Spelende kinderen

Sculpturen

spelende-kinderen
In de serie Sculpturen van Oost ‘Spelende kinderen’ van Gerda Rubinstein. Het beeld staat sinds 1957 in het Oosterpark.

Het beeld, in brons uitgevoerd, is een tijdlang aan een andere kunstenares toegeschreven geweest. Het plaquette vermeldt dan: ‘Spelende kinderen’ door Kattinka van Rood-Limpers, 1957. (Kattinka met dubbel-t nog wel, terwijl het Katinka moet zijn).
Maar in 2010 staat er ineens Gerda Rubinstein. Hoe kon dit gebeuren?
Een speurtocht levert het volgende op: zowel op de pagina van Katinka op Wikipedia, als in het overzicht van de kunstwerken in de openbare ruimte in Oost, als in de Beeldbank van het Stadsarchief, staat aangegeven dat Katinka van Rood-Limpers de maker is van ‘Spelende kinderen’. Maar in het augustus-nummer van Ons Amsterdam uit 1971, met een overzicht van kunstwerken in de stad, staat als maker mej. G. Rubinstein.

Waar ging het mis?
Gerda woont al meer dan vijftig jaar in Engeland, en aan de telefoon legt ze aan Parool-journalist Paul Arnoldussen uit hoe dit zit: ‘Er was de laatste jaren al iets merkwaardigs aan de hand. Bekenden van me schreven dat ze dat beeld van me in het Oosterpark niet konden vinden. Toen ik in 2008 in Amsterdam was, ben ik eens gaan kijken. Het stond er nog prima bij, maar het verbaasde me wel dat het nu aan iemand anders was toegeschreven.’ (Paul Arnoldussen in Het Parool, 13 september 2010).
Pas in 2010 schakelt Gerda een aangetrouwd familielid in. Met krantenknipsels uit 1957 en 1959 laat hij bij Stadsdeel Oost zien dat het beeld toch écht van Rubinstein is. Aanvankelijk is er een plaquette met de juiste naam, dat verdwijnt en bij het maken van een nieuw bordje zijn ze in hun zoektocht waarschijnlijk bij de naam van Van Rood-Limpers blijven steken, want die staat dan op diverse websites foutief vermeld.

Gerda Rubinstein, geboren in 1931, is de twee jaar jongere zus van schrijfster Renate. Tot haar twaalfde trekt Gerda voornamelijk met haar tweelingbroer Jan op, daarna meer met haar zus Renate. In 1957 vertrekt Gerda naar Londen. In de jaren ervoor woont ze enkele jaren samen met Renate op de Oudezijds Achterburgwal waar ze haar atelier heeft.
In Engeland is Gerda Rubinstein veel bekender geworden met haar werk dan in Nederland. Haar eerste tentoonstelling in Nederland is pas in 1986: Haar zus Renate opent deze met een speech waarin ze terugkijkt: ‘Met haar beelden ben ik opgegroeid, niet uit eigen keuze (…) maar omdat we nu eenmaal zusters zijn. Het was allemaal zo gewóón. Pas een jaar of tien geleden kwam de gedachte bij mij op: Gerda is misschien helemaal niet zo gewoon, ze is eigenlijk verdomd goed. Andere mensen hadden me dat al eerder gezegd maar met complimenten aan je familie is het net zo als met complimenten aan jezelf, je waardeert de vriendelijkheid, maar je neemt ze niet au sérieux.’ (uit: Rondom MS van de stichting MS Research, 2005).

Gerda studeert bij Wessel Couzijn, en in 1952-’53 bij Ossip Zadkine in Parijs. Daar vertelt ze jaren later nog een mooi verhaal over aan het Algemeen Dagblad: ‘Hij (Zadkine) vroeg een keer een leerlinge of ze wist hoe ze pannenkoeken moest bakken. Voortvarend begon ze de ingrediënten op te sommen. Zadkine reageerde heel cynisch dat ze haar energie beter kon steken in die pannenkoeken dan in de kunst.’ (Bron: Paul Arnoldussen).

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het beeld als uitgangspunt:

Vertraagde wind

Ik ben het kind aan
 de rug van moeder
 mijn armpjes hangen
 om haar nek

haar jurkje en paardenstaart
 wapperen in de vertraagde
 wind, het laat ons
 zweven boven zee

maar dan is ze gevallen, haar
 rollator ligt zijdelings
 in de berm

haar jurkje omhoog
 gekropen, ik hijs haar op
 zet haar achter de rollator

kon ik maar domweg dat kind
 hangend aan haar rug zijn.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 188, 16 september 2016,
en Oost-online.

