Vrijpostige barbie

Onalledaags

barbie
Via een opening in de heg valt mijn oog op Willemijn, de buurvrouw, die met een stel kussens de tuin in loopt. Met haar lange blonde haren, smalle schouders, wespentaille, en haar meterslange benen is ze een levensechte barbiepop.
Het toeval wil ook nog eens dat Willemijn barbies verzamelt. Ze heeft de complete reeks, vanaf de eerste barbie die in 1959 op de markt kwam tot aan de allernieuwste. Dat heeft ze me een keer met trots verteld.
Op mijn vraag of ze Barbies vriend, Ken, ook in haar verzameling heeft, antwoordde ze resoluut: ‘Nee, die vind ik absoluut niet leuk, ik vind ’m een vreselijke kwal en ook nog ’ns lelijk!’
Haar vochtige benedenhuis, dat ze met drie pensloten en een ijzeren strip heeft beveiligd, is te klein om haar verzameling naar behoren te etaleren. De meeste liggen languit gestrekt in een schoenendoos, wachtend op mooi weer, want dan mogen haar lievelingen naar buiten.
Elk jaar moet ik op dat spektakel wachten, maar vandaag is de dag aangebroken. De zon schijnt fel en het is al aangenaam warm. Haar halve tuin ligt nu bezaaid met kussens en opgestapelde dozen. Willemijn opent telkens een deksel van een doos, tilt voorzichtig een barbie eruit, trekt het jurkje strak en vleit haar op een kussen. Sommige barbies streelt ze even, van een andere kamt ze de lange blonde haren, en aan een andere ruikt ze even onder de oksel voordat ze haar neerlegt.
Wanneer al haar barbies in de zon liggen, pakt ze de stretcher uit het schuurtje, vouwt hem uit en vleit zich naast haar troetelkinderen. Willemijn heeft een donkerroze jurkje aan dat ze tot aan haar heupen heeft opgestroopt, de bandjes om haar schouder heeft ze omlaag getrokken. Er is slechts één barbie in de verzameling die een identiek jurkje met dezelfde kleur aan heeft.
Naarmate het warmer wordt, staat ze op en loopt haar huis in. Even later verschijnt Willemijn in een lichtpaars badpakje. Opnieuw is ze ijverig bezig met haar barbies. Nu krijgen ze allemaal verschillende badpakjes aan. Sommige krijgen een bikini aangetrokken, en er ligt er nu ook eentje topless. Ze heeft het er maar druk mee. Zou ze de barbies ook nog met zonnebrand gaan insmeren? Ze is er gestoord genoeg voor, maar dat doet ze dan weer niet. De plastieken lijfjes kunnen de versterkte uv-straling als gevolg van de gaten in de ozonlaag klaarblijkelijk goed verdragen.
Een halfuurtje later ligt ze weer op haar stretcher, naast al haar barbies, en smeert ze haar meterslange benen in met zonnebrand. Nog steeds ligt ze in haar badpakje; helaas niet zoals die ene vrijpostige barbie die daar zo heerlijk met spitse borstjes ligt te zonnen.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.

Fata morgana

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Fata Morgana’ van Iris Le Rütte.
De drie plaatstalen beelden staan langs de spoordijk ter hoogte van de Ringdijk en de Wibautstraat. De drie dromedarissen strekken zich uit over een lengte van 15 meter, en zijn daar in 2005 geplaatst.

De dromedarissen hobbelen onverstoorbaar langs het spoor, tussen de razende treinen en de auto’s van de Wibautstraat. Ze bewegen zich door deze desolate stedelijke woestenij als drie donkere silhouetten langs de horizon, op weg naar het oosten.

Stedelijke woestijn
Iris Le Rütte in een radio-interview: ‘Het is begonnen met een studieopdracht voor de Wibautas waarvoor tien kunstenaars waren uitgenodigd. Ik had een aantal plekken van die Wibautas er uitgelicht om te kijken of ik daar een iets minder unheimischer plek van kon maken. Op een foto had ik de drie dromedarissen getekend. Ik wilde een soort vervreemdend effect, het is daar écht een stedelijke woestijn. Ik zag die horizon voor me en het was een non-plek, echt een plek waar je niet wilde zijn. Ik zag dat voor me en dacht als daar die drie dromedarissen lopen, doen ze mee met al die verkeersstromen: de fietsers, de auto’s, de treinen, de metro’s en ze gaan er tegenin. Ze gaan de andere kant uit, richting het oosten, ook heel symbolisch. Die plek is nu volgens mij veel minder unheimisch geworden.’ (Interview op NPO-radio 1, november 2015).

Eeuwig balanceren
Het werk van Iris Le Rütte is veelzijdig, poëtisch en gelaagd. In haar beelden voor de openbare ruimte lijkt zij het leven van de feeërieke kant te tonen, maar bij nadere beschouwing blijkt haar werkelijkheid eerder ambigu. Iris nodigt in haar beelden de beschouwer uit om plaats te nemen in haar universum, waarin mensen, dieren en dingen naar evenwicht moeten zoeken en eeuwig balanceren op de rand van het mogelijke. Haar beelden brengen het publiek even in een andere wereld, die de werkelijkheid niet schuwt, maar waar ook ruimte is voor transformatie en verstilde bezinning in plaats van een snel oordeel.
Inspiratiebronnen voor Le Rütte zijn onder meer de dichtkunst en de klassieke literatuur.

