Denk natuur

Onalledaags


Met twee tassen vol boodschappen fiets ik naar huis. Er staat een stevige wind en de regen slaat me in het gezicht. ’t Is herfst op z’n best. Ik kom drijfnat bij mijn huis aan en daar staat een man in mijn portiek te schuilen voor de regen. Hij draagt een opzichtige bontmantel die hij open heeft hangen. Aan zijn nek hangt een ketting met een verzameling relikwieën. Hij groet me vriendelijk, en vraagt of ik van gedichten houd.
‘Ja zeker.’ Tenslotte ben ik zelf dichter.
Uit zijn hoofd declameert hij een prachtig gedicht waarbij hij zijn handen en gezichtsmimiek volledig inzet. Een gemiddelde slamdichter valt daar bij in het niet.
In een mooi ritme draagt hij voor:

Denk natuur en
zeg natuurlijk groen
dier en geur
hun geluid, de lucht
zo lekker ontspannen
als in vrijheid
zonder ’n enkele gedachte
die de geest alleen maar afleid

denk natuur en
zie ochtend
mist van dauw
die langzaam verdampt
naarmate de zon
zich hoger tilt

denk natuur
en fluister
vogels, bomen
in ’n helder blauwe
Hollandse lucht.

Aan het eind van de laatste strofe moet hij lachen, want de regen komt nu met bakken uit de hemel…
‘Wat een prachtig gedicht, mooi hoor. Dankjewel.’
Hij knikt me vriendelijk toe.
Spontaan trek ik mijn portemonnee open en geef hem twee euro.
‘Ik ben de Dakloze Dichter Hilmano van Velzen.’
‘Nou je treft hier ook een dichter aan.’
‘Goh, wat leuk dat we elkaar hierzo treffen,’ lacht hij me toe.
‘Ik heb wat gedichten voor je. Het zijn zes gedichten die geïnspireerd zijn op sculpturen die in het Oosterpark staan.’ Ik geef hem het setje gedichtenkaarten van mijn expositie, die momenteel bij de bibliotheek aan de Linnaeusstraat in de ramen hangt. Toevallig nog op zak van mijn optreden, gisteravond bij Arto Locale in de Meevaart, in de Indische buurt.
‘Dankjewel.’ Voorzichtig maakt hij de enveloppe open en spontaan draagt hij een van m’n gedichten voor:

Ingegraven hoofd

Schokvast in gedachten
zit ik tot aan mijn nek
in de drek

steeds dieper zink ik
weg in dit land
zonder bodem

maar de lach
blijft op
mijn gezicht

want op een dag
sjor ik me omhoog

loop weg zonder gedachten.

‘Wat een mooi gedicht is dat’, zegt hij. ‘Het lijkt wel alsof het over mij gaat. Loop weg zonder gedachten, ja daar gaat het toch om in dit leven. Mooi verwoord! Waar staan die beelden precies? Want die wil ik wel zien.’
‘In het Oosterpark.’ Ik wijs hem naar het park dat tegenover mijn huis ligt.
‘Ga ik zo effe kijken. En we komen elkaar vast nog weleens ergens tegen op een poëziefestival of zo. Ik treed geregeld op. Ik ben nu hartstikke bekend. De poëzie heeft me gered.’ Op zijn gezicht verschijnt een vette glimlach.
Met een flinke handdruk nemen we afscheid, en hij stevent op het Oosterpark af.
Wat een bijzondere ontmoeting met de Dakloze Dichter in mijn portiek, schuilend voor de regen.
Later die middag vind ik op internet een artikel in NRC Handelsblad: ‘Hilmano van Velzen (50) heeft een stem. Een zalvend instrument is het, warm en zacht als een deken. Hij leeft op straat. Maar hij is óók dichter, en met hem gaat het beter dan ooit. “Ik ben ontdekt.” grijnst hij. “De mensen worden gek.”’
Na 30 jaar stelen en bedelen heeft Hilmano z’n ware talent ontdekt in de poëzie: geweldig!

Zie de reportage De Dakloze dichter in NRC Handelsblad, 6 januari 2017.

