‘Les Grandes Formes’

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ‘Les Grandes Formes’ van de Franse kunstenaar Jacques Vieille. Het kunstproject staat sinds 1995 op een stukje niemandsland bij de zogenoemde Gooise Knoop, het knooppunt A10/Gooiseweg.

‘Les Grandes Formes’ is een veld van fruitbomen, in rijen van 33 opgestelde hekwerken van metaal, waarlangs de takken van 84 perenbomen, 36 appelbomen en 71 druivenstruiken in diverse patronen zijn opgebonden. Vijftien elektriciteitsmasten staan er als een woud van metalen boomstammen naast. De masten hebben dezelfde vertakkingen als de leibomen (het zijn bomen waarvan de takken in een bepaalde richting zijn geleid). Dit levert een merkwaardige spanning tussen cultuur en natuur op.
De kunstenaar is vooral geïnteresseerd in het reconstrueren van de identiteit van een plek om deze vervolgens zichtbaar te maken. Voor zijn ontwerp heeft hij zich verdiept in de geschiedenis van de Watergraafsmeer, die een rijke traditie op het gebied van tuinieren en kweken heeft. In de zeventiende en achttiende eeuw hebben welgestelde Amsterdammers hier hun buitenplaatsen en pleziertuinen – meestal naar Frans voorbeeld vormgegeven – met moestuinen, fruitbomen, vijvers, fonteinen en beeldhouwwerken.
In die periode ontstaat het idee de fruitbomen langs raamwerken op te binden. Behalve dat het een gevoel van schoonheid geeft, toont het ook handelsgeest. Verder blijken de fruitbomen op deze manier meer en mooiere vruchten te geven dan in ongesnoeide vorm.
Jacques Vieille doet hetzelfde: hij brengt op elk rek een patroon aan. Sommige patronen zijn klassiek, andere zijn bedacht door hem en leerlingen van het Florens College.
Leerlingen van deze school, dat opleidingen verzorgt in ‘Natuur en Groen’, verzorgden de aanplant en ze dragen zorg voor het onderhoud. Ze maaien het gras, wieden het onkruid en snoeien de boomsoorten in de juiste patronen.
De oogst is voor de leerlingen, maar in de praktijk smullen de vogels ervan. De bomen staan zo dicht langs de snelweg, dat je maar beter de vruchten niet kan eten.

Stukjes niemandsland
Terwijl het verkeer voorbijraast en de regen druilerig over hen neerdaalt, legt Jacques Vieille tijdens de onthulling uit: ‘De omwonenden uit Betondorp zeiden tegen mij: jammer dat je die bomen hier hebt gezet! Maar dat ben ik niet met ze eens. Juist deze stukjes niemandsland, waarvan er zoveel zijn langs onze snelwegen, moeten geannexeerd worden.’
De kunstenaar wijst op de vrij druk bevaren Weespertrekvaart die langs het beplante grasveld van tweeduizend vierkante meter loopt, en het fietspad tussen Duivendrecht en Amsterdam waar veel mensen overheen fietsen.
‘Dit moet een openbare tuin worden voor passanten en buurtbewoners. Lang zal men hier niet blijven, vanwege het verkeerslawaai. Hooguit een paar minuten, waarin je de namen van de fruitbomen kunt lezen, of een appeltje van een boom plukt.’
Een vraag uit het publiek: ‘Wat doen de elektriciteitsmasten hier, die als een klein woud van metalen boomstammen achter de leibomen staan opgesteld?’
‘Ze vertonen vergelijkbare vertakkingen als de leibomen, zij zijn de industriële pendant van de “natuurlijke” bomen die als gevolg van het snoeien uiteraard verre van natuurlijk zijn. De masten zijn vooral voor de automobilist bedoeld, als een markering van deze plaats. De leibomen zijn eerder een symbool van de controle die de mens over de natuur wil hebben. Toch zal de natuur haar gang gaan midden in dit inferno van het moderne leven. De fruitbomen zullen bloeien en vrucht dragen, daar kan geen ringweg iets aan veranderen.” (17 juni 1995)

Jacques Vieille – geboren in 1948 te Baden-Baden, Duitsland – is hedendaags beeldend kunstenaar, wonend in Frankrijk. Zijn werk bestaat grotendeels uit installatiekunst en landschapskunst. Hij studeerde aan de Ecole des Beaux-Arts in Dijon.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 207, 17 mei 2019
en Oost-online.

