
Roos 5 jaar oud
De redactie van Briard Contact, het clubblad van de Briard Vereeniging Nederland, vroeg me of ik misschien een stuk wilde schrijven over onze lieve Roos, die we half september zeer plots moesten laten gaan. Op twee maanden na is ze net geen zestien jaar geworden.
Het is nogal zwaar om over haar te schrijven merk ik, en daarom heb ik wat eerder schrijfsel bij elkaar gezocht.
Allereerst het interview met Roos toen ze vijf jaar oud was. Het verscheen in Dwars door de Buurt, de krant van Amsterdam-Oost, en is geschreven door Anna ten Bruggencate.
Verder nog twee korte verhalen uit mijn boek Onalledaags, waarin Roos vaak een rol speelt. Het is bij elke online en traditionele boekhandel te bestellen.
Stadshond
Roos is een briard, een Frans, intelligent hondenras dat oorspronkelijk gebruikt werd voor het hoeden en begeleiden van schaapskuddes. Dit soort honden zie je niet vaak in de stad, maar Roos voelt zich duidelijk overal op haar gemak. In Bar East of Eden aan de Linnaeusstraat, waar vanwege het slechte weer de kennismaking met baas en hond plaatsvindt, ligt ze heel rustig en houdt alles in de gaten. ‘Dat is typisch een kenmerk van de briard,’ vertelt Méland. ‘Binnen zijn ze heel rustig, maar buiten zijn het echte werkhonden. Ik kan bijvoorbeeld heel goed door de stad lopen met Roos aan voet. Ik heb haar zelden aan de riem.’ Dat wordt naar Mélands mening slecht begrepen door de gemeentelijke handhavers die eigenaren van een loslopende hond op de bon slingeren. Hij heeft dan ook niet zo’n goede relatie met ze. ‘Er is zo veel controle in het Oosterpark waar Roos en ik dagelijks komen. En het kan zo leuk zijn voor hondenbezitters. De hondenbezitters die van het Oosterpark gebruik maken, vormen een leuke en hechte groep, waaruit ook vriendschappen zijn ontstaan,’ licht Méland toe.
‘Ik vind het opvallend hoe een hond je dingen leert. Zoals het kennismaken met andere mensen. De hond kiest de mensen uit: namelijk hun hond. En de baasjes gaan dan met elkaar praten.’ Roos komt uit een nest bij mensen met jonge kinderen die veel aandacht gaven aan de puppy’s. ‘Roos is daarom heel goed met kinderen. Als ze kinderstemmen hoort dan wil ze er altijd naartoe.’
Parkblaffer
Zoals kenmerkend voor het ras, heeft ook Roos een mooie langharige vacht. Van haar hoofd is vooral een stevige zwarte neus te zien en tussen de haren gluren een paar glinsterende kijkers. ‘Mensen maken vaak van die flauwe opmerkingen, zoals “moet-ie niet naar de kapper” of “ziet ze wel wat?” Maar Roos ziet al op grote afstand een kat of een konijn, en sjeest er dan achteraan. Het hoeden zit bij haar meer in het achter dit kleine grut aanjagen,’ zegt Méland lachend.
De oorspronkelijke functie van herdershond komt bij Roos bovendrijven wanneer ze bijvoorbeeld met een groep honden in het park is. ‘Ze wordt nu de buurtblaffer van Dwars, maar ze is al de parkblaffer. Roos is een hele zelfstandige hond en kan goed voor zichzelf opkomen. Ze wil graag de roedel hoeden, de regels handhaven. Wat dat betreft,’ lacht Méland, ‘houdt Roos me misschien een spiegel voor!’

Op het ijs
Onderstaande twee verhalen zijn uit Onalledaags:
Kuttekop
Hier en daar komt er voorzichtig wat groen aan de bomen en struiken. Er staat een frisse oosterwind, maar hier op een bankje zit ik uit de wind en in de zon. Roos ligt geduldig uitgestrekt voor mijn voeten.
Plotsklaps landt er in de boom vlak naast ons een papegaai. Zijn verendek is felgekleurd rood, geel en blauw, en hij heeft een kromme, bijna witte snavel.
Voorzichtig haal ik mijn telefoon tevoorschijn om hem op de gevoelige plaat vast te leggen. Een papegaai heb ik niet eerder in het Oosterpark gezien, maar ik sta nergens meer van te kijken. Door de jaren heen heeft het park een rijke menagerie aan fauna voortgebracht. Wat de mens hier niet al de vrijheid geeft: het schattige waterschildpadje dat in het aquarium blijft doorgroeien en ten slotte in de vijver belandt, of de vogel die een open raam ziet en daarbij een eigenaar heeft die de kooi vergat af te sluiten. Of het konijn dat net voor de kerstmaaltijd weet te ontsnappen en hier vrolijk met de wijfjes aan de haal gaat.
