Verloren been

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost het metershoge been, met de titel ‘Noch einmal’. Het is van Henk Visch en staat aan de Polderweg, langs het spoor, schuin tegenover bierbrouwerij Poesiat & Kater. Het been is daar eind juni 2018 geplaatst.

‘Noch einmal’ met deze afmeting is in 2011 in opdracht van woningcorporatie Ymere gemaakt. Sinds 1990 maakt Visch al benen met de toepasselijke titel ‘Noch einmal’. De eerste, een goudkleurige van 101 cm hoog, geeft hij als bijschrift unlimited edition, 1990 -. Het exemplaar in groengrijs gepatineerd brons dat nu aan de Polderweg staat, is aanvankelijk bestemd voor een woonwijk in Haarlem maar komt daar nooit te staan. Het gaat eerst naar Amersfoort en loopt daarna toepasselijk door naar Duitsland.
Dit been is het grootste dat Visch tot nu toe heeft gemaakt, bijna zes meter hoog, en heeft nu een permanente plek in Oostpoort gekregen, tegenover woningen van Ymere.

Vertrouwd maar ook vervreemdend
Zijn beelden van menselijke gestaltes zijn direct herkenbaar. Ze zijn bijna altijd gegoten in brons, en hebben een maat die prikkelt. Alles is erop gericht zijn beelden zintuigelijk te ervaren.
Visch zegt daarover: ‘Eigenlijk gaat al mijn werk over staan. Dat zou je best een soort thema kunnen noemen. Al mijn beelden staan op een voet of steunen ergens op. Het staan zoals je zelf ook staat en be-staat. Voeten waarmee je op de bodem staat, nee, niet op de bodem, op de aarde.’
In een e-mail aan Geheugen van Oost schrijft hij: ‘Het been is een werk, dat mij tijdens mijn leven begeleidt, ik maak er steeds weer één als ik een exemplaar verkoop. Het symboliseert mijn leven, het herinnert mij eraan dat ik leef: het been is een stap, het is mijn stap, eigenlijk de stap van iedereen. Een stap en nog één en nog één… Het verbeeldt het leven dat doorgaat, wat er ook gebeurt. De titel “Noch Einmal” doet mij eraan herinneren, mocht ik het ooit vergeten, nog een afgietsel te laten maken. De oplage is onbeperkt, maar het wordt na mijn dood niet meer gemaakt.’
Het eenzame ledemaat is exemplarisch voor Visch’ oeuvre. Op zijn werk is moeilijk een stempel te drukken omdat het zo gevarieerd is. Maar wie dat toch wil doen, zou kunnen zeggen dat het niet standaard is. Zelfs in zijn puur figuratieve beelden is er bijna altijd wel iets dat afwijkt: een beeld zonder arm, of zonder hoofd, of het been zonder de rest van het lijf.

Metafoor voor de realiteit
Henk Visch, in 1950 geboren te Eindhoven, is een veelzijdig kunstenaar die zich uitdrukt in verschillende disciplines. Hij begint als tekenaar en graficus, maar vanaf 1981 gaat hij ook beeldhouwen. De beelden van hem variëren van monumentale in brons gegoten beelden, houtconstructies, grote polyester vormen tot kleine figuren van gevonden materiaal.
Het maken van sculpturen vergelijkt Visch met hardop denken in hout, verf en andere materialen. Hij wil niet zozeer de zichtbare werkelijkheid in beeld brengen, maar het beeld een metafoor laten zijn voor de realiteit van ervaringen.

Sommige sculpturen vragen nu eenmaal om een gedicht, en daar kan ik als dichter niet omheen:

Verloren been

Benen zijn er om mee te lopen
én op te staan, dat is al zolang
wij op de aardbol rondgaan

echter mijn rechterbeen besloot
op een dag dat-ie liever bleef staan
heel wat argumenten roerde ik aan

toch vond mijn been dat-ie niet
langer moest lopen, hij weigerde
zelfs nog één stap te verzetten

op die bewuste plek heb ik hem
toen maar afgekoppeld, want
ík wilde toch écht verder

sindsdien dicht de dichter met
één been, hinkt nota bene elke
dag langs zijn verloren been

echter met de dag wordt dat
been donkerder én langer
nu is-ie al tot zes meter uitgerekt

de dichter vraagt zich telkens
af tot hoe hoog zijn been
uiteindelijk wortelschiet

en hoopt dat ooit zijn been besluit
het leven weer met hem te delen.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

‘Het begon met een dubbeltje’

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost het kunstwerk ‘Het begon met een dubbeltje’. Het huizenhoge kunstwerk is aan de zijmuur van de zogenoemde ‘Dubbeltjespanden’ gemetseld, en vertelt de geschiedenis van de panden en haar bewoners.

De Dubbeltjespanden aan de Mauritskade zijn de eerste sociale woningen van Amsterdam. De 28 panden (met daarin 56 woningen) vormen samen een zijstraatje van de Mauritskade, en zijn gebouwd naar een ontwerp van architect Jan Willem Zoutseling.
In 2012 knapt Woonstichting De Key de woningen grondig op. Ter gelegenheid van deze renovatie, en het 145-jarig bestaan van de panden, maakt De Key in nauw overleg met de bewoners dit kunstwerk mogelijk.

Van mattenklopper tot olifant
De Dubbeltjespanden liggen haaks op de drukke Mauritskade, verstopt achter een blinde gevel. Om voorbijgangers iets van de intimiteit van het korte en smalle straatje mee te geven, en nieuwsgierig te maken naar de bijzondere geschiedenis van ‘De Dubbeltjes’ ontwerpt kunstenares Marjet Wessels Boer een huizenhoge, gemetselde letterbak.
Vroeger zaten er in een letterbak bij een drukkerij zetletters. Op die manier verwijst het kunstwerk naar de krant die de Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) uitbracht om leden te werven voor de bouw van de Dubbeltjespanden. Later krijgt de letterbak de functie van toonkast en worden er souvenirs en pronkstukjes in uitgestald.
Ook Wessels Boer gebruikt de letterbak als toonkast. Ze verzamelt persoonlijke en historische verhalen over de Dubbeltjespanden en vertaalt die in aluminium silhouetten. De voorwerpen met een huisnummer zijn aangedragen door huidige bewoners. Het resultaat is een bonte verzameling objecten, van mattenklopper tot olifant. Tezamen schetsen de silhouetten de geschiedenis van een unieke plek in Amsterdam. Een geschiedenis die nog lang niet ten einde is. Niet voor niets laat de kunstenares vakken in de letterbak open in afwachting op verhalen uit de toekomst.