Hier zijn twee voordrachten van Hilmano, waaronder het gedicht dat hij mij voordroeg.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Zeer verleidbaar

Onalledaags


Aangeslagen loop ik de lange gang van het ziekenhuis door op weg naar de uitgang. De enorme deur draait traag rond, en werpt me zachtjes naar buiten. Het is inmiddels donker, en er daalt een miezelregen op me neer. Ik zet de kraag van mijn jas op, rits hem goed dicht en ga op zoek naar mijn auto. Er zijn maar weinig mensen op straat in dit grauwe, grijze weer. Even houd ik mijn pas in. Waar had ik hem ook alweer geparkeerd?
Schuin aan de overkant, bij de hoek van de straat, zie ik een sleepwagen van de Dienst Handhaving. Het natte wegdek weerkaatst het oranjekleurige zwaailicht. Ik schrik, want het lijkt alsof ze bij mijn auto staan te morrelen. Nu zie ik het goed: een gezette man rommelt aan mijn portier. Hij draagt een blauwe trui met bruine epauletten. Snel steek ik over.
‘Zeg, ik heb betaald hoor. Wat krijgen we nou?’ Mijn stem trilt.
‘Helaas meneer, uw auto staat fout geparkeerd.’
‘Hoezo fout?’
‘Minder dan zeven meter van de hoek,’ zegt hij nors.
‘Nou ja, sinds wanneer is dat een regel hier in Amsterdam?’
‘Zou u zo vriendelijk willen zijn uw portier te openen, dan kan ik de handrem losgooien?’
‘Ik ben hier in alle haast naartoe gereden omdat een goeie vriend plotseling in het ziekenhuis opgenomen is. Kan u dit niet door de vingers zien?’
‘Nee meneer, dat kennen we niet! Gaat u die deur nou nog openmaken,’ klinkt het kregelig.
‘Kunnen we hier niet wat milder in zijn?’ probeer ik wanhopig.
Ondertussen peutert hij met een vlakke ijzeren strip tussen de deur en het raam. Verbazingwekkend snel klikt het slot open.
‘Meneer, alstublieft, laat me niet in de kou staan. Ik kom net uit het ziekenhuis, waar…’ Mijn stem hapert.
Ondertussen trekt hij het portier open en grijpt naar de handrem. Hij gebaart naar zijn collega die in de sleepwagen zit. Die rijdt vervolgens achteruit en houdt halt bij de voorwielen van mijn auto.
‘… waar m’n vriend in kritieke toestand ligt…’ De wanhoop klinkt door in mijn stem.
Met een linnen riem bindt hij een wiel vast en kijkt naar mij op: ‘Sorry meneer, dat is erg vervelend voor u, maar wíj moeten ons werk ook doen.’
Ik laat mijn hoofd zakken, en bedenk nog een wanhopige laatste truc. Wellicht trappen ze hier in.
Beide mannen staan bij de bediening van de kraan. Ik loop op hen af, haal mijn portemonnee tevoorschijn en biedt hen geld aan. Verlegen kijken ze elkaar aan. Ik wend mijn hoofd af, en wacht. Op fluistertoon overleggen ze met elkaar.
‘Nou, voor deze keer maken we ’n uitzondering met u, maar alleen omdat u in ’n heel vervelende situatie zit. Daar hebben we begrip voor.’ Ondertussen maakt zijn collega de riemen los.
‘Heren, hartstikke bedankt.’
‘Sterkte met uw vriend.’
‘Dank u.’
De sleepwagen rijdt met zwaailichten de straat uit en verdwijnt om de hoek.
Opgelucht stap ik in mijn auto, en rijd naar huis.
Vijftig of driehonderdvijftig euro, dat is me nogal een verschil…#

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Vrijpostige barbie

Onalledaags

barbie
Via een opening in de heg valt mijn oog op Willemijn, de buurvrouw, die met een stel kussens de tuin in loopt. Met haar lange blonde haren, smalle schouders, wespentaille, en haar meterslange benen is ze een levensechte barbiepop.
Het toeval wil ook nog eens dat Willemijn barbies verzamelt. Ze heeft de complete reeks, vanaf de eerste barbie die in 1959 op de markt kwam tot aan de allernieuwste. Dat heeft ze me een keer met trots verteld.
Op mijn vraag of ze Barbies vriend, Ken, ook in haar verzameling heeft, antwoordde ze resoluut: ‘Nee, die vind ik absoluut niet leuk, ik vind ’m een vreselijke kwal en ook nog ’ns lelijk!’
Haar vochtige benedenhuis, dat ze met drie pensloten en een ijzeren strip heeft beveiligd, is te klein om haar verzameling naar behoren te etaleren. De meeste liggen languit gestrekt in een schoenendoos, wachtend op mooi weer, want dan mogen haar lievelingen naar buiten.
Elk jaar moet ik op dat spektakel wachten, maar vandaag is de dag aangebroken. De zon schijnt fel en het is al aangenaam warm. Haar halve tuin ligt nu bezaaid met kussens en opgestapelde dozen. Willemijn opent telkens een deksel van een doos, tilt voorzichtig een barbie eruit, trekt het jurkje strak en vleit haar op een kussen. Sommige barbies streelt ze even, van een andere kamt ze de lange blonde haren, en aan een andere ruikt ze even onder de oksel voordat ze haar neerlegt.
Wanneer al haar barbies in de zon liggen, pakt ze de stretcher uit het schuurtje, vouwt hem uit en vleit zich naast haar troetelkinderen. Willemijn heeft een donkerroze jurkje aan dat ze tot aan haar heupen heeft opgestroopt, de bandjes om haar schouder heeft ze omlaag getrokken. Er is slechts één barbie in de verzameling die een identiek jurkje met dezelfde kleur aan heeft.
Naarmate het warmer wordt, staat ze op en loopt haar huis in. Even later verschijnt Willemijn in een lichtpaars badpakje. Opnieuw is ze ijverig bezig met haar barbies. Nu krijgen ze allemaal verschillende badpakjes aan. Sommige krijgen een bikini aangetrokken, en er ligt er nu ook eentje topless. Ze heeft het er maar druk mee. Zou ze de barbies ook nog met zonnebrand gaan insmeren? Ze is er gestoord genoeg voor, maar dat doet ze dan weer niet. De plastieken lijfjes kunnen de versterkte uv-straling als gevolg van de gaten in de ozonlaag klaarblijkelijk goed verdragen.
Een halfuurtje later ligt ze weer op haar stretcher, naast al haar barbies, en smeert ze haar meterslange benen in met zonnebrand. Nog steeds ligt ze in haar badpakje; helaas niet zoals die ene vrijpostige barbie die daar zo heerlijk met spitse borstjes ligt te zonnen.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.

