Stoom afblazen

In de spreekkamer zit ik tegenover mijn huisarts. Na langdurig gerinkel van zijn telefoon neemt hij de hoorn van de haak.
‘Terminaal… Ja, en daarbij schizofreen.’
De stem van de vragensteller aan de andere kant van de lijn vang ik niet op.
‘Ze heeft dringend thuiszorg nodig, ja, ook vanwege haar schizofrenie,’ zegt mijn huisarts dwingend.
‘Ja kanker.’ Ontstemd kijkt hij in mijn richting.
Nog een vraag wordt er op hem afgevuurd.
‘Ze heeft die hulp acuut nodig. Nou kan ze al niet meer lopen; haar zus duwt haar in een rolstoel naar me toe.’ Geïrriteerd smijt hij de hoorn op de haak. ‘Ja ook iemand met schizofrenie gaat dood, en ook die ambtenaar van Thuiszorg en ik gaan dood. Mijn god, wat een bureacratie…’
Dat relativeert stevig. Mijn vraag over mijn huidkwaaltje, die ik vlak voor het telefoontje stelde, verzuipt volkomen in het diepe.

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad, 16 april 2016.

Stoom afblazen

Daar gaat je liefie

Onalledaags

Duif
Even is het voorjaar met een temperatuur die je de jas doet uittrekken. Op een bankje aan de rand van het grote veld van het Oosterpark kijkt een vrouw voor zich uit. Het is meer dan kijken wat ze doet. Naast haar ligt een schetsboek en een lederen tas bevlekt met vele tinten verf.
Ze pakt het schetsboek op, legt het op haar knieën en met een potlood zet ze enkele lijntjes uit. Dan pakt ze uit de tas enkele tubes verf, kwasten en een palet. Ze mengt enkele kleuren en brengt de eerste contouren aan. Ondertussen ben ik op het bankje ernaast gaan zitten, en mijn hond, Roos, ligt voor m’n voeten.
Een klein meisje huppelt van het veld onze kant op. Met een olijke blik in haar ogen gaat ze naast de schilderes staan.
‘Wat schilder jij?’ vraagt ze.
‘Die spelende kinderen en dat kleine, zwart met witte hondje.’
‘O. Ik word later schilder. Jij ook?’
De schilderes kijkt het meisje aan en onderdrukt haar lach. ‘Ja, ik word denk ik later ook maar schilder, dat lijkt me wel wat.’
Het meisje lacht haar melkwitte tanden bloot. ‘Ja, dan kan ik iedereen schilderen, dat vindt mamma mooi.’
‘Nou, ik ga maar weer door,’ zegt de schilderes, ‘dan leer ik schilderen en dan word ik later ook schilder, dat lijkt me wel een mooi beroep.’
‘Ja, dan worden we samen schilder, dat vind ik leuk,’ zegt het meisje, en ze huppelt vrolijk terug naar haar moeder die even verderop op een kleed zit met limonade en broodjes, haar blik gericht op haar smartphone.
De schilderes kijkt me met een knipoog aan. We moeten lachen om deze vrolijke conversatie. De kunstenares die schilder moet worden, terwijl ze hiermee reeds jaren haar brood verdient.
Ik wens haar veel succes met het schilderen en een fijne dag, en loop met Roos door.