Huurprijs van één gulden 75
De Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) is in 1868 opgericht. Doel van de Bouwmaatschappij is goede, betaalbare woningen voor arbeiders te bouwen die vaak in duurbetaalde, verkrotte woningen leven. Het eerste bouwproject zijn de Dubbeltjespanden, vernoemd naar het wekelijkse dubbeltje dat de leden van de BVEW aan contributie betalen. Door het betalen van de huur en de inleg van dit dubbeltje zouden bewoners na twintig jaar eigenaar van hun woning worden. Dit is uiteindelijk niet gelukt.
De eerste vier Dubbeltjespanden dateren uit maart 1872. Door financiële problemen bij de bouwmaatschappij loopt de bouw van de overige panden vertraging op. Het grootste deel van het straatje is in 1878 gereed. In 1885 zijn de laatste twee panden klaar. De huurprijs bedraagt één gulden en 75 cent (€ 0,80) per week. De panden hebben een beneden- en bovenwoning die elk een eigen toegang hebben. De oppervlakte van de woningen is ongeveer 30 vierkante meter.
Het straatje wordt tegenwoordig hoog gewaardeerd om zijn cultuurhistorische betekenis.
De BVEW ging in de jaren zestig op in ‘Onze Woning’ die in 1996 fuseerde met Woonstichting De Key. De missie van de BVEW is na 145 jaar onveranderd, want ook De Key heeft als doel: het zorgen voor goede en betaalbare huisvesting.

Marjet Wessels Boer (1978) studeert in 2001 af aan de Gerrit Rietveld Academie, en opent haar ontwerpstudio. Studio Wessels Boer verrijkt de openbare ruimte met verrassende objecten of ingrepen die het publiek thuis doen voelen, gezelschap houden en verwonderen. Vaak is het werk van Wessels Boer geïntegreerd in architectuur of infrastructuur.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 200, 18 mei 2018
en Oost-online.

Even terug in de tijd

Onalledaags

Het jublileumnummer van Dwars door de Buurt staat in het teken van verleden, heden en toekomst. In deze ‘Onalledaags’ grijp ik terug naar het verleden met enkele stukjes die ik halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef. Nog in een schrift vastgelegd in een tijd dat er nog geen computer was. Ik kwam toen als student Nederlands in de Transvaalbuurt wonen.

Opnieuw verhuizen?

Sinds gisteren hebben we de sleutel gekregen van een benedenwoning in de Transvaalbuurt. Het is een oude woning die we flink aan het opknappen zijn.
‘Even uitrusten?’ oppert m’n vriendin.
We nemen plaats in de tuin, draaien ieder een shaggie.
Aan de overkant op eenhoog staat een vrouw voor het raam te kijken. Ze draagt een vale bloemetjesjurk. Haar zwarte haren heeft ze vol zitten met gekleurde krulspelden. Met moeite schuift ze het raam omhoog en steekt haar hoofd naar buiten.
‘Gaan jullie óók verhuize?’
‘We hebben net de sleutel van deze woning gekregen mevrouw.’
Ze fronst haar wenkbrauwen. Haar gezicht is zwaar opgemaakt.
‘O, ik mot d’r uit. Renovasie. Motten die woninge niet gesloopt worde dan?’
Ik schat haar een jaar of vijftig. ‘Voorlopig wordt hier nog niet gerenoveerd mevrouw.’
Haar gezicht ziet er doorleefd uit. Zelfs de make-up kan het niet langer verbloemen.
‘Nou, ik ben blij dat ’k weg ken. Met al die Turke en Marokkane. Dat eten stink zó.’
Haar gezicht vertrekt daarbij in een grimas.
‘Wij vinden het hier juist een leuke buurt, veel verschillende nationaliteiten.’
Terwijl ik de buurt aan het aanprijzen ben, besef ik dat het weinig zin heeft. Haar houding verraadt dat ze niet in mijn verhaal geïnteresseerd is. Ze schuift het raam met moeite naar beneden en loopt er hoofdschuddend van weg.
Dit is vast een ouwe, verstokte Transvaalbewoonster?

Vliegeren?

Het is aan het eind van de ochtend al tamelijk heet in de tuin. In de schaduw van de lindeboom drink ik een bak zwarte koffie. Op driehoog in de hoek van het binnenterrein speelt zich een amusant tafereel af. Vanaf het balkon probeert een kind van een jaar of negen een papieren vogel op te laten. Zijn speelterrein is tot pakweg één bij vier meter beperkt. De vlieger bengelt aan een stuk touw voor het raam van de benedenburen. Beteuterd kijkt hij naar het grote klos touw en de bruine arend onder hem. Hoe krijg ik dat ding daar boven aan de hemel, zie ik hem denken. Dat heeft hij ongetwijfeld weleens op de televisie gezien.
Na een halfuurtje van afwikkelen en opwinden van het klos touw en daarbij de vlieger van begane grond tot driehoog heen en weer te hebben laten gaan, gooit de jongen het probleemgeval naast zich neer. Hij trekt z’n rollerskates met ‘turbo-geluid’ aan en manoeuvreert heen en weer over het met wasgoed vol gehangen balkon. Het ‘turbo-geweld’ weerkaatst tussen de vier opstaande gevels van het binnenterrein.
Enkele minuten later trapt hij de skates uit en smijt er één over de balkonrand. Beneden sneuvelt een ruit. Hij trekt aan de keukendeur, maar die geeft niet mee. Hij schreeuwt en krijst. Niemand reageert. Van angst trapt hij tegen de keukendeur en tegen de metalen vuilnisbak. Het haalt niets uit. De deur blijft gesloten. Dan kruipt hij in een hoek ineen en huilt hartverscheurend.