Iris Le Rütte (Eindhoven, 1960) is beeldend kunstenaar en dichter. Zij studeerde aan de Amsterdamse Academie voor Beeldende Vorming en de Rijksakademie van Beelden Kunsten. Zij maakt grote sculpturen voor de openbare ruimte.
Haar werk bevindt zich in musea zoals Beelden aan Zee, en in bedrijfscollecties zoals van Ahold en Akzo Nobel.
Onlangs verscheen haar debuutbundel Ik dicht je bij me, waarin haar gedichten verlucht zijn met eigen tekeningen. Iris’ werk kenmerkt zich door ambiguïteit: waar het op het eerste gezicht harmonieus en lieflijk lijkt over te komen, blijkt daaronder veelal een donkere laag die daarmee contrasteert, schuurt of wringt. Maar de verwondering over het leven, in al zijn aspecten, blijft altijd zichtbaar. Haar werk wordt gezien als toegankelijk, semirealistisch en sprookjesachtig, waarbij silhouetten, schaduwen, spiegelbeelden, mensvormen en dieren een belangrijke rol spelen.

Het gedicht ‘Echt’ van Iris le Rutte:

ECHT

De wolken hebben pootjes
en grazen in het blauwe gras.
Een schoorsteen steekt scheef
uit het rode dak, de rookpluim
buigt schuin om de koperen zon
de hoogte in. Lieveheersbeestjes
kruipen door glutonlicht, waarin alles
niets weegt. Hier heeft mijn
hoofd gewoond, toen de wereld
nog in een jampot paste. Geen ladder
om eruit te komen.

Dit gedicht behaalde de Top 20 van de Turing gedichtenwedstrijd in 2014.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 193, 19 mei 2017
en Oost-online.

Ochtendgymnastiekende hond

Onalledaags

Illustratie: Judith Lammers

De zon hangt laag, ze komt net boven de daken aan de Oosterparkstraat uit. Frêle mist hangt boven het grote veld waarop een groep meeuwen dribbelend op zoek is naar regenwormen.
Roos sjeest plots van me weg, in de verte huppelt een konijn, het witte staartje hipt vrolijk met elke beweging mee. Dwars door de struiken gaat het nu. Het lijf van Roos komt in sprongen boven het struikgewas uit: ochtendgymnastiek in het Oosterpark. Na een paar daagjes haar vriendje – een konijnenjager pur sang – als logeetje te hebben gehad, is het van god los met die meid van me. Ondertussen zit het konijn hoog en droog in zijn hol, maar dat heeft Roos nog niet door, de geur zit flink in haar neus. Maar ze heeft nog nooit een konijn in de kraag gevat.
‘Is dat uw hond die daar door de struiken rent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die hond is?’ zeg ik met een onschuldig gezicht. Ik zit niet te wachten op een bekeuring van honderd euro voor een onschuldig ochtendgymnastiekende hond.
De handhaver kijkt me met ongeloof vanachter zijn stuur aan. Zijn stropdas zit wat slordig geknoopt, zijn pet een beetje scheef op zijn hoofd, en onder die pet zitten grijze haren. Triest eigenlijk, wanneer je op die leeftijd dagelijks nog dit soort werk doet. De godganselijke dag in een autootje rondtuffen, en alleen maar bezig zijn je medemens een vervelende dag te bezorgen, en honderd euro uit zijn of haar portemonnee te troggelen omdat er een hond niet is aangelijnd.
‘De volgende keer zal ik u op heterdaad betrappen. Ik hou u in de gaten, want volgens mij heb ik u al vaker met die hond zien lopen,’ zegt hij beslist.
Ik loop maar door, want ik heb geen zin in dit soort flauwe kul, en zeker niet op de vroege ochtend.
Even later lopen Roos en ik weer keurig samen. Roos nog een beetje verwilderd, maar wederom aan voet, zoals ze altijd met me loopt als er geen konijnen in de buurt rondsjouwen.
Een eind verderop zie ik een man moeizaam voortbewegen. Hij sjort een groot zwart voorwerp aan een lijn met zich mee. Waar loopt die man in godsnaam mee? Het lijkt wel een pluche speelgoedbeest.
Twee jongens komen de man tegemoet lopen. Nadrukkelijk kijken ze naar het gevaarte dat hij voortsleept. De man stopt en kijkt fluitend naar de strakblauwe lucht. De twee halen hun schouders op en lopen door. Opnieuw sleurt hij het gevaarte met zich mee.
Nu zie ik pas dat het een jonge bouvier is die zijn vier poten stram houdt. Roos slaat aan. Haar blaf galmt door het Oosterpark.
‘Wat is ’r met uw hond?’ vraag ik.
‘Hij verdomt ’t om te lopen.’
Zelfs voor een wild blaffende Roos komt het beest niet in beweging.
De man kijkt me schaapachtig aan. ‘Ik weet ’t ook niet. Ik denk dat ik ’m maar ga terugbrengen. ’k Heb duidelijk ’n kat in de zak gekocht…’
‘Misschien moet u met hem naar een hondenpsychiater?’
‘Heb je die ook al tegenwoordig? Wat ze toch niet allemaal voor gekkigheid verzinnen…’
Ik geef de man wat adviezen, maar ze helpen niet veel: we krijgen z’n hond niet aan de praat.
‘Ik geloof wel dat uw hond zo’n zielenknijper kan gebruiken.’
Hij kijkt me verbolgen aan. Dit was weer een verkeerde opmerking van me.
Ik neem afscheid, en wens hem veel succes met z’n hond die niet wil lopen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 193, 19 mei 2017
en Oost-online.

