Eenling

Dipa de Ridder-Flohr danst Eenling, een gedicht uit ‘Zijwaarts springen’.
Eén van de drie gedichten die ze danste bij de opening op 4 november 2017 van mijn solo-expositie ‘Ramen vol poëzie’ in de openbare bibliotheek, Linnaeusstraat in Amsterdam.
Registratie: Floris de Ridder.

Eenling

Fier rechtop
staat ze
tussen stoeptegels
in haar eentje

telkens zwiepend
van elke auto
die haar voorbijraast
op de vluchtheuvel
van de Weesperstraat

als een harlekijn
waaraan het kind
– tot vervelens toe –
aan de touwtjes trekt
wappert ze monter
heen en weer

’t armoedige buurtje
waarin ze opgroeit
deert haar niet

parmantig pronkt ze
met d’r goudgele kelkbladeren
tussen het jachtig verkeer.

Broos

Dipa de Ridder-Flohr danst Broos, een gedicht uit ‘Zijwaarts springen’.
Eén van de drie gedichten die ze danste bij de opening op 4 november 2017 van mijn solo-expositie ‘Ramen vol poëzie’ in de openbare bibliotheek, Linnaeusstraat in Amsterdam.
Registratie: Floris de Ridder.

Broos

Vandaag oogt ze
sterflijker dan ooit
zittend op haar rollator
in het kind verdwaald
hangen haar fragiele voetjes
net niet tot aan de grond

vandaag drapeert
verwarring haar geheugen
haar wandelkaart sluit
niet langer aan
op de paden die
ze zichzelf toevertrouwde

vandaag voert de nacht
haar naar de overkant
diepgevroren wolken
sluieren de maan
zoet kijkt ze me
nog even aan.

Gesneuveld

Dipa de Ridder-Flohr danst Gesneuveld, een gedicht uit ‘Zijwaarts springen’.
Eén van de drie gedichten die ze danste bij de opening op 4 november 2017 van mijn solo-expositie ‘Ramen vol poëzie’ in de Openbare Bibliotheek, Linnaeusstraat in Amsterdam.
Registratie: Floris de Ridder.

Gesneuveld

Gevallen bladeren
dolen
op de maalstroom mee
totdat de wind ze
onverwacht
in tegengestelde richting ordent

sommige karig
en bekommerd
andere onschuldig groen
als verse bladspinazie
zich welhaast onaangetast
door het leven heen gevreten

in dit kille water
wachten ze alle hun lot af
met de bodem als voorland
waar ze tevergeefs wegteren
aan ieders oog
onttrokken.

Vrede

Sculpturen


In de reeks Sculpturen van Oost ‘Vrede’ van beeldhouwer Hans Reicher. Het beeld staat in het plantsoen aan de Radioweg in de Watergraafsmeer. Het beeld is van brons, en is daar in 1962 geplaatst.

Hans Reicher vervaardigt het beeld ‘Vrede’ niet als een oorlogsmonument, maar het verwijst wel naar de Tweede Wereldoorlog die toen nog niet zo lang geleden had plaatsgevonden. De duif die de vrouw laat wegvliegen symboliseert de bevrijding en de vrede. De vrouw is naakt vrouw, ze zit geknield en geeft de vogel de vrijheid. Begin jaren zestig, in de tijd van plaatsing, is het tamelijk ongewoon een dergelijk realistisch naakt midden in een woonwijk neer te zetten, en het heeft dan ook in de buurt nogal wat protest opgeleverd. Overigens wel tamelijk ludiek van aard.

Wit geschilderde beha
Vrede of niet, zoveel naaktheid is voor velen iets teveel van het goede. Twee keer per jaar krijgt het beeld dan ook een wit geschilderde beha aangemeten. Dat is jaarlijks met luilak, de zaterdag voor Pinksteren, en in de nacht van oud-op-nieuw. Het is een soort collectief ervaren preutsheid die een uitweg vindt in een beschaafde vorm van anoniem vandalisme. Niemand stoort zich eraan. Na een paar dagen poetst iemand de beha gewoon weer weg.
De bronzen naakte vrouw is in die tijd zo’n prominent object in de buurt, dat de aanduiding ‘het beeld’ volstaat, en daarmee wist iedereen om welk beeld het ging.