Ochtendgymnastiekende hond

Onalledaags

Illustratie: Judith Lammers

De zon hangt laag, ze komt net boven de daken aan de Oosterparkstraat uit. Frêle mist hangt boven het grote veld waarop een groep meeuwen dribbelend op zoek is naar regenwormen.
Roos sjeest plots van me weg, in de verte huppelt een konijn, het witte staartje hipt vrolijk met elke beweging mee. Dwars door de struiken gaat het nu. Het lijf van Roos komt in sprongen boven het struikgewas uit: ochtendgymnastiek in het Oosterpark. Na een paar daagjes haar vriendje – een konijnenjager pur sang – als logeetje te hebben gehad, is het van god los met die meid van me. Ondertussen zit het konijn hoog en droog in zijn hol, maar dat heeft Roos nog niet door, de geur zit flink in haar neus. Maar ze heeft nog nooit een konijn in de kraag gevat.
‘Is dat uw hond die daar door de struiken rent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die hond is?’ zeg ik met een onschuldig gezicht. Ik zit niet te wachten op een bekeuring van honderd euro voor een onschuldig ochtendgymnastiekende hond.
De handhaver kijkt me met ongeloof vanachter zijn stuur aan. Zijn stropdas zit wat slordig geknoopt, zijn pet een beetje scheef op zijn hoofd, en onder die pet zitten grijze haren. Triest eigenlijk, wanneer je op die leeftijd dagelijks nog dit soort werk doet. De godganselijke dag in een autootje rondtuffen, en alleen maar bezig zijn je medemens een vervelende dag te bezorgen, en honderd euro uit zijn of haar portemonnee te troggelen omdat er een hond niet is aangelijnd.
‘De volgende keer zal ik u op heterdaad betrappen. Ik hou u in de gaten, want volgens mij heb ik u al vaker met die hond zien lopen,’ zegt hij beslist.
Ik loop maar door, want ik heb geen zin in dit soort flauwe kul, en zeker niet op de vroege ochtend.
Even later lopen Roos en ik weer keurig samen. Roos nog een beetje verwilderd, maar wederom aan voet, zoals ze altijd met me loopt als er geen konijnen in de buurt rondsjouwen.
Een eind verderop zie ik een man moeizaam voortbewegen. Hij sjort een groot zwart voorwerp aan een lijn met zich mee. Waar loopt die man in godsnaam mee? Het lijkt wel een pluche speelgoedbeest.
Twee jongens komen de man tegemoet lopen. Nadrukkelijk kijken ze naar het gevaarte dat hij voortsleept. De man stopt en kijkt fluitend naar de strakblauwe lucht. De twee halen hun schouders op en lopen door. Opnieuw sleurt hij het gevaarte met zich mee.
Nu zie ik pas dat het een jonge bouvier is die zijn vier poten stram houdt. Roos slaat aan. Haar blaf galmt door het Oosterpark.
‘Wat is ’r met uw hond?’ vraag ik.
‘Hij verdomt ’t om te lopen.’
Zelfs voor een wild blaffende Roos komt het beest niet in beweging.
De man kijkt me schaapachtig aan. ‘Ik weet ’t ook niet. Ik denk dat ik ’m maar ga terugbrengen. ’k Heb duidelijk ’n kat in de zak gekocht…’
‘Misschien moet u met hem naar een hondenpsychiater?’
‘Heb je die ook al tegenwoordig? Wat ze toch niet allemaal voor gekkigheid verzinnen…’
Ik geef de man wat adviezen, maar ze helpen niet veel: we krijgen z’n hond niet aan de praat.
‘Ik geloof wel dat uw hond zo’n zielenknijper kan gebruiken.’
Hij kijkt me verbolgen aan. Dit was weer een verkeerde opmerking van me.
Ik neem afscheid, en wens hem veel succes met z’n hond die niet wil lopen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 193, 19 mei 2017
en Oost-online.

