Jesse Dorrestijn zingt ‘Ontwricht’

‘Communicatie’ van Aart Lamberts

Ik heb een rubriek ‘Sculpturen’ in Dwars door de Buurt, de buurtkrant van Amsterdam-Oost, en op de nieuwssite Oost-online. In de reeks ‘Sculpturen van Oost’ beschrijf ik beelden die in de openbare ruimte staan. Daarbij voeg ik gedichten die geïnspireerd zijn op die beelden.
In het voorjaar van 2017 hingen in de vitrines van het Kunsthek, aan het hek van het Oosterpark, zes foto’s van sculpturen, en gedichten die op deze beelden waren geïnspireerd. Kunsthek schreef daarover: ‘Méland Langeveld wandelt en kijkt. Kauwt op de werkelijkheid. En schrijft. Mooie gedichten. Observaties. Een hek vol poëzie. Over kunst in het Oosterpark.’
Ook ‘Communicatie’ van Aart Lamberts hing daar samen met het gedicht ‘Ontwricht’. In het najaar van 2017 hing deze expositie ook in de ramen van de bibliotheek aan de Linnaeusstraat.
Ooit schreef ik op Oost-online over het beeld ‘Communicatie’ van Aart Lamberts, dat sinds november 2009 in het Oosterpark staat.

Ontwricht

Dag van glas
breekt zomaar aan
blinkt en glimt
voelt ijzig aan

een morgen waarin
geen enkel woord rijdt
klooft wakken, klooft
wakken in de tijd

wit duister pareert
tot aan de horizon,
vandaag is de dag
van zijn woord bestolen

geweld is waanzin
van onttoverde tijd,
dichtgetimmerd de dialoog

grauw de sneeuw die
hen het aangezicht dekt
verstard staan ze erbij

sta op, kijk elkaar
recht in de ogen aan

praat met elkaar
vind een uitweg

uit deze ontwrichte tijd.

Nu heeft singer-songwriter Jesse Dorrestijn dit gedicht op muziek gezet, en is dit lied hieronder te horen: het is de première van ‘Ontwricht’ op het podium van de OBA Oosterdok op 24 november 2018. Met Jesse treed ik geregeld op, en dit is het tweede gedicht van mij dat hij op muziek heeft gezet.
Al met al zijn er bij dit beeld nu drie lagen aangebracht: eerst was er de sculptuur ‘Communicatie’, daar kwam een gedicht bij, en dan nu een muzikale uitvoering.
Een vierde laag komt er ook nog aan in de vorm van een videoclip van ‘Ontwricht’.

Registratie: Jan ter Heide.

Geen stad als Amsterdam

Gedichten op gevels


In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel een deel van een strofe uit het gedicht ‘Een Amsterdamsch lied’ van Jan Campert. Het staat op de glazen gevel van de huisartsenpost van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in de Eerste Oosterparkstraat.

In grote witte letters aan de glazen gevel van het gebouw valt te lezen:
Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd.

Het volledige gedicht waar dit deel uitkomt, een lofzang op die prachtige stad, is deze:

Een Amsterdamsch lied

Verlaat ’t Centraal en zie de stad,
die zich voor de stad ontvouwt
gelijk een waaier, baan naast baan,
van parelgrijs en goud.
Het parelgrijs der morgenlucht,
die over de Amstel stijgt,
het goud van zon en herfstseizoen,
dat al ten einde neigt.

Welk oord gij ook om haar verliet,
zij komt u tegemoet
met kaden, Damrak en de Beurs
en schepen onder ’t roet,
met torens rank breed en sterk van steen
en rank van makelij
en, als ge goede oren hebt,
met roepen over ’t IJ.

Daar is geen stad als Amsterdam
zoo ruim en zoo vertrouwd;
als ik een huis te bouwen had,
ik had het hier gebouwd
met vensters waar al ’t licht door stroomt,
dat van den Amstel slaat,
wanneer de winter ’t water stremt
en ’t volk te schaatsen gaat.

Wie ’s avonds voor die vensters staat
hij ziet den warmen gloed,
die boven Leidsche- en Rembrandtplein
de wolken walmen doet;
hij ziet, wanneer hij oogen heeft,
de onbewogen wacht
van Heerengracht en Keizersgracht
bij ’t ingaan van de nacht.

Die, trouwloos van aard als ik,
eens Amsterdam verried,
hij vindt geen rust aleer zijn schuld
gedelgd is met een lied
en waar hij zwerft en wat hij zoekt
vindt hij ter wereld niet,
voordat hij weer de duiven rond
den Westertoren ziet.

En niet aleer zijn voetstap weer
de oude stad hervindt,
de Wallen, ’t Kolkje, de Zeedijk,
of voordat hij de wind
bij Schreierstoren heeft gevoeld
te waaien door zijn haar,
niet eer houdt Amsterdam voor hem
haar liefste vreugde klaar.

Want die het diepste wordt bemind
zij toeft in Amsterdam,
zoo brandt, in edel goud gevat,
’t juweel gelijk een vlam,
en waar het hart slaat van mijn land
slaat ook haar franke hart
rood is haar mond, o Amsterdam,
en zie haar haren zwart.

Nu dit beeld mij niet meer verlaat,
bij dag niet noch bij nacht
weet ik dat ieder sterveling
wel eens wordt thuisgebracht.
Hij neemt zijn staf, hij schoeit den voet
en keert vanwaar hij kwam;
hij delgt zijn schuld en dicht een lied
voor haar en Amsterdam.