Een pak Douwe Egberts

Samen lopen we naar de buurtsuper van Joop. Helaas verbiedt een gebodsbordje Elsa de toegang tot het pand. Ik laat haar achter maar weet dat ze de zaak toch binnendringt. Ze hoeft maar voor de elektronische verklikker te gaan staan en de deur opent zich vanzelf.
Het is druk in de zaak; de kassa’s zijn weer eens onderbezet.
En er is vanmiddag ook weer eens consternatie: een agent slaat een vrouw in de boeien en voert haar af. Haar prooi: een pak Douwe Egberts. Joop heeft zijn ogen niet in zijn zak zitten en menigeen verliest bij hem het graaispel.
Inmiddels sjokt Elsa naast me mee. Gelukkig kent Joop haar.
‘Ze wordt al oud maar blijft ondeugend,’ zegt hij lachend.
‘Ja, ze houdt van gewoontes,’ voeg ik er onnodig aan toe.
Daarmee is de kous als gewoonlijk afgedaan en mag Elsa het laatste gedeelte wachtend in de rij met me doorbrengen.
Bij het afrekenen, blijk ik niet over de nodige duiten te beschikken. Ik pak een paar artikelen die ik toch niet écht nodig heb en geef ze aan het kassameisje. Dit overkomt me net iets te vaak!
Elsa sloft achter me aan naar huis. Ik hoef niet achterom te kijken, het tikken van haar nagels op het trottoir geeft haar positie nauwgezet aan. En zelfstandig oversteken kan ze al jaren!

SVP aanbieden in gesloten zak

De in sjofel pak gestoken man, van naar ik schat een jaar of vijftig, klimt met beide voeten op een fiets die tegen een container aanstaat. Hij duwt de deksel open en steekt zijn ongeschoren kop naar binnen. De inhoud van de groene container komt volgens het er slordig opgespoten opschrift: ‘ten goede aan hulpbehoefenden (met een f) in de Derde Wereld, ook voor Roemenië.’ Dit aldus de mij onbekende stichting Kici.
Met twee vuilniszakken kledij in mijn hand sta ik naast de container te wachten. Ongestoord blijft de man de inhoud inspecteren. Voorbijgangers kijken maar besteden er niet lang aandacht aan.
‘Zullen we ’m d’r maar ingooien?’ zeg ik net iets te hard tegen mijn vriendin.
De verlopen kop komt naar buiten. Met een verwilderde blik in zijn ogen staart hij me aan. Dan waggelt-ie weg, werpt nog even een stuurse blik naar achter en verdwijnt om de hoek.

‘Ik mot ook dood’

Vandaag is het een hete dag. Ik loop de deur uit naar buiten. De hitte slaat me flink in het gezicht. Mijn trouwe viervoeter slentert achter me aan, de warmte overvalt ook Elsa want ze sukkelt meer dan ooit. Haar zwarte vacht is in de felle zon een ondraaglijke last, en samen eisen we de schaarse schaduw op.
Op de hoek van de straat houdt een vrouw ons staande. Ze staat op afgetrapte pantoffels en draagt een tot op de draad versleten winterjas. Ze stinkt zodanig dat ik er misselijk van word.
‘Hoe oud is-tie hond?’
‘Ze is elf,’ zeg ik trots.
‘Elf maande.’
‘Nee mevrouw, zo jong ziet ze d’r toch niet meer uit!’
‘Is ’t een wijffie? Ik hed ook ’n hondje’, maar nou is-ie dood. Ik mot ook dood,’ klaagt ze en strompelt door.

Sultan de sul

De zon schijnt fel. De hitte van de vorige dag hangt nog in het huis. Ik loop de tuin in, maar daar is het nog heter. Op tweehoog aan de overkant blaft een hond. Elke keer als de hond een kat ziet, blaft hij de longen uit zijn lijf. Het lijkt erop alsof zijn leven ervan afhangt. Elke dag hetzelfde treurige tafereel. Steeds weer katten die hij moet verdrijven. Wat een vermoeiende levenstaak heeft hij op zijn schouders genomen. Helaas trekt de doorgewinterde huiskat zich niets van deze grote herdershond aan. Die bevindt zich toch veilig achter tralies ergens ver boven hen.
De hond, Sultan noemen ze hem, zit opgesloten op een balkonnetje van één bij vier meter vanwaar hij dagelijks zicht heeft op de tuinen in het omsloten huizenblok. Met uitzondering van de twee keer per dag dat hij het balkon mag verlaten voor een ‘blokje om’, waar hij zijn drol ergens pontificaal midden op de stoep kan deponeren. Het enige vertier voor de hond vormen de stuk of twintig katten die het blok rijk is. Elke keer trapt Sultan er weer in. Zijn balkonnetje verdedigt hij met man en macht; er zou toch eens een kat bij hem op het balkon komen… Zelfs met deze hitte houdt Sultan het niet voor gezien.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 200, 18 mei 2018
en Oost-online.

De kunst van het doodgaan

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Gedichten op gevels’ met een gedicht van Rutger Kopland. En wel met de vierde strofe uit het gedicht De kunst van het doodgaan, dat op het raam van Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat 88 staat.

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

Het volledige gedicht waar deze strofe uitkomt, is deze:

De kunst van het doodgaan

Als het zover is – zal ik dan eindelijk
weten wat dat is, doodgaan
jezelf verlaten en weten
dat je nooit terugkeert

soms wanneer ik het koraal hoor
Nu komm’ der Heiden Heiland
doorstroomt mij een vermoeden van
onontkoombaar verlies –
maar wat geeft het

bij het zien van een uitzicht over bergen
een verte die verdwijnt in zichzelf
kan ik worden bevangen door een huiver
voor de eenzaamheid die mij wacht –
maar wat geeft het

er is wel eens zo’n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug –
maar wat geeft het

ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn.