Hans Reicher (1895-1963), geboren in Berlijn, volgt een opleiding aan de Hochschule für Bildende Künste in Berlijn. In zijn jonge jaren komt hij naar Nederland, waar hij zich eerst in Den Haag vestigt. In 1937 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij docent wordt aan de Hendrick de Keyzerschool.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigt hij onder andere enkele oorlogsmonumenten. Zijn beeldhouwwerken blijven tot aan zijn dood figuratief. ‘Vrede’ is zijn laatste beeldhouwwerk.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het beeld ‘Vrede’ als uitgangspunt:

Zweem licht

Fluisterzacht in
de zonloze dag
laat de wind
bladeren dwarrelen

het is de herfst
in de bomen
van haar dromen
die haar laat stromen

vrij vrij vrij
wil ze zijn,
naakt reikend met
haar handen werpt

ze een duif
in de lucht,
zweem licht
rekt zich ver

voor de vogel uit,
het is de wind die
haar doet glijden

haar voorgoed de
vrijheid geeft.

© Méland Langeveld
Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Denk natuur

Onalledaags


Met twee tassen vol boodschappen fiets ik naar huis. Er staat een stevige wind en de regen slaat me in het gezicht. ’t Is herfst op z’n best. Ik kom drijfnat bij mijn huis aan en daar staat een man in mijn portiek te schuilen voor de regen. Hij draagt een opzichtige bontmantel die hij open heeft hangen. Aan zijn nek hangt een ketting met een verzameling relikwieën. Hij groet me vriendelijk, en vraagt of ik van gedichten houd.
‘Ja zeker.’ Tenslotte ben ik zelf dichter.
Uit zijn hoofd declameert hij een prachtig gedicht waarbij hij zijn handen en gezichtsmimiek volledig inzet. Een gemiddelde slamdichter valt daar bij in het niet.
In een mooi ritme draagt hij voor:

Denk natuur en
zeg natuurlijk groen
dier en geur
hun geluid, de lucht
zo lekker ontspannen
als in vrijheid
zonder ’n enkele gedachte
die de geest alleen maar afleid

denk natuur en
zie ochtend
mist van dauw
die langzaam verdampt
naarmate de zon
zich hoger tilt

denk natuur
en fluister
vogels, bomen
in ’n helder blauwe
Hollandse lucht.

Aan het eind van de laatste strofe moet hij lachen, want de regen komt nu met bakken uit de hemel…
‘Wat een prachtig gedicht, mooi hoor. Dankjewel.’
Hij knikt me vriendelijk toe.
Spontaan trek ik mijn portemonnee open en geef hem twee euro.
‘Ik ben de Dakloze Dichter Hilmano van Velzen.’
‘Nou je treft hier ook een dichter aan.’
‘Goh, wat leuk dat we elkaar hierzo treffen,’ lacht hij me toe.
‘Ik heb wat gedichten voor je. Het zijn zes gedichten die geïnspireerd zijn op sculpturen die in het Oosterpark staan.’ Ik geef hem het setje gedichtenkaarten van mijn expositie, die momenteel bij de bibliotheek aan de Linnaeusstraat in de ramen hangt. Toevallig nog op zak van mijn optreden, gisteravond bij Arto Locale in de Meevaart, in de Indische buurt.
‘Dankjewel.’ Voorzichtig maakt hij de enveloppe open en spontaan draagt hij een van m’n gedichten voor:

Ingegraven hoofd

Schokvast in gedachten
zit ik tot aan mijn nek
in de drek

steeds dieper zink ik
weg in dit land
zonder bodem

maar de lach
blijft op
mijn gezicht

want op een dag
sjor ik me omhoog

loop weg zonder gedachten.

‘Wat een mooi gedicht is dat’, zegt hij. ‘Het lijkt wel alsof het over mij gaat. Loop weg zonder gedachten, ja daar gaat het toch om in dit leven. Mooi verwoord! Waar staan die beelden precies? Want die wil ik wel zien.’
‘In het Oosterpark.’ Ik wijs hem naar het park dat tegenover mijn huis ligt.
‘Ga ik zo effe kijken. En we komen elkaar vast nog weleens ergens tegen op een poëziefestival of zo. Ik treed geregeld op. Ik ben nu hartstikke bekend. De poëzie heeft me gered.’ Op zijn gezicht verschijnt een vette glimlach.
Met een flinke handdruk nemen we afscheid, en hij stevent op het Oosterpark af.
Wat een bijzondere ontmoeting met de Dakloze Dichter in mijn portiek, schuilend voor de regen.
Later die middag vind ik op internet een artikel in NRC Handelsblad: ‘Hilmano van Velzen (50) heeft een stem. Een zalvend instrument is het, warm en zacht als een deken. Hij leeft op straat. Maar hij is óók dichter, en met hem gaat het beter dan ooit. “Ik ben ontdekt.” grijnst hij. “De mensen worden gek.”’
Na 30 jaar stelen en bedelen heeft Hilmano z’n ware talent ontdekt in de poëzie: geweldig!

