Toren van Babel

Onalledaags

Illustratie: Judith Lammers

De gehuurde herenfiets trapt voor geen meter. Op Hailuoto, het kleine Finse eiland, waar ik een weekje op vakantie ben, had ik geen andere keus, en daarbij was de huurprijs spotgoedkoop. Maar nadat nu ook de ketting er geregeld afvliegt, is voor mij de maat vol: ik wil nou écht een andere fiets.
De koffiekantine, annex fietsenverhuur, is echter gesloten. Wel staat er een bord buiten waarop met krijt geschreven ‘kahvi kanssa leivonnaiset’ staat. ‘Kahvi’ kan ik nog ontcijferen omdat het bord bij een koffiehuis staat, maar die andere twee woorden zijn voor mij onherleidbaar. Later zoek ik die op en het blijkt ‘met gebak’ te betekenen.
In de directe omgeving van de koffiekantine is er niemand te bekennen, maar even verderop bij het haventje zie ik een man met een rosbruine baard staan, in zijn mondhoek hangt een pijp. Zijn overgebleven haren op zijn nagenoeg kale hoofd zitten steil naar achteren gekamd. Hij kijkt naar de vissers die hun vangst aan het lossen zijn. Ik loop met mijn fiets op hem af, richt me in het Engels tot hem en vraag hem of hij weet waar de eigenaar van de koffiekantine woont?
Er rollen voor mij volslagen onbekende klanken uit zijn mond. Gelardeerd met vele klinkers. Ik kan er werkelijk niets van brouwen. Na zijn stortvloed lacht hij me vriendelijk toe. Ik beantwoord zijn lach en probeer het met andere woorden opnieuw. Halverwege schakel ik over op het Nederlands. Wat maakt het uit, hij verstaat toch geen Engels.
Nogmaals stort hij een woordenbrij over me uit. We komen geen stap nader tot elkaar. Nu laat ik mijn fiets zijn zegje doen. De bel knarst. Ik til het achterwiel van de grond en duw met mijn voet de trapper aan. De ketting knierpt en dondert er voor de zoveelste keer vanaf.
Hij wenkt me met zijn arm. Eindelijk zit er schot in onze conversatie: hij begrijpt, geloof ik, de taal van mijn fiets. Wat fietsen onderling toch niet voor elkaar kunnen krijgen: er gaat een wereld voor me open. Langs de houten huisjes die alle een andere kleur hebben, lopen we de heuvel op. Daar staat een fiets, goed ingevet, te blinken. Een lederen zadel, geen krasje of spatje roest te bekennen: een toonbeeld van degelijkheid. Groter kan het verschil met mijn fiets niet zijn.
‘Prachtige fiets,’ zeg ik.
Trots kijkt hij me aan. Ook hij tilt zijn achterwiel iets op en trapt hem aan. De ketting loopt geluidloos en blijft keurig op de tandwielen ronddraaien. Het suizen van het wiel, zonder enig bijgeluid, is een waar genoegen voor mijn oren.
Ik gniffel om onze wederzijdse overwinning op de taal. We begrijpen dat de fiets het gespreksonderwerp is, maar daar houdt elke andere vorm van communicatie op. Vandaag laat ik de fiets voor wat hij is. Ik zet hem tegen de houten zijwand van de koffiekantine, een standaard zit er ook al niet meer aan.
Leve de toren van Babel, leve de Europese eenwording! Alleen met mijn euro’s kom ik hier moeiteloos vooruit.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 207, 17 mei 2019
en Oost-online.

Vijf minuten je ogen dicht

Onalledaags

Ik loop de trap af, en voor me uit loopt mijn buurvrouw van tweehoog. Beneden aan de trap groet ze me vriendelijk. Haar donkerblauwe djellaba reikt tot aan haar voeten en om haar hoofd heeft ze een wit sjaaltje gestrikt.
‘Buurvrouw, is mooi weertje hè,’ zegt ze lachend, en daarmee gunt ze me een blik op haar slechte gebit.
‘Ja, eindelijk voorjaar. Daar zijn we wel aan toe na al die regen en storm.’
Ze opent de deur voor me en samen lopen we naar buiten.
‘Waar jij naar toegaan?’
‘Eventjes naar de supermarkt,’ antwoord ik.
‘O, ik ook boodschappen doen. Ik meelopen?’
Ik knik instemmend. We slaan de hoek om. Een rinkelende tram dendert aan ons voorbij. De zon schijnt recht in onze gezichten en voelt heerlijk ontspannen aan.
M’n buurvrouw heeft een stevig postuur, ademt zwaar en waggelt als een eend achter me aan. Toch is ze, denk ik, niet veel ouder dan ik. Ik houd mijn pas voor haar in. Ze glimlacht en komt naast me lopen.
‘Met Yasmine alles goed?’ vraag ik haar.
‘Ja, goed op school en goeie rapport.’
‘Slimme dochter heb jij, lief ook. Laatst liep ik met haar mee toen ze uit school kwam, en ze zei tegen me dat ze later dierenarts wilde worden, want ze hield zo van dieren.’
M’n buurvrouw lacht, en is zichtbaar blij. ‘Ja ze wil graag hond, maar wij niet vinden goed. Probleem met geloof.’
Ik knik. ‘Wat jammer voor Yasmine, want ze is zo gek met onze hond.’
‘Waarom jij geen kindertjes krijgen?’ vraagt ze me plompverloren.
Ik kijk haar van opzij aan, en lach haar vriendelijk toe. ‘Nou, ik heb niet echt de behoefte. Druk met m’n werk, en m’n man hoeft ook niet zo zeer… Ik vind ’t eigenlijk wel prima zo.’
Ze lacht me lief toe, maar haar blik verraad onbegrip. Ze snapt onze bewuste keuze om geen kinderen te nemen vast niet. Opnieuw vertraag ik mijn tred.
‘Ik niet begrijpen, jij zó lieve man hebben, dan jij ook krijgen heel lieve kindertjes.’
Ik schiet in de lach. Onbeholpen grinnikt ze met me mee. Inderdaad, ik heb een schat van een man in huis rondlopen.
‘Vijf minuten je ogen dicht, dan is lief kindertje gemaakt.’ Ze giechelt en knippert met haar ogen.
Tja, wat moet ik daar nu op zeggen? Gelukkig staan we nu voor de supermarkt, en lopen samen naar binnen. We pakken ieder een winkelwagentje uit de rij en draaien daarmee het hek door. Dan zeg ik haar gedag, en terwijl ik een paar levensmiddelen aan het inladen ben, dringt de strekking van de vijf minuten je ogen dicht! pas tot me door. Wat een triestheid borrelt er, als moerasgas, uit díe vijf woorden naar boven.
Telkens als ik nu mijn buurman van tweehoog in het trappenhuis tegenkom, denk ik aan haar vijf minuten de ogen dichtdoen en voel ik oprechte compassie met mijn buurvrouw.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 206, 29 maart 2019
en Oost-online.

