functie gezet vanwege intimiderend gedrag.’
‘Heeft u een klacht over hem ingediend?’
‘Nee, maar er zijn wel veel klachten over hem binnengekomen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Van een vrouw, zij werkt bij Handhaving. Ik ken haar, ze heeft ook een hond.’

Het woord is nu aan de officier. Ze staat op van haar stoel. Het is een keurige dame, stijfjes, zonder enig menselijke uitstraling. Ze is het tegendeel van de rechter, die zeer beminnelijk op me overkomt. Ze doet haar zegje wat neerkomt op: regels zijn regels. Ofwel: het bekende riedeltje van de gezagdrager in functie. Verder heeft ze notie genomen van mijn verweer, maar vindt ze uit veiligheid voor de openbare orde dat ik mijn hond moet aanlijnen, want een hond kun je nooit voor honderd procent vertrouwen. Ze blijft bij haar eis dat ik de bekeuring moet betalen. Ze weet even niet om welk bedrag het gaat, en zoekt dit in haar computer op.
‘Heeft u hier nog iets aan toe te voegen?’ vraagt de rechter aan mij.
‘Ik ben het volledig eens met de officier dat je een hond nooit voor honderd procent kunt vertrouwen. Ik lijn m’n hond ook altijd aan bij het oversteken van drukke wegen en bij situaties die ik als gevaarlijk inschat. En overigens dat onaangelijnd lopen doe ik niet zomaar: als ik m’n hond niet voor driehonderd procent zou vertrouwen dan zou ik nooit los met haar lopen. Ze is m’n grootste liefde en bezit, dat wil ik niet zomaar kwijtraken onder een auto!’
De rechter knikt instemmend, en vraagt me naar mijn beroep.
‘Ik ben tekstschrijver en redacteur én ik schrijf gedichten. Binnenkort komt m’n dichtbundel uit.’
Ze kijkt zeer belangstellend. ‘En u heeft ook nog geen strafblad zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Dan kom ik nu tot een uitspraak. Ik wijk af van de eis van de officier. Ik leg u een voorwaardelijke straf op, dat betekent dat u deze boete niet hoeft te betalen, maar als u binnen twee jaar toch weer wordt bekeurd voor deze overtreding dan moet u deze alsnog betalen. Begrijpt u?’
‘Begrepen, en bedankt daarvoor.’
‘Dat was het, ik wens u een fijne dag.’
‘Jullie een fijn weekend, antwoord ik, en loop de lange zaal uit naar de uitgang.
Langzaam dringt de overwinning bij me door als ik de trappen af loop op weg naar de buitenlucht. Ik heb het gevoel dat de rechter me ongrijpbaar vond. Zoiets van het heeft geen zin deze man te bekeuren: hij blijft toch met z’n hond loslopen. Dat heeft ze dan volledig bij het rechte eind.
Het voelt heel goed: ik ben eerlijk geweest door te zeggen dat ik nog steeds met Roos losloop. Dat is onze gezamenlijke vrijheid en die heb ik voor ons beiden bevochten. En ik heb een persoonlijke overwinning behaalt op die irritante handhaver die me bijna een jaar moedwillig heeft gestalkt!

Voor wat eraan voorafging klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

Drankkegelbode

Gerechtsbode

Foto: Candice Storm

De bel gaat, ik vraag via de intercom wie daar is?
‘Gerechtsbode, heb ’n stuk waarvoor getekend mot worde,’ hoor ik iemand mompelen.
Ik loop de trappen af, en bedenk me dat we dan toch bij de rechter op het matje moet komen…
Voor de deur staat een man die ik herken als een alcoholist die vaak dronken in het Oosterpark rondhangt. Hoe kan deze man in godsnaam bode bij de rechtbank zijn?
De man kijkt me schaapachtig aan: ‘Ben u de heer Langeveld?’ Een flinke damp alcohol lift vrolijk met zijn vraag mee.
‘Ja.’
‘En is u voornaam Méland?’
Ik knik instemmend, en ben verbaasd dat hij m’n voornaam juist uitspreekt. Daar wordt in de regel nogal wat mee gehaspeld.
‘Heb ’n gerechtelijk bevel van de rechtbank. Zet u hier naam en handtekening.’ Hij wijst op een vel vol met letters, dat ligt te trillen in zijn hand.
Ik vertrouw dit zaakje toch niet helemaal, want wat moet die zuiplap met mijn gegevens… Maar kennelijk ziet hij mijn vertwijfeling.
‘Ja normaal heb ik ’n uniform an, ’t is me vandaag effe te warm,’ lacht-ie wat dommig.
Ik teken daar waar hij wijst, en zeg tegen hem: ‘Krijg ik dan nu die brief.’ Het komt er nogal dwingend uit, want ik weet me god niet waar ik mijn handtekening onder heb gezet. Zonder een leesbril ben ik een analfabeet in geletterd landschap.
‘Ja, mot ’t toch effe afscheuren,’ antwoordt hij kregelig.
Er wordt tegenwoordig toch ook maar wat uit de kast gerukt en in een baan geplugd.