scaled-image

Een mogelijke bekeerling

Onalledaags

Mogelijke bekeerling
Het gras van het grote veld van het Oosterpark kleurt felgroen op door de weerkaatsing van de zon op deze prachtige voorjaarsdag. Het park heeft een ingrijpende renovatie achter de rug, en de grasmat is nog steeds herstellende. De waterplassen van de hevige regenbuien zijn weer verdwenen. De lucht is strakblauw, en vormt met het felle groen een magnifiek contrast.
Het valt me op dat er vanochtend veel meer mensen in het park zijn. Ook meer bazen die hun hond uitlaten alsof de honden bij slecht weer niet uitgelaten hoeven te worden.
Ik neem plaats op een bankje en geniet van de verkwikkende warmte. Op het andere bankje naast me duikelt een jonge man plotsklap voorover. Naast hem staat een nagenoeg lege fles whisky. Dat vormt voldoende bewijs voor me om niet in te grijpen. Roos kijkt verbaasd naar de wijd uitgespreide, lange jas maar ze slaat niet aan. Pas wanneer de dronkaard op handen-en-voeten naar zijn plek terug strompelt, komt ze in actie en wanneer de man een riedeltje terug blaft dan is voor haar de maat vol. Haar hoge blaf weergalmt door het Oosterpark. Na een hoop gestuntel en geklauter zit de man weer rechtop, en is het voor Roos weer in de haak.
‘Ik kan niet meer weg,’ rochelt hij mijn kant op.
‘Nou dan zou ik dat laatste restje maar mooi laten staan.’
Met een glazige blik kijkt hij me aan en knikt instemmend.
‘Blijf maar even rustig zitten.’
‘Ja meneer,’ mompelt hij gedwee.
Geen reguliere drinker. Een onaangenaam bericht heeft hem vast verrast en dat heeft hij flink willen weg zuipen op deze prachtige, zonnige voorjaarsochtend.
Even later staat er een vrouw voor me. Mantelpakje, permanentje, nep parelkettinkje. In haar hand een foldertje dat ze me voorhoudt: JEZUS LEEFT EN KAN U REDDEN, staat er in rood gedrukt.
‘Vandaag niet mevrouw, het is me te mooi weer!’
‘Dankzij Jezus kunt u van de zon genieten meneer.’
Ik moet toegeven dat ze zeer gevat antwoord geeft. Toch schud ik mijn hoofd. Dan loopt ze door. Geen ellenlange dialogen deze keer: dit is een doorgewinterd exemplaar.
Mijn buurman is de volgende klant. De dronkaard krijgt de folder voorgeschoteld.
‘Kan ik uw arm lenen?’ vraagt hij plompverloren.
Niet-begrijpend kijkt ze hem aan en buigt zich naar hem toe. Opnieuw vraagt hij om haar arm.
Ze steekt haar rechterarm uit en hij hijst zich moeizaam aan haar op. Ze moet zich flink schrap zetten om niet uit balans te raken, maar het lukt haar. Met beide handen ondersteunt ze hem. De folder dwarrelt naar de grond. Traag schuifelen ze voort, maar bij het volgende bankje ploft hij als een te zwaar geworden last neer. Zij vleit zich barmhartig naast hem. De dame komt haar gelofte strikt na; zij deelt niet alleen domweg folders uit. In deze man heeft ze het ultieme slachtoffer gevonden.
Een vijftal minuten later sjokken ze door naar een volgende bank. Het bekeren gaat hier in fasen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 186, 20 mei 2016,
en Oost-online.
Eerder verschenen in Trouw en Metro.

Rivierblindheid

Sculpturen

Rivierblindheid
In de reeks Sculpturen van Oost het beeld ‘Sightless among Miracles’ van de Amerikaanse kunstenaar Skip Wallen (1942). Het staat aan de Mauritskade bij de hoofdingang van het Tropeninstituut, en is daar in het najaar van 2005 onthuld.

Het beeld, in brons gegoten, toont een Afrikaanse jongen die met een stok een blinde man leidt. Het is de ziende zoon die zijn blinde vader leidt.
Als dank voor de steun aan de internationale bestrijding van rivierblindheid is het beeld bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) geplaatst. Het KIT is vele jaren betrokken geweest bij programma’s tegen rivierblindheid. En dankzij een internationale campagne is rivierblindheid de laatste decennia behoorlijk teruggedrongen. Nederland is een van de hoofdsponsors van dit Global Partnership to Eliminate Riverblindness.

Parasiet
Het beeld toont een scene die nog niet zo lang geleden een alledaags verschijnsel in West-Afrika was en in mindere mate in Midden- en Zuid-Amerika. Door rivierblindheid getroffen ouders zijn afhankelijk van hun ziende kinderen. De Simulium-vlieg (zwarte vlieg of kriebelmug) is de aanstichter van deze ziekte (Onchocerciase). Deze vliegen leven in de buurt van snelstromende rivieren. Ze zijn besmet met een parasitaire worm die zich bij de mens in de huid nestelt. De worm is zeer lang vruchtbaar en produceert dagelijks zo’n drieduizend larven. Deze larven dringen vervolgens het lichaam binnen wat leidt tot hevige jeuk, ernstige huidproblemen en hoornvliesontsteking, vaak met blindheid tot gevolg.
Maar rivierblindheid maakt helaas jaarlijks nog steeds slachtoffers, vooral in West-Afrika. In het verleden liepen ongeveer 120 miljoen mensen in Afrika serieus risico de ziekte op te lopen. Maar dankzij de gevoerde campagne is rivierblindheid in de afgelopen decennia flink teruggedrongen. De campagne concentreert zich op de bestrijding van de zwarte vlieg met insecticiden. En in de zwaarst getroffen gebieden worden jaarlijks grootschalige behandelingscampagnes met Ivermectin opgezet. Dit medicijn doodt de steeds vrijkomende larven bij een patiënt.
Diverse deelnemers nemen deel in het Global Partnership: internationale ontwikkelingsorganisaties, Afrikaanse overheden, regeringen van geïndustrialiseerde landen, onderzoeksinstituten, de farmaceutische industrie en maatschappelijke organisaties.