We komen bij de muziekkoepel waar een duif op de reling zit. Ze houdt haar kopje scheef, blikt even naar links en rechts, fladdert op en landt op een fietsstuur. Een man pakt uit zijn fietstas een zakje met vogelzaad, strooit wat in de palm van zijn hand en houdt het haar voor. Zonder aarzelen pikt ze de zaadjes vliegensvlug weg terwijl hij ondertussen naar een blikje bier grijpt.
Roos houdt even haar pas in, kijkt omhoog naar de pikkende duif en struint verder. Mijn hond kijkt in dit park niet meer op van afwijkende taferelen.
‘Die duif heeft het goed voor mekaar,’ merk ik lachend op.
‘Ze is ’n houtduif meneer,’ klinkt het in plat-Amsterdams. Hij zet z’n blikje bier op zijn zadel en aait de houtduif over haar kopje.
Als ik naar twee verderop waggelende stadsduiven kijk, zie ik onmiskenbare verschillen. Zíj heeft een roodgeel snaveltje, blauwgrijs kopje met aan de achterzijde zwarte streepjes, wit kraagje en een paarsig lijfje. Stukken mooier dan de doodordinaire duif.
Een andere alcoholist komt erbij staan. ‘Is geen houtduifie meer hoor, maar ’n huisduifie…
Lekker makkelek wijfie, hè Jan,’ schatert hij uit.
‘Tam is ze zeker én knap ook,’ zeg ik.
‘Zeker weten, dit wijfie ken-ie nog in z’n hand houwe, and’re niet meer.’ Opnieuw barst hij in lachen uit.
Onverstoorbaar gaat Jan door met het voeren van zijn vriendin. Als ze uitgegeten is, strijkt hij over haar verenmantel. Dat laat ze zich wel gevallen. Maar dan vliegt ze weg.
‘Daar gaat je liefie, Jan.’
Zo gewonnen zo geronnen, denk ik. Nooit viel het me op dat er in de stad twee soorten duiven rondhangen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 185, 1 april 2016,
en Oost-online.
Deels eerder verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Trouw met me

Onalledaags

Kastanjeplein

Samen met Roos, mijn hond, loop ik langs de Kastanjehof, het verzorgingshuis aan het Kastanjeplein. Een prachtige rustige plek, vlak bij het Oosterpark, waar je je laatste jaren kunt slijten. Wellicht moet ik daar alvast een kamertje reserveren voordat mijn generatiegenoten er en masse de kamers bezetten, maar ongetwijfeld zijn de verzorgingshuizen tegen die tijd allang opgeheven?
De zon voelt al heerlijk aan op deze voorjaarsochtend. Het is zo’n dag die niet meer stuk kan. Maar even op een bankje zitten. Gezicht in het zonnetje. Roos ligt voor m’n voeten. Dat is zo grappig aan een hond: ze liggen altijd trouw te wachten op een volgende actie van de baas.
Voetje voor voetje schuifelt over het plein iemand met haar rollator. Ze hangt scheef aan haar hulpstuk. De steunkousen, de regenjas, de bril en het hoofddoekje. Het is alsof mijn moeder uit het hiernamaals komt aansjokken.
Als een dobber komen die verrekte steunkousen van moeder weer in me boven-
drijven. Ik was ze toen, voordat ik naar huis ging, vergeten van haar benen af te pellen. Die nacht moet ze zich zeer beklemd hebben gevoeld.
Schuld borrelt opnieuw in me op.
Ik groet de passerende dame. Ook van dichtbij blijft de gelijkenis treffend. In het mandje dat aan haar rollator hangt, zit een wit donzig hondje, volledig toegestopt met een geruit dekentje. Het beestje zit me hijgend met zijn zwarte oogjes pienter aan te kijken.
Ik sta op, en steek het plein dwars over. Roos sjokt achter me aan.
Even verderop zit een vrouw in een rolstoel. Het haar zilvergrijs en dun. Indringend staart ze me aan. Het vel van haar armen en handen ligt als banen stof over elkaar gedrapeerd. Naast haar zit een jonge verpleegster op een bankje.
Ik loop met Roos op hen af. Je doet zoiets, denk ik, uit medeleven – een dier leidt even af.
De vrouw in de rolstoel kijkt me strak in de ogen aan, reikt naar voren en zwenkt met haar arm. Ze wil me beetpakken. Ik geef haar een hand. Met haar andere hand klemt ze me stevig vast, alsof ik haar laatste redmiddel ben.
‘Trouw met me.’
Ze overdondert me.
Roos drukt haar kop in haar schoot, maar voor haar toont ze geen enkele interesse.
Ik ben haar uitverkorene.
‘Je ben ’n mooie jongen, trouw met me!’
‘Dat zal helaas niet gaan mevrouw. Ik ben al getrouwd. Kijk maar.’ En nu hoop ik dat ze me loslaat om mijn trouwring te bekijken, maar ook daar heeft ze geen oog voor. Potig houdt ze me in de houdgreep. Ik voel me als een buit in de klauwen van een roofdier.
De verpleegster glimlacht naar me. ‘Ja meneer, deze dame is erg standvastig en laat niet gauw los. En ze is ook nog zo sterk als een os.’
Ik probeer mijn hand los te wurmen, maar ik krijg er geen beweging in. In de tang genomen. Gevangen. Als een vis in een fuik.
‘Oké, ik trouw met u.’
Ze lacht haar paar overgebleven grauwwitte tanden bloot. Even lijkt de starheid in haar ogen verdwenen, en haar hand ontspant zich een moment lang.
Ik zie mijn kans schoon en trek mijn hand snel uit haar klauw, mijn vingers voelen pijnlijk aan, ik masseer ze. Dan wens ik beide dames een fijne dag.
De verpleegster knipoogt. ‘We horen nog wel wanneer de bruiloft is nietwaar? We zijn hier te vinden.’ Ze wijst met haar hand naar het verzorgingshuis.
‘Ik ga iets regelen. Tot snel.’ Terwijl ik van hen weg loop, bedenk ik dat het toch wel wat aan de vroege kant is om me in het verzorgingshuis in te kopen. Vandaag voel ik me weer piepjong.