Toren van Babel

Onalledaags

Illustratie: Judith Lammers

De gehuurde herenfiets trapt voor geen meter. Op Hailuoto, het kleine Finse eiland, waar ik een weekje op vakantie ben, had ik geen andere keus, en daarbij was de huurprijs spotgoedkoop. Maar nadat nu ook de ketting er geregeld afvliegt, is voor mij de maat vol: ik wil nou écht een andere fiets.
De koffiekantine, annex fietsenverhuur, is echter gesloten. Wel staat er een bord buiten waarop met krijt geschreven ‘kahvi kanssa leivonnaiset’ staat. ‘Kahvi’ kan ik nog ontcijferen omdat het bord bij een koffiehuis staat, maar die andere twee woorden zijn voor mij onherleidbaar. Later zoek ik die op en het blijkt ‘met gebak’ te betekenen.
In de directe omgeving van de koffiekantine is er niemand te bekennen, maar even verderop bij het haventje zie ik een man met een rosbruine baard staan, in zijn mondhoek hangt een pijp. Zijn overgebleven haren op zijn nagenoeg kale hoofd zitten steil naar achteren gekamd. Hij kijkt naar de vissers die hun vangst aan het lossen zijn. Ik loop met mijn fiets op hem af, richt me in het Engels tot hem en vraag hem of hij weet waar de eigenaar van de koffiekantine woont?
Er rollen voor mij volslagen onbekende klanken uit zijn mond. Gelardeerd met vele klinkers. Ik kan er werkelijk niets van brouwen. Na zijn stortvloed lacht hij me vriendelijk toe. Ik beantwoord zijn lach en probeer het met andere woorden opnieuw. Halverwege schakel ik over op het Nederlands. Wat maakt het uit, hij verstaat toch geen Engels.
Nogmaals stort hij een woordenbrij over me uit. We komen geen stap nader tot elkaar. Nu laat ik mijn fiets zijn zegje doen. De bel knarst. Ik til het achterwiel van de grond en duw met mijn voet de trapper aan. De ketting knierpt en dondert er voor de zoveelste keer vanaf.
Hij wenkt me met zijn arm. Eindelijk zit er schot in onze conversatie: hij begrijpt, geloof ik, de taal van mijn fiets. Wat fietsen onderling toch niet voor elkaar kunnen krijgen: er gaat een wereld voor me open. Langs de houten huisjes die alle een andere kleur hebben, lopen we de heuvel op. Daar staat een fiets, goed ingevet, te blinken. Een lederen zadel, geen krasje of spatje roest te bekennen: een toonbeeld van degelijkheid. Groter kan het verschil met mijn fiets niet zijn.
‘Prachtige fiets,’ zeg ik.
Trots kijkt hij me aan. Ook hij tilt zijn achterwiel iets op en trapt hem aan. De ketting loopt geluidloos en blijft keurig op de tandwielen ronddraaien. Het suizen van het wiel, zonder enig bijgeluid, is een waar genoegen voor mijn oren.
Ik gniffel om onze wederzijdse overwinning op de taal. We begrijpen dat de fiets het gespreksonderwerp is, maar daar houdt elke andere vorm van communicatie op. Vandaag laat ik de fiets voor wat hij is. Ik zet hem tegen de houten zijwand van de koffiekantine, een standaard zit er ook al niet meer aan.
Leve de toren van Babel, leve de Europese eenwording! Alleen met mijn euro’s kom ik hier moeiteloos vooruit.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 207, 17 mei 2019
en Oost-online.

Vijf minuten je ogen dicht

Onalledaags

Ik loop de trap af, en voor me uit loopt mijn buurvrouw van tweehoog. Beneden aan de trap groet ze me vriendelijk. Haar donkerblauwe djellaba reikt tot aan haar voeten en om haar hoofd heeft ze een wit sjaaltje gestrikt.
‘Buurvrouw, is mooi weertje hè,’ zegt ze lachend, en daarmee gunt ze me een blik op haar slechte gebit.
‘Ja, eindelijk voorjaar. Daar zijn we wel aan toe na al die regen en storm.’
Ze opent de deur voor me en samen lopen we naar buiten.
‘Waar jij naar toegaan?’
‘Eventjes naar de supermarkt,’ antwoord ik.
‘O, ik ook boodschappen doen. Ik meelopen?’
Ik knik instemmend. We slaan de hoek om. Een rinkelende tram dendert aan ons voorbij. De zon schijnt recht in onze gezichten en voelt heerlijk ontspannen aan.
M’n buurvrouw heeft een stevig postuur, ademt zwaar en waggelt als een eend achter me aan. Toch is ze, denk ik, niet veel ouder dan ik. Ik houd mijn pas voor haar in. Ze glimlacht en komt naast me lopen.
‘Met Yasmine alles goed?’ vraag ik haar.
‘Ja, goed op school en goeie rapport.’
‘Slimme dochter heb jij, lief ook. Laatst liep ik met haar mee toen ze uit school kwam, en ze zei tegen me dat ze later dierenarts wilde worden, want ze hield zo van dieren.’
M’n buurvrouw lacht, en is zichtbaar blij. ‘Ja ze wil graag hond, maar wij niet vinden goed. Probleem met geloof.’
Ik knik. ‘Wat jammer voor Yasmine, want ze is zo gek met onze hond.’
‘Waarom jij geen kindertjes krijgen?’ vraagt ze me plompverloren.
Ik kijk haar van opzij aan, en lach haar vriendelijk toe. ‘Nou, ik heb niet echt de behoefte. Druk met m’n werk, en m’n man hoeft ook niet zo zeer… Ik vind ’t eigenlijk wel prima zo.’
Ze lacht me lief toe, maar haar blik verraad onbegrip. Ze snapt onze bewuste keuze om geen kinderen te nemen vast niet. Opnieuw vertraag ik mijn tred.
‘Ik niet begrijpen, jij zó lieve man hebben, dan jij ook krijgen heel lieve kindertjes.’
Ik schiet in de lach. Onbeholpen grinnikt ze met me mee. Inderdaad, ik heb een schat van een man in huis rondlopen.
‘Vijf minuten je ogen dicht, dan is lief kindertje gemaakt.’ Ze giechelt en knippert met haar ogen.
Tja, wat moet ik daar nu op zeggen? Gelukkig staan we nu voor de supermarkt, en lopen samen naar binnen. We pakken ieder een winkelwagentje uit de rij en draaien daarmee het hek door. Dan zeg ik haar gedag, en terwijl ik een paar levensmiddelen aan het inladen ben, dringt de strekking van de vijf minuten je ogen dicht! pas tot me door. Wat een triestheid borrelt er, als moerasgas, uit díe vijf woorden naar boven.
Telkens als ik nu mijn buurman van tweehoog in het trappenhuis tegenkom, denk ik aan haar vijf minuten de ogen dichtdoen en voel ik oprechte compassie met mijn buurvrouw.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 206, 29 maart 2019
en Oost-online.