Bovengekomen scheur ik de enveloppe open. Het is zo’n zelfde enveloppe –alleen een paar maten groter – als waar je je pincode van de bankpas per post meekrijgt: zo quasi geheim, om je het gevoel te geven dat deze brief werkelijk niet te kraken valt.
Het betreft een ‘oproeping verdachte na ingesteld verzet’, zoals het onderwerp in het briefhoofd vermeldt. Ik voel me bij het woord ‘verdachte’ direct al een halve crimineel…
‘Aan u is het navolgende ten laste gelegd: hij, op of omstreeks 9 april 2016, te Amsterdam, als eigenaar of houder van een hond, welke zich bevond op en/of in de omgeving van de Andreas Bonnstraat, althans op en/of aan een weg, niet aan zijn verplichting heeft voldaan ervoor te zorgen dat die hond was aangelijnd.’
We moeten dan eindelijk samen voor de rechter verschijnen, ruim twee jaar nadat we een bekeuring kregen van onze stalker: een doorgewinterde, uitermate fanatieke gemeentelijke handhaver van het type dat onder een fout regime, zonder enige scrupules je beul wordt.
De lange, magere man – stijfjes en strak in het uniform – liep ons bijna een jaar te stalken met maar één doel: ons op heterdaad betrappen. Onlangs zei een van mijn hondenvriendinnen nog het volgende over hem: ‘Is het je weleens opgevallen dat die lange net iets korter is dan jou; dat moet ongetwijfeld z’n frustratie zijn, en de reden dat-ie je op de bon heeft geslingerd!’
Maar Roos en ik gaan naar de rechter, en Roos zal de rechter laten zien dat ze keurig onder appèl aan voet met haar baas – als een volwassen meid – kan lopen, en dat we daarmee een geestelijke lijn met elkaar hebben, en daarmee ‘aangelijnd’ door het leven gaan. Want deze poppenkastvoorstelling willen we beiden niet missen…

Voor het vervolg klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

Even terug in de tijd

Onalledaags

Het jublileumnummer van Dwars door de Buurt staat in het teken van verleden, heden en toekomst. In deze ‘Onalledaags’ grijp ik terug naar het verleden met enkele stukjes die ik halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef. Nog in een schrift vastgelegd in een tijd dat er nog geen computer was. Ik kwam toen als student Nederlands in de Transvaalbuurt wonen.

Opnieuw verhuizen?

Sinds gisteren hebben we de sleutel gekregen van een benedenwoning in de Transvaalbuurt. Het is een oude woning die we flink aan het opknappen zijn.
‘Even uitrusten?’ oppert m’n vriendin.
We nemen plaats in de tuin, draaien ieder een shaggie.
Aan de overkant op eenhoog staat een vrouw voor het raam te kijken. Ze draagt een vale bloemetjesjurk. Haar zwarte haren heeft ze vol zitten met gekleurde krulspelden. Met moeite schuift ze het raam omhoog en steekt haar hoofd naar buiten.
‘Gaan jullie óók verhuize?’
‘We hebben net de sleutel van deze woning gekregen mevrouw.’
Ze fronst haar wenkbrauwen. Haar gezicht is zwaar opgemaakt.
‘O, ik mot d’r uit. Renovasie. Motten die woninge niet gesloopt worde dan?’
Ik schat haar een jaar of vijftig. ‘Voorlopig wordt hier nog niet gerenoveerd mevrouw.’
Haar gezicht ziet er doorleefd uit. Zelfs de make-up kan het niet langer verbloemen.
‘Nou, ik ben blij dat ’k weg ken. Met al die Turke en Marokkane. Dat eten stink zó.’
Haar gezicht vertrekt daarbij in een grimas.
‘Wij vinden het hier juist een leuke buurt, veel verschillende nationaliteiten.’
Terwijl ik de buurt aan het aanprijzen ben, besef ik dat het weinig zin heeft. Haar houding verraadt dat ze niet in mijn verhaal geïnteresseerd is. Ze schuift het raam met moeite naar beneden en loopt er hoofdschuddend van weg.
Dit is vast een ouwe, verstokte Transvaalbewoonster?

Vliegeren?