IJzeren totempaal

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’, een ijzeren totempaal met chakra’s van beeldend kunstenaar Theo Niermeijer. Het staat in het Oosterpark, en is daar in 1970 geplaatst.

Volgens de kunstenaar zijn het ‘symbolische voorstellingen van menselijke energiecentra’. De ronde figuren (chakra’s) die in deze totempaal zijn afgebeeld, komen uit de Oosterse filosofie (chakra betekent cirkel, wiel).
Theo Niermeijer reist in zijn jonge jaren door India, Tibet en China en raakt onder de indruk van het Zenboeddhisme. Die invloed is in zijn beeldend werk terug te vinden. Hij verdiept zich in de ceremoniën van het Zenboeddhisme, het aanroepen van de goden. ‘Het is een soort bezwering, een exorcisme, het afroepen van bescherming,’ aldus de kunstenaar, die in die periode enorme ‘blow-ups’ van tantra’s en mandala’s maakt. ‘Mijn beelden vormen een antigif tegen alle ellende die van buitenaf je (binnenste) leven verziekt. Ze dienen als middel tot meditatie.’
Niermeijer laat zich in zijn beeldend werk vaak door het spirituele inspireren.
De totempaal ‘Het Westen ontvangt, en ontmoet ’t Oosten’ behoort tot zijn vroegere werk. Het zijn totempalen, opgebouwd uit liggende ovalen, met maan- en zonnetekens, spiralen, harten en maskerachtige gezichten. Het latere werk bestaat uit abstractere beelden.

De ijzeren dichter
Theo Niermeijer (1940-2005) volgde diverse kunstenaarsopleidingen in Amsterdam, Antwerpen en Warschau. Hij was in die tijd een daadkrachtig man en een verwoed reiziger.
Zijn vrienden noemden hem ‘de ijzeren dichter’. Een van zijn ateliers bevond zich op Zeeburg. Een enorme lap grond met loodsen, woonwagens, sloopauto’s en oude vrachtwagens. Honderden van zijn sculpturen stonden er tussen wrakken en brandnetels, geleund tegen bomen en muren.
Als je als beeldhouwer door je vrienden ‘de ijzeren dichter’ wordt genoemd dan moet je toch wel iets bijzonders hebben. Die titel kreeg hij van zijn vriend, de dichter Simon Vinkenoog. Zelf noemde hij zich liever ‘de dichter van het schroot’. Die omschrijving van zichzelf was goed gekozen, want hij werkte met afvalmateriaal dat hij vond op scheepswerven, bouwplaatsen en sloperijen waar hij de overblijfselen van de metaal-snijmachines verzamelde.
Vinkenoog had in 1962 al een rake typering van de toen net beginnende Niermeijer: ‘Zijn ontluikende metalen bloemen dragen al bij voorbaat de doem van nooit-ontluiken; zijn fantastische meteorieten komen van geen enkele aarde; zijn opgezette insecten zijn nooit geclassificeerd en gecatalogiseerd; en zijn ijzeren muren en gordijnen monden uit in geen enkele politiek.’

Ode aan het leven
Het werk van Niermeijer laat zich niet eenvoudig voor je winnen. Als je echter de tijd neemt, ga je het lyrische in zijn werk zien. Het afvalmateriaal dat hij gebruikte, verwerkte hij vrijwel zoals hij het had gevonden. Het zijn verwrongen stukken metaal, zaag resten, oude onderdelen, soms met de verfresten er nog aan. Daar maakte hij beelden mee. Soms door er alleen een voetstuk onder te lassen. Zijn werk lijkt daardoor bijna als vanzelf te zijn ontstaan. De kunstenaar wilde vooral het materiaal laten spreken en het op die manier weer teruggeven aan de schepping.
Niermeijer werkte in het wilde weg, toevallig en willekeurig, zonder vast rijm en metrum. Hij had een relatie met de gedachtewereld van het Zenboeddhisme, in die zin dat je wordt geholpen door een ‘onzichtbare hand die het denken stopt en die je helpt scheppen uit de oneindige zee van creatieve mogelijkheden. Het is absoluut noodzakelijk dat je veel werkt, liefst iedere dag om die stroom aan de gang te houden en om je ogen en handen te sturen’ aldus Niermeijer.
Theo Niermeijer gaat de geschiedenis niet in als een grote, vernieuwende beeldhouwer, maar hij heeft zijn leven wel geleefd en met zichtbaar plezier, dat is wat zijn sculpturen uitstralen: een lichtvoetige ode aan het leven.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs nadat ik in het donker langs het kunstwerk liep:

NACHTELIJK TREFFEN

Bevallig, en rond
blikt ze me zonder
blozen aan

zachtjes ademt ze
haar licht in mijn gezicht
overrompelt me naakt

mijn schaduw overmeestert
de nacht, rekt zich
uit in volle lengte

fraai, en rond
blikt ze me vol
emotie aan

wijst me de weg
die ik heb te gaan

welgevormd
is de maan

zo intens
blikt ze

me aan.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.