Verschenen in 'Dwars door de Buurt', 27 maart 2015, en Oost-online.
Eerder verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Potloodventer

Elsa Op een doordeweekse ochtend wandel ik door een groengebied. Ik kwam daar weleens vaker samen met mijn hond, maar onlangs heb ik haar moeten laten inslapen – kanker had zich als onkruid door haar lijf gewoekerd.
Er nadert een vrouw met in haar kielzog een dalmatiër. In een reflex draai ik me om. Elsa heeft een broertje dood aan dalmatiërs; ooit had ze een robuuste vechtpartij aan de hand en dat stond voorgoed in haar geheugen gegrifd – de stippeltjeshond lag sindsdien voor eeuwig uit de gratie. Maar Elsa is niet meer. Hoelang zou ik die reactie blijven houden?
De vrouw bindt haar hond aan de lijn en bij het passeren kijkt ze me zeer argwanend aan.
Ik groet haar; ze lispelt en gaat me vlug voorbij. Langzaam dringt het tot me door dat ik zonder hond een volkomen andere identiteit krijg aangemeten. Want wat doet die man hier alleen in dit groene oord? Met de dood van mijn makker verandert mijn status van gezonde jongeman tot die van potloodventer, verkrachter of halve zool.

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Hondenparadijs

Dog bakery Lost cookies staat er in sierlijke letters op de etalageruit. Ik werp een blik naar binnen en zie twee hondjes op de marmeren toonbank elk staan smullen van een gebakje.
Nieuwsgierig stap ik de tearoom voor viervoeters binnen. Voor de toonbank, op een pluche kleed, werkt een Dalmatiër gulzig enkele roomsoezen naar binnen.
‘Rustig aan m’n jongen, anders krijg je pijn in je buik,’ zegt een vrouw in bontjas bezorgd tegen hem, maar hij trekt zich er weinig van aan. In een mum van tijd zijn de soezen van het schoteltje verdwenen.
In de vitrine staan diverse soorten gebakjes en koekjes met tot verbeelding sprekende namen als: ‘hiding secrets’, ‘lost treasures’ en ‘new opportunities’.
Wanneer ik even later de smullende hondjes de rug toekeer, graait er buiten voor de hondenbakkerij een zwerver in een prullenbak. Hij vist er een afgekloven hamburger uit en duwt de gestolde hap gretig in zijn mond. Groter kan het contrast met daar binnen en hier buiten niet zijn. Ik geef hem een dollar. Hij bedankt me uiterst vriendelijk.

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

3-0

Opgetogen rent ze het balkonnetje op, blaast op een toeter, zwiert haar armen de lucht in en juicht hartstochtelijk. Op haar hoofd zit een oranje hoed. Ze komt uit Afghanistan en zit samen met mijn buurjongetje in groep zeven.
‘Eén-nul voor Golland,’ schreeuwt ze.
Het is een koddig schouwspel haar zo enthousiast voor het Oranjeteam in de weer te zien. Ze komt nog tweemaal het balkon opgerend. Aan het einde van de wedstrijd toetert ze als een bezetene, alsof ze de muren van Jericho opnieuw wil laten bezwijken. Onder haar rijden toeterende auto’s voorbij en swingende mensen. Het is een bonte verzameling van vele culturen die in mijn straat in naam van Oranje uitbundig aan het feestvieren is.