Kijk uit voor de vrouwtjes

Onalledaags


Vandaag ruikt het naar de lente, de lucht is strakblauw. De knoppen aan de bomen knappen ongevraagd uit hun basten, de groeispurt kan beginnen. Heerlijk in de zon struinen we met z’n tweeën langs de vijver van het Oosterpark. Roos huppelt vrolijk voor me uit. Dat doet ze eigenlijk altijd; voor haar maakt het niet uit of het nu keihard regent of stralend mooi weer is: ze is het zonnetje in m’n leven.
Er zijn vanochtend veel meer mensen in het park, ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Roos is bijna loops, ze wil zelf nog niet maar ruikt wel zeer aantrekkelijk voor de mannen. Goed opletten dus, want voor je het weet zit je met een nest vol puppy’s in huis.
In een mum van tijd komt er in volle vaart een reu aangesneld. Roos’ ranzige geur lokt soortgenoten van heinde en verre aan, en baasjes zijn dan meestal in geen velden of wegen te bekennen. Zo ook nu.
De reu lebbert haar uitgebreid, maar aan Roos zie ik dat ze er niet zoveel zin in heeft. Ze blaft en hapt hem van haar af. Hij wijkt even van haar zijde en gaat daarna vrolijk door. Dan bijt ze pinnig van haar af, trekt haar lippen op en laat haar tanden dreigend aan hem zien.
Het is een flinke hond, een maat groter dan Roos. Wanneer dit mannetje van wanten weet, dan zijn we genadeloos verloren. Waar blijft toch z’n baas?
Eindelijk verschijnt hij ten tonele, en zegt tegen zijn hond: ‘Barrel man, as ’n vrouw nee zegt, dan is ’t ook nee, begrijp dat dan man.’ Hij richt zijn blik naar mij. ‘Die twee kenne wel meedoen in ’n Postbus 51-spot.’ Een flinke walm alcohol onderstreept zijn woorden.
‘Ja, dit is wel zeer duidelijke taal van mijn hond. Ze kan inderdaad wel iets in de voorlichting gaan doen…’
‘Ja, daar ken je nog wat poen mee verdienen met die meid van je. Komt d’r nog wat poen in ’t laadje man. Plaats van dat die honde je bakke geld koste…’
‘Ja inderdaad.’
Hij richt zich tot Barrel: ‘Nee is nee, maffe idioot… Kijk nou maar uit, man. Met vrouwe ken je beter geen mot maken, daar krijg je alleen maar ellende van…’ Hij kijkt me met kleine oogjes aan, en er verschijnt een kinderlijke blik in zijn doorleefde gezicht: ‘Zei m’n ouwe moer al tegen me vroeger: kijk uit voor de vrouwtjes!’ Hij neemt een slok bier uit het blikje, en lacht. Dan gooit hij een stuk touw om de nek van zijn hond, en sjort hem met moeite met zich mee. Barrel probeert zich los te rukken, want die wil met man en macht naar Roos.
‘Koest Barrel, ik heb er nou echt genoeg van. Kom mee!’

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.