Het is aan het eind van de ochtend al tamelijk heet in de tuin. In de schaduw van de lindeboom drink ik een bak zwarte koffie. Op driehoog in de hoek van het binnenterrein speelt zich een amusant tafereel af. Vanaf het balkon probeert een kind van een jaar of negen een papieren vogel op te laten. Zijn speelterrein is tot pakweg één bij vier meter beperkt. De vlieger bengelt aan een stuk touw voor het raam van de benedenburen. Beteuterd kijkt hij naar het grote klos touw en de bruine arend onder hem. Hoe krijg ik dat ding daar boven aan de hemel, zie ik hem denken. Dat heeft hij ongetwijfeld weleens op de televisie gezien.
Na een halfuurtje van afwikkelen en opwinden van het klos touw en daarbij de vlieger van begane grond tot driehoog heen en weer te hebben laten gaan, gooit de jongen het probleemgeval naast zich neer. Hij trekt z’n rollerskates met ‘turbo-geluid’ aan en manoeuvreert heen en weer over het met wasgoed vol gehangen balkon. Het ‘turbo-geweld’ weerkaatst tussen de vier opstaande gevels van het binnenterrein.
Enkele minuten later trapt hij de skates uit en smijt er één over de balkonrand. Beneden sneuvelt een ruit. Hij trekt aan de keukendeur, maar die geeft niet mee. Hij schreeuwt en krijst. Niemand reageert. Van angst trapt hij tegen de keukendeur en tegen de metalen vuilnisbak. Het haalt niets uit. De deur blijft gesloten. Dan kruipt hij in een hoek ineen en huilt hartverscheurend.

Een pak Douwe Egberts

Samen lopen we naar de buurtsuper van Joop. Helaas verbiedt een gebodsbordje Elsa de toegang tot het pand. Ik laat haar achter maar weet dat ze de zaak toch binnendringt. Ze hoeft maar voor de elektronische verklikker te gaan staan en de deur opent zich vanzelf.
Het is druk in de zaak; de kassa’s zijn weer eens onderbezet.
En er is vanmiddag ook weer eens consternatie: een agent slaat een vrouw in de boeien en voert haar af. Haar prooi: een pak Douwe Egberts. Joop heeft zijn ogen niet in zijn zak zitten en menigeen verliest bij hem het graaispel.
Inmiddels sjokt Elsa naast me mee. Gelukkig kent Joop haar.
‘Ze wordt al oud maar blijft ondeugend,’ zegt hij lachend.
‘Ja, ze houdt van gewoontes,’ voeg ik er onnodig aan toe.
Daarmee is de kous als gewoonlijk afgedaan en mag Elsa het laatste gedeelte wachtend in de rij met me doorbrengen.
Bij het afrekenen, blijk ik niet over de nodige duiten te beschikken. Ik pak een paar artikelen die ik toch niet écht nodig heb en geef ze aan het kassameisje. Dit overkomt me net iets te vaak!
Elsa sloft achter me aan naar huis. Ik hoef niet achterom te kijken, het tikken van haar nagels op het trottoir geeft haar positie nauwgezet aan. En zelfstandig oversteken kan ze al jaren!

SVP aanbieden in gesloten zak

De in sjofel pak gestoken man, van naar ik schat een jaar of vijftig, klimt met beide voeten op een fiets die tegen een container aanstaat. Hij duwt de deksel open en steekt zijn ongeschoren kop naar binnen. De inhoud van de groene container komt volgens het er slordig opgespoten opschrift: ‘ten goede aan hulpbehoefenden (met een f) in de Derde Wereld, ook voor Roemenië.’ Dit aldus de mij onbekende stichting Kici.
Met twee vuilniszakken kledij in mijn hand sta ik naast de container te wachten. Ongestoord blijft de man de inhoud inspecteren. Voorbijgangers kijken maar besteden er niet lang aandacht aan.
‘Zullen we ’m d’r maar ingooien?’ zeg ik net iets te hard tegen mijn vriendin.
De verlopen kop komt naar buiten. Met een verwilderde blik in zijn ogen staart hij me aan. Dan waggelt-ie weg, werpt nog even een stuurse blik naar achter en verdwijnt om de hoek.

‘Ik mot ook dood’

Vandaag is het een hete dag. Ik loop de deur uit naar buiten. De hitte slaat me flink in het gezicht. Mijn trouwe viervoeter slentert achter me aan, de warmte overvalt ook Elsa want ze sukkelt meer dan ooit. Haar zwarte vacht is in de felle zon een ondraaglijke last, en samen eisen we de schaarse schaduw op.
Op de hoek van de straat houdt een vrouw ons staande. Ze staat op afgetrapte pantoffels en draagt een tot op de draad versleten winterjas. Ze stinkt zodanig dat ik er misselijk van word.
‘Hoe oud is-tie hond?’
‘Ze is elf,’ zeg ik trots.
‘Elf maande.’
‘Nee mevrouw, zo jong ziet ze d’r toch niet meer uit!’
‘Is ’t een wijffie? Ik hed ook ’n hondje’, maar nou is-ie dood. Ik mot ook dood,’ klaagt ze en strompelt door.