Een bankstel kost u 15 euro

Onalledaags


Al enkele weken orden ik samen met mijn zus het leven van onze ouders. Hun etage in Nieuw-Zuid vormt een pakhuis in tijd. De ouderlijke woning, maar vooral de zolder, is tot de nok toe gevuld met ons verleden. Het is onvoorstelbaar wat we daar tegenkomen. Mijn allereerste tekenkrabbels van de kleuterschool, een babytruitje en een mutsje, schoolrapporten en zelfs een haarlok van mijn zus in een aangetast fotoalbum. Nooit hebben we geweten dat ze die al die jaren bewaarden. Nu ze beiden dood zijn kunnen we ze niets meer vragen. Wat zouden ze van onze eerste krabbels hebben gevonden? Waren jullie trots op onze rapportcijfers? En wat een schattig truitje heeft moeder gebreid.
‘Moet je kijken m’n indianenpak,’ zegt mijn zus, terwijl ze het uit een dekenkist tevoorschijn haalt. Ze houdt een crèmekleurige lap stof voor zich. Er zitten gaten in. De motten hebben als gieren hun prooi bestookt. Het hesje is met verschillende kleuren stof bedekt: het keurige naaiwerk van onze moeder.
‘En hier het hippie-pakje van jou.’
‘Goh, dat ze dat allemaal bewaard hebben.’ Ondertussen trek ik een laatje open met jampotjes waarin bouten, schroeven en spijkers een onderkomen hebben gevonden. Ik leeg de inhoud in een emmer vol oud ijzer. Onder de potjes vind ik een smoezelige enveloppe. Ik haal er een zwemdiploma uit die mijn vader in 1932 heeft behaald. Zijn Ausweis uit de Duitse bezetting, met een verbleekte pasfoto en van een stempel voorzien, zit erachter geschoven.
Het huis aan de Maasstraat moeten we aan het eind van de maand leeg opleveren, anders moeten we nog een maand huur ophoesten. Veel tijd hebben we niet meer. Selecteren, de kleine spulletjes met persoonlijke waarde eruit vissen. Een heleboel moet er helaas weg. We kunnen niet alles bewaren daarvoor hebben we beiden een te kleine woning. Een opkoper heeft zelfs enkele meubelstukken laten staan, hij zag daar zelfs geen handel in. Dat moet dus naar het grofvuil op straat.
Ik bel stadsdeel Zuid en krijg na doorverbinding Stadsreiniging aan de lijn.
‘Op welke dag wordt het grof huisvuil opgehaald?’
‘Op maandagochtend meneer, maar u mag ’t pas vanaf zes uur ’s ochtends buitenzetten en niet na achten, want anders zijn ze misschien al langs geweest.’
‘Maar ik woon daar niet. M’n ouders woonden daar. Ze zijn overleden en ik ruim hun huis leeg.’
‘Meneer, we komen ’t alleen gratis ophalen als u zich aan de tijden houdt. Doet u dat niet dan rekenen we u vijftien euro per halve kuub. Zo simpel is ’t.’
‘Hoeveel is een halve kuub dan wel niet?’
‘Zo ongeveer ’n bankstelletje meneer.’
Moet ik daarvoor zo vroeg uit mijn bed en naar Nieuw-Zuid fietsen om alleen het grof huisvuil buiten te zetten. Ik lijk wel gek. En m’n zus is ook geen optie, want die woont buiten de stad.
‘Maar ik woon in Oost en daar halen ze het vaker op, en het is hier ook gewoon grátis.’
‘Tja meneer, dat is Oost en dáár woont alleen maar gajes. Hier leven we in Zuid. En daar houden we er strikte regels op na, niet waar. En de gemeentelijke handhavers houden het hier ook zeer goed in de gaten, dus u bent een gewaarschuwd man. Goeiemorgen.’
Er zit weer een dag ontruimen op. Beneden trek ik de deur in het slot, en we nemen afscheid van elkaar. Vandaag hebben we weer een deel van ons wederzijds verleden in vuilniszakken gepropt, en het grofvuil zetten we nog maar niet aan de straat: het wachten is tot het maandagochtend vroeg…

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 205, 8 februari 2019
en Oost-online.

