Domweg gelukkig

Gedichten op gevels

Dapperstraat

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem (1887-1966). Het gedicht staat in zijn geheel op een gevel in de Dapperstraat.

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C. Bloem, geboren in 1887, is de dichter van onsterfelijke regels als:
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood.
(Eerste twee regels uit het gedicht ‘Insomnia’)

Dichter van verlangen
Bloem behoort tot de bekendste en meest gewaardeerde dichters van Nederland. Anders dan tijdgenoten als A. Roland Holst of P.N. van Eyck wordt Bloem nog steeds veel gelezen en geciteerd.
Bloem is de dichter van het verlangen, van de hunkering naar een vervulling of een geluk dat altijd onbereikbaar zal zijn, terwijl de dood steeds dichterbij komt. Berusting voert uiteindelijk de boventoon, gemengd met flarden liefde, genot, aanhankelijkheid en vreugde die de melancholie eigenlijk alleen nog maar sterker maken. In het korte gedicht ‘De nachtegalen’ schrijft hij:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Lijden aan het leven
J.C. Bloem ontdekt de poëzie op vijftienjarige leeftijd. Hij krijgt dan het gedicht ‘Sluimer’ van de jonggestorven Tachtiger Jacques Perk onder ogen. In één klap beseft hij dat gedichten onvoorstelbare werelden openbreken en zijn horizon enorm kunnen verbreden. Vanaf dat moment wil hij niets anders dan dichter worden. Op jonge leeftijd vindt hij aansluiting bij het tijdschrift ‘De beweging’ van Albert Verwey.
Bloem heeft maar vier bundels gepubliceerd, maar die hebben wel tot een groot lezerspubliek geleid. In al zijn werk is de dichter de thematiek van het verlangen trouw gebleven. Hij zei zelf dat hij in zijn poëzie probeerde ‘enkele essentiële dingen van het leven zo uit te spreken, dat dit van mij en van niemand anders zou hebben kunnen zijn.’ Tegelijkertijd schrapt hij uit zijn gedichten bijna alle concrete aanduidingen van personen en plaatsen, zodat ze een heel algemeen karakter krijgen. Bloems poëzie is bovendien van een bedrieglijke eenvoud en helderheid. Die algemeenheid en die helderheid zorgen samen met de universele thematiek van het lijden aan het leven voor de grote aantrekkingskracht van zijn gedichten.
Bloem overlijdt op 10 augustus 1966 in Kalenberg (Overijssel).

Geen molens en klompen
Het ontwerp van het gedicht op de gevel is van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar (1929-2017): bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren. Jarenlang is hij ontwerper geweest bij De Nederlandsche Bank: ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in 2008 tegen Trouw. ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Hij verhuisde in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij op 13 juni 2017 overleed.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

‘Blote Roosje’

Gedichten op gevels

image002

In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een liefdesgedicht van Jacob van Lennep.
Het is een muurschildering op een zijgevel – de grootste ooit in Amsterdam gemaakt met het gedicht Aan een Roosje – in 2004 ontworpen door kunstenaar Rombout Oomen. Het bevindt zich op de hoek van de Jacob van Lennepstraat en de Nassaukade in Oud-West.

Aan een Roosje

Zachtgekleurde lentebloesem,
Die Selindes borstjes kust,
Die zo mollig op haar boezem
Tussen donzen peulen rust!
Aartig roosje, vers ontloken,
Ware uw zalig lot het mijn’,
Lag ik ook zo neergedoken
Tussen ’t dubbel halssatijn,
’k Lei geenszins als gij bewustloos
’t Hangend hoofdje stil op zij;
Nee, ’k bekeek, nieuwsgierig, rustloos,
Heel de omtrek van nabij.
’k Zou, door hete zucht gedreven,
Aan die borsten, blank en mals,
Duizend, duizend kusjens geven,
’k Zoende schouders, nek en hals.
’k Zoude ook samen vergelijken
Die twee bollen, wit en rond:
Zien, of deez’ voor die moest wijken,
Of er onderscheid bestond,
Wie met blauwer aders praalde,
Wie de blankste tint bezat,
Wie de meeste veerkracht haalde
Wie de roodste bezie had.
’k Zou dan trachten op te sporen
Waar de holle weg ons leidt
Die gelijk een diepe voren
De ene bol van d’andre scheidt,
Die stilzwijgend schijnt.

