Drankkegelbode (het vervolg)

Onalledaags

Roos2

De drankkegelbode is nu een vrouw, deze is echter broodnuchter. Ze ziet er veel imponerender uit dan degene die een maand geleden bij me aan de deur stond, maar ook veel bedreigender. Ze heeft nogal wat zwaar materiaal aan haar heupen gegespt, waaronder een vuurwapen en verder wat ondefinieerbare gereedschappen om je vakkundig te vloeren.
Maar voordat ik bij haar aan de balie sta, moet ik mijn jas afgeven. Die komt op een lopende band terecht en wordt, zoals gebruikelijk op luchthavens, gescand. Zelf moet ik door een detectiepoort – en alsof dat niet genoeg is – moet een man me ook nog eens handmatig betasten.
‘De volgende keer als u komt graag uw jas in een bak gooien, anders blijft-ie in de scanner hangen,’ zegt de in uniform gestoken man.
‘Nou, ik hoop hier niet nog een keertje te komen.’
De man lacht schaapachtig, en laat me door.
In een kale betonnen ruimte zitten een aantal wachtenden. Verdachten, net als ik, maar ze zien er écht als verdachten uit. Van die lui die je ’s avonds liever niet tegen het lijf loopt. Met ongeschoren koppen, slonzig gekleed zitten ze wat voor zich uit te staren, of te scrollen op hun smartphone. Bij een van hen gaat de telefoon: ze wisselen wat uit in een Slavisch klinkende taal.
Ondertussen tikt de klok door, de wachttijd loopt flink op. Ik loop naar de balie waar de gerechtsbode kauwend op kauwgum zit te scrollen op haar telefoon.
‘Nog twee mensen voor u.’
Ik haal nog maar een kop koffie.
‘Meneer Langeveld u kunt met me meekomen.’ Samen lopen we naar de deur van de gerechtszaal.
Het is een omvangrijke zaal met een verzameling lege stoelen. Voorin zitten drie personen, twee vrouwen en een man ieder achter een beeldscherm.
Ik moet direct gaan staan voor de reling van het beklaagdenbankje. De vrouwelijke rechter noemt mijn naam die op een lijst staat, maar kan het dossier niet zo snel in haar computer vinden. Ze aarzelt wat, rommelt en vindt dan toch de gegevens.
Ze somt de feiten op. Dat ik ben aangehouden omdat ik niet aan mijn plicht voldeed mijn hond aan te lijnen. Verder haalt ze mijn schriftelijk verweer aan, waarin ik meld dat mijn hond volledig onder appèl staat en daarmee geestelijk aangelijnd is.
Ze kent het woord onder appèl staan niet, en vraagt me wat dit precies inhoudt? Ik vind dit vreemd, maar leg het haar uit: ‘Het heeft me heel veel tijd en energie gekost om dit voor elkaar te krijgen. Er is heel wat vallen en opstaan aan voorafgegaan. Op dat soort mensen, die daar zoveel tijd in investeren, zou de samenleving juist trots op moeten zijn, in plaats van die persoon af te straffen met een geldboete!’
Hierop heeft ze geen antwoord. Ze kijkt van me weg en verstopt zich even achter haar beeldscherm.
‘Maar u bent volgens de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) verplicht uw hond aan te lijnen. Loopt u nu nog steeds los met uw hond over straat?’
‘Ja,’ zeg ik heel eerlijk.
Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Dus u loopt al die tijd, het is inmiddels alweer 2,5 jaar geleden dat u werd bekeurd, met uw hond onaangelijnd. Heeft u dan niet meer bekeuringen gehad?’
‘Nee.’ Ik besef dat ik deze zaak ga verliezen. Mijn antwoord was te eerlijk, en daar word ik nu op afgerekend. Ik moet het over een andere boeg gooien, anders verlies ik dit en ik wil voor mij en Roos de vrijheid!
‘Ik zal het u sterker vertellen: ik word soms ook door agenten aangesproken, maar ik laat hen dan zien hoe goed mijn hond alle commando’s opvolgt en dan geven ze me complimenten. En mag ik een aanvulling geven op de persoon die mij bekeurd heeft: hij heeft me bijna een jaar lang moedwillig achtervolgd om me op heterdaad te betrappen.’
‘Ah, hij heeft er een persoonlijke zaak van gemaakt,’ zegt ze geïnteresseerd.
Ik moet hier op doorgaan, dit snijdt hout.
‘Ja, de man is inmiddels uit zijn functie gezet vanwege intimiderend gedrag.’
‘Heeft u een klacht over hem ingediend?’
‘Nee, maar er zijn wel veel klachten over hem binnengekomen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Van een vrouw, zij werkt bij Handhaving. Ik ken haar, ze heeft ook een hond.’