Rollade in de aanbieding

Onalledaags


Aanhoudend geklepper van het kattenluik maakt me nieuwsgierig. Verdedigt Joris, mijn kat, zijn toegangspoort? Het is daar vaker een strijd op leven en dood. Een homp vlees priemt deels door het luikje. Ditmaal geen rivaliserende kat, maar een rollade die de strijd met het deurtje aangaat. Ik kijk door de ruit van de keukendeur en zie mijn zwarte kat hemel en aarde bewegen om zijn zojuist gevangen prooi naar binnen te werken. Wat een gevaarte hangt er aan zijn bek; zijn tanden heeft hij in het netje gezet. Waar heeft hij die nou weer vandaan? Hopelijk niet bij mijn naaste buren waarmee ik in een onoplosbare vete verkeer.
Ik verlos Joris uit zijn worsteling door de deur te openen. Trots komt hij met zijn buit naar binnen gestrompeld waarbij hij zichzelf moeizaam in evenwicht probeert te houden. Het gevaarte helt als een zinkend schip naar bakboordzijde en sleept over de vloer. Ik pak het beet; zijn scherpe tandjes blijven in de touwtjes steken. Ik wrik het los waarbij hij me verongelijkt aankijkt.
Even later rinkelt de voordeurbel. De oude dame van twee huizen verder staat voor mijn neus.
‘Uw kat heeft mijn rollade uit m’n juspan gepikt. Ik zag ’m nog net over de schutting verdwijnen,’ zegt ze verontwaardigd.
‘Hoe is het mogelijk buurvrouw? Maar inderdaad hij kwam er zojuist mee naar binnen gewandeld. Ik vroeg me al af hoe-ie eraan was gekomen?’
Volgens haar was mijn kat door het openstaande raam naar binnen geklommen, op het aanrecht gesprongen, om vervolgens de rollade uit de pan te vissen, en met het gevaarte naar buiten te klauteren. Dit allemaal terwijl mijn buurvrouw even van het toilet gebruik maakte, zoals ze dat zo plechtig zei. Voor mijn kat was het pure pech dat ze hem bij het beklimmen van de schutting betrapte.
Gelukkig is het niet mijn naaste buurman waar Joris de boel op stelten heeft gezet, want met hem zou het volgende probleem zich hebben aangediend.
‘Ik zal u de rollade vergoeden buurvrouw, of beter ik loop even naar de slager om een nieuwe voor u te kopen?’
‘Nou dat zou wel erg fijn zijn buurman, dan hoef ik er niet opuit. Het is me er trouwens wel eentje die kat van u. ’t Is me nogal een gesjouw met zo’n rollade, en dan nog over die schuttingen’ zegt ze lachend.
‘Maar natuurlijk, ik ga er direct één voor u halen.’ Ik ben reuze blij dat ze het zo luchtig opvat. Had ik haar maar als naaste buurvrouw in plaats van die chagrijnige.
Bij de slager koop ik een nieuwe, en daarna loop ik nog even langs de slijter om voor haar een flesje advocaat te halen. Dat is vast wel iets waar ze van houdt.
Ik overhandig haar de rollade en de advocaat. ‘Nog wat lekkers voor de schrik buurvrouw. Laat het u smaken.’
‘Ach buurman wat lief van u, dat had u écht niet hoeven doen hoor. Maar dit is wel wat ik erg lekker vindt. Dank u wel hoor.’
’s Avonds snijd ik wat vlees van de rollade af en geef het Joris. Hij smult ervan en zijn bakje is in een mum van tijd leeg. Hij kijkt me vervolgens veelbelovend aan, geeft me kopjes en smeekt daarmee om meer.
‘Het is wel goed geweest Joris. Het was me het dagje wel met jou ouwe snaaier. Met deze rollade heb je meer dan een week eten voor jezelf binnen gehaald,’ zeg ik smuikend tegen hem.
Hij kijkt me zeer onschuldig aan, en miauwt nog maar eens om meer.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 204, 15 december 2018
en Oost-online.

Drankkegelbode (het vervolg)