Sultan de sul

De zon schijnt fel. De hitte van de vorige dag hangt nog in het huis. Ik loop de tuin in, maar daar is het nog heter. Op tweehoog aan de overkant blaft een hond. Elke keer als de hond een kat ziet, blaft hij de longen uit zijn lijf. Het lijkt erop alsof zijn leven ervan afhangt. Elke dag hetzelfde treurige tafereel. Steeds weer katten die hij moet verdrijven. Wat een vermoeiende levenstaak heeft hij op zijn schouders genomen. Helaas trekt de doorgewinterde huiskat zich niets van deze grote herdershond aan. Die bevindt zich toch veilig achter tralies ergens ver boven hen.
De hond, Sultan noemen ze hem, zit opgesloten op een balkonnetje van één bij vier meter vanwaar hij dagelijks zicht heeft op de tuinen in het omsloten huizenblok. Met uitzondering van de twee keer per dag dat hij het balkon mag verlaten voor een ‘blokje om’, waar hij zijn drol ergens pontificaal midden op de stoep kan deponeren. Het enige vertier voor de hond vormen de stuk of twintig katten die het blok rijk is. Elke keer trapt Sultan er weer in. Zijn balkonnetje verdedigt hij met man en macht; er zou toch eens een kat bij hem op het balkon komen… Zelfs met deze hitte houdt Sultan het niet voor gezien.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 200, 18 mei 2018
en Oost-online.

Wij bellen u

Onalledaags


‘Heeft u toevallig uw cv bij u?’ vraagt ze me beleefd.
‘Nee, die heb ik niet bij me.’
‘En een legitimatiebewijs?’
‘Ja, dat wel.’
‘Vult u dit formulier zo volledig mogelijk in. Als u daarmee klaar bent dan komt u weer bij mij,’ zegt ze vriendelijk.
Afgezonderd in een hoek van een grote ruimte, achter een met beige linnen beplakt schot, beantwoord ik trouw de vele vragen. Enkele malen rinkelt er een telefoon. Dan neemt iemand hem op. Mijn ogen blijven steken bij ‘schoenmaat’. Een vreemde vraag. Wat voor een relevante informatie weken ze hier los uit de lengte van de voet? Zou ik met maat 46 de bedrijfsschoenen niet vergoed krijgen? Die vraag sla ik over. Bij het onderdeel ‘werkervaringen’ blijf ik opnieuw steken. Er is te weinig ruimte om al mijn ‘ervaringen’ te verwoorden. Die ruimte houd ik open. De vriendelijke dame mag dat straks voor me invullen.
Even later loopt ze het formulier nauwkeurig door en vult de opengelaten delen vragend op.
‘Wat is uw typesnelheid?’
‘Tja, meer dan gemiddeld. Weliswaar typ ik maar met drie vingers. Maar toch ik zou zeggen een redelijk hoge snelheid.’
‘Zonder typediploma noteer ik hier geen typesnelheid,’ zegt ze kordaat.
‘U heeft níets ingevuld bij werkervaringen,’ klinkt het wat kregelig.
‘Tja, dat is teveel om op te noemen. Laat ik het beperken tot het niveau waarnaar ik solliciteer.’
‘Waarom wilt u deze baan eigenlijk?’
Ik leg haar uit dat het voor mij prettig is om naast de onregelmatige inkomsten, die ik al schrijvende vergaar, een vast inkomen te hebben waarmee ik bijvoorbeeld mijn huur kan betalen.
Ze knikt. ‘Omschrijft u eens uw positieve en negatieve karaktereigenschappen,’ vraagt ze me nu.
Zo langzamerhand ben ik hier in een diepgaande sollicitatieprocedure verzeild geraakt. Wat ze tegenwoordig niet allemaal van je verwachten. Zelfs voor de meest eenvoudige banen passen ze een sterkte/zwakte-analyse op je toe.
Keurig noteert ze mijn verhaal.
Aan het einde van het gesprek belooft ze me stellig de volgende dag te bellen, en drukt me een brochure in de hand. Ze zal contact opnemen met het bedrijf waarvoor ik zal gaan werken. Uit haar enthousiaste woorden maak ik op dat ik geschikt ben voor deze baan.
De volgende dag gaat er geen telefoon. Maar de dag erop wel. De vriendelijke dame klinkt een stuk minder vriendelijk. Ze deelt me mee dat voor de postkamer een ander is gevonden. Een werkloze met zeven jaar ervaring. En terecht dat diegene voorrang heeft gekregen.
Ik blader de brochure van het uitzendbureau door en stuit op een markante zin: ‘Wanneer wij een opdracht in behandeling hebben die aansluit op uw opleiding en ervaring, zullen wij contact met u opnemen voor een oriënterend gesprek. U hoeft daarvoor geen contact met ons te onderhouden.’
Inmiddels wacht ik al weer ruim een halfjaar vol spanning af, maar geen telefoontje of mailtje. Bedankt, Trude!

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

Nalatenschap

Onalledaags


De postbode heeft zojuist een aangetekende brief bij me bezorgd. Het is een brief van de woningbouwcoöperatie. Ik vraag me af waarom deze aangetekend is. Nieuwsgierig scheur ik de enveloppe open, haal de brief eruit, lees en schrik. ‘U dient onze woning te ontruimen vóór…’
Wat krijgen we nóu? Mijn ogen vliegen verder over het vel papier.
‘Wij wijzen U erop dat U op een onrechtmatige wijze ons eigendom bewoont.’
Verdomme, nee, niet dít ook nog eens, verzucht ik.
‘Bij controle van onze huuradministratie is gebleken dat de hoofdhuurder niet langer de huur van de woning voldoet, maar dat dit sinds twee maanden door een andere persoon wordt voldaan.’
Wat een schoftenstreek. Ik kijk naar buiten. De regen waait in vlagen tegen de ruit.