Drijvende gedichtenkamer

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost de ‘Floating Poetry Room’ van de Amerikaanse kunstenaar Siah Armajani. De drijvende gedichtenkamer ligt aan de Paul Hufkade op IJburg, dobberend in het water als een gedichtenkamer met bankjes, krukjes en een podium.

Het is een rustpunt, een plek om te verblijven, te mijmeren, te zitten, te spelen, te lezen en op te treden. De ‘Floating Poetry Room’ is een ponton, omringd door een hekwerk waarin een zestig meter lang gedicht is verwekt. Het is van de Amsterdamse dichter F. Starik. Hij zei daarover: ‘Van de kade loop je via een steiger de drijvende kamer in, je strijkt neer op een van de bankjes en wordt getroffen door bijvoorbeeld de tekst “kom dichterbij, nader mij”. Het gedicht gaat over water, het verlangen om te vertrekken en terug te komen.’
In december 2005 is de ‘Floating Poetry Room’ op IJburg officieel onthuld.

Het gedicht van F. Starik, dat in grootkapitaal in het hek staat:

Wie was het? De mens, zichzelf genoeg
draagt stenen steden stenen aan.
Zand waarin men palen slaat
overkant, kom dichterbij.
De pier die in het water steekt
de damwand die de golven breekt
de weg waarlangs een auto rijdt.

We gaan. Want alle water
is een echo van de oceaan.
De regen valt maar raakt niet kwijt
in water, dat mijn bootje draagt.
Vogel, vlieg, omhoog, omlaag.
Nader mij. Beloof me land.
Zolang ik op de kade sta
zo zingt mijn hart: Amerika.

Waarheen, waarheen?
Blijf hier en denk jezelf een zee.

De Nieuw Amsterdam
Een op schaal nagebouwde oceaanstomer – de ‘Nieuw Amsterdam’ – zit op het hek gemonteerd. Over dit schip is nogal wat commotie geweest, want de ‘Nieuw Amsterdam’ heeft nooit in de Amsterdamse havens gelegen. Het had zijn thuishaven in Rotterdam.
Uitvoerend kunstenaar Ben Raaijman, die in nauwe samenwerking met de ontwerper Siah Armajani de ‘Floating Poetry Room’ produceert, schrijft over deze commotie: ‘De beslissing om een echt Nederlands scheepsmodel te laten bouwen in plaats van een goedkoop algemeen model te kopen is door mij genomen, en voor de keuze van het uiteindelijke model heb ik zo veel mogelijk bronnen geraadpleegd. De oceaanstomer op dit werk is een van de vele onderdelen die tezamen de ‘Floating Poetry Room’ vormt. Het werk is absoluut geen monument voor of herinnering aan scheepvaart of aan de Amsterdamse havens, maar wil een dichterlijke sfeer rondom reizen, verten, vertrek en aankomst en nog meer gevoelens die ook verbonden zijn met de grote passagiersschepen voelbaar maken. Er waren twee grote routes bij de Nederlandse Passagiersvaart te onderscheiden: die naar de Oost, en die naar de West, de nieuwe wereld en Amerika. De Amsterdamse rederijen en schepen voeren vooral naar de Oost. Ik associeer ze met de koloniën, de politionele acties en het einde van een koloniale overheersing. Het is de westelijke route die tot de verbeelding spreekt en symbool staat voor hoopvol reizen.’