Kijk uit voor de vrouwtjes

Onalledaags


Vandaag ruikt het naar de lente, de lucht is strakblauw. De knoppen aan de bomen knappen ongevraagd uit hun basten, de groeispurt kan beginnen. Heerlijk in de zon struinen we met z’n tweeën langs de vijver van het Oosterpark. Roos huppelt vrolijk voor me uit. Dat doet ze eigenlijk altijd; voor haar maakt het niet uit of het nu keihard regent of stralend mooi weer is: ze is het zonnetje in m’n leven.
Er zijn vanochtend veel meer mensen in het park, ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Roos is bijna loops, ze wil zelf nog niet maar ruikt wel zeer aantrekkelijk voor de mannen. Goed opletten dus, want voor je het weet zit je met een nest vol puppy’s in huis.
In een mum van tijd komt er in volle vaart een reu aangesneld. Roos’ ranzige geur lokt soortgenoten van heinde en verre aan, en baasjes zijn dan meestal in geen velden of wegen te bekennen. Zo ook nu.
De reu lebbert haar uitgebreid, maar aan Roos zie ik dat ze er niet zoveel zin in heeft. Ze blaft en hapt hem van haar af. Hij wijkt even van haar zijde en gaat daarna vrolijk door. Dan bijt ze pinnig van haar af, trekt haar lippen op en laat haar tanden dreigend aan hem zien.
Het is een flinke hond, een maat groter dan Roos. Wanneer dit mannetje van wanten weet, dan zijn we genadeloos verloren. Waar blijft toch z’n baas?
Eindelijk verschijnt hij ten tonele, en zegt tegen zijn hond: ‘Barrel man, as ’n vrouw nee zegt, dan is ’t ook nee, begrijp dat dan man.’ Hij richt zijn blik naar mij. ‘Die twee kenne wel meedoen in ’n Postbus 51-spot.’ Een flinke walm alcohol onderstreept zijn woorden.
‘Ja, dit is wel zeer duidelijke taal van mijn hond. Ze kan inderdaad wel iets in de voorlichting gaan doen…’
‘Ja, daar ken je nog wat poen mee verdienen met die meid van je. Komt d’r nog wat poen in ’t laadje man. Plaats van dat die honde je bakke geld koste…’
‘Ja inderdaad.’
Hij richt zich tot Barrel: ‘Nee is nee, maffe idioot… Kijk nou maar uit, man. Met vrouwe ken je beter geen mot maken, daar krijg je alleen maar ellende van…’ Hij kijkt me met kleine oogjes aan, en er verschijnt een kinderlijke blik in zijn doorleefde gezicht: ‘Zei m’n ouwe moer al tegen me vroeger: kijk uit voor de vrouwtjes!’ Hij neemt een slok bier uit het blikje, en lacht. Dan gooit hij een stuk touw om de nek van zijn hond, en sjort hem met moeite met zich mee. Barrel probeert zich los te rukken, want die wil met man en macht naar Roos.
‘Koest Barrel, ik heb er nou echt genoeg van. Kom mee!’

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 192, 31 maart 2017
en Oost-online.