Uit: ‘Een man in de tuin’. Van Oorschot, 2004.

Voorstellingen en scholing
Theater Veder in de Derde Oosterparkstraat is een trainingscentrum en adviesbureau op het gebied van communiceren met kwetsbare doelgroepen, zoals mensen met dementie, een verstandelijke beperking, een psychische aandoening en ADHD en/of autisme. Theater Veder speelt en traint in zorginstellingen en organisaties door heel Nederland. Zij draagt de ‘Veder Methode’ uit en verspreidt deze om een bijdrage te leveren aan het doorbreken van sociaal isolement. Tijdens de interactieve voorstellingen wordt de doelgroep uitgedaagd tot het maken van wederzijds contact. Dit leidt tot mooie en bijzondere contactmomenten. Naast huiskamervoorstellingen biedt Veder ook voorstellingen op maat en theatervoorstellingen.
Daarnaast verzorgt Theater Veder trainingen en coaching-sessies aan medewerkers in de zorg, mantelzorgers en vrijwilligers. Zij leren de ‘Veder Methode’ toe te passen in de dagelijkse praktijk. Daardoor verbetert het contact met degenen voor wie zij zorgen en neemt het werkplezier toe. Dit leidt uiteindelijk tot een kostenbesparing voor de organisatie.

Bespiegelingen over vergankelijkheid
Rutger Kopland (1934-2012), het pseudoniem van Rutger Hendrik (Rudi) van den Hoofdakker (Hoofd > Kop, akker > land) was hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als psychiater was hij een autoriteit op het gebied van depressiebestrijding door lichttherapie en slaapverschuiving.
Kopland is lange tijd een van de populairste dichters van Nederland. Hij debuteert in 1966 met de bundel ‘Onder het vee’. Meer dan tien bundels volgen, alsook diverse bundelingen aan essays.
Hij wist heel veel lezers aan zich te binden door zijn persoonlijke en intieme toon. In een onnadrukkelijke, observerende stijl met veel aandacht voor het gewone woord, belicht zijn poëzie algemeen-menselijke thema’s. Veel van zijn gedichten beschrijven een (bijvoorbeeld door een landschap opgeroepen) gestold moment, een kortstondige impressie, die aanleiding vormt tot een bespiegeling over vergankelijkheid, het voorbijgaan van het moment of het scheppingsproces van de dichter. Voor veel lezers en critici weet hij toegankelijkheid, relativering en diepgang te combineren.

En wie kent niet dit beroemde gedicht:

Jonge sla

Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen, kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.

Uit: ‘Alles op de fiets’. Van Oorschot, 1970.
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

Wij bellen u

Onalledaags


‘Heeft u toevallig uw cv bij u?’ vraagt ze me beleefd.
‘Nee, die heb ik niet bij me.’
‘En een legitimatiebewijs?’
‘Ja, dat wel.’
‘Vult u dit formulier zo volledig mogelijk in. Als u daarmee klaar bent dan komt u weer bij mij,’ zegt ze vriendelijk.
Afgezonderd in een hoek van een grote ruimte, achter een met beige linnen beplakt schot, beantwoord ik trouw de vele vragen. Enkele malen rinkelt er een telefoon. Dan neemt iemand hem op. Mijn ogen blijven steken bij ‘schoenmaat’. Een vreemde vraag. Wat voor een relevante informatie weken ze hier los uit de lengte van de voet? Zou ik met maat 46 de bedrijfsschoenen niet vergoed krijgen? Die vraag sla ik over. Bij het onderdeel ‘werkervaringen’ blijf ik opnieuw steken. Er is te weinig ruimte om al mijn ‘ervaringen’ te verwoorden. Die ruimte houd ik open. De vriendelijke dame mag dat straks voor me invullen.
Even later loopt ze het formulier nauwkeurig door en vult de opengelaten delen vragend op.
‘Wat is uw typesnelheid?’
‘Tja, meer dan gemiddeld. Weliswaar typ ik maar met drie vingers. Maar toch ik zou zeggen een redelijk hoge snelheid.’
‘Zonder typediploma noteer ik hier geen typesnelheid,’ zegt ze kordaat.
‘U heeft níets ingevuld bij werkervaringen,’ klinkt het wat kregelig.
‘Tja, dat is teveel om op te noemen. Laat ik het beperken tot het niveau waarnaar ik solliciteer.’
‘Waarom wilt u deze baan eigenlijk?’
Ik leg haar uit dat het voor mij prettig is om naast de onregelmatige inkomsten, die ik al schrijvende vergaar, een vast inkomen te hebben waarmee ik bijvoorbeeld mijn huur kan betalen.
Ze knikt. ‘Omschrijft u eens uw positieve en negatieve karaktereigenschappen,’ vraagt ze me nu.
Zo langzamerhand ben ik hier in een diepgaande sollicitatieprocedure verzeild geraakt. Wat ze tegenwoordig niet allemaal van je verwachten. Zelfs voor de meest eenvoudige banen passen ze een sterkte/zwakte-analyse op je toe.
Keurig noteert ze mijn verhaal.
Aan het einde van het gesprek belooft ze me stellig de volgende dag te bellen, en drukt me een brochure in de hand. Ze zal contact opnemen met het bedrijf waarvoor ik zal gaan werken. Uit haar enthousiaste woorden maak ik op dat ik geschikt ben voor deze baan.
De volgende dag gaat er geen telefoon. Maar de dag erop wel. De vriendelijke dame klinkt een stuk minder vriendelijk. Ze deelt me mee dat voor de postkamer een ander is gevonden. Een werkloze met zeven jaar ervaring. En terecht dat diegene voorrang heeft gekregen.
Ik blader de brochure van het uitzendbureau door en stuit op een markante zin: ‘Wanneer wij een opdracht in behandeling hebben die aansluit op uw opleiding en ervaring, zullen wij contact met u opnemen voor een oriënterend gesprek. U hoeft daarvoor geen contact met ons te onderhouden.’
Inmiddels wacht ik al weer ruim een halfjaar vol spanning af, maar geen telefoontje of mailtje. Bedankt, Trude!