Wankele torens
Siah Armajani is environment kunstenaar, architect en filosoof, geboren in 1939 in Teheran, Iran. In 1960 verhuist hij naar Amerika. Na het afronden van de kunstacademie begint hij aan conceptuele kunstprojecten met gebruik van computers.
Vanaf 1967 werkt Armajani als architect en richt zich op het ontwerp van leestuinen, bijeenkomstruimten en parken. Vanaf 1986 ontwikkelt Armajani zijn zogenaamde Elementen, die architecturale situaties en hun betekenis ter discussie stellen. De ontwerpen zijn op functionele elementen gebaseerd, zoals venster, koepel en trap, maar bruikbaar zijn ze niet. Onbewoonbare huizen, bruggen die niets overspannen en wankele torens. Het zijn dan ook geen bouwwerken maar sculpturen met architectuur als onderwerp.

‘Poule des Doods’
F. Starik studeert fotografie en mixed media aan de Rietveldacademie. Zijn debuut als dichter is met Nepvuur (1987). Na nog enkele publicaties concentreert Starik zich meer op zijn beeldende kunst, maar vanaf 2002 publiceert Starik opnieuw dichtbundels.
In datzelfde jaar richt hij het Eenzame uitvaartproject de ‘Poule des Doods’ op, een dichterscollectief dat zorgt voor een passend gedicht bij de uitvaart van eenzame overledenen. Van 2010 tot 2011 is Starik stadsdichter van Amsterdam. Hij overlijdt in 2018 op 59-jarige leeftijd aan een hartstilstand.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 206, 29 maart 2019
en Oost-online.

Jesse Dorrestijn zingt ‘Ontwricht’

‘Communicatie’ van Aart Lamberts

Ik heb een rubriek ‘Sculpturen’ in Dwars door de Buurt, de buurtkrant van Amsterdam-Oost, en op de nieuwssite Oost-online. In de reeks ‘Sculpturen van Oost’ beschrijf ik beelden die in de openbare ruimte staan. Daarbij voeg ik gedichten die geïnspireerd zijn op die beelden.
In het voorjaar van 2017 hingen in de vitrines van het Kunsthek, aan het hek van het Oosterpark, zes foto’s van sculpturen, en gedichten die op deze beelden waren geïnspireerd. Kunsthek schreef daarover: ‘Méland Langeveld wandelt en kijkt. Kauwt op de werkelijkheid. En schrijft. Mooie gedichten. Observaties. Een hek vol poëzie. Over kunst in het Oosterpark.’
Ook ‘Communicatie’ van Aart Lamberts hing daar samen met het gedicht ‘Ontwricht’. In het najaar van 2017 hing deze expositie ook in de ramen van de bibliotheek aan de Linnaeusstraat.
Ooit schreef ik op Oost-online over het beeld ‘Communicatie’ van Aart Lamberts, dat sinds november 2009 in het Oosterpark staat.

Ontwricht

Dag van glas
breekt zomaar aan
blinkt en glimt
voelt ijzig aan

een morgen waarin
geen enkel woord rijdt
klooft wakken, klooft
wakken in de tijd

wit duister pareert
tot aan de horizon,
vandaag is de dag
van zijn woord bestolen

geweld is waanzin
van onttoverde tijd,
dichtgetimmerd de dialoog

grauw de sneeuw die
hen het aangezicht dekt
verstard staan ze erbij

sta op, kijk elkaar
recht in de ogen aan

praat met elkaar
vind een uitweg

uit deze ontwrichte tijd.

Nu heeft singer-songwriter Jesse Dorrestijn dit gedicht op muziek gezet, en is dit lied hieronder te horen: het is de première van ‘Ontwricht’ op het podium van de OBA Oosterdok op 24 november 2018. Met Jesse treed ik geregeld op, en dit is het tweede gedicht van mij dat hij op muziek heeft gezet.
Al met al zijn er bij dit beeld nu drie lagen aangebracht: eerst was er de sculptuur ‘Communicatie’, daar kwam een gedicht bij, en dan nu een muzikale uitvoering.
Een vierde laag komt er ook nog aan in de vorm van een videoclip van ‘Ontwricht’.

Registratie: Jan ter Heide.

Geen stad als Amsterdam

Gedichten op gevels


In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel een deel van een strofe uit het gedicht ‘Een Amsterdamsch lied’ van Jan Campert. Het staat op de glazen gevel van de huisartsenpost van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in de Eerste Oosterparkstraat.

In grote witte letters aan de glazen gevel van het gebouw valt te lezen:
Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd.

Het volledige gedicht waar dit deel uitkomt, een lofzang op die prachtige stad, is deze:

Een Amsterdamsch lied

Verlaat ’t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de Beurs
en schepen onder ’t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ’t IJ.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ’t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ’t water stremt
en ’t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche- en Rembrandtplein
de wolken walmen doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ’t ingaan van de nacht.

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ’t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
’t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam.