Wiegedood

Onalledaags

Wiegedood

In de plassen op straat doorbreken regendruppels het spiegelbeeld van de aaneen-
gesloten huizenrij. Een vaalgele vlag aan de gevel van de drogisterij hangt er als een drijfnatte vaatdoek bij; de wind krijgt er amper beweging in.
Roos houdt haar pas in en schudt haar vacht uit. We zijn beiden al behoorlijk nat geworden op onze weg naar het Oosterpark.
In het park loopt een tiental meters voor me een vrouw in een donkerrode regenjas die tot over haar knieën hangt. Ze draagt bruine, hoge laarzen met spekzolen, die een zuigend geluid voortbrengen. Ze loopt met een ouderwetse kinderwagen – model jaren zestig – en een aangelijnde hond, die haar ondanks zijn manke achter-
poot voorttrekt. Het heeft iets aandoenlijks. De chowchow trekt haar naar een lantaarnpaal, ruikt, tilt zijn manke achterpoot moeizaam op en pist tegen de uitgebeten plek.
Inmiddels is de regen gestopt, en komt de zon stilaan achter de wolken tevoorschijn. Ik haal de vrouw in, en gluur terloops in de kinderwagen. Er ligt geen baby in maar een hondje, goed toegedekt met een roze dekentje. Het kijkt me pienter aan.
Ik kijk de vrouw aan, en knik verlegen met mijn hoofd.
Ze vraagt me hoe mijn hond heet?
‘Roos.’
Met haar donkerbruine ogen kijkt ze me indringend aan. ‘Ben je boos pluk een roos…’ zegt ze vrolijk, en aait Roos over haar kop. ‘Mijn hond heet Dolly.’
Onder haar regenjas bevindt zich een vrijwel vormeloos lichaam, haar gezicht is mollig en aan haar kin zitten enkele zwarte haartjes.
‘We wouen d’r zelfde naam geve als ons overlede dochtertje. Maar toch maar nie gedaan. Wiegedood was ’t volgens dokter, en ik ken nou geen kind’ren meer krijge.’
Het donzige hondje blijft me intens aankijken. Het beestje maakt een heel wijze indruk op me. Het is net alsof ik naar een reïncarnatie van een mens kijk.
Als ik goed naar de vrouw kijk, zie ik dat ze nog jong is. Haar plompe voorkomen maakt haar een stuk ouder.
Met haar hand strijkt ze het groezelig blonde haar naar achteren. ‘We zijn ook verhuisd naar ’n andere buurt, na d’r dood. Je hoorde ze fluistere.’ Met haar hand maakt ze de fluisterbeweging en ondertussen kijkt ze naar het hondje in de kinder-
wagen. Dan barst ze in tranen uit.
Daar sta ik. Wat moet ik zeggen? Alleen omdat ik met een hond voorbijkom en even iets langer een blik in de kinderwagen werp, spreekt ze me aan en giet in enkele minuten een heel drama over me uit.
‘Maar, ik wil hier ook weer weg.’ Ondertussen veegt ze haar tranen met een zakdoekje weg.
‘Maar in Zuid wil ik ook nie wonen. D’r was ’k laatst. Wat ’n kakbuurt zeg.’
‘Nee, dat is ook niks,’ lispel ik. Ik wens haar sterkte en neem afscheid.
Roos hobbelt weer vrolijk met me mee: het maakt haar allemaal niets uit met wie ik sta te praten. Heerlijk zo’n onbevangen kijk op het leven…

Verschenen in Metro, 27 mei 2015
en Dwars door de Buurt, nummer 191, 10 februari 2017.

Doe je ogen even dicht…

Sculpturen

doe-je-ogen-dicht

Tekst en fotografie: Méland Langeveld
Gedicht: K. Michel

In de reeks Sculpturen van Oost het onlangs officieel geopende herinnerings-monument langs het talud van de spoordijk aan de Tugelaweg (Transvaalbuurt). De tekst langs het talud beweegt zich horizontaal als één lang doorlopend lint,
en begint bij het Tugelahuis (Maritzstraat).

De tekst schetst een bijzonder mooi beeld van het ontstaan van de Transvaalbuurt, waar eens de koeien in de weide stonden, over de mensen die er kwamen wonen, wat ze deden, hoe het straatbeeld eruitzag, en wat er met hen in de Tweede Wereldoorlog gebeurden…
Woningcorporatie Ymere vraagt schrijver en dichter K. Michel een tekst te schrijven voor dit herinneringsmonument. Grafisch ontwerpster Hansje van Halem geeft de tekst vorm. De stedelijke vernieuwing van de Transvaalbuurt, waaraan Ymere al een aantal jaren werkt, is de aanleiding voor dit bijzondere kunstproject. De nieuwbouw en renovatie van de woonblokken aan de Tugelaweg brengt historisch bewustzijn, idealen van de sociale volkshuisvesting en de huidige stedelijke en maatschappelijke ontwikkelingen samen. Met de stedelijke vernieuwing wil Ymere het verleden van de buurt niet wegpoetsen maar daarentegen de Joodse historie en de sociale geschiedenis zichtbaar maken.

Diamantwerkers en venters
Een echte uitdaging is het om het beladen verleden van deze wijk naar het heden te vertalen. Het herinneringsmonument, dat de dichter en de vormgeefster in nauwe samenwerking met elkaar hebben ontwikkeld, laat ons een plek zien die naar de Joodse geschiedenis van de buurt verwijst. De tekst gaat over een buurt van voor de Tweede Wereldoorlog, een levendige buurt van vooral diamantwerkers en venters, een buurt van ondernemerschap en handel. Tegelijk laat het het verlies van zoveel Joodse bewoners van de Transvaalbuurt zien.
Het talud van de spoorbaan, tussen de Maritzstraat en de Cillierstraat, is door Stadsdeel Oost als een openbare groenzone ingericht. Een slingerend wandelpad verbindt speel- en verblijfplaatsen; een ontmoetingsplek voor de buurt, net als vroeger toen hier de handkarrenloodsen van de venters stonden.
Het pad met een lengte van driehonderd meter – plusminus vijf minuten lopen – leidt langs de tekst die op de bijzonder ontworpen keerwand van het talud is aangebracht. De wandeling vraagt, en geeft, aandacht voor de Transvaalbuurt, voor de buurtbewoners en voor het verleden. De snelheid en de beleving van de wandeling is voor een ieder anders.