Wiegedood

Onalledaags

Wiegedood

In de plassen op straat doorbreken regendruppels het spiegelbeeld van de aaneen-
gesloten huizenrij. Een vaalgele vlag aan de gevel van de drogisterij hangt er als een drijfnatte vaatdoek bij; de wind krijgt er amper beweging in.
Roos houdt haar pas in en schudt haar vacht uit. We zijn beiden al behoorlijk nat geworden op onze weg naar het Oosterpark.
In het park loopt een tiental meters voor me een vrouw in een donkerrode regenjas die tot over haar knieën hangt. Ze draagt bruine, hoge laarzen met spekzolen, die een zuigend geluid voortbrengen. Ze loopt met een ouderwetse kinderwagen – model jaren zestig – en een aangelijnde hond, die haar ondanks zijn manke achter-
poot voorttrekt. Het heeft iets aandoenlijks. De chowchow trekt haar naar een lantaarnpaal, ruikt, tilt zijn manke achterpoot moeizaam op en pist tegen de uitgebeten plek.
Inmiddels is de regen gestopt, en komt de zon stilaan achter de wolken tevoorschijn. Ik haal de vrouw in, en gluur terloops in de kinderwagen. Er ligt geen baby in maar een hondje, goed toegedekt met een roze dekentje. Het kijkt me pienter aan.
Ik kijk de vrouw aan, en knik verlegen met mijn hoofd.
Ze vraagt me hoe mijn hond heet?
‘Roos.’
Met haar donkerbruine ogen kijkt ze me indringend aan. ‘Ben je boos pluk een roos…’ zegt ze vrolijk, en aait Roos over haar kop. ‘Mijn hond heet Dolly.’
Onder haar regenjas bevindt zich een vrijwel vormeloos lichaam, haar gezicht is mollig en aan haar kin zitten enkele zwarte haartjes.
‘We wouen d’r zelfde naam geve als ons overlede dochtertje. Maar toch maar nie gedaan. Wiegedood was ’t volgens dokter, en ik ken nou geen kind’ren meer krijge.’
Het donzige hondje blijft me intens aankijken. Het beestje maakt een heel wijze indruk op me. Het is net alsof ik naar een reïncarnatie van een mens kijk.
Als ik goed naar de vrouw kijk, zie ik dat ze nog jong is. Haar plompe voorkomen maakt haar een stuk ouder.
Met haar hand strijkt ze het groezelig blonde haar naar achteren. ‘We zijn ook verhuisd naar ’n andere buurt, na d’r dood. Je hoorde ze fluistere.’ Met haar hand maakt ze de fluisterbeweging en ondertussen kijkt ze naar het hondje in de kinder-
wagen. Dan barst ze in tranen uit.
Daar sta ik. Wat moet ik zeggen? Alleen omdat ik met een hond voorbijkom en even iets langer een blik in de kinderwagen werp, spreekt ze me aan en giet in enkele minuten een heel drama over me uit.
‘Maar, ik wil hier ook weer weg.’ Ondertussen veegt ze haar tranen met een zakdoekje weg.
‘Maar in Zuid wil ik ook nie wonen. D’r was ’k laatst. Wat ’n kakbuurt zeg.’
‘Nee, dat is ook niks,’ lispel ik. Ik wens haar sterkte en neem afscheid.
Roos hobbelt weer vrolijk met me mee: het maakt haar allemaal niets uit met wie ik sta te praten. Heerlijk zo’n onbevangen kijk op het leven…

Verschenen in Metro, 27 mei 2015
Dwars door de Buurt, nummer 191, 10 februari 2017
en Oost-online.

Fred Flinter

Onalledaags

Fred-Flinter1
‘Yabba-Dabba-Doo!’ staat er op de voorkant van een oranje Vespa-car geschilderd. Het tweetakt-wagentje staat vlakbij de ingang van het Oosterpark. Aan de zijkanten zijn Fred, Wilma, Barney en Betty, de kinderen en de baby dinosaurus er met verschil-
lende kleuren opgeverfd. Beide families zitten in Fred’s ‘benenwagen’ met de stenen wielen, en Barney roept enthousiast ‘Let’s go’.
Ik sta de ‘Flintmobiel’ te fotograferen.
‘Dat vind ik ’n gaaf autootje,’ zegt een meisje met ravenzwarte haren dat op mij af komt lopen enthousiast. ‘Ja, écht supergaaf. Is-ie van u?’
‘Nee, maar ik vind hem ook heel mooi. Daarom maak ik er een foto van.’
Het meisje is een jaar of zes. Ze draagt een vrolijk gekleurd jurkje en rode kniekousen.
‘Zou die zijn van Sinterkláás? Ik zag ’m net lopen met twee Pieten. Wel mooi voor Sinterkláás. En de cadeautjes kunnen daar allemaal achterin.’
‘Nee hoor, die is niet van Sinterklaas. De Sint is vast met z’n paard gekomen. Trouwens in dit karretje past hij nooit met zijn mijter in.’
Ze kijkt me met haar donkere oogjes vragend aan. ‘Wat is mijt?’
Ik glimlach. Een mijter is een hoge, rode muts met een gouden kruis erop, die de Sint op z’n hoofd draagt.’
‘O die. Ja, maar die zet-ie dan toch gewoon af,’ zegt ze doodgemoedereerd.
‘Nee, de Sint zet nooit zijn mijter af, als hij dat doet dan is hij geen échte Sinterklaas.’
‘Ook niet als-ie gaat slapen?’ In haar stem klinkt medelijden door.
‘Ja, dan natuurlijk wel, en thuis ook, maar niet als hij onder de mensen is.’
‘Ik mag van m’n vader geen schoen zetten,’ zegt ze een beetje zielig. ‘Papa zegt dat Sinterkláás alleen bij Nederlanders komt, en niet bij ons… En ook omdat we geen schoorsteen hebben.’ Ze kijkt een beetje treurig, en zegt dan: ‘Maar bij Louise, m’n vriendinnetje, hebben ze ook geen schoorsteen, en die heeft wel al wat in haar schoen gevonden…’
Ik knik, werp het onderwerp over de andere boeg en begin over het autootje.
‘De eigenaar heeft er een Fred Flintstone-auto van gemaakt. Van de tekenfilm die jaren geleden, toen ik zo’n beetje net zo oud als jou was, op de televisie was.’
‘Die Fred Flinter ken ik niet, maar ik vind ’t wel ’n heel gááf autootje.’
Tja, hoe leg je een Turks meisje van zes uit wie Fred Flintstone was?
‘Nou ik ga weer, misschien kom ik Sinterkláás nog op z’n paard tegen. Doei.’