Ondertussen komt er een paar op leeftijd aangelopen. Met trotse blik duwt grootmoeder een kinderwagen voort. Het kind dat erin zit, is wat groot uitgevallen. Zijn mond, wangen en handen zitten onder de rode kleurstof van de lolly.
Ze stoppen vlak voor me en het stel wijst naar de felgekleurde verenpracht.
‘Sandertje, kijk eens wat een mooie vogel.’
‘Beest stinkt,’ komt het plompverloren uit zijn mond rollen.
‘Zeg, kuttekop,’ klinkt het ad rem vanuit de boom.
De fiere blik is van grootmoeders gezicht verdwenen, en met rood aangelopen wangen maakt het paar zich snel uit de voeten.
Roos staat de papegaai dom aan te kijken. Ze houdt haar kop scheef en kijkt de papegaai recht in de ogen aan. Een pratende vogel? Uit onzekerheid slaat ze aan.
‘Hou je snavel,’ krijst de papegaai.
Ik schiet in de lach. Dit heeft hij van zijn eigenaar vast vaak te horen gekregen. Repeterende papegaaien zijn uitermate irritant. Vooral als ze overal commentaar opleveren. Deze papegaai heeft ongetwijfeld vaak zijn snavel moeten houden, en wellicht is dat de reden dat hij voor zijn vrijheid heeft gekozen.
Maar Roos weet niet van wijken, blaft vrolijk door, ze wordt hier niet voor niets de parkblaffer genoemd.
De papegaai gelooft het verder wel. Hij fladdert op en vliegt een beetje klunzig weg, duidelijk niet gewend te vliegen.
Het Oosterpark is een papegaai rijker.
Maffe beesten
De zon hangt laag, ze komt net boven de daken aan de Oosterparkstraat uit. Frêle mist hangt boven het grote veld waarop een groep meeuwen landt, dribbelend op zoek naar regenwormen.
Roos sjeest plots van me weg, in de verte huppelt een konijn, het witte staartje hipt vrolijk met elke beweging mee. Dwars door de struiken gaat het nu. Het lijf van Roos komt in sprongen boven het struikgewas uit: ochtendgymnastiek in het Oosterpark. Na een week haar vriendje Bruin – een konijnenjager pur sang – als logeetje te hebben gehad, is het van god los met die meid van me. Ondertussen zit het konijn hoog en droog in zijn hol, maar dat heeft Roos nog niet door, de geur zit flink in haar neus. Maar ze heeft nog nooit een konijn in de kraag gevat.
‘Is dat uw hond die daar rondrent?’ vraagt een handhaver die me met zijn auto tegemoet is komen rijden.
‘Nee, ik weet niet van wie die is?
Ze rijden door opzoek naar de desbetreffende baas om die op de bon te slingeren.
Even later lopen we weer samen. Roos nog een beetje verwilderd, maar wederom aan voet. Zo, die bekeuring zijn we weer samen mooi ontlopen.
In de buurt van de uitgang, kom ik een vrouw met een rollator tegen. Op het mandje voorop zit een kraai. Hij tikt voortdurend met zijn snavel tegen een linnen tas.
‘Kaf, hou toch ’ns op, ik heb nu niks bij me. Ik moet nog naar de slager.’
De kraai kijkt haar met zijn zwarte kraaloogjes niet-begrijpend aan. Opnieuw gaat hij met zijn snavel tekeer.
‘Kijk toch uit, Kaf, verdorie, je maakt m’n hele tas stuk.’
‘Hij heeft vreselijke honger, mevrouw.’
Kaf wordt steeds ongeduldiger, Roos slaat weer aan, maar Kaf is hier totaal niet van onder de indruk: als Woody Woodpecker gaat hij vrolijk door.
‘Het is wel echt uw vriendje, hij weet écht niet van wijken.’
‘Het is echte liefde, meneer. Hij komt iedere dag bij me op het balkon, ik woon vlak bij het park, en dan krijgt Kaf van mij wat gehakt. Daar is-ie dol op. Maar nu heeft-ie me hier in het park zien lopen, en gaat-ie niet meer weg, zonder een stukkie vlees. Gek beest.’
‘Misschien gaat-ie wel mee met u naar de slager.’
‘Tja, Kaf is er gek genoeg voor. Nou, ik ga maar ’ns wat gehakt voor ’m halen. Meneer wordt nu wel erg ongeduldig.’
We nemen afscheid, en zij schuifelt met haar rollator met Kaf als bestuurder voorop. Het zou me niets verbazen als die maffe vogel gewoon meegaat naar de slager.
Info over Onalledaags.