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Uit het leven gegrepen

Eenden
Waggelend steken ze het zebrapad over. Parmantig wiebelen hun kontjes. Hij in groen, bruin en grijs gestoken, zij in maagdelijk wit. Auto’s stoppen. Met een vertederde blik bekijkt de bestuurder het stel. Van de andere kant nadert een geel gevaarte dat knarsend tot stilstand komt. De trambestuurster glimlacht. De twee op de zebra kijken niet op of om. Op hun dooie akkertje vervolgen ze hun weg.
Ze komen uit de vijver van het Oosterpark, wringen zich door de spijlen van het hek, steken de drukke straat over, op weg naar een oud dametje dat daar dagelijks brood strooit.
Als ik ’s avonds mijn hond uitlaat, liggen ze naast het zebrapad. Als Romeo en Julia tegen elkaar, met hun halzen in een knik.
Welke kloothommel is hier bruutweg doorgereden?

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Mobiel jagen

Eiland2

Foto: Merel Notten

Aan de rand van het Finse eiland Hailuoto zitten vier in jagersgroen gestoken mannen op een bankje. Met een blikje bier in de hand staren ze lodderig de horizon af. De lucht is strakblauw, het zicht reikt ver. Aan hun voeten liggen verscheidene platgetrapte blikjes. Ze hebben geen jachtgeweren bij zich. Hoogstwaarschijnlijk zou het richten nu al problematisch voor hen zijn.
Wanneer er een vlucht eenden op hen afvliegt, grijpt er een naar zijn mobiel. Hij wisselt enkele woorden, schuift het ding terug in zijn borstzak en knipoogt naar de anderen. Die draaien hun hoofden mee met de nietsvermoedende eenden. En grijnzen gemenig. Zonder twijfel vliegen de eenden rechtstreeks hun dood tegemoet.
Even later gaan er landinwaarts vele schoten af. De vier klinken met hun blikjes op de goede afloop van hun verkennerswerk. Dan gaat zijn mobiel af. Klaarblijkelijk krijgt hij de stand doorgebeld, alsof het een voetbalwedstrijd betreft. Juichend staat de beller op en meldt het nieuws aan de anderen. Zouden alle eendjes het loodje hebben gelegd?
Na een uurtje komen de hunters aanrijden. Trots houden ze de eenden bij hun halzen omhoog en tonen de bungelende buit aan de vier, die met ferme kreten hun aandeel opeisen. Gelukkig zijn het er niet veel: de meeste kogels hebben hun doel niet bereikt.
’s Avonds vloeit de alcohol nog steeds door de kelen van de mobiele helden, terwijl de kaalgeplukte lijfjes boven het vuur aan een spit ronddraaien.
Later op de avond tref ik de robuuste jagers in de kantine van de camping aan. Pullen bier aan hun monden. Op het podium staat een duo. Hij in een gestreept overhemd met vlinderdas, zij in een frivole jurk die over haar knieën reikt. De vlinderdas verveeld achter het elektrische orgeltje, de jurk met fel gestifte lippen chagrijnig voor de microfoon. Finse schlagers, zonder dat er stapjes op de dansvloer worden gezet. Er is geen dame voorhanden. Bonkige, lallende heren, díe dansen niet snel met elkaar.
Aan de bar bestel ik een pul bier.
‘Kahdeksan euroa.’
Niet begrijpend schud ik mijn hoofd.
De barkeeper steekt acht vingers in de lucht. Alcohol is hier ècht een dure grap. Naast me praten twee jagers met elkaar. De koddigheid van de taal met de vele klinkers neemt toe naarmate het alcoholgehalte stijgt. De woorden tuimelen als jonge honden over elkaar heen.
De bierpullen van de twee enteren de mijne. ‘Terveydeksii,’ tetteren ze tegelijkertijd in mijn oren.
‘Gezondheid,’ zeg ik maar gewoon in mijn moerstaal. Engels spreken heeft in deze contreien geen enkele zin.
De mannen kijken me bevreemd aan. Dan wenden ze hun hoofden naar de ingang. Joelend huppelen er een stuk of twaalf vrouwen het lokaal binnen. Alsof er een blik is opengetrokken. Waar komen die ineens op dit verlaten eiland vandaan? Zouden ze mobiel opgetrommeld zijn? Met de pont van het vaste land zijn gehaald? Ik heb de verkenner niet zien bellen.
De mannen staan op, lopen op de vrouwen toe en vragen hen ten dans. Ook hier is het jachtseizoen geopend. Hun door alcohol doordrenkte lijven blijven wonder boven wonder overeind bij de ingezette foxtrot. Geestdrift ontpopt zich in de muziek. De vlinderdas staat er opgewekt bij en de jurk zet, heupwiegend, haar beste beentje voor. Ineens is het een vrolijke boel in de kantine van bruinhout. Ik sta als enig overgebleven man aan de tap. Iemand wenkt me. Dansen zonder vrouw vind ik wat moeilijk, maar daar voorzien ze me in. Een van de jagers duwt me een zwaar opgemaakte vrouw in handen en ook ik zet mijn beste beentje voor.
Het is abracadabra dat de klok op dit eiland voor me slaat, niet alleen in de taal, maar ook in de jagerscultuur.