Jan Campert (1902-1943) is dichter, schrijver, journalist en verzetsman. Hij begint in Den Haag met een verslaggeversbaan bij dagblad De Nieuwsbron. ‘Hij schrijft gemakkelijk en met een onmiskenbare flair,’ aldus een toenmalige collega. Tot zijn werkgebied behoort zo’n beetje alles: rechtbankverslagen, reportages van grote gebeurtenissen, toneel- en danskritieken, literaire kronieken en de dagelijkse sfeerbeschrijvinkjes, de zogenoemde ‘stemmingsstukjes’. In 1922 komt zijn eerste dichtbundel uit, en in de jaren dertig schrijft hij ook enkele romans. In 1929 krijgt hij zijn enige zoon: Remco Campert.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandt Jan Campert in het verzet, maar tijdens een poging een joodse man de Belgische grens over te smokkelen wordt hij in juli 1942 gearresteerd. Een halfjaar later sterft hij in het concentratiekamp Neuengamme.

Jan Campert is vooral bekend van het gedicht ‘De achttien dooden’. Het gedicht gaat over achttien verzetsstrijders die in hun cel op executie wachten.
Campert wordt na de oorlog als een verzetsheld gezien. In 1947 wordt de Jan Campertprijs in het leven geroepen als ‘blijvende herdenking aan de strijd der Nederlandse letterkundigen in de jaren 1940-1945’.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Een bankstel kost u 15 euro

Onalledaags


Al enkele weken orden ik samen met mijn zus het leven van onze ouders. Hun etage in Nieuw-Zuid vormt een pakhuis in tijd. De ouderlijke woning, maar vooral de zolder, is tot de nok toe gevuld met ons verleden. Het is onvoorstelbaar wat we daar tegenkomen. Mijn allereerste tekenkrabbels van de kleuterschool, een babytruitje en een mutsje, schoolrapporten en zelfs een haarlok van mijn zus in een aangetast fotoalbum. Nooit hebben we geweten dat ze die al die jaren bewaarden. Nu ze beiden dood zijn kunnen we ze niets meer vragen. Wat zouden ze van onze eerste krabbels hebben gevonden? Waren jullie trots op onze rapportcijfers? En wat een schattig truitje heeft moeder gebreid.
‘Moet je kijken m’n indianenpak,’ zegt mijn zus, terwijl ze het uit een dekenkist tevoorschijn haalt. Ze houdt een crèmekleurige lap stof voor zich. Er zitten gaten in. De motten hebben als gieren hun prooi bestookt. Het hesje is met verschillende kleuren stof bedekt: het keurige naaiwerk van onze moeder.
‘En hier het hippie-pakje van jou.’
‘Goh, dat ze dat allemaal bewaard hebben.’ Ondertussen trek ik een laatje open met jampotjes waarin bouten, schroeven en spijkers een onderkomen hebben gevonden. Ik leeg de inhoud in een emmer vol oud ijzer. Onder de potjes vind ik een smoezelige enveloppe. Ik haal er een zwemdiploma uit die mijn vader in 1932 heeft behaald. Zijn Ausweis uit de Duitse bezetting, met een verbleekte pasfoto en van een stempel voorzien, zit erachter geschoven.
Het huis aan de Maasstraat moeten we aan het eind van de maand leeg opleveren, anders moeten we nog een maand huur ophoesten. Veel tijd hebben we niet meer. Selecteren, de kleine spulletjes met persoonlijke waarde eruit vissen. Een heleboel moet er helaas weg. We kunnen niet alles bewaren daarvoor hebben we beiden een te kleine woning. Een opkoper heeft zelfs enkele meubelstukken laten staan, hij zag daar zelfs geen handel in. Dat moet dus naar het grofvuil op straat.
Ik bel stadsdeel Zuid en krijg na doorverbinding Stadsreiniging aan de lijn.
‘Op welke dag wordt het grof huisvuil opgehaald?’
‘Op maandagochtend meneer, maar u mag ’t pas vanaf zes uur ’s ochtends buitenzetten en niet na achten, want anders zijn ze misschien al langs geweest.’
‘Maar ik woon daar niet. M’n ouders woonden daar. Ze zijn overleden en ik ruim hun huis leeg.’
‘Meneer, we komen ’t alleen gratis ophalen als u zich aan de tijden houdt. Doet u dat niet dan rekenen we u vijftien euro per halve kuub. Zo simpel is ’t.’
‘Hoeveel is een halve kuub dan wel niet?’
‘Zo ongeveer ’n bankstelletje meneer.’
Moet ik daarvoor zo vroeg uit mijn bed en naar Nieuw-Zuid fietsen om alleen het grof huisvuil buiten te zetten. Ik lijk wel gek. En m’n zus is ook geen optie, want die woont buiten de stad.
‘Maar ik woon in Oost en daar halen ze het vaker op, en het is hier ook gewoon grátis.’
‘Tja meneer, dat is Oost en dáár woont alleen maar gajes. Hier leven we in Zuid. En daar houden we er strikte regels op na, niet waar. En de gemeentelijke handhavers houden het hier ook zeer goed in de gaten, dus u bent een gewaarschuwd man. Goeiemorgen.’
Er zit weer een dag ontruimen op. Beneden trek ik de deur in het slot, en we nemen afscheid van elkaar. Vandaag hebben we weer een deel van ons wederzijds verleden in vuilniszakken gepropt, en het grofvuil zetten we nog maar niet aan de straat: het wachten is tot het maandagochtend vroeg…

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Domweg gelukkig

Gedichten op gevels

Dapperstraat

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem (1887-1966). Het gedicht staat in zijn geheel op een gevel in de Dapperstraat.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem, geboren in 1887, is de dichter van onsterfelijke regels als:
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood.
(Eerste twee regels uit het gedicht ‘Insomnia’)