Zie de reportage De Dakloze dichter in NRC Handelsblad, 6 januari 2017.

Hier zijn twee voordrachten van Hilmano, waaronder het gedicht dat hij mij voordroeg.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Honderd uit te boomen

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost ditmaal ‘Literaire teksten op gevels’, en wel twee passages uit de novelle ‘Titaantjes’ van Nescio uit 1915. De teksten staan sinds 1995 op de gevels van een appartementencomplex aan de Linnaeusstraat, tegenover het Tropeninstituut.

Het zijn twee verschillende passages uit ‘Titaantjes’ die op de voorgevels zijn aangebracht:
(…) ‘Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zoveel geschreven tegenwoordig. Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen, en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren.’

(…) En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er één klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’ (…)

Desillusie
In de novelle ‘Titaantjes’ komen vijf jongens elke avond bij elkaar om te filosoferen over het leven. Het thema van de ‘Titaantjes’: het ergste dat je kan overkomen is je plaats innemen in de burgermaatschappij, en dat je daarmee toch een van de vele mannetjes wordt die je verafschuwt. Maar ook de jongens eindigen zo. Behalve Bavink, die schildert een meesterwerk maar snijdt dit vervolgens aan stukken als hij ontdekt dat hij door dit schilderij bereikt wat de vrienden altijd hadden afgezworen: een succesvol en rijk man worden. Hij verdwijnt in een gekkenhuis.
‘Titaantjes’ schetst de desillusie van vrienden die een eigen leven wilden leiden, maar die dit streven door allerlei maatschappelijke hindernissen niet kunnen waarmaken.

Aanstellerij
Nescio, het pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh, betekent: ‘ik weet het niet’ of ‘ik wil het niet weten’. Grönloh, geboren op 22 juni 1882, groeit op in Oost waar hij na de openbare lagere school in de Eerste van Swindenstraat naar de driejarige HBS aan de Mauritskade gaat.
Zijn debuut ‘De Uitvreter’ staat in 1911 in De Gids, ‘Titaantjes’ verschijnt daarin in 1915. De verhalen spelen zich af tussen 1900 en 1911. Nescio’s manier van schrijven – zijn directe en natuurlijke stijl – waardeert men in die jaren niet. Dit komt naast zijn taalgebruik waarschijnlijk doordat hij niet altijd ‘godlievend’ schrijft en zijn spelling te modern is (i = hij, werti = werd hij, hatti = had hij). De literaire critici vinden het proza te aanstellerig. Waardering voor Nescio komt pas na de Tweede Wereldoorlog. Nescio overlijdt in 1962.

Geen molens en klompen
De ontwerpen van de teksten op de gevels zijn van grafisch vormgever Robert (Ootje) Oxenaar – bekend van zijn ontwerpen voor de gulden-bankbiljetten, zoals de zonnebloem, de snip en de vuurtoren.
Oxenaar, geboren op 7 oktober 1929, studeert aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en gaat in 1966 aan de slag als ontwerper voor De Nederlandsche Bank. President Jelle Zijlstra geeft hem de opdracht een eerste serie bankbiljetten te ontwerpen. Zijlstra bemoeit zich echter met het proces waardoor het met figuren uit de vaderlandse geschiedenis een vrij conventionele serie wordt. Van Zijlstra’s opvolger, Wim Duisenberg, krijgt Oxenaar wel de vrije hand. ‘Ik wilde iets typisch Nederlands en iets met dieren en bloemen, maar geen molens, klompen, koeien en tulpen’, zei Oxenaar in een interview in Trouw (2008). ‘Zo ben ik op de zonnebloem en de met uitsterven bedreigde snip gekomen.’
Oxenaar is van 1979 tot 1991 buitengewoon hoogleraar Industriële Vormgeving aan de TU Delft. En van 1970 tot 1994 werkt hij bij de Dienst voor Esthetische Vormgeving van de PTT, waar hij onder meer verantwoordelijk voor de huisstijl is. Ook ontwierp hij af en toe postzegels.
Hij verhuist in 2000 naar de Verenigde Staten waar hij onlangs, op 13 juni 2017 overlijdt.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Zeer verleidbaar