‘Sightless among Miracles’
Skip Wallen ontleende de titel van het beeld aan een Joods gebed over de wonderen die de mens dagelijks in zijn directe omgeving kan opmerken, als hij maar ogen heeft om te zien, oren om te horen en handen om te voelen…
Er zijn zes identieke beelden wereldwijd verspreid, en één kwam er naar Amsterdam. De andere vijf exemplaren staan in Genève (WHO), Ouagadougou (hoofdkwartier African Programme for Onchocerciasis Control APOC), Washington (Wereldbank), Atlanta (Carter Centre) en New Jersey (farmaceutisch bedrijf Merck & Co.).

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het kunstwerk als uitgangspunt:

Mount Kameroen

Zoon, leen me je ogen
 één laatste maal, en leid me
 naar de voet van de Kameroen
 waar ik zal wachten tot
 hij me laat halen.

Vader, ik blijf u trouw
 tot in de dood, maar
 de tijd is niet daar dus
 waar breng ik u naartoe?

Zoon, leid me naar
 de Kameroen
 laat me gaan
 ik vraag het je
 één laatste maal.

Vader, uw wens valt
 me zwaar, ik was uw
 oog voor zoveel jaar
 maar ik leid u
 zoals al die jaar.

Zoon, mijn dank is oneindig
 groot, voor al wat je deed

maar laten wij gaan
 voordat het is te laat.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 186, 20 mei 2016,
en Oost-online.

Man & Schaap

Sculpturen

436259c78aa149942fde331242a4e0c4bb0b3

In de reeks Sculpturen van Oost het beeld ‘Man & Schaap’ van de Amsterdamse kunstenaar Merijn Bolink. Het beeld is van brons, en het bevindt zich sinds 2003 in een vijver tussen de Flevoparkweg, Zeeburgerdijk en Zuiderzeeweg.

Midden in het water steken een schapenkop en een hoofd van een man boven het water uit. Ze kijken elkaar recht in de ogen aan. Stralen water komen uit de ogen van de man en zijn gericht op de ogen van het schaap. Beiden staan tot aan hun nek in het water.
Volgens Bolink ontstaat er een vorm van communicatie tussen mens en dier wanneer ze elkaar in de ogen aankijken, ook al hebben ze geen idee wat er in de ander omgaat. De waterstralen uit de ogen van de man zijn volgens hem een vertaling van dat gevoel. De lichamen van beiden bevinden zich onder water. De kunstenaar verwijst daarmee naar het verleden van dit gebied. Doorbraken in de oude Zeeburgerdijk waren vroeger schering en inslag waardoor de achterliggende polder onder water kwam te staan.
Bolink ontdekt en creëert als een wetenschapper. Z’n beelden zijn meestal opgebouwd uit bestaande objecten, dode dieren of planten. De procedés die hij toepast zijn verdubbeling, versmelting of ontleding. In alle gevallen gaat het er volgens hem om ‘de ziel van dingen’ bloot te leggen.

Hitchcock
Bolink maakte ooit een schetsje voor een fontein met twee koppen: een man en een vrouw. Later neemt hij dat schetsje als uitgangspunt voor zijn ontwerp. Voor het presentatiemodel heeft hij enkele voorbeeldkoppen nodig. Hij gaat naar een feestwinkel en vindt daar een masker van Hitchcock. Het is precies het hoofd dat hij in gedachten heeft: ‘Ik vond daar ook het hoofd van een schaap. Het idee van een mens en een dier leek me toen veel interessanter, en het is een oud thema van mij: de relatie tussen mens en dier, het wederzijds onbegrip.’
Met dit idee hoeft hij ook niet na te denken over de richting van de waterstralen. ‘Als je hoofden hebt van twee mensen, een man en een vrouw, wordt het heel belangrijk of de straal van de een naar de ander gaat of omgekeerd. Vanuit de ogen van de man naar de ogen van het schaap is heel logisch. Als mens kun je namelijk op allerlei manieren kijken. Als dier kun je dat niet, terwijl er toch heel veel omgaat in een dier. Dat intrigeert me.’
Het hoofd van Hitchcock als model wil hij niet gebruiken: ‘Ik dacht toen aan een vriend van mij. Hij heeft een heel karakteristiek joods hoofd en ook geen haar. In dezelfde seconde dat ik aan hem dacht kwam in mijn hoofd op dat hij Schaap met z’n achternaam heette. Dat kwam zo goed bij elkaar, het moest wel een soort teken zijn.’ (citaten afkomstig uit: De Fonteinen van Amsterdam, 2005)

Merijn Bolink – geboren in 1967 in Amsterdam – is beeldhouwer, installatiekunstenaar en tekenaar. Hij studeert van 1987 tot 1992 aan de Academie van Kunst en Industrie (AKI) in Enschede, en woont en werkt in Amsterdam.