Dichter van verlangen
Bloem behoort tot de bekendste en meest gewaardeerde dichters van Nederland. Anders dan tijdgenoten als A. Roland Holst of P.N. van Eyck wordt Bloem nog steeds veel gelezen en geciteerd.
Bloem is de dichter van het verlangen, van de hunkering naar een vervulling of een geluk dat altijd onbereikbaar zal zijn, terwijl de dood steeds dichterbij komt. Berusting voert uiteindelijk de boventoon, gemengd met flarden liefde, genot, aanhankelijkheid en vreugde die de melancholie eigenlijk alleen nog maar sterker maken. In het korte gedicht ‘De nachtegalen’ schrijft hij:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Lijden aan het leven
J.C. Bloem ontdekt de poëzie op vijftienjarige leeftijd. Hij krijgt dan het gedicht ‘Sluimer’ van de jonggestorven Tachtiger Jacques Perk onder ogen. In één klap beseft hij dat gedichten onvoorstelbare werelden openbreken en zijn horizon enorm kunnen verbreden. Vanaf dat moment wil hij niets anders dan dichter worden. Op jonge leeftijd vindt hij aansluiting bij het tijdschrift ‘De beweging’ van Albert Verwey.
Bloem heeft maar vier bundels gepubliceerd, maar die hebben wel tot een groot lezerspubliek geleid. In al zijn werk is de dichter de thematiek van het verlangen trouw gebleven. Hij zei zelf dat hij in zijn poëzie probeerde ‘enkele essentiële dingen van het leven zo uit te spreken, dat dit van mij en van niemand anders zou hebben kunnen zijn.’ Tegelijkertijd schrapt hij uit zijn gedichten bijna alle concrete aanduidingen van personen en plaatsen, zodat ze een heel algemeen karakter krijgen. Bloems poëzie is bovendien van een bedrieglijke eenvoud en helderheid. Die algemeenheid en die helderheid zorgen samen met de universele thematiek van het lijden aan het leven voor de grote aantrekkingskracht van zijn gedichten.
Bloem overlijdt op 10 augustus 1966 in Kalenberg (Overijssel).

Geen molens en klompen
Het ontwerp van het gedicht op de gevel is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar (1929-2017): bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren. Jarenlang is hij ontwerper geweest bij De Nederlandsche Bank: ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in 2008 tegen Trouw. ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Hij verhuisde in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij op 13 juni 2017 overleed.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

Rollade in de aanbieding

Onalledaags


Aanhoudend geklepper van het kattenluik maakt me nieuwsgierig. Verdedigt Joris, mijn kat, zijn toegangspoort? Het is daar vaker een strijd op leven en dood. Een homp vlees priemt deels door het luikje. Ditmaal geen rivaliserende kat, maar een rollade die de strijd met het deurtje aangaat. Ik kijk door de ruit van de keukendeur en zie mijn zwarte kat hemel en aarde bewegen om zijn zojuist gevangen prooi naar binnen te werken. Wat een gevaarte hangt er aan zijn bek; zijn tanden heeft hij in het netje gezet. Waar heeft hij die nou weer vandaan? Hopelijk niet bij mijn naaste buren waarmee ik in een onoplosbare vete verkeer.
Ik verlos Joris uit zijn worsteling door de deur te openen. Trots komt hij met zijn buit naar binnen gestrompeld waarbij hij zichzelf moeizaam in evenwicht probeert te houden. Het gevaarte helt als een zinkend schip naar bakboordzijde en sleept over de vloer. Ik pak het beet; zijn scherpe tandjes blijven in de touwtjes steken. Ik wrik het los waarbij hij me verongelijkt aankijkt.
Even later rinkelt de voordeurbel. De oude dame van twee huizen verder staat voor mijn neus.
‘Uw kat heeft mijn rollade uit m’n juspan gepikt. Ik zag ’m nog net over de schutting verdwijnen,’ zegt ze verontwaardigd.
‘Hoe is het mogelijk buurvrouw? Maar inderdaad hij kwam er zojuist mee naar binnen gewandeld. Ik vroeg me al af hoe-ie eraan was gekomen?’
Volgens haar was mijn kat door het openstaande raam naar binnen geklommen, op het aanrecht gesprongen, om vervolgens de rollade uit de pan te vissen, en met het gevaarte naar buiten te klauteren. Dit allemaal terwijl mijn buurvrouw even van het toilet gebruik maakte, zoals ze dat zo plechtig zei. Voor mijn kat was het pure pech dat ze hem bij het beklimmen van de schutting betrapte.
Gelukkig is het niet mijn naaste buurman waar Joris de boel op stelten heeft gezet, want met hem zou het volgende probleem zich hebben aangediend.
‘Ik zal u de rollade vergoeden buurvrouw, of beter ik loop even naar de slager om een nieuwe voor u te kopen?’
‘Nou dat zou wel erg fijn zijn buurman, dan hoef ik er niet opuit. Het is me er trouwens wel eentje die kat van u. ’t Is me nogal een gesjouw met zo’n rollade, en dan nog over die schuttingen’ zegt ze lachend.
‘Maar natuurlijk, ik ga er direct één voor u halen.’ Ik ben reuze blij dat ze het zo luchtig opvat. Had ik haar maar als naaste buurvrouw in plaats van die chagrijnige.
Bij de slager koop ik een nieuwe, en daarna loop ik nog even langs de slijter om voor haar een flesje advocaat te halen. Dat is vast wel iets waar ze van houdt.
Ik overhandig haar de rollade en de advocaat. ‘Nog wat lekkers voor de schrik buurvrouw. Laat het u smaken.’
‘Ach buurman wat lief van u, dat had u écht niet hoeven doen hoor. Maar dit is wel wat ik erg lekker vindt. Dank u wel hoor.’
’s Avonds snijd ik wat vlees van de rollade af en geef het Joris. Hij smult ervan en zijn bakje is in een mum van tijd leeg. Hij kijkt me vervolgens veelbelovend aan, geeft me kopjes en smeekt daarmee om meer.
‘Het is wel goed geweest Joris. Het was me het dagje wel met jou ouwe snaaier. Met deze rollade heb je meer dan een week eten voor jezelf binnen gehaald,’ zeg ik smuikend tegen hem.
Hij kijkt me zeer onschuldig aan, en miauwt nog maar eens om meer.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