Onalledaags

Roos2

De drankkegelbode is nu een vrouw, deze is echter broodnuchter. Ze ziet er veel imponerender uit dan degene die een maand geleden bij me aan de deur stond, maar ook veel bedreigender. Ze heeft nogal wat zwaar materiaal aan haar heupen gegespt, waaronder een vuurwapen en verder wat ondefinieerbare gereedschappen om je vakkundig te vloeren.
Maar voordat ik bij haar aan de balie sta, moet ik mijn jas afgeven. Die komt op een lopende band terecht en wordt, zoals gebruikelijk op luchthavens, gescand. Zelf moet ik door een detectiepoort – en alsof dat niet genoeg is – moet een man me ook nog eens handmatig betasten.
‘De volgende keer als u komt graag uw jas in een bak gooien, anders blijft-ie in de scanner hangen,’ zegt de in uniform gestoken man.
‘Nou, ik hoop hier niet nog een keertje te komen.’
De man lacht schaapachtig, en laat me door.
In een kale betonnen ruimte zitten een aantal wachtenden. Verdachten, net als ik, maar ze zien er écht als verdachten uit. Van die lui die je ’s avonds liever niet tegen het lijf loopt. Met ongeschoren koppen, slonzig gekleed zitten ze wat voor zich uit te staren, of te scrollen op hun smartphone. Bij een van hen gaat de telefoon: ze wisselen wat uit in een Slavisch klinkende taal.
Ondertussen tikt de klok door, de wachttijd loopt flink op. Ik loop naar de balie waar de gerechtsbode kauwend op kauwgum zit te scrollen op haar telefoon.
‘Nog twee mensen voor u.’
Ik haal nog maar een kop koffie.
‘Meneer Langeveld u kunt met me meekomen.’ Samen lopen we naar de deur van de gerechtszaal.
Het is een omvangrijke zaal met een verzameling lege stoelen. Voorin zitten drie personen, twee vrouwen en een man ieder achter een beeldscherm.
Ik moet direct gaan staan voor de reling van het beklaagdenbankje. De vrouwelijke rechter noemt mijn naam die op een lijst staat, maar kan het dossier niet zo snel in haar computer vinden. Ze aarzelt wat, rommelt en vindt dan toch de gegevens.
Ze somt de feiten op. Dat ik ben aangehouden omdat ik niet aan mijn plicht voldeed mijn hond aan te lijnen. Verder haalt ze mijn schriftelijk verweer aan, waarin ik meld dat mijn hond volledig onder appèl staat en daarmee geestelijk aangelijnd is.
Ze kent het woord onder appèl staan niet, en vraagt me wat dit precies inhoudt? Ik vind dit vreemd, maar leg het haar uit: ‘Het heeft me heel veel tijd en energie gekost om dit voor elkaar te krijgen. Er is heel wat vallen en opstaan aan voorafgegaan. Op dat soort mensen, die daar zoveel tijd in investeren, zou de samenleving juist trots op moeten zijn, in plaats van die persoon af te straffen met een geldboete!’
Hierop heeft ze geen antwoord. Ze kijkt van me weg en verstopt zich even achter haar beeldscherm.
‘Maar u bent volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) verplicht uw hond aan te lijnen. Loopt u nu nog steeds los met uw hond over straat?’
‘Ja,’ zeg ik heel eerlijk.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Dus u loopt al die tijd, het is inmiddels alweer 2,5 jaar geleden dat u werd bekeurd, met uw hond onaangelijnd. Heeft u dan niet meer bekeuringen gehad?’
‘Nee.’ Ik besef dat ik deze zaak ga verliezen. Mijn antwoord was te eerlijk, en daar word ik nu op afgerekend. Ik moet het over een andere boeg gooien, anders verlies ik dit en ik wil voor mij en Roos de vrijheid!
‘Ik zal het u sterker vertellen: ik word soms ook door agenten aangesproken, maar ik laat hen dan zien hoe goed mijn hond alle commando’s opvolgt en dan geven ze me complimenten. En mag ik een aanvulling geven op de persoon die mij bekeurd heeft: hij heeft me bijna een jaar lang moedwillig achtervolgd om me op heterdaad te betrappen.’
‘Ah, hij heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt,’ zegt ze geïnteresseerd.
Ik moet hier op doorgaan, dit snijdt hout.
‘Ja, de man is inmiddels uit zijn functie gezet vanwege intimiderend gedrag.’
‘Heeft u een klacht over hem ingediend?’
‘Nee, maar er zijn wel veel klachten over hem binnengekomen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Van een vrouw, zij werkt bij Handhaving. Ik ken haar, ze heeft ook een hond.’

Het woord is nu aan de officier. Ze staat op van haar stoel. Het is een keurige dame, stijfjes, zonder enig menselijke uitstraling. Ze is het tegendeel van de rechter, die zeer beminnelijk op me overkomt. Ze doet haar zegje wat neerkomt op: regels zijn regels. Ofwel: het bekende riedeltje van de gezagdrager in functie. Verder heeft ze notie genomen van mijn verweer, maar vindt ze uit veiligheid voor de openbare orde dat ik mijn hond moet aanlijnen, want een hond kun je nooit voor honderd procent vertrouwen. Ze blijft bij haar eis dat ik de bekeuring moet betalen. Ze weet even niet om welk bedrag het gaat, en zoekt dit in haar computer op.
‘Heeft u hier nog iets aan toe te voegen?’ vraagt de rechter aan mij.
‘Ik ben het volledig eens met de officier dat je een hond nooit voor honderd procent kunt vertrouwen. Ik lijn m’n hond ook altijd aan bij het oversteken van drukke wegen en bij situaties die ik als gevaarlijk inschat. En overigens dat onaangelijnd lopen doe ik niet zomaar: als ik m’n hond niet voor driehonderd procent zou vertrouwen dan zou ik nooit los met haar lopen. Ze is m’n grootste liefde en bezit, dat wil ik niet zomaar kwijtraken onder een auto!’
De rechter knikt instemmend, en vraagt me naar mijn beroep.
‘Ik ben tekstschrijver en redacteur én ik schrijf gedichten. Binnenkort komt m’n dichtbundel uit.’
Ze kijkt zeer belangstellend. ‘En u heeft ook nog geen strafblad zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Dan kom ik nu tot een uitspraak. Ik wijk af van de eis van de officier. Ik leg u een voorwaardelijke straf op, dat betekent dat u deze boete niet hoeft te betalen, maar als u binnen twee jaar toch weer wordt bekeurd voor deze overtreding dan moet u deze alsnog betalen. Begrijpt u?’
‘Begrepen, en bedankt daarvoor.’
‘Dat was het, ik wens u een fijne dag.’
‘Jullie een fijn weekend, antwoord ik, en loop de lange zaal uit naar de uitgang.
Langzaam dringt de overwinning bij me door als ik de trappen af loop op weg naar de buitenlucht. Ik heb het gevoel dat de rechter me ongrijpbaar vond. Zoiets van het heeft geen zin deze man te bekeuren: hij blijft toch met z’n hond loslopen. Dat heeft ze dan volledig bij het rechte eind.
Het voelt heel goed: ik ben eerlijk geweest door te zeggen dat ik nog steeds met Roos losloop. Dat is onze gezamenlijke vrijheid en die heb ik voor ons beiden bevochten. En ik heb een persoonlijke overwinning behaalt op die irritante handhaver die me bijna een jaar moedwillig heeft gestalkt!