Vijf jaar geleden nemen Esther en ik plaats in een kleine ruimte. De muren zijn kaal wit. Tegenover ons zit een man. Hij draagt een zwarte hoornen bril. Een breed grijs bureaublad is als scheidslijn tussen ons opgeworpen.
‘Een mooie woning, hè, die jullie van ons toegewezen hebben gekregen,’ zegt hij iets te vriendelijk.
‘Ja, prachtig.’
‘Hier is de huurovereenkomst. Bekijk ’t maar even of alles klopt.’
Hij overhandigt het aan mij. Ik schuif het naar Esther zodat we het samen kunnen lezen.
‘Ik ga eventjes kopiëren.’ Hij verlaat het vertrek.
De huurovereenkomst blijkt alleen op mijn naam te staan.
‘Alles in orde?’ vraagt hij bij het binnenkomen.
‘Nee, we hadden doorgegeven dat we het contract op beide namen wilden hebben. Dat is nu niet het geval.’
‘Tja, helaas is dat bij ons niet mogelijk,’ zegt hij terwijl hij aan zijn rossige baard krabt, ‘het past eenvoudigweg niet in onze computer.’
‘Daar nemen we geen genoegen mee. We ondertekenen het contract alleen als het op twee namen staat. Daar hebben we recht op,’ zeg ik geërgerd.
‘Rechten hebben jullie hier niet!’ Hij kijkt ondertussen naar Esther, lacht haar toe en richt zich tot haar.
‘Kijk als woningbouwcorporatie sluiten wij alleen contracten af met de hoofdhuurder. Dat is nu eenmaal de regel hier en daar wíjken we niet van af. Tekent u nou maar gewoon dan krijgt u van mij de sleutel.’
‘Wij tekenen niet voordat we de ware reden van u te horen krijgen,’ zegt Esther met een verbeten stem.
Hij grist het contract bij ons vandaan, en zegt: ‘We verhuren deze woning net zo lief aan een minder lastig stel die ’r wel blij om zijn dat ze erop mogen wonen.’ Op zijn gezicht verschijnt een venijnige lach.
‘O, gaan we het zo spelen. We vragen alleen maar naar een reden, dat lijkt me toch niet al te veel gevraagd?’ zeg ik.
Opnieuw glijdt hij met zijn vingers door zijn baard.
‘Nou goed… eigenlijk doen we ’t niet langer…,’ zegt hij stotterend, ‘want die samenwonenden gaan toch maar steeds uit elkaar… en dan moeten wíj weer voor die vertrekkende een huis regelen.’
Zijn wangen tonen een rode gloed.
Esther en ik glimlachen naar elkaar. ‘Dat is nog eens banaal,’ zegt Esther.
‘Tja, ’t is niet anders, ’t heeft ons héél wat woningen gekost.’
‘Goed, een van ons zet z’n handtekening, maar dan wil ik wel dat het contract op de naam van mijn vriendin komt te staan,’ zeg ik kordaat.
‘Dat is ongebruikelijk maar goed dat kunnen we doen. Dan moet ik een nieuw contract opmaken en dat kán niet nu.’
Het betreft alleen een wijziging van naam, maar hij heeft geen tijd. De dag erop moeten we maar langskomen, dan heeft hij het wel geregeld. Vervolgens staat hij op en verdwijnt. Sprakeloos kijken we elkaar aan.

Ruim een jaar later verdwijnt Esther voorgoed uit mijn leven.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Vertrouwd portret

Dit verhaal kwam er als beste uit bij de Eerste ronde van de schrijfwedstrijd ‘Schrijf je Straat 2018’ van Schrijvers uit Oost.

Jury-oordeel: ‘Wat ons zeer aanspreekt was de wijze waarop je de tijd laat verglijden – de oude man die plotseling uit zijn huis is verdwenen en plaatsmaakt voor een jong stel – zonder nostalgisch te zijn. En zonder het uit te leggen. (Echt: show, don’t tell!). Oost is voel- en zichtbaar zonder het expliciet te noemen. Heel mooi!’