Drankkegelbode (het vervolg)

Onalledaags

Roos2

De drankkegelbode is nu een vrouw, deze is echter broodnuchter. Ze ziet er veel imponerender uit dan degene die een maand geleden bij me aan de deur stond, maar ook veel bedreigender. Ze heeft nogal wat zwaar materiaal aan haar heupen gegespt, waaronder een vuurwapen en verder wat ondefinieerbare gereedschappen om je vakkundig te vloeren.
Maar voordat ik bij haar aan de balie sta, moet ik mijn jas afgeven. Die komt op een lopende band terecht en wordt, zoals gebruikelijk op luchthavens, gescand. Zelf moet ik door een detectiepoort – en alsof dat niet genoeg is – moet een man me ook nog eens handmatig betasten.
‘De volgende keer als u komt graag uw jas in een bak gooien, anders blijft-ie in de scanner hangen,’ zegt de in uniform gestoken man.
‘Nou, ik hoop hier niet nog een keertje te komen.’
De man lacht schaapachtig, en laat me door.
In een kale betonnen ruimte zitten een aantal wachtenden. Verdachten, net als ik, maar ze zien er écht als verdachten uit. Van die lui die je ’s avonds liever niet tegen het lijf loopt. Met ongeschoren koppen, slonzig gekleed zitten ze wat voor zich uit te staren, of te scrollen op hun smartphone. Bij een van hen gaat de telefoon: ze wisselen wat uit in een Slavisch klinkende taal.
Ondertussen tikt de klok door, de wachttijd loopt flink op. Ik loop naar de balie waar de gerechtsbode kauwend op kauwgum zit te scrollen op haar telefoon.
‘Nog twee mensen voor u.’
Ik haal nog maar een kop koffie.
‘Meneer Langeveld u kunt met me meekomen.’ Samen lopen we naar de deur van de gerechtszaal.
Het is een omvangrijke zaal met een verzameling lege stoelen. Voorin zitten drie personen, twee vrouwen en een man ieder achter een beeldscherm.
Ik moet direct gaan staan voor de reling van het beklaagdenbankje. De vrouwelijke rechter noemt mijn naam die op een lijst staat, maar kan het dossier niet zo snel in haar computer vinden. Ze aarzelt wat, rommelt en vindt dan toch de gegevens.
Ze somt de feiten op. Dat ik ben aangehouden omdat ik niet aan mijn plicht voldeed mijn hond aan te lijnen. Verder haalt ze mijn schriftelijk verweer aan, waarin ik meld dat mijn hond volledig onder appèl staat en daarmee geestelijk aangelijnd is.
Ze kent het woord onder appèl staan niet, en vraagt me wat dit precies inhoudt? Ik vind dit vreemd, maar leg het haar uit: ‘Het heeft me heel veel tijd en energie gekost om dit voor elkaar te krijgen. Er is heel wat vallen en opstaan aan voorafgegaan. Op dat soort mensen, die daar zoveel tijd in investeren, zou de samenleving juist trots op moeten zijn, in plaats van die persoon af te straffen met een geldboete!’
Hierop heeft ze geen antwoord. Ze kijkt van me weg en verstopt zich even achter haar beeldscherm.
‘Maar u bent volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) verplicht uw hond aan te lijnen. Loopt u nu nog steeds los met uw hond over straat?’
‘Ja,’ zeg ik heel eerlijk.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Dus u loopt al die tijd, het is inmiddels alweer 2,5 jaar geleden dat u werd bekeurd, met uw hond onaangelijnd. Heeft u dan niet meer bekeuringen gehad?’
‘Nee.’ Ik besef dat ik deze zaak ga verliezen. Mijn antwoord was te eerlijk, en daar word ik nu op afgerekend. Ik moet het over een andere boeg gooien, anders verlies ik dit en ik wil voor mij en Roos de vrijheid!
‘Ik zal het u sterker vertellen: ik word soms ook door agenten aangesproken, maar ik laat hen dan zien hoe goed mijn hond alle commando’s opvolgt en dan geven ze me complimenten. En mag ik een aanvulling geven op de persoon die mij bekeurd heeft: hij heeft me bijna een jaar lang moedwillig achtervolgd om me op heterdaad te betrappen.’
‘Ah, hij heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt,’ zegt ze geïnteresseerd.
Ik moet hier op doorgaan, dit snijdt hout.
‘Ja, de man is inmiddels uit zijn functie gezet vanwege intimiderend gedrag.’
‘Heeft u een klacht over hem ingediend?’
‘Nee, maar er zijn wel veel klachten over hem binnengekomen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Van een vrouw, zij werkt bij Handhaving. Ik ken haar, ze heeft ook een hond.’