Voor wat eraan voorafging klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

Even terug in de tijd

Onalledaags

Het jublileumnummer van Dwars door de Buurt staat in het teken van verleden, heden en toekomst. In deze ‘Onalledaags’ grijp ik terug naar het verleden met enkele stukjes die ik halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef. Nog in een schrift vastgelegd in een tijd dat er nog geen computer was. Ik kwam toen als student Nederlands in de Transvaalbuurt wonen.

Opnieuw verhuizen?

Sinds gisteren hebben we de sleutel gekregen van een benedenwoning in de Transvaalbuurt. Het is een oude woning die we flink aan het opknappen zijn.
‘Even uitrusten?’ oppert m’n vriendin.
We nemen plaats in de tuin, draaien ieder een shaggie.
Aan de overkant op eenhoog staat een vrouw voor het raam te kijken. Ze draagt een vale bloemetjesjurk. Haar zwarte haren heeft ze vol zitten met gekleurde krulspelden. Met moeite schuift ze het raam omhoog en steekt haar hoofd naar buiten.
‘Gaan jullie óók verhuize?’
‘We hebben net de sleutel van deze woning gekregen mevrouw.’
Ze fronst haar wenkbrauwen. Haar gezicht is zwaar opgemaakt.
‘O, ik mot d’r uit. Renovasie. Motten die woninge niet gesloopt worde dan?’
Ik schat haar een jaar of vijftig. ‘Voorlopig wordt hier nog niet gerenoveerd mevrouw.’
Haar gezicht ziet er doorleefd uit. Zelfs de make-up kan het niet langer verbloemen.
‘Nou, ik ben blij dat ’k weg ken. Met al die Turke en Marokkane. Dat eten stink zó.’
Haar gezicht vertrekt daarbij in een grimas.
‘Wij vinden het hier juist een leuke buurt, veel verschillende nationaliteiten.’
Terwijl ik de buurt aan het aanprijzen ben, besef ik dat het weinig zin heeft. Haar houding verraadt dat ze niet in mijn verhaal geïnteresseerd is. Ze schuift het raam met moeite naar beneden en loopt er hoofdschuddend van weg.
Dit is vast een ouwe, verstokte Transvaalbewoonster?

Vliegeren?

Het is aan het eind van de ochtend al tamelijk heet in de tuin. In de schaduw van de lindeboom drink ik een bak zwarte koffie. Op driehoog in de hoek van het binnenterrein speelt zich een amusant tafereel af. Vanaf het balkon probeert een kind van een jaar of negen een papieren vogel op te laten. Zijn speelterrein is tot pakweg één bij vier meter beperkt. De vlieger bengelt aan een stuk touw voor het raam van de benedenburen. Beteuterd kijkt hij naar het grote klos touw en de bruine arend onder hem. Hoe krijg ik dat ding daar boven aan de hemel, zie ik hem denken. Dat heeft hij ongetwijfeld weleens op de televisie gezien.
Na een halfuurtje van afwikkelen en opwinden van het klos touw en daarbij de vlieger van begane grond tot driehoog heen en weer te hebben laten gaan, gooit de jongen het probleemgeval naast zich neer. Hij trekt z’n rollerskates met ‘turbo-geluid’ aan en manoeuvreert heen en weer over het met wasgoed vol gehangen balkon. Het ‘turbo-geweld’ weerkaatst tussen de vier opstaande gevels van het binnenterrein.
Enkele minuten later trapt hij de skates uit en smijt er één over de balkonrand. Beneden sneuvelt een ruit. Hij trekt aan de keukendeur, maar die geeft niet mee. Hij schreeuwt en krijst. Niemand reageert. Van angst trapt hij tegen de keukendeur en tegen de metalen vuilnisbak. Het haalt niets uit. De deur blijft gesloten. Dan kruipt hij in een hoek ineen en huilt hartverscheurend.

Een pak Douwe Egberts

Samen lopen we naar de buurtsuper van Joop. Helaas verbiedt een gebodsbordje Elsa de toegang tot het pand. Ik laat haar achter maar weet dat ze de zaak toch binnendringt. Ze hoeft maar voor de elektronische verklikker te gaan staan en de deur opent zich vanzelf.
Het is druk in de zaak; de kassa’s zijn weer eens onderbezet.
En er is vanmiddag ook weer eens consternatie: een agent slaat een vrouw in de boeien en voert haar af. Haar prooi: een pak Douwe Egberts. Joop heeft zijn ogen niet in zijn zak zitten en menigeen verliest bij hem het graaispel.
Inmiddels sjokt Elsa naast me mee. Gelukkig kent Joop haar.
‘Ze wordt al oud maar blijft ondeugend,’ zegt hij lachend.
‘Ja, ze houdt van gewoontes,’ voeg ik er onnodig aan toe.
Daarmee is de kous als gewoonlijk afgedaan en mag Elsa het laatste gedeelte wachtend in de rij met me doorbrengen.
Bij het afrekenen, blijk ik niet over de nodige duiten te beschikken. Ik pak een paar artikelen die ik toch niet écht nodig heb en geef ze aan het kassameisje. Dit overkomt me net iets te vaak!
Elsa sloft achter me aan naar huis. Ik hoef niet achterom te kijken, het tikken van haar nagels op het trottoir geeft haar positie nauwgezet aan. En zelfstandig oversteken kan ze al jaren!