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 190, 18 december 2016
en Oost-online.

Roepende in de woestijn

Onalledaags

Roepende
Een laagje mist hangt boven het grote veld waar meeuwen als volleerde voetballers dribbelen, driftig op zoek naar regenwormen. In de verte ziet Roos haar vriendinnetje Tilly. Ze rent erop af en samen sjezen ze over het veld, officieel mogen ze dat niet – het kan je als baas een boete opleveren van maar liefst honderdtwintig euro.
Een tijdje geleden reden twee handhavers met hun scooters dwars over het zompige veld om mij in het midden op de bon te slingeren. Weken erna waren de diepe sporen van hun wielen nog zichtbaar. Dan vraag je je toch af wie brengt hier de grootste schade toe? Toch niet die onschuldige man met zijn lieve hond? Die honderdtwintig euro van me kan het Stadsdeel besteden aan graszaad om de gemaakte sporen weg te moffelen.
We laten onze honden maar even rondrennen: hier hebben ze de ruimte om hun energie kwijt te raken. Want dat heeft een hond in de stad toch écht dagelijks nodig.
Een tiental meter voor ons loopt een vrouw in een donkerblauwe lange regenjas, op haar hoofd een regenkapje, in haar linkerhand een lange witte stok. Ze waggelt een beetje, stopt en roept haar begeleider. In haar andere hand houdt ze het tuig vast waarin hij haar door het leven leidt. Waar is haar trouwe makker?
‘Waar bent u ’m kwijtgeraakt?’
‘Daarachter. Ik heb hem losgemaakt, zodat hij zijn behoefte kon doen, en zich even vrij kon bewegen. Ik doe dat wel vaker met hem.’ In haar stem klinkt lichte paniek door, haar donkere ogen staren me leeg aan. Ze moet zich als een roepende in de woestijn voelen. Stuurloos. Van God verlaten. Haar begeleider heeft zijn vrijheid wel écht genomen.
‘Ik ga ’m voor u zoeken.’
‘Heel fijn van u meneer.’
‘Wat voor ’n hond is het?
‘Een witte labrador.’
Ik tast het grote veld af, maar vang geen glimp van hem op. Dan loop ik naar verderop gelegen struikgewas en zie hem daar flink schranzen. Hoeveel geduld en training heeft het wel niet gekost de eeuwige vraatzucht uit hem te bannen? En als klap op de vuurpijl gaat hij stiekem genieten van die verrukkelijke boterham met leverworst. Deze labrador weet donders goed dat zijn baasje het toch niet ziet. Dit zal-ie vast vaker doen, want labradors staan bekend om hun onwijze gulzigheid.
Ik loop resoluut op hem af. Hij blikt me verschrikt aan, verbaasd dat ik hem kan zíen. Wanneer ik hem benader om hem bij zijn nekvel te grijpen, rent hij van me weg. De struiken uit, en sjokt dan, als de onschuld zelve, naar zijn baas. Ondertussen nakauwend op een korst brood.
‘Waar was je nou Sjors? Toch niet weer aan het vreten?’ Ze schudt haar hoofd, en bevestigt zijn tuig.
Ze bedankt me, en we wensen elkaar een fijne dag. Sjors zit weer in zijn keurslijf, en samen schuifelen ze voort. Hij werpt nog even een blik de struiken in, maar weet zich gelukkig in te houden. Het zou toch een dolkomisch, maar tevens triest, moment zijn als hij dat lekkers toch niet weet te weerstaan en daarmee zijn baas het struikgewas in sleept.

Verschenen in Metro, 28 september 2015.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 189, 28 oktober 2016
en Oost-online.