Bijzondere uitvoering
De lichtgroene wand heeft een veertig centimeter hoge tekstband. De tekst is uit een metalen plaat gesneden en gegalvaniseerd. Daarna is het in een lichtgroene neutrale kleur – de kleur die ook in de geglazuurde tegels in de bebouwing aan de overkant van de straat terugkomt – gepoedercoat, en op de wand bevestigd.
De verdikkingen in een aantal spijlen vormen samen één letter. De vorm tussen de spijlen is uit de plaat gesneden. De letters komen als het ware uit het niets tevoorschijn en zijn tegelijk onlosmakelijk aan de plaat verbonden. Voor- en achtergrond, tekst en bladspiegel, vormen één geheel. Geschiedenis, het vooroorlogse leven, verblijf en een wandeling komen er samen.

Dichter en ontwerpster
K. Michel (1958) schreef dit gedicht speciaal voor dit kunstproject. Het gedicht is, aldus de dichter: ‘iets uitgebreider dan de tekst van het herinneringsmonument. Om praktische redenen heb ik hier en daar inkortingen aangebracht. Een ander verschil is dat het gedicht van boven naar beneden loopt en witregels heeft tussen de strofen, terwijl de tekst langs het talud geen witregels kent en zich horizontaal beweegt als één lang doorlopend lint.’
Het werk van Hansje van Halem (1978) krijgt steeds meer bekendheid. Haar letterontwerpen en grafische patronen voor schutbladen hebben een bijzonder karakter. Haar ontwerpen, en de door haar vormgegeven boeken zijn al op veel tentoonstellingen te zien geweest.

Het gedicht van K. Michel:

VAN HIER NAAR TOEN

doe je ogen even dicht, maak je blik leeg
en stel je voor dat dit ooit polderland was
eeuwenlang gras, sloten, koeien, schuurtjes

tot het ineens veranderde in een gebied
vol huizenblokken, straten en pleinen
zeg maar, in de periode voor de oorlog

kijk hier op de hoek was een haringstal
daar stond Fransman weer of geen weer
haring schoon te maken, nieuwe voor 3 cent

en hier schuin tegenover woonde zanger
dirigent Meijer Smeer en iets verderop
was de banketbakkerij van Pront en ginds

stonden karrenloodsen voor straatventers
daar werden ook spandoeken geschilderd
in de verkiezingstijd, plakkaten en banieren

het was een tijd vol onrust en vernieuwing
het was een levendige wijk waar veel mensen
uit de oude Jodenbuurt naar toe waren verhuisd

een wijk waarin diamantwerkers woonden
onderwijzers, straatventers en handelaren
een wijk met een veelal rode mentaliteit

waar zondags rumoerig werd gediscussieerd
over werkelijk alles door de mannen op straat

een wijk waar geknikkerd werd op de stoep
hoedentikkertje gespeeld en diefje met verlos

waar het sjabbatsmaal op vrijdag het hart van alles was
familie en kippensoep, gezellige drukte en snoepgoed

een wijk waar je bij veel winkels op de lat kon kopen
en waar men elkaar hielp ondanks of juist door de armoe

waar in de winter lange ijsglijbanen werden aangelegd
waar je ’s nachts treinen stoom kon horen afblazen

waar werklozen elke dag moesten stempelen
en elf soms zestien gulden per week kregen

waar op het Transvaalplein een meiboom vol slingers stond
waar omheen werd gedanst op de dag van de arbeid

waar ambtenaren bij steuntrekkers aan huis kwamen
en ter controle in kasten keken en tandenborstels telden

waar een synagoge statig in de Linnaeusstraat verrees
daar waar na de sloop een flatgebouw werd neergepoot

waar douchen in het badhuis een dubbeltje kostte
en waar je aan de rand van de buurt slootje kon springen

een woonwijk voor de oorlog waar in de zomer
bonen op straat werden gedopt en waar af en toe
na provocaties stevig met de NSB werd geknokt

voor de oorlog toen van de Joodse bewoners nog niet
bijna iedereen was weggevoerd en vermoord

voor de oorlog toen er bij het overvliegen van de zeppelin
drommen mensen verbaasd op de spoorbrug stonden
en toen de vele zangkoren namen droegen als ‘Dageraad’
‘Morgenrood’ ‘Kunst na arbeid’ en ‘Klimop’

voor de oorlog toen de hele Tugelaweg nog vieren kon
dat Sara Goedel-Trijtel honderd jaar was geworden

stel je de straat voor die dag versierd met vlaggetjes
kijk, er staat een grote muziektent voor haar huis
de opperrabbijn spreekt de jarige toe en de koningin
stuurt gelukwensen en schenkt haar een ruststoel
het weer is fris maar helder ’s avonds valt een buitje
het is juli 1937 en het rommelt al stevig in het oosten
maar zoiets als oorlog lijkt nog onvoorstelbaar ver weg.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 191, 10 februari 2017,
en Oost-online.