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

De zeegodin

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Amphitrite’ van beeldhouwer Albert Termote. Het beeld staat, na restauratie, aan het Azartplein op het KNSM-eiland. Het is daar – na nogal wat omzwervingen – in 2009 geplaatst. Het pronkt daar nu weer in de buurt van waar het van 1956 tot 1981 stond.

De beeldengroep is een voorstelling uit de Griekse mythologie. Amphitrite, de dochter van Nereus en zeegodin, berijdt een hippocampi (half paard, half vis), zoon Triton (half mens, half vis) blaast de hoorn. De groep bronzen beelden komt uit het water omhoog, en er spuiten fonteinen. Amphitrite is de vrouw van de zeegod Poseidon. Poseidon is in de Griekse mythologie de god die heerst over zeeën, wateren en hun goden.
De meeste schepen van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM) droegen namen die ontleend waren aan de Griekse, Romeinse of Egyptische mythologie.
Dichter A. Roland Holst schreef een gelegenheidsgedicht voor ‘Amphitrite’, dat op een van de rotsblokken in de fontein staat gebeiteld:

Dochter van Nereus, hoog te paard; hoe raast
de branding, waar uw zoon de zeehoorn blaast!
Luidt weer een eeuw hij in voor onze schepen?
Uw wild hart bleef hun harten steeds het naast.

Zwervend bestaan
Personeel van de KNSM schenkt in 1956 de beeldengroep ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de rederij. Het krijgt een plek in het door tuinarchitect Mien Ruys ontworpen parkje op het KNSM-eiland, midden in een bassin. In 1980 verplaatst de havenactiviteit naar de havens in Amsterdam-West en Rotterdam. Het oostelijk havengebied raakt in verval. De beeldengroep gaat vanaf dan een zwervend bestaan tegemoet. Eerst ligt het nogal wat jaren gedemonteerd en opgeslagen op het terrein van een schroothandel. Maar dan halen de ‘Kroonvaarders’, de vereniging van voormalig personeel van de KNSM, ‘Amphitrite’ uit dit armtierige bestaan. Zij krijgt in 1989 een plek in het water, een rechthoekige betonnen bak op een kunstmatig eiland, grenzend aan de Prins Hendrikkade, tegenover het Scheepvaartmuseum. Daar staat ze tot 2008.
Rond het jaar 2000 beginnen de onderhandelingen over de mogelijke terugkeer van ‘Amphitrite’ naar het KNSM-eiland. Er gaat negen jaar voorbij voordat het zover is. Maar na een grondige restauratie is de beeldengroep teruggekeerd: ‘Amphitrite’ staat nu voor Loods 9 aan de kop van de KNSM-laan.

Beeldhouwer Albert Termote (1887-1978) heeft veel monumenten, beelden, portretten en ruiterbeelden gemaakt. Termote is geboren te Lichtervelde in België. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vlucht hij naar Engeland, en in 1915 trekt hij naar Amsterdam waar hij tot 1918 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten, onder leiding van Jan Bronner, studeert. In 1922 verhuist hij naar Voorburg waar hij de rest van zijn leven blijft. Door de vele tentoonstellingen van Pulchri Studio verwerft hij landelijke bekendheid. Hij krijgt veel opdrachten.
Termote werkt tot zijn 85ste. Op doktersadvies en vanwege moeilijkheden met de huur van zijn atelier besluit hij met het zware beeldhouwerswerk te stoppen. Op 13 juli 1972 slaat hij in zijn atelier vele van zijn gipsmodellen aan stukken. Hij heeft besloten zich alleen nog bezig te houden met kleine plastieken in een atelier aan huis.
Kenmerkend is zijn bescheidenheid waarmee hij met zijn bekendheid omgaat. Tijdens een tentoonstelling, een jaar voor zijn dood, van zijn werken in Museum Swaensteyn zei hij: ‘Ik kan haast niet geloven, dat dit allemaal mijn werk is, maar aan de andere kant, weet ik nog precies waar, wanneer en waarom ik de dingen maakte.’

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Nalatenschap

Onalledaags


De postbode heeft zojuist een aangetekende brief bij me bezorgd. Het is een brief van de woningbouwcoöperatie. Ik vraag me af waarom deze aangetekend is. Nieuwsgierig scheur ik de enveloppe open, haal de brief eruit, lees en schrik. ‘U dient onze woning te ontruimen vóór…’
Wat krijgen we nóu? Mijn ogen vliegen verder over het vel papier.
‘Wij wijzen U erop dat U op een onrechtmatige wijze ons eigendom bewoont.’
Verdomme, nee, niet dít ook nog eens, verzucht ik.
‘Bij controle van onze huuradministratie is gebleken dat de hoofdhuurder niet langer de huur van de woning voldoet, maar dat dit sinds twee maanden door een andere persoon wordt voldaan.’
Wat een schoftenstreek. Ik kijk naar buiten. De regen waait in vlagen tegen de ruit.