Onalledaags


Aangeslagen loop ik de lange gang van het ziekenhuis door op weg naar de uitgang. De enorme deur draait traag rond, en werpt me zachtjes naar buiten. Het is inmiddels donker, en er daalt een miezelregen op me neer. Ik zet de kraag van mijn jas op, rits hem goed dicht en ga op zoek naar mijn auto. Er zijn maar weinig mensen op straat in dit grauwe, grijze weer. Even houd ik mijn pas in. Waar had ik hem ook alweer geparkeerd?
Schuin aan de overkant, bij de hoek van de straat, zie ik een sleepwagen van de Dienst Handhaving. Het natte wegdek weerkaatst het oranjekleurige zwaailicht. Ik schrik, want het lijkt alsof ze bij mijn auto staan te morrelen. Nu zie ik het goed: een gezette man rommelt aan mijn portier. Hij draagt een blauwe trui met bruine epauletten. Snel steek ik over.
‘Zeg, ik heb betaald hoor. Wat krijgen we nou?’ Mijn stem trilt.
‘Helaas meneer, uw auto staat fout geparkeerd.’
‘Hoezo fout?’
‘Minder dan zeven meter van de hoek,’ zegt hij nors.
‘Nou ja, sinds wanneer is dat een regel hier in Amsterdam?’
‘Zou u zo vriendelijk willen zijn uw portier te openen, dan kan ik de handrem losgooien?’
‘Ik ben hier in alle haast naartoe gereden omdat een goeie vriend plotseling in het ziekenhuis opgenomen is. Kan u dit niet door de vingers zien?’
‘Nee meneer, dat kennen we niet! Gaat u die deur nou nog openmaken,’ klinkt het kregelig.
‘Kunnen we hier niet wat milder in zijn?’ probeer ik wanhopig.
Ondertussen peutert hij met een vlakke ijzeren strip tussen de deur en het raam. Verbazingwekkend snel klikt het slot open.
‘Meneer, alstublieft, laat me niet in de kou staan. Ik kom net uit het ziekenhuis, waar…’ Mijn stem hapert.
Ondertussen trekt hij het portier open en grijpt naar de handrem. Hij gebaart naar zijn collega die in de sleepwagen zit. Die rijdt vervolgens achteruit en houdt halt bij de voorwielen van mijn auto.
‘… waar m’n vriend in kritieke toestand ligt…’ De wanhoop klinkt door in mijn stem.
Met een linnen riem bindt hij een wiel vast en kijkt naar mij op: ‘Sorry meneer, dat is erg vervelend voor u, maar wíj moeten ons werk ook doen.’
Ik laat mijn hoofd zakken, en bedenk nog een wanhopige laatste truc. Wellicht trappen ze hier in.
Beide mannen staan bij de bediening van de kraan. Ik loop op hen af, haal mijn portemonnee tevoorschijn en biedt hen geld aan. Verlegen kijken ze elkaar aan. Ik wend mijn hoofd af, en wacht. Op fluistertoon overleggen ze met elkaar.
‘Nou, voor deze keer maken we ’n uitzondering met u, maar alleen omdat u in ’n heel vervelende situatie zit. Daar hebben we begrip voor.’ Ondertussen maakt zijn collega de riemen los.
‘Heren, hartstikke bedankt.’
‘Sterkte met uw vriend.’
‘Dank u.’
De sleepwagen rijdt met zwaailichten de straat uit en verdwijnt om de hoek.
Opgelucht stap ik in mijn auto, en rijd naar huis.
Vijftig of driehonderdvijftig euro, dat is me nogal een verschil…#

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 196, 27 oktober 2017
 en Oost-online.