SVP aanbieden in gesloten zak

De in sjofel pak gestoken man, van naar ik schat een jaar of vijftig, klimt met beide voeten op een fiets die tegen een container aanstaat. Hij duwt de deksel open en steekt zijn ongeschoren kop naar binnen. De inhoud van de groene container komt volgens het er slordig opgespoten opschrift: ‘ten goede aan hulpbehoefenden (met een f) in de Derde Wereld, ook voor Roemenië.’ Dit aldus de mij onbekende stichting Kici.
Met twee vuilniszakken kledij in mijn hand sta ik naast de container te wachten. Ongestoord blijft de man de inhoud inspecteren. Voorbijgangers kijken maar besteden er niet lang aandacht aan.
‘Zullen we ’m d’r maar ingooien?’ zeg ik net iets te hard tegen mijn vriendin.
De verlopen kop komt naar buiten. Met een verwilderde blik in zijn ogen staart hij me aan. Dan waggelt-ie weg, werpt nog even een stuurse blik naar achter en verdwijnt om de hoek.

‘Ik mot ook dood’

Vandaag is het een hete dag. Ik loop de deur uit naar buiten. De hitte slaat me flink in het gezicht. Mijn trouwe viervoeter slentert achter me aan, de warmte overvalt ook Elsa want ze sukkelt meer dan ooit. Haar zwarte vacht is in de felle zon een ondraaglijke last, en samen eisen we de schaarse schaduw op.
Op de hoek van de straat houdt een vrouw ons staande. Ze staat op afgetrapte pantoffels en draagt een tot op de draad versleten winterjas. Ze stinkt zodanig dat ik er misselijk van word.
‘Hoe oud is-tie hond?’
‘Ze is elf,’ zeg ik trots.
‘Elf maande.’
‘Nee mevrouw, zo jong ziet ze d’r toch niet meer uit!’
‘Is ’t een wijffie? Ik hed ook ’n hondje’, maar nou is-ie dood. Ik mot ook dood,’ klaagt ze en strompelt door.

Sultan de sul

De zon schijnt fel. De hitte van de vorige dag hangt nog in het huis. Ik loop de tuin in, maar daar is het nog heter. Op tweehoog aan de overkant blaft een hond. Elke keer als de hond een kat ziet, blaft hij de longen uit zijn lijf. Het lijkt erop alsof zijn leven ervan afhangt. Elke dag hetzelfde treurige tafereel. Steeds weer katten die hij moet verdrijven. Wat een vermoeiende levenstaak heeft hij op zijn schouders genomen. Helaas trekt de doorgewinterde huiskat zich niets van deze grote herdershond aan. Die bevindt zich toch veilig achter tralies ergens ver boven hen.
De hond, Sultan noemen ze hem, zit opgesloten op een balkonnetje van één bij vier meter vanwaar hij dagelijks zicht heeft op de tuinen in het omsloten huizenblok. Met uitzondering van de twee keer per dag dat hij het balkon mag verlaten voor een ‘blokje om’, waar hij zijn drol ergens pontificaal midden op de stoep kan deponeren. Het enige vertier voor de hond vormen de stuk of twintig katten die het blok rijk is. Elke keer trapt Sultan er weer in. Zijn balkonnetje verdedigt hij met man en macht; er zou toch eens een kat bij hem op het balkon komen… Zelfs met deze hitte houdt Sultan het niet voor gezien.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 200, 18 mei 2018
en Oost-online.