Jan Campert (1902-1943) is dichter, schrijver, journalist en verzetsman. Hij begint in Den Haag met een verslaggeversbaan bij dagblad De Nieuwsbron. ‘Hij schrijft gemakkelijk en met een onmiskenbare flair,’ aldus een toenmalige collega. Tot zijn werkgebied behoort zo’n beetje alles: rechtbankverslagen, reportages van grote gebeurtenissen, toneel- en danskritieken, literaire kronieken en de dagelijkse sfeerbeschrijvinkjes, de zogenoemde ‘stemmingsstukjes’. In 1922 komt zijn eerste dichtbundel uit, en in de jaren dertig schrijft hij ook enkele romans. In 1929 krijgt hij zijn enige zoon: Remco Campert.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandt Jan Campert in het verzet, maar tijdens een poging een joodse man de Belgische grens over te smokkelen wordt hij in juli 1942 gearresteerd. Een halfjaar later sterft hij in het concentratiekamp Neuengamme.

Jan Campert is vooral bekend van het gedicht ‘De achttien dooden’. Het gedicht gaat over achttien verzetsstrijders die in hun cel op executie wachten.
Campert wordt na de oorlog als een verzetsheld gezien. In 1947 wordt de Jan Campertprijs in het leven geroepen als ‘blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945’.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Een bankstel kost u 15 euro

Onalledaags


Al enkele weken orden ik samen met mijn zus het leven van onze ouders. Hun etage in Nieuw-Zuid vormt een pakhuis in tijd. De ouderlijke woning, maar vooral de zolder, is tot de nok toe gevuld met ons verleden. Het is onvoorstelbaar wat we daar tegenkomen. Mijn allereerste tekenkrabbels van de kleuterschool, een babytruitje en een mutsje, schoolrapporten en zelfs een haarlok van mijn zus in een aangetast fotoalbum. Nooit hebben we geweten dat ze die al die jaren bewaarden. Nu ze beiden dood zijn kunnen we ze niets meer vragen. Wat zouden ze van onze eerste krabbels hebben gevonden? Waren jullie trots op onze rapportcijfers? En wat een schattig truitje heeft moeder gebreid.
‘Moet je kijken m’n indianenpak,’ zegt mijn zus, terwijl ze het uit een dekenkist tevoorschijn haalt. Ze houdt een crèmekleurige lap stof voor zich. Er zitten gaten in. De motten hebben als gieren hun prooi bestookt. Het hesje is met verschillende kleuren stof bedekt: het keurige naaiwerk van onze moeder.
‘En hier het hippie-pakje van jou.’
‘Goh, dat ze dat allemaal bewaard hebben.’ Ondertussen trek ik een laatje open met jampotjes waarin bouten, schroeven en spijkers een onderkomen hebben gevonden. Ik leeg de inhoud in een emmer vol oud ijzer. Onder de potjes vind ik een smoezelige enveloppe. Ik haal er een zwemdiploma uit die mijn vader in 1932 heeft behaald. Zijn Ausweis uit de Duitse bezetting, met een verbleekte pasfoto en van een stempel voorzien, zit erachter geschoven.
Het huis aan de Maasstraat moeten we aan het eind van de maand leeg opleveren, anders moeten we nog een maand huur ophoesten. Veel tijd hebben we niet meer. Selecteren, de kleine spulletjes met persoonlijke waarde eruit vissen. Een heleboel moet er helaas weg. We kunnen niet alles bewaren daarvoor hebben we beiden een te kleine woning. Een opkoper heeft zelfs enkele meubelstukken laten staan, hij zag daar zelfs geen handel in. Dat moet dus naar het grofvuil op straat.
Ik bel stadsdeel Zuid en krijg na doorverbinding Stadsreiniging aan de lijn.
‘Op welke dag wordt het grof huisvuil opgehaald?’
‘Op maandagochtend meneer, maar u mag ’t pas vanaf zes uur ’s ochtends buitenzetten en niet na achten, want anders zijn ze misschien al langs geweest.’
‘Maar ik woon daar niet. M’n ouders woonden daar. Ze zijn overleden en ik ruim hun huis leeg.’
‘Meneer, we komen ’t alleen gratis ophalen als u zich aan de tijden houdt. Doet u dat niet dan rekenen we u vijftien euro per halve kuub. Zo simpel is ’t.’
‘Hoeveel is een halve kuub dan wel niet?’
‘Zo ongeveer ’n bankstelletje meneer.’
Moet ik daarvoor zo vroeg uit mijn bed en naar Nieuw-Zuid fietsen om alleen het grof huisvuil buiten te zetten. Ik lijk wel gek. En m’n zus is ook geen optie, want die woont buiten de stad.
‘Maar ik woon in Oost en daar halen ze het vaker op, en het is hier ook gewoon grátis.’
‘Tja meneer, dat is Oost en dáár woont alleen maar gajes. Hier leven we in Zuid. En daar houden we er strikte regels op na, niet waar. En de gemeentelijke handhavers houden het hier ook zeer goed in de gaten, dus u bent een gewaarschuwd man. Goeiemorgen.’
Er zit weer een dag ontruimen op. Beneden trek ik de deur in het slot, en we nemen afscheid van elkaar. Vandaag hebben we weer een deel van ons wederzijds verleden in vuilniszakken gepropt, en het grofvuil zetten we nog maar niet aan de straat: het wachten is tot het maandagochtend vroeg…