Het woord is nu aan de officier. Ze staat op van haar stoel. Het is een keurige dame, stijfjes, zonder enig menselijke uitstraling. Ze is het tegendeel van de rechter, die zeer beminnelijk op me overkomt. Ze doet haar zegje wat neerkomt op: regels zijn regels. Ofwel: het bekende riedeltje van de gezagdrager in functie. Verder heeft ze notie genomen van mijn verweer, maar vindt ze uit veiligheid voor de openbare orde dat ik mijn hond moet aanlijnen, want een hond kun je nooit voor honderd procent vertrouwen. Ze blijft bij haar eis dat ik de bekeuring moet betalen. Ze weet even niet om welk bedrag het gaat, en zoekt dit in haar computer op.
‘Heeft u hier nog iets aan toe te voegen?’ vraagt de rechter aan mij.
‘Ik ben het volledig eens met de officier dat je een hond nooit voor honderd procent kunt vertrouwen. Ik lijn m’n hond ook altijd aan bij het oversteken van drukke wegen en bij situaties die ik als gevaarlijk inschat. En overigens dat onaangelijnd lopen doe ik niet zomaar: als ik m’n hond niet voor driehonderd procent zou vertrouwen dan zou ik nooit los met haar lopen. Ze is m’n grootste liefde en bezit, dat wil ik niet zomaar kwijtraken onder een auto!’
De rechter knikt instemmend, en vraagt me naar mijn beroep.
‘Ik ben tekstschrijver en redacteur én ik schrijf gedichten. Binnenkort komt m’n dichtbundel uit.’
Ze kijkt zeer belangstellend. ‘En u heeft ook nog geen strafblad zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Dan kom ik nu tot een uitspraak. Ik wijk af van de eis van de officier. Ik leg u een voorwaardelijke straf op, dat betekent dat u deze boete niet hoeft te betalen, maar als u binnen twee jaar toch weer wordt bekeurd voor deze overtreding dan moet u deze alsnog betalen. Begrijpt u?’
‘Begrepen, en bedankt daarvoor.’
‘Dat was het, ik wens u een fijne dag.’
‘Jullie een fijn weekend, antwoord ik, en loop de lange zaal uit naar de uitgang.
Langzaam dringt de overwinning bij me door als ik de trappen af loop op weg naar de buitenlucht. Ik heb het gevoel dat de rechter me ongrijpbaar vond. Zoiets van het heeft geen zin deze man te bekeuren: hij blijft toch met z’n hond loslopen. Dat heeft ze dan volledig bij het rechte eind.
Het voelt heel goed: ik ben eerlijk geweest door te zeggen dat ik nog steeds met Roos losloop. Dat is onze gezamenlijke vrijheid en die heb ik voor ons beiden bevochten. En ik heb een persoonlijke overwinning behaalt op die irritante handhaver die me bijna een jaar moedwillig heeft gestalkt!

Voor wat eraan voorafging klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

De angsthaas

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het ‘Angstig konijn’, in de volksmond al snel de ‘Angsthaas’ genoemd. Het beeld is van kunstenaar en grafisch vormgever Piet Parra, en het staat sinds augustus 2018 in het Flevopark.

De organisatoren van Stichting Appelsap schenken dit beeld aan de gemeente. Jaarlijks organiseren zij in de zomer een hiphopfestival in het Flevopark.
Het beeld is deels gefinancierd door Stichting Appelsap en aangevuld met een subsidie van 35.000 euro van het Mondriaan Fonds en een sponsoring van WeTransfer.
Voor Stichting Appelsap is Piet Parra de meest voordehand liggende keuze omdat hij als kunstenaar, die veel internationaal succes geniet, onlosmakelijk verbonden is aan de Amsterdamse hiphop-, kunst- en modecultuur.

Zelfportret
Parra komt met een reusachtig konijn dat angstig in elkaar gedoken zit. Het beeld is drie meter hoog en 400 kilo zwaar. De schets van Parra laat nog opstaande konijnenoren zien, maar dat idee laat hij in een later stadium los: hij modelleert de oren tegen de schedel. Parra handhaaft wel zijn signatuur in de spitsvormige snoet van het konijn, die spitsvormige kop komt vaker in zijn kunstwerken voor.
De firma Blow Ups – een fabriek voor kunst- en reclame in het Limburgse Heijen – gaat aan de slag om dit ‘opgeblazen’ konijn te fabriceren. Het holle beeld is gemaakt van purschuim en met een staalconstructie versterkt. De buitenhuid bestaat uit glasvezelversterkt polyester.
De kunstenaar noemt het zelf een zelfportret, dan wel een portret van mensen die altijd klagen over festivals.
‘Angstig konijn’ heeft een voorganger, getiteld ‘Anxiety’: het is een urethaanschuimen beeldje uit 2016, slechts 56 bij 60 bij 56 centimeter groot en hardroze van kleur. Het heeft echter wel opstaande konijnenoren.

Weerstand
Het ‘Angstig konijn’ heeft een tijdelijke vergunning van drie maanden gekregen. Blijkt er na die periode genoeg draagvlak voor het kunstwerk te zijn, dan kan de vergunning worden verlengd. Het beeld is op 11 augustus 2018 tijdens het Appelsap festival onthuld.
Maar er is ook weerstand. De Vrienden van het Flevopark laten in een brief aan de wethouder van Kunst en Cultuur weten dat ze tegen de plaatsing van het beeld zijn omdat er volgens hen niet genoeg draagvlak is gecreëerd. Verder is er geen omgevingsprocedure doorlopen. Volgens hen past het beeld ook veel beter op een stedelijke plek, en niet in een natuurlijk park als het Flevopark. Zij willen kunst die past bij het karakter van het park, en waar belangengroepen zoals de Vrienden van het Flevopark en bewoners van de Indische Buurt actief bij betrokken worden.

Piet Parra is de artiestennaam van grafisch ontwerper en illustrator Pieter Janssen (1976). Onder de naam Parra maakt Janssen grafisch werk voor affiches en flyers. Ook ontwerpt hij het design voor een aantal schoenen van Nike, waaronder de Air Max 1: ‘Cherrywood’ en de Air Max 95: ‘The Running Man’. Janssen is mede oprichter en creatief hoofd van het merk Rockwell Clothing, dat vanaf 2015 wordt voortgezet onder de naam By Parra.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Ineengedoken

Ineengedoken sta je zwart
en log in het open veld, zo
tevergeefs opzoek naar
een geschikte schuilplek

angstig konijn, gaven ze je
als titel mee, maar al rap
kreeg je het label angsthaas
opgeplakt, waarom sta je

zo ineengedoken in het
uitgestrekte veld, toon dat je
je angst kan overwinnen
maak je sterk, laat zien dat

je die plek in het Flevopark
waardig bent, kijk met

triomf de wijde wereld in:
laat je vooral niet wegsturen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

Verloren been

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost het metershoge been, met de titel ‘Noch einmal’. Het is van Henk Visch en staat aan de Polderweg, langs het spoor, schuin tegenover bierbrouwerij Poesiat & Kater. Het been is daar eind juni 2018 geplaatst.

