Zwartrijdende hond

Onalledaags

Zwartrijdende-hond
Dada noem ik haar om haar onconventionele gedrag. Zo plast ze nauwgezet boven het afvoerputje van de douche, loopt schaamteloos met je mee het toilet in, duwt daar haar snuit in je kruis, slurpt uit haar waterbak waarbij de helft over de rand gutst en springt zonder blikken of blozen op de bank.
Dada is een wit met bruin en zwart gevlekte beagle-achtige die op een zondag-
middag in het Oosterpark als een bezetene rondrent.
‘Is dat uw hond die daar rondrent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die is? Maar het lijkt erop dat er geen baas bij is.’
‘U moet uw eigen hond hier aanlijnen.’
Ik kijk naar Roos, die keurig aan voet met me meeloopt, en schudt m’n hoofd. ‘Jullie kunnen je beter om dat hondje bekommeren. Er is duidelijk geen baas bij. Dat hondje is helemaal de kluts kwijt. Zien jullie dat dán niet?’
‘Dat is niet onze taak meneer. Als u uw hond nú niet aanlijnt dan gaan wij u bekeuren.’ Hij kijkt me vanachter zijn stuur onverbiddelijk aan. Zijn stropdas zit wat slordig geknoopt, zijn pet een beetje scheef op zijn hoofd, en onder die pet zitten grijze haren. Triest eigenlijk, wanneer je op die leeftijd dagelijks nog dit soort werk doet. De godganselijke dag in een busje rondtuffen, en alleen maar bezig zijn je medemens een vervelende dag te bezorgen, en een kleine honderd euro uit zijn of haar porte-
monnee te troggelen omdat er een hond niet is aangelijnd.
Ik klik Roos aan en ren achter het hondje aan dat in paniek het park uit rent, de weg oversteekt en er op een haar na niet meer is. Vlug loop ik op het hondje af en til het op; blij likt ze m’n nek. Dada draagt een halsbandje, maar daar zit geen naamplaatje aan.
De handhavers zijn in geen velden of wegen te bekennen. Wanneer je ze nodig hebt, dan drukken ze hun snor.
Bij het politiebureau willen ze het hondje in een kooi stoppen, want het dierenasiel is gesloten. Dat kan ik niet over mijn hart verkrijgen en ik neem Dada mee naar huis. Op de trap naar boven kom ik Ibrahim, mijn buurjongetje, tegen. Verrukt kijkt hij me aan.
‘Heb je nieuw hondje?’
‘Ik heb ’m in het park gevonden. Hij lag bijna onder een auto.’
‘Hoe heet hondje?’
‘Weet ik niet, maar ik noem ’m Dada.’
‘Is jongen of meisje.’
‘Een meisje.’
‘Moet-ie naar school?’
‘Ja zeker, want hij moet nog héél véél leren. Hoe hij moet oversteken: eerst naar links kijken, dan naar rechts, weer naar links en dan pas oversteken.’
‘Ikke van mama leren, niet van juf.’
Wat moet ik daarop zeggen? Ik kan toch moeilijk tegen hem zeggen dat het hondje bij zijn moeder is weggehaald. ‘Tja… Dada moet alles nog op de hondenschool leren. Ze is nog heel jong.’
‘Hoeveel?’ Hij laat zijn vingertjes zien.
‘Misschien pas één jaar.’
Ibrahim steekt vier vingertjes omhoog. ‘Ikke ouder. Ikke meer weten.’
Die avond bel ik de Dierenkwijtlijn, en het blijkt dat Dada een Oekraïense bazin heeft die in Oud-West woont. Ik vond Dada in het Oosterpark. Het kleine ding is dwars door Amsterdam getrokken, zonder een auto te raken. Moet ze nog wel naar school?
De dame van de Dierenkwijtlijn kijkt er niet vreemd van op – honden nemen gewoon de tram: ze hobbelen achter mensen aan de tram in en stappen haltes later uit. Ik vind Dada een heel slim hondje. Met lijn 14 breng ik haar terug naar haar baas, en ver-
domd de kleine Dada beklimt tree voor tree de tram en springt direct bij mij op schoot.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 183, 18 december 2015
en Oost-online.