Haar oude overbuurman zit al jaren elke ochtend bij het raam. Marieke zwaait altijd even naar hem en hij wuift dan met een broos gebaar terug.
Maar nu ze de gordijnen in de achterkamer openschuift, valt haar oog op de lege etagewoning aan de overkant. Haar overbuurman is verdwenen. Twee lichtere plekken op het bloemetjesbehang markeren de plaats waar het vredige heidetafereeltje en het portret van zijn overleden vrouw hingen, de spijkers zitten nog in de muur. De boekenkast, de tafel met het kleedje, de hanglamp en de zachtgroene fauteuil, die sinds de dood van zijn vrouw onbezeten bleef, zijn in rook opgegaan.
Vlak voor de geboorte van Tommie komt ze hem nog in de supermarkt tegen. Ze groet hem. Zijn blik verraad dat hij moeite heeft haar te plaatsen en zelf duurt het ook enkele seconden voordat Marieke hem als haar overbuurman kan plaatsen. Weggerukt uit zijn omgeving is haar vertrouwde beeld van hem even, gelijk een storing op televisie, aan het flikkeren. Hij kijkt naar haar uitpuilende buik en vraagt haar wanneer het zover is?
Nu ziet Marieke hem weer voor zich, aan tafel, waar hij bedachtzaam de vakjes met letters opvult. Af en toe raadpleegt hij het woordenboek. De eenzaam overgebleven haren op zijn kale hoofd zijn steil naar achteren gekamd. De oude, zwarte poes zit kaarsrecht voor hem op tafel. Bedaard volgen haar ogen zijn handbewegingen. Hij kijkt op van zijn kruiswoordpuzzel en aait haar over de kop. Dan drukt ze haar kont de lucht in, rekt zich uit en gaat midden op het puzzelboekje staan. Demonstratief legt hij zijn vulpen neer, staat moeizaam op en schuifelt naar de keuken. Met een souplesse die niet echt meer bij haar leeftijd past, springt ze via de stoel op de grond en gaat achter hem aan. Uit de koelkast pakt hij een blikje en schuift de vleesbrokjes in het voederbakje. Traag likt ze aan de gelei terwijl hij de fluitketel vult en op het vuur zet. Uit het kastje boven het granieten aanrecht pakt hij uit een blik een theezakje, rommelt aan het touwtje en hangt het in de theepot. Onder zijn pullover draagt hij een overhemd, zonder stropdas. Hij wendt zich naar het raam, kijkt en wuift naar haar. Marieke beantwoordt zijn groet.
Maar nu is hij er niet meer. Het gordijn, met het keukengereimotiefje, is weg. De ijzeren gordijnrail is grotendeels losgeraakt en helt als een zinkend schip. De gordijnstof lijkt er in de haast te zijn afgerukt; het keukenkastje staat wijd open. De vertrouwdheid van het kale hoofd dat ’s avonds boven de stoel uitsteekt, en het opflitsende gekleurde licht van de televisie zijn voorgoed verdwenen.
Waar zou zijn poes zijn gebleven?
Wat steekt het leven toch bizar in elkaar. Ze zit hier met een hummeltje dat bijna twee dagen nodig had de wereld te begroeten, en voor Marieke bestond daarbuiten niets meer. Het leven achter de gordijnen stond stil als een film die brak en waar iedereen ineens aan de grond genageld stond totdat er een gat in het celluloid brandde en ze in as opgingen. Voorts bleef de haspel van de projector zinloos doordraaien en het getik van het laatste eindje film leek op de klok in de huiskamer. Terwijl zíj aan het opkrabbelen is, heeft híj hoogstwaarschijnlijk het leven vaarwel gezegd en zijn de sporen van hem zorgvuldig gewist.
Nu de overbuurman met de noorderzon vertrokken is, komt zijn vrouw ineens in beeld. Ze is zeker een jaar of drie geleden overleden, maar Marieke ziet haar nu als een foto haarscherp voor zich afgedrukt. In de zachtgroene fauteuil, met breipennen en een kluwen wol; asgrijze haren, in permanent gestoken; bolle wangen met een forse neus; een jurk met bloemetjesmotief. De zwarte poes op schoot die zo nu en dan haar poot naar het bewegende garen uitsteekt. En dan ziet ze die keurig schone was van de overbuurvrouw weer voor zich, altijd zorgvuldig gegroepeerd hangt dat aan die twee lijntjes te drogen. De schone witte was steekt zo af tegen het vuilbruine afgebrokkelde stucwerk van de buitenmuur. Hoe ze die was toch zo schoon kan houden, is Marieke een raadsel gebleven. Maar als de eerste regendruppels vallen dan haalt de overbuurvrouw haar was direct naar binnen. Marieke’s overbuurman heeft de waslijntjes nooit meer gebruikt. Af en toe zit er nog weleens een vogel op.
Opgeschrikt door het gekrijs van Tommie loopt Marieke snel naar het voorkamertje en haalt hem voorzichtig uit zijn wiegje. Op de bank knoopt ze haar blouse open, schuift de bh omhoog en legt hem aan. Terwijl hij gretig sabbelt, bedenkt ze dat haar overburen waarschijnlijk geen kinderen hadden. Nooit zag ze er jong volk over de vloer en nergens in huis hingen of stonden portretten van kinderen. Op de televisie die met een kleedje was afgedekt, stonden enkele kiekjes van poezen en een cockerspaniël ingelijst. De cockerspaniël had ze nooit gekend; die was er toen ze hier nog niet woonde.