Wij bellen u

Onalledaags


‘Heeft u toevallig uw cv bij u?’ vraagt ze me beleefd.
‘Nee, die heb ik niet bij me.’
‘En een legitimatiebewijs?’
‘Ja, dat wel.’
‘Vult u dit formulier zo volledig mogelijk in. Als u daarmee klaar bent dan komt u weer bij mij,’ zegt ze vriendelijk.
Afgezonderd in een hoek van een grote ruimte, achter een met beige linnen beplakt schot, beantwoord ik trouw de vele vragen. Enkele malen rinkelt er een telefoon. Dan neemt iemand hem op. Mijn ogen blijven steken bij ‘schoenmaat’. Een vreemde vraag. Wat voor een relevante informatie weken ze hier los uit de lengte van de voet? Zou ik met maat 46 de bedrijfsschoenen niet vergoed krijgen? Die vraag sla ik over. Bij het onderdeel ‘werkervaringen’ blijf ik opnieuw steken. Er is te weinig ruimte om al mijn ‘ervaringen’ te verwoorden. Die ruimte houd ik open. De vriendelijke dame mag dat straks voor me invullen.
Even later loopt ze het formulier nauwkeurig door en vult de opengelaten delen vragend op.
‘Wat is uw typesnelheid?’
‘Tja, meer dan gemiddeld. Weliswaar typ ik maar met drie vingers. Maar toch ik zou zeggen een redelijk hoge snelheid.’
‘Zonder typediploma noteer ik hier geen typesnelheid,’ zegt ze kordaat.
‘U heeft níets ingevuld bij werkervaringen,’ klinkt het wat kregelig.
‘Tja, dat is teveel om op te noemen. Laat ik het beperken tot het niveau waarnaar ik solliciteer.’
‘Waarom wilt u deze baan eigenlijk?’
Ik leg haar uit dat het voor mij prettig is om naast de onregelmatige inkomsten, die ik al schrijvende vergaar, een vast inkomen te hebben waarmee ik bijvoorbeeld mijn huur kan betalen.
Ze knikt. ‘Omschrijft u eens uw positieve en negatieve karaktereigenschappen,’ vraagt ze me nu.
Zo langzamerhand ben ik hier in een diepgaande sollicitatieprocedure verzeild geraakt. Wat ze tegenwoordig niet allemaal van je verwachten. Zelfs voor de meest eenvoudige banen passen ze een sterkte/zwakte-analyse op je toe.
Keurig noteert ze mijn verhaal.
Aan het einde van het gesprek belooft ze me stellig de volgende dag te bellen, en drukt me een brochure in de hand. Ze zal contact opnemen met het bedrijf waarvoor ik zal gaan werken. Uit haar enthousiaste woorden maak ik op dat ik geschikt ben voor deze baan.
De volgende dag gaat er geen telefoon. Maar de dag erop wel. De vriendelijke dame klinkt een stuk minder vriendelijk. Ze deelt me mee dat voor de postkamer een ander is gevonden. Een werkloze met zeven jaar ervaring. En terecht dat diegene voorrang heeft gekregen.
Ik blader de brochure van het uitzendbureau door en stuit op een markante zin: ‘Wanneer wij een opdracht in behandeling hebben die aansluit op uw opleiding en ervaring, zullen wij contact met u opnemen voor een oriënterend gesprek. U hoeft daarvoor geen contact met ons te onderhouden.’
Inmiddels wacht ik al weer ruim een halfjaar vol spanning af, maar geen telefoontje of mailtje. Bedankt, Trude!

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 199, 30 maart 2018
en Oost-online.

Denk natuur

Onalledaags


Met twee tassen vol boodschappen fiets ik naar huis. Er staat een stevige wind en de regen slaat me in het gezicht. ’t Is herfst op z’n best. Ik kom drijfnat bij mijn huis aan en daar staat een man in mijn portiek te schuilen voor de regen. Hij draagt een opzichtige bontmantel die hij open heeft hangen. Aan zijn nek hangt een ketting met een verzameling relikwieën. Hij groet me vriendelijk, en vraagt of ik van gedichten houd.
‘Ja zeker.’ Tenslotte ben ik zelf dichter.
Uit zijn hoofd declameert hij een prachtig gedicht waarbij hij zijn handen en gezichtsmimiek volledig inzet. Een gemiddelde slamdichter valt daar bij in het niet.
In een mooi ritme draagt hij voor:

Denk natuur en
zeg natuurlijk groen
dier en geur
hun geluid, de lucht
zo lekker ontspannen
als in vrijheid
zonder ’n enkele gedachte
die de geest alleen maar afleid

denk natuur en
zie ochtend
mist van dauw
die langzaam verdampt
naarmate de zon
zich hoger tilt

denk natuur
en fluister
vogels, bomen
in ’n helder blauwe
Hollandse lucht.

Aan het eind van de laatste strofe moet hij lachen, want de regen komt nu met bakken uit de hemel…
‘Wat een prachtig gedicht, mooi hoor. Dankjewel.’
Hij knikt me vriendelijk toe.
Spontaan trek ik mijn portemonnee open en geef hem twee euro.
‘Ik ben de Dakloze Dichter Hilmano van Velzen.’
‘Nou je treft hier ook een dichter aan.’
‘Goh, wat leuk dat we elkaar hierzo treffen,’ lacht hij me toe.
‘Ik heb wat gedichten voor je. Het zijn zes gedichten die geïnspireerd zijn op sculpturen die in het Oosterpark staan.’ Ik geef hem het setje gedichtenkaarten van mijn expositie, die momenteel bij de bibliotheek aan de Linnaeusstraat in de ramen hangt. Toevallig nog op zak van mijn optreden, gisteravond bij Arto Locale in de Meevaart, in de Indische buurt.
‘Dankjewel.’ Voorzichtig maakt hij de enveloppe open en spontaan draagt hij een van m’n gedichten voor:

Ingegraven hoofd

Schokvast in gedachten
zit ik tot aan mijn nek
in de drek

steeds dieper zink ik
weg in dit land
zonder bodem

maar de lach
blijft op
mijn gezicht

want op een dag
sjor ik me omhoog

loop weg zonder gedachten.