Helen of Troy

Onalledaags

Havik

Nu en dan komt er een hoog piepend geluid uit zijn keel omhoog geborreld. De jonge havik zit op een stok die midden op het veld met een stang in de grond staat geprikt. Een kraai kijkt hem vanaf de grond met argwaan aan, terwijl de havik hem strak in de ogen staart. De spanning is om te snijden. Plots laat de havik zich van zijn stok op het gras vallen, het belletje aan zijn poot rinkelt. Verbolgen vliegt de kraai met luid gekras weg.
Mijn hond, Roos, kijkt naar het schouwspel alsof het een dagelijks tafereeltje is. Het is te warm voor haar om zich er druk om te maken.
Een veertigtal meter verderop staat een man. De rand van zijn hoed houdt de zon uit zijn ogen. Zijn linkerhand en zijn onderarm zitten in een leren handschoen; de havik is met een lang, dun koord aan hem verbonden. Hij positioneert zijn hand en een hoog fluitsignaal weerklinkt door het Flevopark. De havik kijkt op, fladdert terug op zijn stok en komt in een glijdende vlucht op hem af. Elegant landt hij op zijn arm en pikt verwoed aan de eendagskuiken die de man tussen duim en wijsvinger vasthoudt.
Ik loop op hen af. ‘Dat gaat er bij hem in als koek.’
‘Het is een meissie,’ antwoordt hij mij.
Ondertussen bekijkt Roos de havik. Het is voor het eerst dat ze een roofvogel van zo dichtbij ziet, maar vandaag windt het haar niet op.
De man vertelt me dat hij haar dagelijks op de weegschaal zet. ‘Twintig gram te zwaar en ze vliegt niet meer. Dan heb ze geen honger en komt ze niet meer van d’r verdomde stok af.’
Na nog enkele vluchten heeft ze er weinig trek meer in. Fervent blaast hij op zijn fluitje, maar ze reageert er niet langer op. Ze heeft zich demonstratief met haar rug naar hem toegekeerd.
‘Het is duidelijk te warm voor mevrouw.’
‘Hoe oud is ze?’
‘Tien weekies.’
‘Ah, dan zal ze nog wel veel moeten leren?’
Hij knikt met zijn hoofd. ‘Ja, net als bij kleine kinderen. Je mot ze werkelijk nog alles leren.’
‘Heeft ze ook een naam?’
‘Maar natúúrlijk, ze heet Helena.’
‘Zo, dat’s een bijzondere naam.’
‘Helena van Troje, weet je wel. Die bloedmooie Helena.’
‘Zij wordt vast ook zo’n begeerlijke meid,’ zeg ik lachend.
Hij kijkt me fier aan en glimlacht.
Als er hoog in de lucht halsbandparkieten krijsend overvliegen, kijkt Helena omhoog en beweegt haar kopje met de vlucht mee. Haar blik straalt smullen uit.
‘Ja ja, mevrouw ziet ze wel. Eens komt er een dag dat ze d’r achteraan gaat, één uit de lucht prikt en hem oppeuzelt. Ja, ik moet haar verdomd goed op gewicht houden; ze mag geen honger krijgen. Anders ben ik d’r nog kwijt ook.’
‘Tja, een vogel blijft een vogel.’
‘Nou zo snel is ze niet weg hoor. Ze blijft afhankelijk van me. Ze ken eigenlijk alleen mijn hè. Ik ben als ’t ware d’r bloedeigen moedertje.’
Ik wens hem veel succes met het onderrichten van zijn kind, en loop het park verder door.
Plots zoeft er een meisje op skates rakelings langs me. Ze duwt in volle vaart een kinderwagen voor zich uit.
Verderop in de schaduw zitten twee Surinaamse mannen op een bankje. Ik vang op dat ze het over Helena hebben.
‘Gevaarlijk zo’n beest, man. Een échte rover.’
‘Ja, we moeten écht uitkijken met die vogel.’
Beiden zijn de trotse bezitters van een klein zangvogeltje. Ieder eentje. Ze zitten elk in een kooitje die enkele meters verder aan twee boomtakken hangen. De vogeltjes zingen niet en dat is voor Surinaamse zangvogeltjes een kwalijke zaak. Die beestjes moeten fluiten; het liefst zoveel en zo prachtig mogelijk, want daar vallen prijzen mee te winnen.
Als er een zwerm halsbandparkieten overvliegt, kijken de zangertjes verschrikt omhoog. Van de weeromstuit slaken ze kreetjes, met fluiten heeft het niets van doen.
‘Hebben ze vandaag al gefloten?’ vraag ik nieuwsgierig.
Beide mannen kijken me gelaten aan. ‘Het is duidelijk te heet voor ze,’ zegt een van hen.
Verbaasd kijk ik ze aan. ‘Maar in Suriname is het toch vele malen warmer?’
‘Dat is helemaal waar meneer, maar deze vogeltjes zijn hier geboren. Ja en dan zitten ze nu in dat klammig warme weer.’
‘En mooi zingen, ho maar,’ flap ik er uit.
‘Nou, dat valt reuze mee hoor. Ze zingen als nachtegalen zo mooi. Met de Gele bek heb ik heel wat prijzen binnengehaald. Ja serieus.’ Hij wijst naar het linker kooitje waar een leigrijs vogeltje met een felgeel snaveltje in zit.
Terwijl we met elkaar praten, zie ik Helena naar het linker kooitje vliegen. Van schrik staan beide mannen op van het bankje en ze schreeuwen naar de valkenier. Met een ruk aan het koord grijpt hij in. Helena hangt stil in de lucht, fladdert en valt onder het kooitje op de grond. Beide mannen rennen eropaf. Spartelend ligt Helena eronder.
De valkenier komt aangerend en grijpt haar bij de klauwen. De fiere blik is van zijn gezicht vertrokken. Ondertussen knoopt hij Helena met een koordje bij haar poten aan zijn handschoen vast, en kijkt in de kooitjes. ‘O mijn god, wat verschrikkelijk, uw vogeltje…,’ stamelt hij uit. Het vogeltje met de gele bek is van zijn stokje gevallen en ligt met zijn pootjes omhoog.
De Surinamer staat er beduusd bij. Tranen lopen langs zijn neus omlaag. ‘M’n vogeltje,’ komt er hakkelend uit. ‘O mij god, m’n lievelingetje is dood…’
Ondertussen is Helena van de schrik bekomen. Monter kijkt ze naar het andere kooitje vlak boven haar. Haar vlijmscherpe blik is gericht op het lichtblauwe vogeltje dat wild fladderend door zijn kooitje schiet.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 188, 16 september 2016,
en Oost-online.