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Domweg gelukkig

Gedichten op gevels

Dapperstraat

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem (1887-1966). Het gedicht staat in zijn geheel op een gevel in de Dapperstraat.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem, geboren in 1887, is de dichter van onsterfelijke regels als:
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood.
(Eerste twee regels uit het gedicht ‘Insomnia’)

Dichter van verlangen
Bloem behoort tot de bekendste en meest gewaardeerde dichters van Nederland. Anders dan tijdgenoten als A. Roland Holst of P.N. van Eyck wordt Bloem nog steeds veel gelezen en geciteerd.
Bloem is de dichter van het verlangen, van de hunkering naar een vervulling of een geluk dat altijd onbereikbaar zal zijn, terwijl de dood steeds dichterbij komt. Berusting voert uiteindelijk de boventoon, gemengd met flarden liefde, genot, aanhankelijkheid en vreugde die de melancholie eigenlijk alleen nog maar sterker maken. In het korte gedicht ‘De nachtegalen’ schrijft hij:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Lijden aan het leven
J.C. Bloem ontdekt de poëzie op vijftienjarige leeftijd. Hij krijgt dan het gedicht ‘Sluimer’ van de jonggestorven Tachtiger Jacques Perk onder ogen. In één klap beseft hij dat gedichten onvoorstelbare werelden openbreken en zijn horizon enorm kunnen verbreden. Vanaf dat moment wil hij niets anders dan dichter worden. Op jonge leeftijd vindt hij aansluiting bij het tijdschrift ‘De beweging’ van Albert Verwey.
Bloem heeft maar vier bundels gepubliceerd, maar die hebben wel tot een groot lezerspubliek geleid. In al zijn werk is de dichter de thematiek van het verlangen trouw gebleven. Hij zei zelf dat hij in zijn poëzie probeerde ‘enkele essentiële dingen van het leven zo uit te spreken, dat dit van mij en van niemand anders zou hebben kunnen zijn.’ Tegelijkertijd schrapt hij uit zijn gedichten bijna alle concrete aanduidingen van personen en plaatsen, zodat ze een heel algemeen karakter krijgen. Bloems poëzie is bovendien van een bedrieglijke eenvoud en helderheid. Die algemeenheid en die helderheid zorgen samen met de universele thematiek van het lijden aan het leven voor de grote aantrekkingskracht van zijn gedichten.
Bloem overlijdt op 10 augustus 1966 in Kalenberg (Overijssel).

Geen molens en klompen
Het ontwerp van het gedicht op de gevel is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar (1929-2017): bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren. Jarenlang is hij ontwerper geweest bij De Nederlandsche Bank: ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in 2008 tegen Trouw. ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Hij verhuisde in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij op 13 juni 2017 overleed.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