Het volgende gedicht is van mijn hand, ik schreef het onlangs, en het heeft het kunstwerk als uitgangspunt:

Man & Schaap
De wind
 haast en raast
 aan me voorbij,
 ergens ver weg
 blèrt een schaap
licht van bliksem
 schrikt, de hemel huilt
 in het grauwe water
 staat een schaap, ze kijkt
 me strak in de ogen aan
droef bekoorlijk ademt
 ze haar woorden
 in mijn oor, zwemmen
 onze dromen tegen
 de stroom
en begrijpen
 wij elkaar
in dat groezelige water.
Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 185, 1 april 2016,
en Oost-online.

Daar gaat je liefie

Onalledaags

Duif
Even is het voorjaar met een temperatuur die je de jas doet uittrekken. Op een bankje aan de rand van het grote veld van het Oosterpark kijkt een vrouw voor zich uit. Het is meer dan kijken wat ze doet. Naast haar ligt een schetsboek en een lederen tas bevlekt met vele tinten verf.
Ze pakt het schetsboek op, legt het op haar knieën en met een potlood zet ze enkele lijntjes uit. Dan pakt ze uit de tas enkele tubes verf, kwasten en een palet. Ze mengt enkele kleuren en brengt de eerste contouren aan. Ondertussen ben ik op het bankje ernaast gaan zitten, en mijn hond, Roos, ligt voor m’n voeten.
Een klein meisje huppelt van het veld onze kant op. Met een olijke blik in haar ogen gaat ze naast de schilderes staan.
‘Wat schilder jij?’ vraagt ze.
‘Die spelende kinderen en dat kleine, zwart met witte hondje.’
‘O. Ik word later schilder. Jij ook?’
De schilderes kijkt het meisje aan en onderdrukt haar lach. ‘Ja, ik word denk ik later ook maar schilder, dat lijkt me wel wat.’
Het meisje lacht haar melkwitte tanden bloot. ‘Ja, dan kan ik iedereen schilderen, dat vindt mamma mooi.’
‘Nou, ik ga maar weer door,’ zegt de schilderes, ‘dan leer ik schilderen en dan word ik later ook schilder, dat lijkt me wel een mooi beroep.’
‘Ja, dan worden we samen schilder, dat vind ik leuk,’ zegt het meisje, en ze huppelt vrolijk terug naar haar moeder die even verderop op een kleed zit met limonade en broodjes, haar blik gericht op haar smartphone.
De schilderes kijkt me met een knipoog aan. We moeten lachen om deze vrolijke conversatie. De kunstenares die schilder moet worden, terwijl ze hiermee reeds jaren haar brood verdient.
Ik wens haar veel succes met het schilderen en een fijne dag, en loop met Roos door.

We komen bij de muziekkoepel waar een duif op de reling zit. Ze houdt haar kopje scheef, blikt even naar links en rechts, fladdert op en landt op een fietsstuur. Een man pakt uit zijn fietstas een zakje met vogelzaad, strooit wat in de palm van zijn hand en houdt het haar voor. Zonder aarzelen pikt ze de zaadjes vliegensvlug weg terwijl hij ondertussen naar een blikje bier grijpt.
Roos houdt even haar pas in, kijkt omhoog naar de pikkende duif en struint verder. Mijn hond kijkt in dit park niet meer op van afwijkende taferelen.
‘Die duif heeft het goed voor mekaar,’ merk ik lachend op.
‘Ze is ’n houtduif meneer,’ klinkt het in plat-Amsterdams. Hij zet z’n blikje bier op zijn zadel en aait de houtduif over haar kopje.
Als ik naar twee verderop waggelende stadsduiven kijk, zie ik onmiskenbare verschillen. Zíj heeft een roodgeel snaveltje, blauwgrijs kopje met aan de achterzijde zwarte streepjes, wit kraagje en een paarsig lijfje. Stukken mooier dan de doodordinaire duif.
Een andere alcoholist komt erbij staan. ‘Is geen houtduifie meer hoor, maar ’n huisduifie…
Lekker makkelek wijfie, hè Jan,’ schatert hij uit.
‘Tam is ze zeker én knap ook,’ zeg ik.
‘Zeker weten, dit wijfie ken-ie nog in z’n hand houwe, and’re niet meer.’ Opnieuw barst hij in lachen uit.
Onverstoorbaar gaat Jan door met het voeren van zijn vriendin. Als ze uitgegeten is, strijkt hij over haar verenmantel. Dat laat ze zich wel gevallen. Maar dan vliegt ze weg.
‘Daar gaat je liefie, Jan.’
Zo gewonnen zo geronnen, denk ik. Nooit viel het me op dat er in de stad twee soorten duiven rondhangen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 185, 1 april 2016,
en Oost-online.
Deels eerder verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad.