Een mogelijke bekeerling

Onalledaags

Mogelijke bekeerling
Het gras van het grote veld van het Oosterpark kleurt felgroen op door de weerkaatsing van de zon op deze prachtige voorjaarsdag. Het park heeft een ingrijpende renovatie achter de rug, en de grasmat is nog steeds herstellende. De waterplassen van de hevige regenbuien zijn weer verdwenen. De lucht is strakblauw, en vormt met het felle groen een magnifiek contrast.
Het valt me op dat er vanochtend veel meer mensen in het park zijn. Ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Ik neem plaats op een bankje en geniet van de verkwikkende warmte. Op het andere bankje naast me duikelt een jonge man plotsklap voorover. Naast hem staat een nagenoeg lege fles whisky. Dat vormt voldoende bewijs voor me om niet in te grijpen. Roos kijkt verbaasd naar de wijd uitgespreide, lange jas maar ze slaat niet aan. Pas wanneer de dronkaard op handen-en-voeten naar zijn plek terug strompelt, komt ze in actie en wanneer de man een riedeltje terug blaft dan is voor haar de maat vol. Haar hoge blaf weergalmt door het Oosterpark. Na een hoop gestuntel en geklauter zit de man weer rechtop, en is het voor Roos weer in de haak.
‘Ik kan niet meer weg,’ rochelt hij mijn kant op.
‘Nou dan zou ik dat laatste restje maar mooi laten staan.’
Met een glazige blik kijkt hij me aan en knikt instemmend.
‘Blijf maar even rustig zitten.’
‘Ja meneer,’ mompelt hij gedwee.
Geen reguliere drinker. Een onaangenaam bericht heeft hem vast verrast en dat heeft hij flink willen weg zuipen op deze prachtige, zonnige voorjaarsochtend.
Even later staat er een vrouw voor me. Mantelpakje, permanentje, nep parelkettinkje. In haar hand een foldertje dat ze me voorhoudt: JEZUS LEEFT EN KAN U REDDEN, staat er in rood gedrukt.
‘Vandaag niet mevrouw, het is me te mooi weer!’
‘Dankzij Jezus kunt u van de zon genieten meneer.’
Ik moet toegeven dat ze zeer gevat antwoord geeft. Toch schud ik mijn hoofd. Dan loopt ze door. Geen ellenlange dialogen deze keer: dit is een doorgewinterd exemplaar.
Mijn buurman is de volgende klant. De dronkaard krijgt de folder voorgeschoteld.
‘Kan ik uw arm lenen?’ vraagt hij plompverloren.
Niet-begrijpend kijkt ze hem aan en buigt zich naar hem toe. Opnieuw vraagt hij om haar arm.
Ze steekt haar rechterarm uit en hij hijst zich moeizaam aan haar op. Ze moet zich flink schrap zetten om niet uit balans te raken, maar het lukt haar. Met beide handen ondersteunt ze hem. De folder dwarrelt naar de grond. Traag schuifelen ze voort, maar bij het volgende bankje ploft hij als een te zwaar geworden last neer. Zij vleit zich barmhartig naast hem. De dame komt haar gelofte strikt na; zij deelt niet alleen domweg folders uit. In deze man heeft ze het ultieme slachtoffer gevonden.
Een vijftal minuten later sjokken ze door naar een volgende bank. Het bekeren gaat hier in fasen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 186, 20 mei 2016,
en Oost-online.
Eerder verschenen in Trouw en Metro.