Vijf jaar geleden nemen Esther en ik plaats in een kleine ruimte. De muren zijn kaal wit. Tegenover ons zit een man. Hij draagt een zwarte hoornen bril. Een breed grijs bureaublad is als scheidslijn tussen ons opgeworpen.
‘Een mooie woning, hè, die jullie van ons toegewezen hebben gekregen,’ zegt hij iets te vriendelijk.
‘Ja, prachtig.’
‘Hier is de huurovereenkomst. Bekijk ’t maar even of alles klopt.’
Hij overhandigt het aan mij. Ik schuif het naar Esther zodat we het samen kunnen lezen.
‘Ik ga eventjes kopiëren.’ Hij verlaat het vertrek.
De huurovereenkomst blijkt alleen op mijn naam te staan.
‘Alles in orde?’ vraagt hij bij het binnenkomen.
‘Nee, we hadden doorgegeven dat we het contract op beide namen wilden hebben. Dat is nu niet het geval.’
‘Tja, helaas is dat bij ons niet mogelijk,’ zegt hij terwijl hij aan zijn rossige baard krabt, ‘het past eenvoudigweg niet in onze computer.’
‘Daar nemen we geen genoegen mee. We ondertekenen het contract alleen als het op twee namen staat. Daar hebben we recht op,’ zeg ik geërgerd.
‘Rechten hebben jullie hier niet!’ Hij kijkt ondertussen naar Esther, lacht haar toe en richt zich tot haar.
‘Kijk als woningbouwcorporatie sluiten wij alleen contracten af met de hoofdhuurder. Dat is nu eenmaal de regel hier en daar wíjken we niet van af. Tekent u nou maar gewoon dan krijgt u van mij de sleutel.’
‘Wij tekenen niet voordat we de ware reden van u te horen krijgen,’ zegt Esther met een verbeten stem.
Hij grist het contract bij ons vandaan, en zegt: ‘We verhuren deze woning net zo lief aan een minder lastig stel die ’r wel blij om zijn dat ze erop mogen wonen.’ Op zijn gezicht verschijnt een venijnige lach.
‘O, gaan we het zo spelen. We vragen alleen maar naar een reden, dat lijkt me toch niet al te veel gevraagd?’ zeg ik.
Opnieuw glijdt hij met zijn vingers door zijn baard.
‘Nou goed… eigenlijk doen we ’t niet langer…,’ zegt hij stotterend, ‘want die samenwonenden gaan toch maar steeds uit elkaar… en dan moeten wíj weer voor die vertrekkende een huis regelen.’
Zijn wangen tonen een rode gloed.
Esther en ik glimlachen naar elkaar. ‘Dat is nog eens banaal,’ zegt Esther.
‘Tja, ’t is niet anders, ’t heeft ons héél wat woningen gekost.’
‘Goed, een van ons zet z’n handtekening, maar dan wil ik wel dat het contract op de naam van mijn vriendin komt te staan,’ zeg ik kordaat.
‘Dat is ongebruikelijk maar goed dat kunnen we doen. Dan moet ik een nieuw contract opmaken en dat kán niet nu.’
Het betreft alleen een wijziging van naam, maar hij heeft geen tijd. De dag erop moeten we maar langskomen, dan heeft hij het wel geregeld. Vervolgens staat hij op en verdwijnt. Sprakeloos kijken we elkaar aan.

Ruim een jaar later verdwijnt Esther voorgoed uit mijn leven.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Vertrouwd portret

Dit verhaal kwam er als beste uit bij de Eerste ronde van de schrijfwedstrijd ‘Schrijf je Straat 2018’ van Schrijvers uit Oost.

Jury-oordeel: ‘Wat ons zeer aanspreekt was de wijze waarop je de tijd laat verglijden – de oude man die plotseling uit zijn huis is verdwenen en plaatsmaakt voor een jong stel – zonder nostalgisch te zijn. En zonder het uit te leggen. (Echt: show, don’t tell!). Oost is voel- en zichtbaar zonder het expliciet te noemen. Heel mooi!’

Haar oude overbuurman zit al jaren elke ochtend bij het raam. Marieke zwaait altijd even naar hem en hij wuift dan met een broos gebaar terug.
Maar nu ze de gordijnen in de achterkamer openschuift, valt haar oog op de lege etagewoning aan de overkant. Haar overbuurman is verdwenen. Twee lichtere plekken op het bloemetjesbehang markeren de plaats waar het vredige heidetafereeltje en het portret van zijn overleden vrouw hingen, de spijkers zitten nog in de muur. De boekenkast, de tafel met het kleedje, de hanglamp en de zachtgroene fauteuil, die sinds de dood van zijn vrouw onbezeten bleef, zijn in rook opgegaan.
Vlak voor de geboorte van Tommie komt ze hem nog in de supermarkt tegen. Ze groet hem. Zijn blik verraad dat hij moeite heeft haar te plaatsen en zelf duurt het ook enkele seconden voordat Marieke hem als haar overbuurman kan plaatsen. Weggerukt uit zijn omgeving is haar vertrouwde beeld van hem even, gelijk een storing op televisie, aan het flikkeren. Hij kijkt naar haar uitpuilende buik en vraagt haar wanneer het zover is?
Nu ziet Marieke hem weer voor zich, aan tafel, waar hij bedachtzaam de vakjes met letters opvult. Af en toe raadpleegt hij het woordenboek. De eenzaam overgebleven haren op zijn kale hoofd zijn steil naar achteren gekamd. De oude, zwarte poes zit kaarsrecht voor hem op tafel. Bedaard volgen haar ogen zijn handbewegingen. Hij kijkt op van zijn kruiswoordpuzzel en aait haar over de kop. Dan drukt ze haar kont de lucht in, rekt zich uit en gaat midden op het puzzelboekje staan. Demonstratief legt hij zijn vulpen neer, staat moeizaam op en schuifelt naar de keuken. Met een souplesse die niet echt meer bij haar leeftijd past, springt ze via de stoel op de grond en gaat achter hem aan. Uit de koelkast pakt hij een blikje en schuift de vleesbrokjes in het voederbakje. Traag likt ze aan de gelei terwijl hij de fluitketel vult en op het vuur zet. Uit het kastje boven het granieten aanrecht pakt hij uit een blik een theezakje, rommelt aan het touwtje en hangt het in de theepot. Onder zijn pullover draagt hij een overhemd, zonder stropdas. Hij wendt zich naar het raam, kijkt en wuift naar haar. Marieke beantwoordt zijn groet.
Maar nu is hij er niet meer. Het gordijn, met het keukengereimotiefje, is weg. De ijzeren gordijnrail is grotendeels losgeraakt en helt als een zinkend schip. De gordijnstof lijkt er in de haast te zijn afgerukt; het keukenkastje staat wijd open. De vertrouwdheid van het kale hoofd dat ’s avonds boven de stoel uitsteekt, en het opflitsende gekleurde licht van de televisie zijn voorgoed verdwenen.
Waar zou zijn poes zijn gebleven?
Wat steekt het leven toch bizar in elkaar. Ze zit hier met een hummeltje dat bijna twee dagen nodig had de wereld te begroeten, en voor Marieke bestond daarbuiten niets meer. Het leven achter de gordijnen stond stil als een film die brak en waar iedereen ineens aan de grond genageld stond totdat er een gat in het celluloid brandde en ze in as opgingen. Voorts bleef de haspel van de projector zinloos doordraaien en het getik van het laatste eindje film leek op de klok in de huiskamer. Terwijl zíj aan het opkrabbelen is, heeft híj hoogstwaarschijnlijk het leven vaarwel gezegd en zijn de sporen van hem zorgvuldig gewist.
Nu de overbuurman met de noorderzon vertrokken is, komt zijn vrouw ineens in beeld. Ze is zeker een jaar of drie geleden overleden, maar Marieke ziet haar nu als een foto haarscherp voor zich afgedrukt. In de zachtgroene fauteuil, met breipennen en een kluwen wol; asgrijze haren, in permanent gestoken; bolle wangen met een forse neus; een jurk met bloemetjesmotief. De zwarte poes op schoot die zo nu en dan haar poot naar het bewegende garen uitsteekt. En dan ziet ze die keurig schone was van de overbuurvrouw weer voor zich, altijd zorgvuldig gegroepeerd hangt dat aan die twee lijntjes te drogen. De schone witte was steekt zo af tegen het vuilbruine afgebrokkelde stucwerk van de buitenmuur. Hoe ze die was toch zo schoon kan houden, is Marieke een raadsel gebleven. Maar als de eerste regendruppels vallen dan haalt de overbuurvrouw haar was direct naar binnen. Marieke’s overbuurman heeft de waslijntjes nooit meer gebruikt. Af en toe zit er nog weleens een vogel op.
Opgeschrikt door het gekrijs van Tommie loopt Marieke snel naar het voorkamertje en haalt hem voorzichtig uit zijn wiegje. Op de bank knoopt ze haar blouse open, schuift de bh omhoog en legt hem aan. Terwijl hij gretig sabbelt, bedenkt ze dat haar overburen waarschijnlijk geen kinderen hadden. Nooit zag ze er jong volk over de vloer en nergens in huis hingen of stonden portretten van kinderen. Op de televisie die met een kleedje was afgedekt, stonden enkele kiekjes van poezen en een cockerspaniël ingelijst. De cockerspaniël had ze nooit gekend; die was er toen ze hier nog niet woonde.