Rollade in de aanbieding

Onalledaags


Aanhoudend geklepper van het kattenluik maakt me nieuwsgierig. Verdedigt Joris, mijn kat, zijn toegangspoort? Het is daar vaker een strijd op leven en dood. Een homp vlees priemt deels door het luikje. Ditmaal geen rivaliserende kat, maar een rollade die de strijd met het deurtje aangaat. Ik kijk door de ruit van de keukendeur en zie mijn zwarte kat hemel en aarde bewegen om zijn zojuist gevangen prooi naar binnen te werken. Wat een gevaarte hangt er aan zijn bek; zijn tanden heeft hij in het netje gezet. Waar heeft hij die nou weer vandaan? Hopelijk niet bij mijn naaste buren waarmee ik in een onoplosbare vete verkeer.
Ik verlos Joris uit zijn worsteling door de deur te openen. Trots komt hij met zijn buit naar binnen gestrompeld waarbij hij zichzelf moeizaam in evenwicht probeert te houden. Het gevaarte helt als een zinkend schip naar bakboordzijde en sleept over de vloer. Ik pak het beet; zijn scherpe tandjes blijven in de touwtjes steken. Ik wrik het los waarbij hij me verongelijkt aankijkt.
Even later rinkelt de voordeurbel. De oude dame van twee huizen verder staat voor mijn neus.
‘Uw kat heeft mijn rollade uit m’n juspan gepikt. Ik zag ’m nog net over de schutting verdwijnen,’ zegt ze verontwaardigd.
‘Hoe is het mogelijk buurvrouw? Maar inderdaad hij kwam er zojuist mee naar binnen gewandeld. Ik vroeg me al af hoe-ie eraan was gekomen?’
Volgens haar was mijn kat door het openstaande raam naar binnen geklommen, op het aanrecht gesprongen, om vervolgens de rollade uit de pan te vissen, en met het gevaarte naar buiten te klauteren. Dit allemaal terwijl mijn buurvrouw even van het toilet gebruik maakte, zoals ze dat zo plechtig zei. Voor mijn kat was het pure pech dat ze hem bij het beklimmen van de schutting betrapte.
Gelukkig is het niet mijn naaste buurman waar Joris de boel op stelten heeft gezet, want met hem zou het volgende probleem zich hebben aangediend.
‘Ik zal u de rollade vergoeden buurvrouw, of beter ik loop even naar de slager om een nieuwe voor u te kopen?’
‘Nou dat zou wel erg fijn zijn buurman, dan hoef ik er niet opuit. Het is me er trouwens wel eentje die kat van u. ’t Is me nogal een gesjouw met zo’n rollade, en dan nog over die schuttingen’ zegt ze lachend.
‘Maar natuurlijk, ik ga er direct één voor u halen.’ Ik ben reuze blij dat ze het zo luchtig opvat. Had ik haar maar als naaste buurvrouw in plaats van die chagrijnige.
Bij de slager koop ik een nieuwe, en daarna loop ik nog even langs de slijter om voor haar een flesje advocaat te halen. Dat is vast wel iets waar ze van houdt.
Ik overhandig haar de rollade en de advocaat. ‘Nog wat lekkers voor de schrik buurvrouw. Laat het u smaken.’
‘Ach buurman wat lief van u, dat had u écht niet hoeven doen hoor. Maar dit is wel wat ik erg lekker vindt. Dank u wel hoor.’
’s Avonds snijd ik wat vlees van de rollade af en geef het Joris. Hij smult ervan en zijn bakje is in een mum van tijd leeg. Hij kijkt me vervolgens veelbelovend aan, geeft me kopjes en smeekt daarmee om meer.
‘Het is wel goed geweest Joris. Het was me het dagje wel met jou ouwe snaaier. Met deze rollade heb je meer dan een week eten voor jezelf binnen gehaald,’ zeg ik smuikend tegen hem.
Hij kijkt me zeer onschuldig aan, en miauwt nog maar eens om meer.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

Drankkegelbode (het vervolg)

Onalledaags

Roos2

De drankkegelbode is nu een vrouw, deze is echter broodnuchter. Ze ziet er veel imponerender uit dan degene die een maand geleden bij me aan de deur stond, maar ook veel bedreigender. Ze heeft nogal wat zwaar materiaal aan haar heupen gegespt, waaronder een vuurwapen en verder wat ondefinieerbare gereedschappen om je vakkundig te vloeren.
Maar voordat ik bij haar aan de balie sta, moet ik mijn jas afgeven. Die komt op een lopende band terecht en wordt, zoals gebruikelijk op luchthavens, gescand. Zelf moet ik door een detectiepoort – en alsof dat niet genoeg is – moet een man me ook nog eens handmatig betasten.
‘De volgende keer als u komt graag uw jas in een bak gooien, anders blijft-ie in de scanner hangen,’ zegt de in uniform gestoken man.
‘Nou, ik hoop hier niet nog een keertje te komen.’
De man lacht schaapachtig, en laat me door.
In een kale betonnen ruimte zitten een aantal wachtenden. Verdachten, net als ik, maar ze zien er écht als verdachten uit. Van die lui die je ’s avonds liever niet tegen het lijf loopt. Met ongeschoren koppen, slonzig gekleed zitten ze wat voor zich uit te staren, of te scrollen op hun smartphone. Bij een van hen gaat de telefoon: ze wisselen wat uit in een Slavisch klinkende taal.
Ondertussen tikt de klok door, de wachttijd loopt flink op. Ik loop naar de balie waar de gerechtsbode kauwend op kauwgum zit te scrollen op haar telefoon.
‘Nog twee mensen voor u.’
Ik haal nog maar een kop koffie.
‘Meneer Langeveld u kunt met me meekomen.’ Samen lopen we naar de deur van de gerechtszaal.
Het is een omvangrijke zaal met een verzameling lege stoelen. Voorin zitten drie personen, twee vrouwen en een man ieder achter een beeldscherm.
Ik moet direct gaan staan voor de reling van het beklaagdenbankje. De vrouwelijke rechter noemt mijn naam die op een lijst staat, maar kan het dossier niet zo snel in haar computer vinden. Ze aarzelt wat, rommelt en vindt dan toch de gegevens.
Ze somt de feiten op. Dat ik ben aangehouden omdat ik niet aan mijn plicht voldeed mijn hond aan te lijnen. Verder haalt ze mijn schriftelijk verweer aan, waarin ik meld dat mijn hond volledig onder appèl staat en daarmee geestelijk aangelijnd is.
Ze kent het woord onder appèl staan niet, en vraagt me wat dit precies inhoudt? Ik vind dit vreemd, maar leg het haar uit: ‘Het heeft me heel veel tijd en energie gekost om dit voor elkaar te krijgen. Er is heel wat vallen en opstaan aan voorafgegaan. Op dat soort mensen, die daar zoveel tijd in investeren, zou de samenleving juist trots op moeten zijn, in plaats van die persoon af te straffen met een geldboete!’
Hierop heeft ze geen antwoord. Ze kijkt van me weg en verstopt zich even achter haar beeldscherm.
‘Maar u bent volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) verplicht uw hond aan te lijnen. Loopt u nu nog steeds los met uw hond over straat?’
‘Ja,’ zeg ik heel eerlijk.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Dus u loopt al die tijd, het is inmiddels alweer 2,5 jaar geleden dat u werd bekeurd, met uw hond onaangelijnd. Heeft u dan niet meer bekeuringen gehad?’
‘Nee.’ Ik besef dat ik deze zaak ga verliezen. Mijn antwoord was te eerlijk, en daar word ik nu op afgerekend. Ik moet het over een andere boeg gooien, anders verlies ik dit en ik wil voor mij en Roos de vrijheid!
‘Ik zal het u sterker vertellen: ik word soms ook door agenten aangesproken, maar ik laat hen dan zien hoe goed mijn hond alle commando’s opvolgt en dan geven ze me complimenten. En mag ik een aanvulling geven op de persoon die mij bekeurd heeft: hij heeft me bijna een jaar lang moedwillig achtervolgd om me op heterdaad te betrappen.’
‘Ah, hij heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt,’ zegt ze geïnteresseerd.
Ik moet hier op doorgaan, dit snijdt hout.
‘Ja, de man is inmiddels uit zijn functie gezet vanwege intimiderend gedrag.’
‘Heeft u een klacht over hem ingediend?’
‘Nee, maar er zijn wel veel klachten over hem binnengekomen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Van een vrouw, zij werkt bij Handhaving. Ik ken haar, ze heeft ook een hond.’