‘Noch einmal’ met deze afmeting is in 2011 in opdracht van woningcorporatie Ymere gemaakt. Sinds 1990 maakt Visch al benen met de toepasselijke titel ‘Noch einmal’. De eerste, een goudkleurige van 101 cm hoog, geeft hij als bijschrift unlimited edition, 1990 -. Het exemplaar in groengrijs gepatineerd brons dat nu aan de Polderweg staat, is aanvankelijk bestemd voor een woonwijk in Haarlem maar komt daar nooit te staan. Het gaat eerst naar Amersfoort en loopt daarna toepasselijk door naar Duitsland.
Dit been is het grootste dat Visch tot nu toe heeft gemaakt, bijna zes meter hoog, en heeft nu een permanente plek in Oostpoort gekregen, tegenover woningen van Ymere.

Vertrouwd maar ook vervreemdend
Zijn beelden van menselijke gestaltes zijn direct herkenbaar. Ze zijn bijna altijd gegoten in brons, en hebben een maat die prikkelt. Alles is erop gericht zijn beelden zintuigelijk te ervaren.
Visch zegt daarover: ‘Eigenlijk gaat al mijn werk over staan. Dat zou je best een soort thema kunnen noemen. Al mijn beelden staan op een voet of steunen ergens op. Het staan zoals je zelf ook staat en be-staat. Voeten waarmee je op de bodem staat, nee, niet op de bodem, op de aarde.’
In een e-mail aan Geheugen van Oost schrijft hij: ‘Het been is een werk, dat mij tijdens mijn leven begeleidt, ik maak er steeds weer één als ik een exemplaar verkoop. Het symboliseert mijn leven, het herinnert mij eraan dat ik leef: het been is een stap, het is mijn stap, eigenlijk de stap van iedereen. Een stap en nog één en nog één… Het verbeeldt het leven dat doorgaat, wat er ook gebeurt. De titel “Noch Einmal” doet mij eraan herinneren, mocht ik het ooit vergeten, nog een afgietsel te laten maken. De oplage is onbeperkt, maar het wordt na mijn dood niet meer gemaakt.’
Het eenzame ledemaat is exemplarisch voor Visch’ oeuvre. Op zijn werk is moeilijk een stempel te drukken omdat het zo gevarieerd is. Maar wie dat toch wil doen, zou kunnen zeggen dat het niet standaard is. Zelfs in zijn puur figuratieve beelden is er bijna altijd wel iets dat afwijkt: een beeld zonder arm, of zonder hoofd, of het been zonder de rest van het lijf.

Metafoor voor de realiteit
Henk Visch, in 1950 geboren te Eindhoven, is een veelzijdig kunstenaar die zich uitdrukt in verschillende disciplines. Hij begint als tekenaar en graficus, maar vanaf 1981 gaat hij ook beeldhouwen. De beelden van hem variëren van monumentale in brons gegoten beelden, houtconstructies, grote polyester vormen tot kleine figuren van gevonden materiaal.
Het maken van sculpturen vergelijkt Visch met hardop denken in hout, verf en andere materialen. Hij wil niet zozeer de zichtbare werkelijkheid in beeld brengen, maar het beeld een metafoor laten zijn voor de realiteit van ervaringen.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Verloren been

Benen zijn er om mee te lopen
én op te staan, dat is al zolang
wij op de aardbol rondgaan

echter mijn rechterbeen besloot
op een dag dat-ie liever bleef staan
heel wat argumenten roerde ik aan

toch vond mijn been dat-ie niet
langer moest lopen, hij weigerde
zelfs nog één stap te verzetten

op die bewuste plek heb ik hem
toen maar afgekoppeld, want
ík wilde toch écht verder

sindsdien dicht de dichter met
één been, hinkt nota bene elke
dag langs zijn verloren been

echter met de dag wordt dat
been donkerder én langer
nu is-ie al tot zes meter uitgerekt

de dichter vraagt zich telkens
af tot hoe hoog zijn been
uiteindelijk wortelschiet

en hoopt dat ooit zijn been besluit
het leven weer met hem te delen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

‘Het begon met een dubbeltje’

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het kunstwerk ‘Het begon met een dubbeltje’. Het huizenhoge kunstwerk is aan de zijmuur van de zogenoemde ‘Dubbeltjespanden’ gemetseld, en vertelt de geschiedenis van de panden en haar bewoners.

De Dubbeltjespanden aan de Mauritskade zijn de eerste sociale woningen van Amsterdam. De 28 panden (met daarin 56 woningen) vormen samen een zijstraatje van de Mauritskade, en zijn gebouwd naar een ontwerp van architect Jan Willem Zoutseling.
In 2012 knapt Woonstichting De Key de woningen grondig op. Ter gelegenheid van deze renovatie, en het 145-jarig bestaan van de panden, maakt De Key in nauw overleg met de bewoners dit kunstwerk mogelijk.