De Schreeuw

Sculpturen

De-schreeuw
In de serie Sculpturen van Oost ‘De Schreeuw’ – het monument dat ter nagedachtenis aan regisseur, televisiemaker, columnist en opiniemaker
Theo van Gogh op 18 maart 2007 in het Oosterpark is onthuld.

Het ontwerp van het monument is van beeldhouwer Jeroen Henneman. Het is 4,5 meter hoog en het is gemaakt uit roestvast staal. Het beeld laat een gestileerd profiel van een gezicht zien dat aan de ene kant schreeuwt en aan de andere kant een gesloten mond heeft. In zes frames gaat een gesloten mond over in een stille schreeuw. Het verbeeldt de spanning tussen schreeuwen en zwijgen, de vrijheid van meningsuiting. Maar ‘De Schreeuw’ verbeeldt ook de moord zelf: Van Gogh schreeuwde niet vermoord te worden. Maar impliciet is er ook een link met het medium film. De zes gebogen delen, waar het beeld uit is opgebouwd, verwijzen naar een opeenvolging van filmbeelden.

Cactus
De opdracht voor het monument is een beeld te ontwerpen rond de cactus: het kunstwerk dient te ‘prikkelen’. De cactus verwijst naar Een prettig gesprek, de jarenlange serie tv-interviews van Theo waar hij telkens bij afloop een cactus cadeau gaf aan zijn gast.
Henneman: ‘Met een cactus doe je Theo onvoldoende recht, dat prikkelen was maar een klein detail van hem.’ Het eerste beeld dat de beeldhouwer voor ogen krijgt, is een engel die Theo van Gogh de mond snoert. De vrijheid van meningsuiting moet centraal staan in het monument, vindt Henneman. Een ander idee dat hij uitwerkt is een achterovervallende figuur die zich aan zijn fiets vastklampt. Daaruit ontstaat een achterovervallend figuur, weergegeven in strakke lijnen met zowel aan de onderkant als de bovenkant een gezicht. Voor een presentatie vergroot hij de voorstudie uit. ‘En toen zag ik het. Ik dacht: dit moet het worden: alleen een gezicht, dat in een aantal fasen van een schreeuw naar stilte verloopt,’ aldus Henneman.

Jeroen Henneman is geboren in Haarlem (1942) en studeert van 1959 tot 1961 aan het Instituut voor Kunstnijverheid in Amsterdam. Hij woont en werkt in Amsterdam. ‘De Schreeuw’ is zijn meest bekende werk. Een ander bekend werk is een portret van voormalig koningin Beatrix.

Het is alweer elf jaar geleden dat Theo van Gogh – op 2 november 2004 in de Linnaeusstraat, in de buurt van het Oosterpark – door een extremistische moslim op gruwelijke wijze wordt vermoord. Van Gogh’s controversiële uitspraken, en vooral de film ‘Submission’ die hij samen met Ayaan Hirsi Ali maakte, zijn voor Mohammed B. de aanleiding voor de moord.

Bloemen en tekst, 2 november 2015

Bloemen en tekst, 2 november 2015

Op de plaats van de moord komen in de dagen erna vele bloemen, brieven en andere rouwbetuigingen. Na twee weken gaat alles naar het kantoor van de productiemaatschappij van Van Gogh. Het Amsterdams Historisch Museum en het Rijksmuseum maakt daarna een keuze uit de meest aansprekende voorwerpen om te bewaren, en het grootste deel van de brieven gaat naar het Gemeentearchief van Amsterdam.

Rouwbetuiging-Van-Gogh

Foto: Geheugen van Oost

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, 30 oktober 2015,
en Oost-online.