‘Blote Roosje’ zorgt echter voor de nodige commotie, en dat in Amsterdam 😉
Een fragment uit: ‘Een kut in pixels is niet arrogant’, van Annet Maseland in
Vrij Nederland (18 december 2004):
“De verhoudingen in Oud-West raakten deze zomer op scherp door de muurschildering ‘Blote Roosje’. Roosje werd betaald uit Europese gelden om sociale samenhang te bevorderen. Maar wie wilde Roosje nu eigenlijk?
‘Ik heb geen routebeschrijving meer nodig voor mijn bezoekers,’ zegt Arjan, een jonge meubelmaker aan de Jacob van Lennepstraat. ‘Mijn atelier zit naast dat schilderij, dan weten ze me wel te vinden.’ De muurschildering van de blote vrouw, geënt op het liefdesgedicht ‘Aan een Roosje’ van Jacob van Lennep, heeft de straat landelijk op de kaart gezet. Buurvrouw Mirjam is er blij mee. ‘Het is een opknapper voor de buurt. Jammer dat het hard tegen hard is geworden. Gut, we wonen in Amsterdam. Daar moet dit toch kunnen.’”

Wat eraan voorafging: Bewoners en ondernemers in en rond de Jacob van Lennepstraat willen de straat aantrekkelijker maken. Meubelmakers vervaardigen banken en kunstenaars ontwerpen een aantal kunstwerken, waaronder de muurschildering. De bedoeling is om de sociale binding in de buurt te verbeteren, in het kader van het Europees subsidieproject Urban II.
Tijdens een buurtfeest presenteren ze het ontwerp van de muurschildering. Ze interviewen bezoekers van het feest over hun mening over de schildering. Het overgrote deel reageert positief. De kunstenaar Rombout Oomen bezoekt vervolgens met een ambtenaar van stadsdeel Oud-West de bewoners die recht tegenover het kunstwerk wonen. De bewoners waarderen de persoonlijke toelichting. Zij willen liever geen muurschildering, maar vinden het geen probleem als andere bewoners in de buurt het wel graag willen.

De Commissie voor Welstand en Monumenten toetst het ontwerp. De commissie is van mening dat het geschilderde, naakte vrouwenlichaam een typisch geval van ‘functioneel naakt’ is en dat het past bij het liefdesgedicht. Met dit advies en de uitslag van de enquête besluiten ze de muurschildering uit te gaan voeren.
Echter nog voordat de werkzaamheden starten stappen de bewoners van het pand tegenover de schildering naar de stadsdeelvoorzitter. De bewoners zijn niet blij met het naakt en vinden dat hun woongenot is beperkt. De kunstenaar legt de betekenis van het kunstwerk uit. Het gesprek verloopt goed, maar de bezwaren van de bewoners zijn niet weggenomen. Daarom heeft stadsdeel Oud-West aangeboden om de kosten te vergoeden voor matglas en grote planten voor bewoners die liever niet uitkijken op de muurschildering. Aan het kunstwerk zelf wordt niets veranderd.

Enkele weken later is het tafereel met verfbommen beschadigd. De beschadiging is weer hersteld, maar er zijn nu ‘schaamblokjes’ aangebracht…

Ik heb ze lief

Gedichten op gevels

Ik heb ze lief
In de reeks ‘Gedichten op gevels’: een gedicht van Margerite Luitwieler.

Ik heb ze lief
de plekken waar het tocht
wanneer je er de bocht
omgaat
Geef mij maar de achterkant
van huizen en gebieden
waar elke groene spriet
omringt door scheve stenen
de droge grond uitschiet
Het onbedoeld gemaakt
gebied.

Het gedicht is in 2003 in opdracht van het Stadsdeel geplaatst op een zijgevel van woningen in de Czaar Peterstraat in Amsterdam-Oost. Het moest de zaak optooien tijdens de vele werkzaamheden die in en rondom de straat in die tijd plaatsvonden.

Margerite Luitwieler (1960) is dichter en beeldend kunstenaar. De gedichten van Luitwieler – die veelal in de stilte van de avond tot stand komen – gaan in op de rauwheid en de kwetsbaarheid van het bestaan en de behoefte aan tederheid en troost.