Fred Flinter

Onalledaags

Fred-Flinter1
‘Yabba-Dabba-Doo!’ staat er op de voorkant van een oranje Vespa-car geschilderd. Het tweetakt-wagentje staat vlakbij de ingang van het Oosterpark. Aan de zijkanten zijn Fred, Wilma, Barney en Betty, de kinderen en de baby dinosaurus er met verschil-
lende kleuren opgeverfd. Beide families zitten in Fred’s ‘benenwagen’ met de stenen wielen, en Barney roept enthousiast ‘Let’s go’.
Ik sta de ‘Flintmobiel’ te fotograferen.
‘Dat vind ik ’n gaaf autootje,’ zegt een meisje met ravenzwarte haren dat op mij af komt lopen enthousiast. ‘Ja, écht supergaaf. Is-ie van u?’
‘Nee, maar ik vind hem ook heel mooi. Daarom maak ik er een foto van.’
Het meisje is een jaar of zes. Ze draagt een vrolijk gekleurd jurkje en rode kniekousen.
‘Zou die zijn van Sinterkláás? Ik zag ’m net lopen met twee Pieten. Wel mooi voor Sinterkláás. En de cadeautjes kunnen daar allemaal achterin.’
‘Nee hoor, die is niet van Sinterklaas. De Sint is vast met z’n paard gekomen. Trouwens in dit karretje past hij nooit met zijn mijter in.’
Ze kijkt me met haar donkere oogjes vragend aan. ‘Wat is mijt?’
Ik glimlach. Een mijter is een hoge, rode muts met een gouden kruis erop, die de Sint op z’n hoofd draagt.’
‘O die. Ja, maar die zet-ie dan toch gewoon af,’ zegt ze doodgemoedereerd.
‘Nee, de Sint zet nooit zijn mijter af, als hij dat doet dan is hij geen échte Sinterklaas.’
‘Ook niet als-ie gaat slapen?’ In haar stem klinkt medelijden door.
‘Ja, dan natuurlijk wel, en thuis ook, maar niet als hij onder de mensen is.’
‘Ik mag van m’n vader geen schoen zetten,’ zegt ze een beetje zielig. ‘Papa zegt dat Sinterkláás alleen bij Nederlanders komt, en niet bij ons… En ook omdat we geen schoorsteen hebben.’ Ze kijkt een beetje treurig, en zegt dan: ‘Maar bij Louise, m’n vriendinnetje, hebben ze ook geen schoorsteen, en die heeft wel al wat in haar schoen gevonden…’
Ik knik, werp het onderwerp over de andere boeg en begin over het autootje.
‘De eigenaar heeft er een Fred Flintstone-auto van gemaakt. Van de tekenfilm die jaren geleden, toen ik zo’n beetje net zo oud als jou was, op de televisie was.’
‘Die Fred Flinter ken ik niet, maar ik vind ’t wel ’n heel gááf autootje.’
Tja, hoe leg je een Turks meisje van zes uit wie Fred Flintstone was?
‘Nou ik ga weer, misschien kom ik Sinterkláás nog op z’n paard tegen. Doei.’

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 190, 18 december 2016.

Ingegraven hoofd

Sculpturen

ingegraven-hoofd

In de reeks Sculpturen van Oost ‘Bolgewas’ van Paul Koning. Het beeld staat in het Oosterpark, en is daar in 1969 geplaatst.

Het beeld is in brons gegoten. Oorspronkelijk is ‘Bolgewas’ in beton uitgevoerd, maar in de jaren zeventig is het door vandalen onthoofd. Een nieuw exemplaar in brons komt ervoor terug. Een flinke glimlach op het gezicht trekt de aandacht. Het is een vrolijk beeld van een klein mannetje ondergronds.
Elke ochtend loop ik er samen met mijn hond langs, en elke keer kijkt hij me jolig aan. Zijn hoofd en schouders steken als een soort van bolgewas uit het gras omhoog. Hij staat in het middendeel van het park, langs het water, in de buurt van de Bokkenrijder.
Met z’n lach op zijn gezicht blijft hij zin in het leven hebben, ondanks dat-ie daar zo ingegraven staat. Als kind groef je jezelf nog weleens op het strand in, alleen je hoofd stak dan boven die berg zand uit.
Een andere gedachte over ‘Bolgewas’ vond ik bij Pierre’s column: “‘Wie zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, die wordt zijn kop afgehakt.’ We kennen die uitdrukking allemaal. ‘Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ is een variant daarop met een ietwat andere betekenis. Maar we begrijpen deze uitdrukkingen allemaal. Aan die gezegden moet ik altijd denken, wanneer ik ‘Bolgewas’ passeer. Ik kan mij telkens weer identificeren met het mannetje dat zijn hoofd boven het gras uitsteekt; ik voel met hem mee. Ik hoor in mijn gedachten de vernietigende maaimachines al aankomen, en daarom krijg ik de neiging hem toe te roepen om snel weer ondergronds te gaan.” Bron.

Naturalisme
Paul Koning, (1916-1998) was een Nederlands beeldhouwer, graficus, tekenaar en lithograaf. Zijn opleiding deed hij aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam, en hij kreeg les van Jan Bronner.
Figuur- en diervoorstellingen waren voornamelijk de onderwerpen van zijn werk. Hij werkte naturalistisch, het liefst naar model. Een korte periode heeft hij iets geabstraheerd, maar het mensbeeld bleef duidelijk bestaan. Voor zijn werk gebruikte hij materialen als hardsteen, klei, brons, gewapend beton en gips. Hij werkte in meerdere ateliers zoals aan het Rapenburg in Amsterdam en zijn atelierschip ‘Grisbi’ in Eemnes.
Drie jaar voor zijn dood verscheen het boek Paul Koning sculptuur en grafiek Eemnes met reproducties van zijn beelden en grafisch werk. (Helaas niet langer verkrijgbaar, wellicht wel tweedehands).