M’n poes is pleite

Onalledaags
Illustratie: Judith Lammers

Illustratie: Judith Lammers

Het is aan het begin van de avond en de bel gaat. Ik open de voordeur en voor me staat een gedrongen vrouw met sluik haar. Met beide handen houdt ze een grote kooi van rood plastic vast. Haar bruine ogen kijken me vanachter een fors montuur verdwaasd aan.
Ik ken haar van gezicht, ze woont even verderop. Vaak zie ik haar in een ochtendjas en op pantoffels een kwijlende boxer uitlaten.
‘Ken ik effe in de tuin kijke, m’n poes is pleite!’ Ondertussen staat ze al met haar kooi in de hal.
‘Maar natúúrlijk mevrouw.’
Ik loop met haar door het huis naar achteren en open de tuindeuren. Het is mistig.
‘Mientje, Mientje,’ roept ze met een schelle stem. ‘Die klojo van ’n zoon heb de deur ope late staan.’ Over haar bepoederde wangen rollen tranen omlaag. Ik weet niet goed raad met deze plotselinge gemoedsverandering. De potige tante die mijn woning met kooi en al kwam binnenstormen, is ineens een hulpeloos wezentje.
Ik troost haar, vraag haar hoe Mientje eruitziet en beloof naar haar poes uit te kijken. Zwijgend loopt ze de stoep op en met haar hoofd naar voren gebogen verdwijnt ze in de dichte mist.
Dit is zíj dus, bedenk ik me, de vrouw die haar huis vol met katten heeft staan. De meeste ervan weliswaar dood. Mijn naaste buurvrouw vertelde me dit eens, zij was bij haar binnen geweest. Ze heeft al haar overleden katten laten opzetten. De beesten zitten, liggen en staan in hun meest karakteristieke houdingen verspreid door het huis. Een rooie kater ligt uitgestrekt op de divan. De zwarte kat zit voor de gashaard eeuwig naar de vlammen te staren, en de witte zit voor het raam op de vensterbank naar buiten te turen.
Als pikant detail vertelde mijn buurvrouw me dat deze vrouw een onlangs overleden kat in de diepvries had liggen op het moment dat zij er op bezoek was. De preparateur had het even te druk, had de vrouw tussen neus en lippen door tegen mijn buurvrouw verteld. En volgens mijn buurvrouw was haar huis tot aan de nok toe opgevuld met vergaarde rotzooi van de straat en van de kringloopwinkel. Het was niet mogelijk om je op een normale manier door het huis te begeven. Zo volledig dichtgetimmerd zat haar woning met allerhande huisraad en prullaria.
‘Als we ooit nog eens overlast van ongedierte krijgen, dan komt het dus bij haar vandaan,’ zei mijn roddelende buurvrouw, en haar gezicht vertrok daarbij in een grimas.

Enkele dagen later kom ik op straat de vrouw van verderop tegen, en ik vraag haar of Mientje al weer terecht is?
Ze knikt zeer tevreden met haar hoofd. ‘Ja meneer, ze zat opgeslote in ’n tuinhuisje effe verderop, en ze was helemaal zwart. Ze is normaal helemaal wit, weet u, maar ik ken d’r niet terug, zo vies was ze… Ik hed allemaal brieffies gehange met m’n witte poes pleite. Tja, niemand zag tuurlijk meer dat ze wit was. Die roetzwarte mop van me…’ Enthousiast zit ze me een heel verhaal te vertellen, ze is zo blij als een klein kind.
Ik neem afscheid van haar, en wens haar een fijne dag.
En ik ben blij dat Mientje weer terecht is. Dat Mientje zich nog frank en vrij door ’t volgepropte huis mag bewegen. Gelukkig is ze nog niet aan haar ‘opgezette leventje’ begonnen. Dat is voor haar nog even uitgesteld…

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, 30 oktober 2015
en Oost-online.

‘Handen’

Sculpturen

HandenIn de serie Sculpturen van Oost ‘Handen’ van beeldhouwer Willem Reijers. De ‘Handen’ zijn in brons gegoten, en ze hangen aan de voorgevel van het Cygnus Gymnasium aan de Wibautstraat.

Het zijn handen in allerlei standen die – hooggelegen – als het ware uit de betonnen muur van het schoolgebouw schieten. Het ontwerp van ‘Handen’ is uit 1956,
en de sculptuur is gegoten voor de toenmalige Eerste Christelijke Technische School Patrimonium school aan de Wibautstraat. Maar in 1958 overlijdt Reijers, en tot grote ergernis van zijn erfgenamen is er met zijn ‘Handen’ na zijn dood nogal wat afgesjouwd. Zo hangt het geruime tijd aan de gevel van een andere school in West. Na een hoop gesoebat spannen de erven van Reijers een rechtszaak aan. In 1972 beslist de rechter dat er een wanprestatie tegenover de beeldhouwer en zijn artistieke bedoelingen is geleverd. ‘Handen’ moet alsnog de school aan de Wibautstraat sieren. Maar het duurt nog tot 1978 voordat het daar aan de voorgevel hangt.

Het schoolgebouw is uit de tijd van het Nieuwe Bouwen. Er zijn opvallende overeenkomsten met een wooncomplex van de befaamde Franse architect Le Corbusier in Marseille. Het gebouw is als rijksmonument aangewezen, en het staat op de lijst van topmonumenten uit de wederopbouwperiode. Om zijn vorm staat het ook bekend onder de naam ‘Het Schip’.

Vernieuwer
Willem Reijers (1910-1958) volgt onderwijs aan de Grosvenor School of Modern Art in Londen (1931-1934) en gaat daarna naar Parijs, waar hij in de leer is bij de schilder Fernand Léger. In 1939 werkt hij tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in het atelier van de beeldhouwer Ossip Zadkine. Naast beeldhouwer is hij kunstschilder en illustrator. Reijers wordt beschouwd als een van de vernieuwende beeldhouwers van vlak na de oorlog. Maar hij is slechts tien jaar als beeldhouwer actief.
Ooit heeft hij de stelling geponeerd: ‘Een beeldhouwer maakt zijn beste werk wanneer hij de vijftig is gepasseerd.’ Hij is slechts 48 jaar geworden. In de tien jaar als beeldhouwer heeft hij een klein oeuvre van experimenteel werk nagelaten.
In 2004 verschijnt er een monografie over hem:
‘ (…) dat een beeld geeft van het werk van deze vernieuwer van de Nederlandse beeldhouwkunst in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw. Ondanks de lessen die hij in de jaren dertig in Parijs volgde bij de schilder Fernand Léger en bij beeldhouwer Ossip Zadkine, is Reijers als autodidact te beschouwen.
Zijn eclectische half-abstracte plastieken reflecteren met hun vitaliteit en originaliteit Reijers’ persoonlijkheid. De kunstenaar maakte naam met onconventionele, soms bijna speelse beelden als Verkeerswezen op de Groninger Emmabrug, Monument voor een fusillade in Zijpersluis en zijn ontwerpen voor het Koopvaardijmonument in Rotterdam. Tot zijn vroege dood in 1958 bleef hij verrassen.’