Enkele weken later verlicht een kaal peertje aan de overkant de achterkamer. Aan het raam een tafel met twee stoelen, in de hoek een matras op de grond en her en der opeengestapelde verhuisdozen. Een jongen komt naakt de kamer in gelopen met in zijn hand een blikje bier. Hij gaat op het raam af en kijkt naar de tuintjes beneden. Schaamteloos krabt hij aan zijn geslacht, terwijl Marieke in de keuken wacht tot het theewater kookt. De nieuwe overbuurman in vol ornaat. Zijn penis hangt als een dooie pier tussen zijn lange benen. Achter hem nadert een donkerblond meisje met lang krullend haar. Ze heeft spitse borsten en haar schaamhaar is in een smal verticaal lijntje geschoren. In haar navel glinstert een piercing. Stilletjes besluipt ze haar prooi. Via de weerspiegeling moet hij haar zien, maar hij laat zich verrassen. Zijn geslacht zwelt aan. Haar handen omsluiten zijn middel en ze drukt zich tegen hem aan. Dan dwalen haar handen af naar zijn geslacht dat recht omhoog gepriemd staat. Hij zet het blikje bier op de vensterbank. Als een krolse poes trekt het meisje hem mee naar het matras en ze laten zich op het matras vallen. Zijn hand glijdt langs haar dijen omhoog. Ze spreidt haar benen. Zijn vingers zakken in haar weg. Ze liggen precies op de plek waar de zachtgroene fauteuil altijd stond; de lichtere plekken op het behang, waar het schilderijtje en het portretje hingen, zijn nog zichtbaar.
Marieke voelt haar wangen gloeien. Het tafereel heeft haar danig opgewonden. Ze heeft zin in seks en dat is voor het eerst sinds maanden. Schuld borrelt als moerasgas omhoog. Ze loopt naar het kamertje van Tommie die vredig in zijn wiegje ligt te ronken, naast zijn hoofdje twee fluweelzachte beren. Het dekentje is van hem afgegleden. Voorzichtig schuift ze het over zijn lijfje en aait hem over de enkele haartjes op zijn bolletje. Wanneer ze in de achterkamer terug is, werpt ze een blik naar de overkant. Ze zijn nog steeds druk met elkaar in de weer. Marieke wendt haar gezicht af, loopt naar de voorkamer en hoopt dat dit niet haar vertrouwde tafereel wordt.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 198, 9 februari 2018
en Oost-online.

Vrede

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Vrede’ van beeldhouwer Hans Reicher. Het beeld staat in het plantsoen aan de Radioweg in de Watergraafsmeer. Het beeld is van brons, en is daar in 1962 geplaatst.

Hans Reicher vervaardigt het beeld ‘Vrede’ niet als een oorlogsmonument, maar het verwijst wel naar de Tweede Wereldoorlog die toen nog niet zo lang geleden had plaatsgevonden. De duif die de vrouw laat wegvliegen symboliseert de bevrijding en de vrede. De vrouw is naakt vrouw, ze zit geknield en geeft de vogel de vrijheid. Begin jaren zestig, in de tijd van plaatsing, is het tamelijk ongewoon een dergelijk realistisch naakt midden in een woonwijk neer te zetten, en het heeft dan ook in de buurt nogal wat protest opgeleverd. Overigens wel tamelijk ludiek van aard.