Van mattenklopper tot olifant
De Dubbeltjespanden liggen haaks op de drukke Mauritskade, verstopt achter een blinde gevel. Om voorbijgangers iets van de intimiteit van het korte en smalle straatje mee te geven, en nieuwsgierig te maken naar de bijzondere geschiedenis van ‘De Dubbeltjes’ ontwerpt kunstenares Marjet Wessels Boer een huizenhoge, gemetselde letterbak.
Vroeger zaten er in een letterbak bij een drukkerij zetletters. Op die manier verwijst het kunstwerk naar de krant die de Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) uitbracht om leden te werven voor de bouw van de Dubbeltjespanden. Later krijgt de letterbak de functie van toonkast en worden er souvenirs en pronkstukjes in uitgestald.
Ook Wessels Boer gebruikt de letterbak als toonkast. Ze verzamelt persoonlijke en historische verhalen over de Dubbeltjespanden en vertaalt die in aluminium silhouetten. De voorwerpen met een huisnummer zijn aangedragen door huidige bewoners. Het resultaat is een bonte verzameling objecten, van mattenklopper tot olifant. Tezamen schetsen de silhouetten de geschiedenis van een unieke plek in Amsterdam. Een geschiedenis die nog lang niet ten einde is. Niet voor niets laat de kunstenares vakken in de letterbak open in afwachting op verhalen uit de toekomst.

Huurprijs van één gulden 75
De Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) is in 1868 opgericht. Doel van de Bouwmaatschappij is goede, betaalbare woningen voor arbeiders te bouwen die vaak in duurbetaalde, verkrotte woningen leven. Het eerste bouwproject zijn de Dubbeltjespanden, vernoemd naar het wekelijkse dubbeltje dat de leden van de BVEW aan contributie betalen. Door het betalen van de huur en de inleg van dit dubbeltje zouden bewoners na twintig jaar eigenaar van hun woning worden. Dit is uiteindelijk niet gelukt.
De eerste vier Dubbeltjespanden dateren uit maart 1872. Door financiële problemen bij de bouwmaatschappij loopt de bouw van de overige panden vertraging op. Het grootste deel van het straatje is in 1878 gereed. In 1885 zijn de laatste twee panden klaar. De huurprijs bedraagt één gulden en 75 cent (€ 0,80) per week. De panden hebben een beneden- en bovenwoning die elk een eigen toegang hebben. De oppervlakte van de woningen is ongeveer 30 vierkante meter.
Het straatje wordt tegenwoordig hoog gewaardeerd om zijn cultuurhistorische betekenis.
De BVEW ging in de jaren zestig op in ‘Onze Woning’ die in 1996 fuseerde met Woonstichting De Key. De missie van de BVEW is na 145 jaar onveranderd, want ook De Key heeft als doel: het zorgen voor goede en betaalbare huisvesting.

Marjet Wessels Boer (1978) studeert in 2001 af aan de Gerrit Rietveld Academie, en opent haar ontwerpstudio. Studio Wessels Boer verrijkt de openbare ruimte met verrassende objecten of ingrepen die het publiek thuis doen voelen, gezelschap houden en verwonderen. Vaak is het werk van Wessels Boer geïntegreerd in architectuur of infrastructuur.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 200, 18 mei 2018
en Oost-online.

Even terug in de tijd

Onalledaags

Het jublileumnummer van Dwars door de Buurt staat in het teken van verleden, heden en toekomst. In deze ‘Onalledaags’ grijp ik terug naar het verleden met enkele stukjes die ik halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef. Nog in een schrift vastgelegd in een tijd dat er nog geen computer was. Ik kwam toen als student Nederlands in de Transvaalbuurt wonen.

Opnieuw verhuizen?

Sinds gisteren hebben we de sleutel gekregen van een benedenwoning in de Transvaalbuurt. Het is een oude woning die we flink aan het opknappen zijn.
‘Even uitrusten?’ oppert m’n vriendin.
We nemen plaats in de tuin, draaien ieder een shaggie.
Aan de overkant op eenhoog staat een vrouw voor het raam te kijken. Ze draagt een vale bloemetjesjurk. Haar zwarte haren heeft ze vol zitten met gekleurde krulspelden. Met moeite schuift ze het raam omhoog en steekt haar hoofd naar buiten.
‘Gaan jullie óók verhuize?’
‘We hebben net de sleutel van deze woning gekregen mevrouw.’
Ze fronst haar wenkbrauwen. Haar gezicht is zwaar opgemaakt.
‘O, ik mot d’r uit. Renovasie. Motten die woninge niet gesloopt worde dan?’
Ik schat haar een jaar of vijftig. ‘Voorlopig wordt hier nog niet gerenoveerd mevrouw.’
Haar gezicht ziet er doorleefd uit. Zelfs de make-up kan het niet langer verbloemen.
‘Nou, ik ben blij dat ’k weg ken. Met al die Turke en Marokkane. Dat eten stink zó.’
Haar gezicht vertrekt daarbij in een grimas.
‘Wij vinden het hier juist een leuke buurt, veel verschillende nationaliteiten.’
Terwijl ik de buurt aan het aanprijzen ben, besef ik dat het weinig zin heeft. Haar houding verraadt dat ze niet in mijn verhaal geïnteresseerd is. Ze schuift het raam met moeite naar beneden en loopt er hoofdschuddend van weg.
Dit is vast een ouwe, verstokte Transvaalbewoonster?

Vliegeren?