Enkele weken later verlicht een kaal peertje aan de overkant de achterkamer. Aan het raam een tafel met twee stoelen, in de hoek een matras op de grond en her en der opeengestapelde verhuisdozen. Een jongen komt naakt de kamer in gelopen met in zijn hand een blikje bier. Hij gaat op het raam af en kijkt naar de tuintjes beneden. Schaamteloos krabt hij aan zijn geslacht, terwijl Marieke in de keuken wacht tot het theewater kookt. De nieuwe overbuurman in vol ornaat. Zijn penis hangt als een dooie pier tussen zijn lange benen. Achter hem nadert een donkerblond meisje met lang krullend haar. Ze heeft spitse borsten en haar schaamhaar is in een smal verticaal lijntje geschoren. In haar navel glinstert een piercing. Stilletjes besluipt ze haar prooi. Via de weerspiegeling moet hij haar zien, maar hij laat zich verrassen. Zijn geslacht zwelt aan. Haar handen omsluiten zijn middel en ze drukt zich tegen hem aan. Dan dwalen haar handen af naar zijn geslacht dat recht omhoog gepriemd staat. Hij zet het blikje bier op de vensterbank. Als een krolse poes trekt het meisje hem mee naar het matras en ze laten zich op het matras vallen. Zijn hand glijdt langs haar dijen omhoog. Ze spreidt haar benen. Zijn vingers zakken in haar weg. Ze liggen precies op de plek waar de zachtgroene fauteuil altijd stond; de lichtere plekken op het behang, waar het schilderijtje en het portretje hingen, zijn nog zichtbaar.
Marieke voelt haar wangen gloeien. Het tafereel heeft haar danig opgewonden. Ze heeft zin in seks en dat is voor het eerst sinds maanden. Schuld borrelt als moerasgas omhoog. Ze loopt naar het kamertje van Tommie die vredig in zijn wiegje ligt te ronken, naast zijn hoofdje twee fluweelzachte beren. Het dekentje is van hem afgegleden. Voorzichtig schuift ze het over zijn lijfje en aait hem over de enkele haartjes op zijn bolletje. Wanneer ze in de achterkamer terug is, werpt ze een blik naar de overkant. Ze zijn nog steeds druk met elkaar in de weer. Marieke wendt haar gezicht af, loopt naar de voorkamer en hoopt dat dit niet haar vertrouwde tafereel wordt.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Denk natuur

Onalledaags


Met twee tassen vol boodschappen fiets ik naar huis. Er staat een stevige wind en de regen slaat me in het gezicht. ’t Is herfst op z’n best. Ik kom drijfnat bij mijn huis aan en daar staat een man in mijn portiek te schuilen voor de regen. Hij draagt een opzichtige bontmantel die hij open heeft hangen. Aan zijn nek hangt een ketting met een verzameling relikwieën. Hij groet me vriendelijk, en vraagt of ik van gedichten houd.
‘Ja zeker.’ Tenslotte ben ik zelf dichter.
Uit zijn hoofd declameert hij een prachtig gedicht waarbij hij zijn handen en gezichtsmimiek volledig inzet. Een gemiddelde slamdichter valt daar bij in het niet.
In een mooi ritme draagt hij voor:

Denk natuur en
zeg natuurlijk groen
dier en geur
hun geluid, de lucht
zo lekker ontspannen
als in vrijheid
zonder ’n enkele gedachte
die de geest alleen maar afleid

denk natuur en
zie ochtend
mist van dauw
die langzaam verdampt
naarmate de zon
zich hoger tilt

denk natuur
en fluister
vogels, bomen
in ’n helder blauwe
Hollandse lucht.

Aan het eind van de laatste strofe moet hij lachen, want de regen komt nu met bakken uit de hemel…
‘Wat een prachtig gedicht, mooi hoor. Dankjewel.’
Hij knikt me vriendelijk toe.
Spontaan trek ik mijn portemonnee open en geef hem twee euro.
‘Ik ben de Dakloze Dichter Hilmano van Velzen.’
‘Nou je treft hier ook een dichter aan.’
‘Goh, wat leuk dat we elkaar hierzo treffen,’ lacht hij me toe.
‘Ik heb wat gedichten voor je. Het zijn zes gedichten die geïnspireerd zijn op sculpturen die in het Oosterpark staan.’ Ik geef hem het setje gedichtenkaarten van mijn expositie, die momenteel bij de bibliotheek aan de Linnaeusstraat in de ramen hangt. Toevallig nog op zak van mijn optreden, gisteravond bij Arto Locale in de Meevaart, in de Indische buurt.
‘Dankjewel.’ Voorzichtig maakt hij de enveloppe open en spontaan draagt hij een van m’n gedichten voor:

Ingegraven hoofd

Schokvast in gedachten
zit ik tot aan mijn nek
in de drek

steeds dieper zink ik
weg in dit land
zonder bodem

maar de lach
blijft op
mijn gezicht

want op een dag
sjor ik me omhoog

loop weg zonder gedachten.

