In vijf minuten

Beneden aan de trap groet mijn buurvrouw van tweehoog me vriendelijk. Haar donkerblauwe djellaba reikt tot aan haar voeten en om haar hoofd heeft ze een wit sjaaltje gestrikt.
‘Buurvrouw, is mooi weertje hè,’ zegt ze lachend, en daarmee gunt ze me een blik op haar krakkemikkige gebit.
‘Ja, eindelijk voorjaar. Daar zijn we wel aan toe niet.’
Ze opent de deur voor me en samen lopen we naar buiten, het trottoir op.
‘Waar jij naar toegaan?’
‘Eventjes naar de supermarkt.’
‘O, ik ook boodschappen doen. Ik meelopen?’
Ik knik instemmend. We slaan de hoek om. Een rinkelende tram dendert aan ons voorbij. De zon schijnt recht in onze gezichten. Ze is zwaarlijvig en waggelt als een eend achter me aan. Ik houd mijn pas voor haar in. Ze glimlacht en komt naast me lopen.
‘Waarom jij geen kindertjes krijgen?’ vraagt ze me plompverloren.
Ik kijk haar van opzij aan. ‘Nou, ik heb niet echt de behoefte. Druk met m’n werk… Ik vind ’t eigenlijk wel prima zo.’
Ze lacht me lief toe maar haar blik verraad onbegrip. Ze snapt mijn bewuste keuze om geen kinderen te nemen vast niet. Opnieuw vertraag ik mijn tred.
‘Ik niet begrijpen, jij zó lieve man hebben, dan jij ook lieve kindertjes krijgen.’
Ik schiet in de lach. Onbeholpen grinnikt ze met me mee. Inderdaad, ik heb een schat van een man in huis rondlopen.
‘Vijf minuten je ogen dicht, dan is lief kindertje gemaakt.’ Ze giechelt en knippert met haar ogen.
Samen lopen we de supermarkt binnen. We pakken ieder een winkelwagentje uit de rij en draaien daarmee het hek door. Dan zeg ik haar gedag, en terwijl ik een paar levensmiddelen aan het inladen ben, dringt de lading van de vijf minuten je ogen dicht! pas tot me door. Wat een triestheid borrelt er, als moerasgas, uit díé vijf woorden naar boven.
Telkens als ik nu mijn buurman van tweehoog in het trappenhuis tegenkom, denk ik aan haar vijf minuten de ogen dichtdoen en voel ik oprechte compassie met mijn buurvrouw.

Eerder verschenen in dagblad De Pers.