Wit geschilderde beha
Vrede of niet, zoveel naaktheid is voor velen iets teveel van het goede. Twee keer per jaar krijgt het beeld dan ook een wit geschilderde beha aangemeten. Dat is jaarlijks met luilak, de zaterdag voor Pinksteren, en in de nacht van oud-op-nieuw. Het is een soort collectief ervaren preutsheid die een uitweg vindt in een beschaafde vorm van anoniem vandalisme. Niemand stoort zich eraan. Na een paar dagen poetst iemand de beha gewoon weer weg.
De bronzen naakte vrouw is in die tijd zo’n prominent object in de buurt, dat de aanduiding ‘het beeld’ volstaat, en daarmee wist iedereen om welk beeld het ging.

Hans Reicher (1895-1963), geboren in Berlijn, volgt een opleiding aan de Hochschule für Bildende Künste in Berlijn. In zijn jonge jaren komt hij naar Nederland, waar hij zich eerst in Den Haag vestigt. In 1937 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij docent wordt aan de Hendrick de Keyzerschool.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigt hij onder andere enkele oorlogsmonumenten. Zijn beeldhouwwerken blijven tot aan zijn dood figuratief. ‘Vrede’ is zijn laatste beeldhouwwerk.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het beeld ‘Vrede’ als uitgangspunt:

Zweem licht

Fluisterzacht in
de zonloze dag
laat de wind
bladeren dwarrelen

het is de herfst
in de bomen
van haar dromen
die haar laat stromen

vrij vrij vrij
wil ze zijn,
naakt reikend met
haar handen werpt

ze een duif
in de lucht,
zweem licht
rekt zich ver

voor de vogel uit,
het is de wind die
haar doet glijden

haar voorgoed de
vrijheid geeft.

© Méland Langeveld
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Denk natuur

Onalledaags


Met twee tassen vol boodschappen fiets ik naar huis. Er staat een stevige wind en de regen slaat me in het gezicht. ’t Is herfst op z’n best. Ik kom drijfnat bij mijn huis aan en daar staat een man in mijn portiek te schuilen voor de regen. Hij draagt een opzichtige bontmantel die hij open heeft hangen. Aan zijn nek hangt een ketting met een verzameling relikwieën. Hij groet me vriendelijk, en vraagt of ik van gedichten houd.
‘Ja zeker.’ Tenslotte ben ik zelf dichter.
Uit zijn hoofd declameert hij een prachtig gedicht waarbij hij zijn handen en gezichtsmimiek volledig inzet. Een gemiddelde slamdichter valt daar bij in het niet.
In een mooi ritme draagt hij voor:

Denk natuur en
zeg natuurlijk groen
dier en geur
hun geluid, de lucht
zo lekker ontspannen
als in vrijheid
zonder ’n enkele gedachte
die de geest alleen maar afleid

denk natuur en
zie ochtend
mist van dauw
die langzaam verdampt
naarmate de zon
zich hoger tilt

denk natuur
en fluister
vogels, bomen
in ’n helder blauwe
Hollandse lucht.

Aan het eind van de laatste strofe moet hij lachen, want de regen komt nu met bakken uit de hemel…
‘Wat een prachtig gedicht, mooi hoor. Dankjewel.’
Hij knikt me vriendelijk toe.
Spontaan trek ik mijn portemonnee open en geef hem twee euro.
‘Ik ben de Dakloze Dichter Hilmano van Velzen.’
‘Nou je treft hier ook een dichter aan.’
‘Goh, wat leuk dat we elkaar hierzo treffen,’ lacht hij me toe.
‘Ik heb wat gedichten voor je. Het zijn zes gedichten die geïnspireerd zijn op sculpturen die in het Oosterpark staan.’ Ik geef hem het setje gedichtenkaarten van mijn expositie, die momenteel bij de bibliotheek aan de Linnaeusstraat in de ramen hangt. Toevallig nog op zak van mijn optreden, gisteravond bij Arto Locale in de Meevaart, in de Indische buurt.
‘Dankjewel.’ Voorzichtig maakt hij de enveloppe open en spontaan draagt hij een van m’n gedichten voor:

Ingegraven hoofd

Schokvast in gedachten
zit ik tot aan mijn nek
in de drek

steeds dieper zink ik
weg in dit land
zonder bodem

maar de lach
blijft op
mijn gezicht

want op een dag
sjor ik me omhoog

loop weg zonder gedachten.

‘Wat een mooi gedicht is dat’, zegt hij. ‘Het lijkt wel alsof het over mij gaat. Loop weg zonder gedachten, ja daar gaat het toch om in dit leven. Mooi verwoord! Waar staan die beelden precies? Want die wil ik wel zien.’
‘In het Oosterpark.’ Ik wijs hem naar het park dat tegenover mijn huis ligt.
‘Ga ik zo effe kijken. En we komen elkaar vast nog weleens ergens tegen op een poëziefestival of zo. Ik treed geregeld op. Ik ben nu hartstikke bekend. De poëzie heeft me gered.’ Op zijn gezicht verschijnt een vette glimlach.
Met een flinke handdruk nemen we afscheid, en hij stevent op het Oosterpark af.
Wat een bijzondere ontmoeting met de Dakloze Dichter in mijn portiek, schuilend voor de regen.
Later die middag vind ik op internet een artikel in NRC Handelsblad: ‘Hilmano van Velzen (50) heeft een stem. Een zalvend instrument is het, warm en zacht als een deken. Hij leeft op straat. Maar hij is óók dichter, en met hem gaat het beter dan ooit. “Ik ben ontdekt.” grijnst hij. “De mensen worden gek.”’
Na 30 jaar stelen en bedelen heeft Hilmano z’n ware talent ontdekt in de poëzie: geweldig!

Zie de reportage De Dakloze dichter in NRC Handelsblad, 6 januari 2017.

Hier zijn twee voordrachten van Hilmano, waaronder het gedicht dat hij mij voordroeg.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.