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Eén rollade a.u.b.

Aanhoudend geklepper van het kattenluik maakt me nieuwsgierig. Verdedigt míjn kat zijn toegangspoort? Het is daar vaker een strijd op leven en dood. Een homp vlees steekt halverwege het luikje. Ditmaal geen rivaliserende kat, maar een rollade. Ik kijk door de ruit van de keukendeur en zie mijn zwarte kat hemel en aarde bewegen om zijn zojuist gevangen prooi naar binnen te smokkelen. Wat een gevaarte hangt er aan zijn bek; zijn tanden heeft hij in het netje gezet. Waar heeft hij die vandaan? Hopelijk niet bij mijn naaste buren waarmee ik in een onoplosbare vete leef. Ik verlos mijn kat uit zijn worsteling door de deur te openen. Trots komt hij met zijn buit naar binnen gestrompeld waarbij hij zich moeizaam in evenwicht weet te houden. Het gevaarte helt als een zinkend schip naar bakboordzijde en sleept over de vloer. Ik pak het beet; zijn tanden blijven in de touwtjes steken. Ik wrik het los en hij kijkt me ver-
ongelijkt aan.
Even later gaat de bel. De oude buurvrouw van twee huizen verder staat voor mijn neus. Volgens haar kwam míjn kat door het bovenraampje binnen, viste de sudderende rollade uit de pan, klauterde terug en klom daarna over de schutting. Dit allemaal terwijl mijn buurvrouw even van het toilet gebruik maakte, zoals ze dat plechtig zei. Voor mijn kat was het pure pech dat ze hem bij het beklimmen van de schutting betrapte.

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

Lezende hond

In het trappenhuis kom ik ’s ochtends Ibrahim, mijn buurjongetje tegen.
‘Dag Elsa,’ zegt hij tegen mijn hond en hij aait haar voorzichtig over de kop. Met haar flinke lijf drukt ze zich tegen hem aan en schuift hem bijna van de trap, maar hij is niet bang voor haar.
‘Moet Elsa ook naar school?’ Hij richt zijn blik op naar mij.
‘Nee, ze hoeft niet meer. Maar vroeger ging Elsa wel naar school.’ Even is het stil, maar dan vraagt hij of ze kan lezen?
‘Nou en of, Elsa verslindt complete boeken.’ Zijn moeder schiet in de lach. Ibrahim kijkt me met zijn donkere ogen vragend aan. Je ziet hem denken hier klopt iets niet. Maar hij kan zijn vingertje niet op de wond leggen.
‘Elsa,’ zegt hij terwijl hij met zijn armpje zwaait. ‘Jij hoeft lekker niet na school. Heb jij leuke juf? Ikke wel.’
‘Kom Ibrahim, we gaan naar leuke juf. Dan kan buurman Elsa uitlaten. Elsa hoeft niet meer naar school maar jíj wel. En daar leer jíj ook lezen, net als Elsa.’

Verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.