Reijers was bevriend met de dichter Lucebert, die over zijn overleden vriend het volgende gedicht schreef:

In memoriam Willem Reijers

er is geen beeld van de dood er is alleen
het levendige beeld van de opgeheven hand
die een glas bier omvat of een rug van klei
of de hamer die korte metten moet maken
met de overtollige ruimte. er is
binnen mijn warm vel de wereld fel
waarin het altijd goed was stevig te staan
snel te gaan over de snelweg
stevig te staan tussen voortrazende vluchtige vormen
snel te grijpen naar een stevig lichaam dat zowel
in je geest als in je handen thuishoort

in elk nieuw geschapen beeld
standbeeld of denkbeeld
moest zijn de thuiskomst met mij
om al de overgangen en bochten met levensgevaar genomen
en die dan zei met mij: – hier ben ik
er is geen ander beeld van de dood
dan een levend beeld –

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 180, 26 juni 2015
en Oost-online.

Voor spek en bonen

Onalledaags

Verkeersregelaar
Even verderop is het fietspad opgebroken. Twee wat oudere mannen in oranje en geel met grijs gestreepte werkvesten wijzen de nietsvermoedende fietsers op het ongemak. Op de achterzijde van hun reflecterende vesten staat in koeienletters: VERKEERSREGELAAR. Ze proberen de mensen naar het aan de overkant van de drukke weg gelegen fietspad te krijgen, maar de meesten volgen hun aanwijzingen niet op. Ze rijden over de trambaan of het trottoir. De mannen staan er voor spek en bonen bij. Twee dagen later staan ze er niet meer. Zouden ze bij hun superieuren hebben geklaagd over het geringe gezag dat ze daar op dat kruispunt uitstralen?
In de Verenigde Staten gaat het er heel anders aan toe… Ruim een halfjaar woonde ik in West-Hollywood, Los Angeles, en daar staan VERKEERSREGELAARS op de parkeerplaatsen van de winkelcentra met een fluitje de klant aanwijzingen te geven. En die worden strikt opgevolgd. Uniformen stralen daar nog steeds gezag uit. Anderen staan je boodschappen in te pakken in de supermarkt. Om daarna, als je erom vraagt, de boodschappen naar je auto te sjouwen. Het zijn daar banen. De klant is er koning.

Een andere baan trof ik alweer een tijdje geleden aan in het Oosterpark, waar ik dagelijks mijn hond, Roos, uitlaat. Vijf, in groen gestoken, mannen lopen gebogen voorover, alsof ze stelselmatig zoeken naar bewijsmateriaal inzake een misdrijf. In hun handen dragen ze speciaal gereedschap. Nieuwsgierig naar hun serieuze werk struin ik samen met Roos op hen af. En wat schetst mijn verbazing: de mannen verzamelen hondendrollen…
Ik groet de mannen, en hoop dat Roos niet haar drol pontificaal voor hun neus zal droppen. Vriendelijk beantwoorden ze mijn groet. Even later komt er een man met een herdershond aan. Zijn hond doet wat Roos gelukkig niet presteert en draait op geen steenworp afstand van de mannen een flinke bolus.
‘Wil u asjeblief die drol van uw hond opruimen,’ roept een van hen naar de schuldige hondenbezitter.
De man kijkt hen onderzoekend aan en tikt met zijn vinger naar het hoofd. ‘Ben je belazerd, dat doe ik nooit. Ik betaal trouw m’n hondenbelasting.’
‘Maar meneer, denk u nou werkelek dat we dit voor ons plezier doen.’
‘Hé, mijn hond houdt jullie wel aan ’t werk.’ Op zijn gezicht verschijnt een geniepige lach.
De mannen schudden hun hoofden en gaan stug door met hun werk.