Het is aan het eind van de ochtend al tamelijk heet in de tuin. In de schaduw van de lindeboom drink ik een bak zwarte koffie. Op driehoog in de hoek van het binnenterrein speelt zich een amusant tafereel af. Vanaf het balkon probeert een kind van een jaar of negen een papieren vogel op te laten. Zijn speelterrein is tot pakweg één bij vier meter beperkt. De vlieger bengelt aan een stuk touw voor het raam van de benedenburen. Beteuterd kijkt hij naar het grote klos touw en de bruine arend onder hem. Hoe krijg ik dat ding daar boven aan de hemel, zie ik hem denken. Dat heeft hij ongetwijfeld weleens op de televisie gezien.
Na een halfuurtje van afwikkelen en opwinden van het klos touw en daarbij de vlieger van begane grond tot driehoog heen en weer te hebben laten gaan, gooit de jongen het probleemgeval naast zich neer. Hij trekt z’n rollerskates met ‘turbo-geluid’ aan en manoeuvreert heen en weer over het met wasgoed vol gehangen balkon. Het ‘turbo-geweld’ weerkaatst tussen de vier opstaande gevels van het binnenterrein.
Enkele minuten later trapt hij de skates uit en smijt er één over de balkonrand. Beneden sneuvelt een ruit. Hij trekt aan de keukendeur, maar die geeft niet mee. Hij schreeuwt en krijst. Niemand reageert. Van angst trapt hij tegen de keukendeur en tegen de metalen vuilnisbak. Het haalt niets uit. De deur blijft gesloten. Dan kruipt hij in een hoek ineen en huilt hartverscheurend.

Een pak Douwe Egberts

Samen lopen we naar de buurtsuper van Joop. Helaas verbiedt een gebodsbordje Elsa de toegang tot het pand. Ik laat haar achter maar weet dat ze de zaak toch binnendringt. Ze hoeft maar voor de elektronische verklikker te gaan staan en de deur opent zich vanzelf.
Het is druk in de zaak; de kassa’s zijn weer eens onderbezet.
En er is vanmiddag ook weer eens consternatie: een agent slaat een vrouw in de boeien en voert haar af. Haar prooi: een pak Douwe Egberts. Joop heeft zijn ogen niet in zijn zak zitten en menigeen verliest bij hem het graaispel.
Inmiddels sjokt Elsa naast me mee. Gelukkig kent Joop haar.
‘Ze wordt al oud maar blijft ondeugend,’ zegt hij lachend.
‘Ja, ze houdt van gewoontes,’ voeg ik er onnodig aan toe.
Daarmee is de kous als gewoonlijk afgedaan en mag Elsa het laatste gedeelte wachtend in de rij met me doorbrengen.
Bij het afrekenen, blijk ik niet over de nodige duiten te beschikken. Ik pak een paar artikelen die ik toch niet écht nodig heb en geef ze aan het kassameisje. Dit overkomt me net iets te vaak!
Elsa sloft achter me aan naar huis. Ik hoef niet achterom te kijken, het tikken van haar nagels op het trottoir geeft haar positie nauwgezet aan. En zelfstandig oversteken kan ze al jaren!

SVP aanbieden in gesloten zak

De in sjofel pak gestoken man, van naar ik schat een jaar of vijftig, klimt met beide voeten op een fiets die tegen een container aanstaat. Hij duwt de deksel open en steekt zijn ongeschoren kop naar binnen. De inhoud van de groene container komt volgens het er slordig opgespoten opschrift: ‘ten goede aan hulpbehoefenden (met een f) in de Derde Wereld, ook voor Roemenië.’ Dit aldus de mij onbekende stichting Kici.
Met twee vuilniszakken kledij in mijn hand sta ik naast de container te wachten. Ongestoord blijft de man de inhoud inspecteren. Voorbijgangers kijken maar besteden er niet lang aandacht aan.
‘Zullen we ’m d’r maar ingooien?’ zeg ik net iets te hard tegen mijn vriendin.
De verlopen kop komt naar buiten. Met een verwilderde blik in zijn ogen staart hij me aan. Dan waggelt-ie weg, werpt nog even een stuurse blik naar achter en verdwijnt om de hoek.

‘Ik mot ook dood’

Vandaag is het een hete dag. Ik loop de deur uit naar buiten. De hitte slaat me flink in het gezicht. Mijn trouwe viervoeter slentert achter me aan, de warmte overvalt ook Elsa want ze sukkelt meer dan ooit. Haar zwarte vacht is in de felle zon een ondraaglijke last, en samen eisen we de schaarse schaduw op.
Op de hoek van de straat houdt een vrouw ons staande. Ze staat op afgetrapte pantoffels en draagt een tot op de draad versleten winterjas. Ze stinkt zodanig dat ik er misselijk van word.
‘Hoe oud is-tie hond?’
‘Ze is elf,’ zeg ik trots.
‘Elf maande.’
‘Nee mevrouw, zo jong ziet ze d’r toch niet meer uit!’
‘Is ’t een wijffie? Ik hed ook ’n hondje’, maar nou is-ie dood. Ik mot ook dood,’ klaagt ze en strompelt door.

Sultan de sul

De zon schijnt fel. De hitte van de vorige dag hangt nog in het huis. Ik loop de tuin in, maar daar is het nog heter. Op tweehoog aan de overkant blaft een hond. Elke keer als de hond een kat ziet, blaft hij de longen uit zijn lijf. Het lijkt erop alsof zijn leven ervan afhangt. Elke dag hetzelfde treurige tafereel. Steeds weer katten die hij moet verdrijven. Wat een vermoeiende levenstaak heeft hij op zijn schouders genomen. Helaas trekt de doorgewinterde huiskat zich niets van deze grote herdershond aan. Die bevindt zich toch veilig achter tralies ergens ver boven hen.
De hond, Sultan noemen ze hem, zit opgesloten op een balkonnetje van één bij vier meter vanwaar hij dagelijks zicht heeft op de tuinen in het omsloten huizenblok. Met uitzondering van de twee keer per dag dat hij het balkon mag verlaten voor een ‘blokje om’, waar hij zijn drol ergens pontificaal midden op de stoep kan deponeren. Het enige vertier voor de hond vormen de stuk of twintig katten die het blok rijk is. Elke keer trapt Sultan er weer in. Zijn balkonnetje verdedigt hij met man en macht; er zou toch eens een kat bij hem op het balkon komen… Zelfs met deze hitte houdt Sultan het niet voor gezien.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 200, 18 mei 2018
en Oost-online.