‘Wat een mooi gedicht is dat’, zegt hij. ‘Het lijkt wel alsof het over mij gaat. Loop weg zonder gedachten, ja daar gaat het toch om in dit leven. Mooi verwoord! Waar staan die beelden precies? Want die wil ik wel zien.’
‘In het Oosterpark.’ Ik wijs hem naar het park dat tegenover mijn huis ligt.
‘Ga ik zo effe kijken. En we komen elkaar vast nog weleens ergens tegen op een poëziefestival of zo. Ik treed geregeld op. Ik ben nu hartstikke bekend. De poëzie heeft me gered.’ Op zijn gezicht verschijnt een vette glimlach.
Met een flinke handdruk nemen we afscheid, en hij stevent op het Oosterpark af.
Wat een bijzondere ontmoeting met de Dakloze Dichter in mijn portiek, schuilend voor de regen.
Later die middag vind ik op internet een artikel in NRC Handelsblad: ‘Hilmano van Velzen (50) heeft een stem. Een zalvend instrument is het, warm en zacht als een deken. Hij leeft op straat. Maar hij is óók dichter, en met hem gaat het beter dan ooit. “Ik ben ontdekt.” grijnst hij. “De mensen worden gek.”’
Na 30 jaar stelen en bedelen heeft Hilmano z’n ware talent ontdekt in de poëzie: geweldig!

Zie de reportage De Dakloze dichter in NRC Handelsblad, 6 januari 2017.

Hier zijn twee voordrachten van Hilmano, waaronder het gedicht dat hij mij voordroeg.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 197, 15 december 2017
en Oost-online.

Uit het straatbeeld weggenomen

Onalledaags

Uit-het-straatbeeld-weggenomen

Ik sta voor het raam en kijk naar de langsdwarrelende sneeuwvlokken. Sommige zweven even voor me omhoog om vervolgens voorgoed in de massa op te gaan. En terwijl ik het vrolijke spel van de vlokken aanschouw, dringt het tot me door dat ik haar al dagen niet heb gezien. Omaatje met haar blauwe hoedje. Driemaal daags schrijdt ze met haar wandelstok en haar hondje over het plein.
Ik denk terug aan de spekgladde stoepen van enkele winters geleden. Op goed geluk bel ik bij omaatje aan. Het duurt even voordat ik het koord hoor schuiven en de deur met een klik openvalt. Een vrouwenstem vraagt me wie ik ben.
‘Komt u maar boven,’ roept ze, nadat ik heb verteld wie ik ben, en dat ik haar hondje wel wil uitlaten.
Het licht springt aan. De loper op de trap vertoont slijtageplekken en zit nog maar op enkele plaatsen met roeden vast.
‘Komt het u niet al te ongelegen?’ vraagt ze.
‘Wel nee, het is voor mij een kleine moeite, en het is erg glad buiten.’
‘Dat vind ik reuze fijn van u.’
Buitengekomen glibbert Shirley achter me aan. Het onberispelijk opgevoede hondje blijft op de stoep doorglibberen terwijl ik het bevroren gras verkies dat minder glad aanvoelt. Halverwege het plein draait Shirley zich resoluut om. Het koord rolt uit en ik schuifel achter haar aan terug naar haar huis.
Omaatje is verbaasd over het gemak waarmee ik de eigenwijze Shirley mee naar buiten heb gekregen. Ze nodigt me uit voor een kopje thee.
De woonkamer is schaars verlicht. In de hoek staat een altaar met een twinkelend waxinekaarsje in een rood glaasje. Erboven hangt een portret van Jezus met blonde haren, in zilver omlijst. Naast het altaar een Mariabeeld dat me lief toelacht. Een kerkorgel met koperen pijpen staat tegen de muur. De witte en zwarte toetsen glimmen sterk.
‘Mijn man was orgelbouwer. Dit orgel komt uit een kerkje dat gesloopt werd. Dat vond mijn man zonde en nam het orgel maar mee naar huis.’
‘Dat u aanbelde om mijn hondje uit te laten, beschouw ik als een wonder.’ Haar stem klinkt helder, niet aangetast door de tijd.
‘Ach, het is toch veel te glad voor u. Ik had u nog niet met uw hondje zien lopen, en dacht ik bel gewoon aan.’
‘Nu ja, normaal gesproken doe ik niet open, maar zo net in ’t nieuwe jaar dacht ik dat u misschien m’n zoon zou kunnen zijn…’ Haar stem slaat over. ‘Hij heeft al bijna zeven jaar niets meer van zich laten horen.’
Ze schenkt een kopje thee in en praat in rap tempo door.
‘Daar zat m’n man…’ Ze wijst met haar geplooide hand naar de eettafel in de achter-
kamer. ‘… de boekhouding te doen en zakte ineens in elkaar. Hartstilstand. Mijn zoon en ik zaten hier in de voorkamer toen het gebeurde…’
Ze vertelt dit zonder een spoor van emotie. Het gebeurde jaren geleden toen ze zeventig was, nu is ze negenentachtig.
Gedurende de eerste week van het nieuwe jaar laat ik trouw haar hondje uit tot het moment dat de dooi intreedt. Ik beloof haar spoedig weer eens te bezoeken, maar daar is het nooit meer van gekomen.
Nu, enkele jaren later, ga ik net als toen naar haar toe. Ik druk op de bel, de deur springt open.
‘Wie is daar?’ vraagt een mannenstem ergens boven in het trappenhuis.
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘O, sorry, ik vroeg me af hoe het met de oude mevrouw is. Is alles goed met haar?’
Even is het stil.
‘Mijn moeder is vorige week overleden,’ klinkt het nors.
Ik slik, condoleer hem en wens hem sterkte.
Hij mompelt wat. Dan trek ik de benedendeur dicht.
Later die middag sneeuwt het, en zie ik het altaar, het Mariabeeld en het kerkorgel in een vrachtwagen gaan. Het omaatje met haar hoedje en haar hondje zijn voorgoed uit het straatbeeld verdwenen.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 170, januari 2014
en Oost-online.