Poepopruimers hebben ze daarentegen in Amerika niet nodig. In de meeste Staten is de hondenbezitter verplicht de uitwerpselen van zijn geliefde beestje zelf op te ruimen. Strenge controles en hoge boetes liggen eraan ten grondslag. Zelf laat ik op een zonnige dag in een park in Hollywood het hondje van mijn buren uit. Buddy, een klein pienter beestje dat huppelend voor me uit loopt. Ik ben vergeten een poepzakje mee te nemen om daarmee zijn drolletje weg te toveren. Maar misschien hoeft hij wel niet. Maar we zijn nog maar net met onze wandeling begonnen en dan moet hij al. Hij kan het niet langer ophouden en fabriceert een mooi droog drolletje. Shit, nu heb ik geen zakje bij me, maar met een boomtakje rol ik het keurig de berm in zodat niemand erin kan stappen. Maar terwijl ik met Buddy doorloop, komt er een Parkranger in een ‘four wheel-drive’ aan gescheurd. De man moet verderop om de hoek op ons hebben staan loeren. Dat kan niet anders. Zonder pardon slingert hij me op de bon. Twee zelfs. Eén voor het in het openbaar schijten van mijn hond zonder dat ik de moeite neem het op te ruimen, en de andere voor het loslaten lopen van de viervoeter terwijl het mijn plicht is met hem aangelijnd te lopen. Honderdvijftig dollar kost me die grap. Waarschuwen doen ze daar niet. Het is direct dokken in dat door dollars overheerste land.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, 15 mei 2015, en Oost-online.

Standbeeld politiehond ‘Albert’

Sculpturen

Albert
In de reeks Sculpturen van Oost het standbeeld van de Tervuerense herder Albert (1915-’23), ofwel ‘Ab’ of ‘Appie’ de politiehond. Het standbeeld staat sinds 1924 in het Oosterpark.

Albert is de hond van hoofdagent Jacob Water. Hij krijgt hem als pup van een kantonrechter uit Bergen in Friesland. In het Oosterpark traint de politieman zijn eigen hond. Albert blijkt een sterk ontwikkelde speurneus te hebben, en hij wordt al snel ingezet bij politieonderzoeken. En dankzij deze speurneus zijn er diverse zaken opgelost.
Een hoogtepunt uit het ‘beroepsleven’ van Albert is zijn bijdrage aan de oplossing van de roofmoord in Sint-Oedenrode. Op 25 april 1919 vermoorden drie overvallers met een scheermes de directeur van zuivelfabriek St. Oda. De daders komen voor het melkgeld, het bedrag dat eens in de twee weken klaarligt voor de boeren die melk aan de fabriek leveren. Het is een bedrag van bijna negenduizend gulden. Een medewerker vindt de directeur met opengesneden keel naast de brandkast. Een doek met bloed en een stuk scheermes liggen ernaast. Enkele getuigen hebben drie mannen op de stoomtram naar Den Bosch zien stappen en een van de drie is aan zijn handen en gezicht gewond. Twee verdachten worden later in Amsterdam opgepakt, maar ontkennen elke betrokkenheid.
Dan zet de Amsterdamse politie speurneus Albert in. Ze leggen de hoeden van de twee verdachten in een rijtje tussen 25 andere hoeden neer, en laten Albert aan het stuk scheermes ruiken. Hij moet een verband zien te vinden, en feilloos pakt Albert uit het rijtje de hoed van een van de verdachte.

Al snel komt er een lied over de gebeurtenis:
Wat weerklinkt er weer overal,
een gruwelfeit dat lang heugen zal.
Want wat er thans weer is geschied,
vergeet men heel ons leven niet.
Sint-Oedenrode – een dorpje stil,
is thans getuige als het wil.
Want in haar is een moord gebeurd
waar iedereen bepaald om treurt.

Heimwee
De Tervuerense herder is een zeer aanhankelijke hond, en Albert is daarop geen uitzondering. In 1923 ligt zijn baas voor langere tijd in het Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat. Albert krijgt het op een gegeven moment te kwaad, kauwt thuis op een zakdoek van zijn baas, slikt hem in en sterft…
Op de plek in het Oosterpark waar de hoofdagent voor het eerst met Albert traint, is een gedenkteken opgericht. Uit de Provinciale Noord-Hollandsche Courant van 11 juni 1924: ‘De dood van den politiehond Albert, die in Maart het vorig jaar, toen zijn meester, de beambte Water, in het Burgerziekenhuis te Amsterdam verpleegd werd van heimwee stierf, was aanleiding, dat een commissie pogingen in het werk stelde, om een blijvend gedenkteeken voor het ongetwijfeld intelligente dier op te richten. Het kostte heel wat moeite een fonds bijeen te brengen, daar verschillende eigenaars van honden niet al te scheutig bleken te zijn. Ten slotte kwam het er toch van, en Zaterdagmiddag had in een stil hoekje van het Oosterpark de onthulling van een gedenkteeken plaats. Dit plekje is achter de melk- en limonadekiosk gelegen en hier is het, dat Albert voor het eerst door zijn baas in het speuren werd geoefend.’

Hondenbrigade
Albert is in 1923 ook ergens in het Oosterpark op een stil plekje begraven. Maar waar?
Het beeldje is geleverd door steenhouwerij ‘De Zuil’ aan het Leidscheplein 14, zoals op de sokkel staat vermeld. Het is onbekend wie het heeft ontworpen. Verder zijn er twijfels of er wel een Tervuerense herder is afgebeeld. En het woord politie hond hoort aan elkaar geschreven te zijn.
Door de successen van Albert richt de Amsterdamse politie in 1921 een hondenbrigade op.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 179, 15 mei 2015
en Oost-online.