Voices from the past

Onlangs verschenen: een serie kunst/gedichtenkaarten met schilderijen van Gea Zwart en gedichten van mij. Het zijn acht verschillende dubbelgevouwen full colour kaarten (glansdruk, 14,5×14,5 cm).
De acht gedichten (op de binnenzijde) zijn geïnspireerd op de schilderijen in de serie Panta Rhei, Voices from the past .
Het thema van deze serie schilderijen is de voortdurende voortgang en verandering. Vaste basis is de rivier van het leven.
Gea maakt gebruik van onder andere: verleden, heden en toekomst, stromen in gelaagdheid onder en boven elkaar door. Stemmen uit het verleden. Mensen, gezichten, lichaamsdelen, geesten. Mannelijk en vrouwelijk. Hoop en wanhoop. Positief en stromend, natuur en water. Licht, wit, duister, donkerte, interieur kathedraal.

Panta rhei is een filosofische uitspraak en gedachte die is toegeschreven aan de presocratische filosoof Heraclitus, en betekent ‘alles stroomt’. De filosofie van Heraclitus kennen we slechts via citaten, parafrasen en getuigenissen van latere auteurs, en daarvan is Panta rhei een van de bekendste. De vroegste vermeldingen ervan zijn van Plato: ‘Heraclitus zegt zo ongeveer dat alles wijkt en dat niets blijft. En als hij dat wat er is, vergelijkt met de stroom van een rivier, zegt hij dat je niet twee keer in dezelfde rivier kunt stappen.’
Andere vermeldingen zijn van Aristoteles: ‘Al het waarneembare stroomt voortdurend.’
De interpretatie van Panta rhei: in de rivier stroomt continu nieuw water toe, maar toch blijft de rivier dezelfde. Dit illustreert de eeuwige maar constante verandering, alsook de eenheid der tegendelen.


De prijs van deze serie van acht kunst/gedichtenkaarten is 12,50 euro (inclusief acht enveloppen, exclusief verzendkosten). De oplage is beperkt.
De vormgeving van de kaarten was in handen van Gea.

Het bestellen van deze serie kaarten kan via CONTACT op deze website.

 

 

 

 

Van schilderij naar buiten, naar poëzie, naar samenwerking, naar kaartenset…

Geloof, Hoop en Liefde

Sculpturen

In de reeks Sculpturen van Oost de beelden ‘Geloof, Hoop en Liefde’ van de Engelse beeldhouwer Nicholas Pope. Ze stonden sinds 1997 op het dak van de nieuwbouw van het Tropeninstituut (gebouw naast de Muiderkerk), maar staan nu alweer ruim een halfjaar in de tuin van het Tropeninstituut.

Het zijn drie losse beelden vervaardigt van verguld metaal en terracotta. De beelden zien eruit als traditionele katholieke heiligenbeelden. Nicolas Pope verwijst met deze drie beelden naar de vrouwenbeelden die – hoog boven de hoofdingang van het Tropeninstituut aan de Mauritskade – het Nederlands-Indische eilandenrijk, Nederland en Amsterdam symboliseren.
‘Geloof’ en ‘Hoop’ stonden links en rechts op de hoek van het dak van het nieuwbouw gebouw. ‘Liefde’ stond op de begane grond in het gebouw. De beelden verdwenen vorig jaar van het dak en uit het pand nadat het Tropeninstituut dit gebouw verliet.

Brokken pure natuur
Vanaf het midden van de jaren zeventig maakt Nicholas Pope (1949) beelden van hout en steen, het zijn materialen uit zijn directe omgeving. Zijn beelden bestaan vaak uit verscheidene delen, die op elkaar gestapeld zijn of geformeerd tot een lijn of een groep. Ze roepen associaties op met de directheid en ongecompliceerdheid van het platteland, de omgeving waarin hij woont én werkt in Engeland.
Hoewel de materialen een langdurige en moeizame bewerking ondergaan hebben, zien zijn beelden eruit als brokken pure natuur. De kracht en de robuustheid van het materiaal blijven altijd zichtbaar. Zijn beelden hebben een krachtige, abstracte uitstraling, maar door het gebruik van natuurlijke materialen als hout en kalk bezit het tevens een ‘zachte’ kwaliteit.
Naast de invloed van de natuur zijn het twee reizen – die hij in de jaren zeventig naar Roemenië maakt –, die grote invloed op zijn werk hebben gehad. Hij voelde zich nauw verwant met de Roemeense plattelandsbevolking, en met de eeuwenoude nog voortlevende tradities. Vooral de oeroude, ingenieuze bouwconstructies van stapelingen en stuttende palen maakten diepe indruk op hem.
In de loop van de jaren tachtig gaat Pope over op materialen als keramiek, aluminium en stof. De beelden die vanaf die tijd ontstaan, bevatten vaak licht ironische verwijzingen naar christelijke thema’s of figuren, zoals de twaalf apostelen of de drie-eenheid.