Het woord is nu aan de officier. Ze staat op van haar stoel. Het is een keurige dame, stijfjes, zonder enig menselijke uitstraling. Ze is het tegendeel van de rechter, die zeer beminnelijk op me overkomt. Ze doet haar zegje wat neerkomt op: regels zijn regels. Ofwel: het bekende riedeltje van de gezagdrager in functie. Verder heeft ze notie genomen van mijn verweer, maar vindt ze uit veiligheid voor de openbare orde dat ik mijn hond moet aanlijnen, want een hond kun je nooit voor honderd procent vertrouwen. Ze blijft bij haar eis dat ik de bekeuring moet betalen. Ze weet even niet om welk bedrag het gaat, en zoekt dit in haar computer op.
‘Heeft u hier nog iets aan toe te voegen?’ vraagt de rechter aan mij.
‘Ik ben het volledig eens met de officier dat je een hond nooit voor honderd procent kunt vertrouwen. Ik lijn m’n hond ook altijd aan bij het oversteken van drukke wegen en bij situaties die ik als gevaarlijk inschat. En overigens dat onaangelijnd lopen doe ik niet zomaar: als ik m’n hond niet voor driehonderd procent zou vertrouwen dan zou ik nooit los met haar lopen. Ze is m’n grootste liefde en bezit, dat wil ik niet zomaar kwijtraken onder een auto!’
De rechter knikt instemmend, en vraagt me naar mijn beroep.
‘Ik ben tekstschrijver en redacteur én ik schrijf gedichten. Binnenkort komt m’n dichtbundel uit.’
Ze kijkt zeer belangstellend. ‘En u heeft ook nog geen strafblad zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Dan kom ik nu tot een uitspraak. Ik wijk af van de eis van de officier. Ik leg u een voorwaardelijke straf op, dat betekent dat u deze boete niet hoeft te betalen, maar als u binnen twee jaar toch weer wordt bekeurd voor deze overtreding dan moet u deze alsnog betalen. Begrijpt u?’
‘Begrepen, en bedankt daarvoor.’
‘Dat was het, ik wens u een fijne dag.’
‘Jullie een fijn weekend, antwoord ik, en loop de lange zaal uit naar de uitgang.
Langzaam dringt de overwinning bij me door als ik de trappen af loop op weg naar de buitenlucht. Ik heb het gevoel dat de rechter me ongrijpbaar vond. Zoiets van het heeft geen zin deze man te bekeuren: hij blijft toch met z’n hond loslopen. Dat heeft ze dan volledig bij het rechte eind.
Het voelt heel goed: ik ben eerlijk geweest door te zeggen dat ik nog steeds met Roos losloop. Dat is onze gezamenlijke vrijheid en die heb ik voor ons beiden bevochten. En ik heb een persoonlijke overwinning behaalt op die irritante handhaver die me bijna een jaar moedwillig heeft gestalkt!

Voor wat eraan voorafging klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.