‘Wat een mooi gedicht is dat’, zegt hij. ‘Het lijkt wel alsof het over mij gaat. Loop weg zonder gedachten, ja daar gaat het toch om in dit leven. Mooi verwoord! Waar staan die beelden precies? Want die wil ik wel zien.’
‘In het Oosterpark.’ Ik wijs hem naar het park dat tegenover mijn huis ligt.
‘Ga ik zo effe kijken. En we komen elkaar vast nog weleens ergens tegen op een poëziefestival of zo. Ik treed geregeld op. Ik ben nu hartstikke bekend. De poëzie heeft me gered.’ Op zijn gezicht verschijnt een vette glimlach.
Met een flinke handdruk nemen we afscheid, en hij stevent op het Oosterpark af.
Wat een bijzondere ontmoeting met de Dakloze Dichter in mijn portiek, schuilend voor de regen.
Later die middag vind ik op internet een artikel in NRC Handelsblad: ‘Hilmano van Velzen (50) heeft een stem. Een zalvend instrument is het, warm en zacht als een deken. Hij leeft op straat. Maar hij is óók dichter, en met hem gaat het beter dan ooit. “Ik ben ontdekt.” grijnst hij. “De mensen worden gek.”’
Na 30 jaar stelen en bedelen heeft Hilmano z’n ware talent ontdekt in de poëzie: geweldig!

Zie de reportage De Dakloze dichter in NRC Handelsblad, 6 januari 2017.

Hier zijn twee voordrachten van Hilmano, waaronder het gedicht dat hij mij voordroeg.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Zeer verleidbaar

Onalledaags


Aangeslagen loop ik de lange gang van het ziekenhuis door op weg naar de uitgang. De enorme deur draait traag rond, en werpt me zachtjes naar buiten. Het is inmiddels donker, en er daalt een miezelregen op me neer. Ik zet de kraag van mijn jas op, rits hem goed dicht en ga op zoek naar mijn auto. Er zijn maar weinig mensen op straat in dit grauwe, grijze weer. Even houd ik mijn pas in. Waar had ik hem ook alweer geparkeerd?
Schuin aan de overkant, bij de hoek van de straat, zie ik een sleepwagen van de Dienst Handhaving. Het natte wegdek weerkaatst het oranjekleurige zwaailicht. Ik schrik, want het lijkt alsof ze bij mijn auto staan te morrelen. Nu zie ik het goed: een gezette man rommelt aan mijn portier. Hij draagt een blauwe trui met bruine epauletten. Snel steek ik over.
‘Zeg, ik heb betaald hoor. Wat krijgen we nou?’ Mijn stem trilt.
‘Helaas meneer, uw auto staat fout geparkeerd.’
‘Hoezo fout?’
‘Minder dan zeven meter van de hoek,’ zegt hij nors.
‘Nou ja, sinds wanneer is dat een regel hier in Amsterdam?’
‘Zou u zo vriendelijk willen zijn uw portier te openen, dan kan ik de handrem losgooien?’
‘Ik ben hier in alle haast naartoe gereden omdat een goeie vriend plotseling in het ziekenhuis opgenomen is. Kan u dit niet door de vingers zien?’
‘Nee meneer, dat kennen we niet! Gaat u die deur nou nog openmaken,’ klinkt het kregelig.
‘Kunnen we hier niet wat milder in zijn?’ probeer ik wanhopig.
Ondertussen peutert hij met een vlakke ijzeren strip tussen de deur en het raam. Verbazingwekkend snel klikt het slot open.
‘Meneer, alstublieft, laat me niet in de kou staan. Ik kom net uit het ziekenhuis, waar…’ Mijn stem hapert.
Ondertussen trekt hij het portier open en grijpt naar de handrem. Hij gebaart naar zijn collega die in de sleepwagen zit. Die rijdt vervolgens achteruit en houdt halt bij de voorwielen van mijn auto.
‘… waar m’n vriend in kritieke toestand ligt…’ De wanhoop klinkt door in mijn stem.
Met een linnen riem bindt hij een wiel vast en kijkt naar mij op: ‘Sorry meneer, dat is erg vervelend voor u, maar wíj moeten ons werk ook doen.’
Ik laat mijn hoofd zakken, en bedenk nog een wanhopige laatste truc. Wellicht trappen ze hier in.
Beide mannen staan bij de bediening van de kraan. Ik loop op hen af, haal mijn portemonnee tevoorschijn en biedt hen geld aan. Verlegen kijken ze elkaar aan. Ik wend mijn hoofd af, en wacht. Op fluistertoon overleggen ze met elkaar.
‘Nou, voor deze keer maken we ’n uitzondering met u, maar alleen omdat u in ’n heel vervelende situatie zit. Daar hebben we begrip voor.’ Ondertussen maakt zijn collega de riemen los.
‘Heren, hartstikke bedankt.’
‘Sterkte met uw vriend.’
‘Dank u.’
De sleepwagen rijdt met zwaailichten de straat uit en verdwijnt om de hoek.
Opgelucht stap ik in mijn auto, en rijd naar huis.
Vijftig of driehonderdvijftig euro, dat is me nogal een verschil…#

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.