Naïef kleiwerk
In 1987 trekt Pope zich tijdelijk terug uit de kunstwereld. Vijf jaar later pakt hij zijn artistieke carrière weer op en komt hij met naïef uitziend kleiwerk voor de dag. Religie en Christendom worden dan belangrijke thema’s in zijn werk. De beeldengroep ‘Geloof, Hoop en Liefde’ zijn daar een voorbeeld van.
Pope volgt zijn studie aan de Bath Academy of Art (Engeland). Zijn werken hebben door de jaren heen op vele tentoonstellingen gestaan. In 1981 wijdt het Kröller-Müller Museum een retrospectief aan hem. Een of meerdere werken van Nicolas Pope zijn in het bezit van het Kröller-Müller Museum, Rijksmuseum Twenthe, Stedelijk Museum in Den Bosch en het Centraal Museum in Utrecht.

‘Hoop’ staat nu in de tuin.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.

Vrijpostige barbie

Onalledaags

barbie
Via een opening in de heg valt mijn oog op Willemijn, de buurvrouw, die met een stel kussens de tuin in loopt. Met haar lange blonde haren, smalle schouders, wespentaille, en haar meterslange benen is ze een levensechte barbiepop.
Het toeval wil ook nog eens dat Willemijn barbies verzamelt. Ze heeft de complete reeks, vanaf de eerste barbie die in 1959 op de markt kwam tot aan de allernieuwste. Dat heeft ze me een keer met trots verteld.
Op mijn vraag of ze Barbies vriend, Ken, ook in haar verzameling heeft, antwoordde ze resoluut: ‘Nee, die vind ik absoluut niet leuk, ik vind ’m een vreselijke kwal en ook nog ’ns lelijk!’
Haar vochtige benedenhuis, dat ze met drie pensloten en een ijzeren strip heeft beveiligd, is te klein om haar verzameling naar behoren te etaleren. De meeste liggen languit gestrekt in een schoenendoos, wachtend op mooi weer, want dan mogen haar lievelingen naar buiten.
Elk jaar moet ik op dat spektakel wachten, maar vandaag is de dag aangebroken. De zon schijnt fel en het is al aangenaam warm. Haar halve tuin ligt nu bezaaid met kussens en opgestapelde dozen. Willemijn opent telkens een deksel van een doos, tilt voorzichtig een barbie eruit, trekt het jurkje strak en vleit haar op een kussen. Sommige barbies streelt ze even, van een andere kamt ze de lange blonde haren, en aan een andere ruikt ze even onder de oksel voordat ze haar neerlegt.
Wanneer al haar barbies in de zon liggen, pakt ze de stretcher uit het schuurtje, vouwt hem uit en vleit zich naast haar troetelkinderen. Willemijn heeft een donkerroze jurkje aan dat ze tot aan haar heupen heeft opgestroopt, de bandjes om haar schouder heeft ze omlaag getrokken. Er is slechts één barbie in de verzameling die een identiek jurkje met dezelfde kleur aan heeft.
Naarmate het warmer wordt, staat ze op en loopt haar huis in. Even later verschijnt Willemijn in een lichtpaars badpakje. Opnieuw is ze ijverig bezig met haar barbies. Nu krijgen ze allemaal verschillende badpakjes aan. Sommige krijgen een bikini aangetrokken, en er ligt er nu ook eentje topless. Ze heeft het er maar druk mee. Zou ze de barbies ook nog met zonnebrand gaan insmeren? Ze is er gestoord genoeg voor, maar dat doet ze dan weer niet. De plastieken lijfjes kunnen de versterkte uv-straling als gevolg van de gaten in de ozonlaag klaarblijkelijk goed verdragen.
Een halfuurtje later ligt ze weer op haar stretcher, naast al haar barbies, en smeert ze haar meterslange benen in met zonnebrand. Nog steeds ligt ze in haar badpakje; helaas niet zoals die ene vrijpostige barbie die daar zo heerlijk met spitse borstjes ligt te zonnen.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 195, 15 september 2017
 en Oost-online.