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het kunstwerk als uitgangspunt:

Ingegraven hoofd

Schokvast in gedachten
 zit ik tot aan mijn nek
 in de drek

steeds dieper zink ik
 weg in dit land
 zonder bodem

maar de lach
 blijft op
 mijn gezicht

want op een dag
 sjor ik me omhoog
 loop weg zonder gedachten.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 190, 18 december 2016,
en Oost-online.

De bokkenrijder

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ‘de Bokkenrijder’, een in brons gegoten beeld van een bok waar een jongen op zit. De benen van de jongen raken net niet de grond. Het beeld is van Gerrit Bolhuis.

BokkenrijderVolgens het opschrift heet het ‘de Bokkerijder’ (zonder tussen-n, volgens de spelling van vóór 1995). Het beeld staat in het midden van het Oosterpark, en is daar in 1957 geplaatst. Daarvoor staat het enige tijd in de tuin van het Stedelijk Museum, maar de beeldhouwer wil dat dit beeld een plaats krijgt bij spelende kinderen. Het beeld nodigt uit om achter de jongen op de bok te gaan zitten. Nog steeds zie je dagelijks nog wel kinderen erop klimmen, ofwel zit of hangt iemand aan de bok om zich te laten fotograferen.
Ook zijn bronzen beeld ‘de Lammetjes’ uit 1967 op het Osdorpplein is een object voor spelende kinderen. Levensechte bronzen lammetjes huppelen met de ronding van de muur mee bij de fonteinen midden op het binnenplein van winkelcentrum Osdorp.

Lammetjes

Eind jaren zestig. Foto: Stadsarchief Amsterdam

Zonder-sokkel

De bokkerijder’ hier nog in de tuin van het Stedelijk. Het stond toen niet op een bakstenen sokkel, zoals het er nu staat! Foto: Rijksvoorlichtingsdienst

Gerrit Bolhuis (1907-1975), geboren en overleden in Amsterdam, is tijdens zijn opleiding aan de Rijksacademie van beeldende kunsten in Amsterdam een veelbelovend talent. Hij wint in 1934 de Prix de Rome. Later is Bolhuis de gedoodverfde opvolger van professor Bronner als hoogleraar aan de Rijksacademie. In 1947 krijgt hij, tot zijn grote teleurstelling, deze positie echter niet.
Na de Tweede Wereldoorlog maakt Bolhuis een aantal oorlogsmonumenten, onder andere ‘Fusillade’ (1954), ofwel: ‘De gevallen hoornblazer’. In de volksmond heet het beeld ‘de keeper’, en het staat aan het Weteringplantsoen. Ook het beeld van Bonifatius in Dokkum is van zijn hand. En in Stavenisse staat een vis ter nagedachtenis aan de watersnoodramp van 1953.
Bolhuis is als beeldhouwer zeer gewaardeerd bij zijn collega’s, maar blijft onbekend bij het grote publiek. Na het winnen van de prestigieuze Prix de Rome in 1934 lijkt de wereld voor de jonge beeldhouwer open te liggen, maar de Tweede Wereldoorlog komt ertussen. Hoewel Bolhuis na de oorlog veel opdrachten krijgt, wordt zijn naamsbekendheid er niet veel groter van. In de jaren zestig raakt hij geleidelijk in de vergetelheid. Zijn teruggetrokken leven is daar grotendeels debet aan.
In 1975 overlijdt hij in Amsterdam en wordt hij op de Nieuwe Oosterbegraafplaats begraven.

Bokkerijder-foto-1969

Voorjaar 1961. Foto: J.F. Westerman. Stadsarchief Amsterdam

Limburgse bokkenrijders
De naamgeving ‘de Bokkenrijder’ heeft niets te maken met de Bokkenrijders uit Zuid-Limburg. Volgens het volksgeloof aldaar waren de bokkenrijders geesten die op bokken door de lucht reden. Van dit volksgeloof maakte een bende dieven en inbrekers gebruik om de bevolking de stuipen op het lijf te jagen. De bokkenrijders waren in de achttiende eeuw in Zuid-Limburg, de Belgische Voerstreek, de regio rond Luik en de Kempen actief. De strooptochten waren vooral gericht op boerderijen en pastorieën.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het kunstwerk als uitgangspunt:

Bokkenrijdster

De nacht borrelt naar
boven, en schuiert tegen
me aan, dan zie ik je dolen
als een bokkenrijdster
door de nacht

schraal is de wind
die wappert door je haren,
ontluisterend licht
rekt zich over je uit

vraag me niet waarheen
je moet rijden, het is de
wind die je zal leiden
naar het punt waar de dag
uit de nacht omhoogrijst

kijk niet weg in stilte, maar
sus me met zachte stem
wikkel me in je donzen deken
wrijf me warm in je herinnering

roep me één laatste maal
dan werp ik me naast je

in de dag die zich verlaat.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 189, 28 oktober 2016.