Het woord is nu aan de officier. Ze staat op van haar stoel. Het is een keurige dame, stijfjes, zonder enig menselijke uitstraling. Ze is het tegendeel van de rechter, die zeer beminnelijk op me overkomt. Ze doet haar zegje wat neerkomt op: regels zijn regels. Ofwel: het bekende riedeltje van de gezagdrager in functie. Verder heeft ze notie genomen van mijn verweer, maar vindt ze uit veiligheid voor de openbare orde dat ik mijn hond moet aanlijnen, want een hond kun je nooit voor honderd procent vertrouwen. Ze blijft bij haar eis dat ik de bekeuring moet betalen. Ze weet even niet om welk bedrag het gaat, en zoekt dit in haar computer op.
‘Heeft u hier nog iets aan toe te voegen?’ vraagt de rechter aan mij.
‘Ik ben het volledig eens met de officier dat je een hond nooit voor honderd procent kunt vertrouwen. Ik lijn m’n hond ook altijd aan bij het oversteken van drukke wegen en bij situaties die ik als gevaarlijk inschat. En overigens dat onaangelijnd lopen doe ik niet zomaar: als ik m’n hond niet voor driehonderd procent zou vertrouwen dan zou ik nooit los met haar lopen. Ze is m’n grootste liefde en bezit, dat wil ik niet zomaar kwijtraken onder een auto!’
De rechter knikt instemmend, en vraagt me naar mijn beroep.
‘Ik ben tekstschrijver en redacteur én ik schrijf gedichten. Binnenkort komt m’n dichtbundel uit.’
Ze kijkt zeer belangstellend. ‘En u heeft ook nog geen strafblad zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Dan kom ik nu tot een uitspraak. Ik wijk af van de eis van de officier. Ik leg u een voorwaardelijke straf op, dat betekent dat u deze boete niet hoeft te betalen, maar als u binnen twee jaar toch weer wordt bekeurd voor deze overtreding dan moet u deze alsnog betalen. Begrijpt u?’
‘Begrepen, en bedankt daarvoor.’
‘Dat was het, ik wens u een fijne dag.’
‘Jullie een fijn weekend, antwoord ik, en loop de lange zaal uit naar de uitgang.
Langzaam dringt de overwinning bij me door als ik de trappen af loop op weg naar de buitenlucht. Ik heb het gevoel dat de rechter me ongrijpbaar vond. Zoiets van het heeft geen zin deze man te bekeuren: hij blijft toch met z’n hond loslopen. Dat heeft ze dan volledig bij het rechte eind.
Het voelt heel goed: ik ben eerlijk geweest door te zeggen dat ik nog steeds met Roos losloop. Dat is onze gezamenlijke vrijheid en die heb ik voor ons beiden bevochten. En ik heb een persoonlijke overwinning behaalt op die irritante handhaver die me bijna een jaar moedwillig heeft gestalkt!

Voor wat eraan voorafging klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 203, 26 oktober 2018
en Oost-online.

Drankkegelbode

Gerechtsbode

Foto: Candice Storm

De bel gaat, ik vraag via de intercom wie daar is?
‘Gerechtsbode, heb ’n stuk waarvoor getekend mot worde,’ hoor ik iemand mompelen.
Ik loop de trappen af, en bedenk me dat we dan toch bij de rechter op het matje moet komen…
Voor de deur staat een man die ik herken als een alcoholist die vaak dronken in het Oosterpark rondhangt. Hoe kan deze man in godsnaam bode bij de rechtbank zijn?
De man kijkt me schaapachtig aan: ‘Ben u de heer Langeveld?’ Een flinke damp alcohol lift vrolijk met zijn vraag mee.
‘Ja.’
‘En is u voornaam Méland?’
Ik knik instemmend, en ben verbaasd dat hij m’n voornaam juist uitspreekt. Daar wordt in de regel nogal wat mee gehaspeld.
‘Heb ’n gerechtelijk bevel van de rechtbank. Zet u hier naam en handtekening.’ Hij wijst op een vel vol met letters, dat ligt te trillen in zijn hand.
Ik vertrouw dit zaakje toch niet helemaal, want wat moet die zuiplap met mijn gegevens… Maar kennelijk ziet hij mijn vertwijfeling.
‘Ja normaal heb ik ’n uniform an, ’t is me vandaag effe te warm,’ lacht-ie wat dommig.
Ik teken daar waar hij wijst, en zeg tegen hem: ‘Krijg ik dan nu die brief.’ Het komt er nogal dwingend uit, want ik weet me god niet waar ik mijn handtekening onder heb gezet. Zonder een leesbril ben ik een analfabeet in geletterd landschap.
‘Ja, mot ’t toch effe afscheuren,’ antwoordt hij kregelig.
Er wordt tegenwoordig toch ook maar wat uit de kast gerukt en in een baan geplugd.

Bovengekomen scheur ik de enveloppe open. Het is zo’n zelfde enveloppe –alleen een paar maten groter – als waar je je pincode van de bankpas per post meekrijgt: zo quasi geheim, om je het gevoel te geven dat deze brief werkelijk niet te kraken valt.
Het betreft een ‘oproeping verdachte na ingesteld verzet’, zoals het onderwerp in het briefhoofd vermeldt. Ik voel me bij het woord ‘verdachte’ direct al een halve crimineel…
‘Aan u is het navolgende ten laste gelegd: hij, op of omstreeks 9 april 2016, te Amsterdam, als eigenaar of houder van een hond, welke zich bevond op en/of in de omgeving van de Andreas Bonnstraat, althans op en/of aan een weg, niet aan zijn verplichting heeft voldaan ervoor te zorgen dat die hond was aangelijnd.’
We moeten dan eindelijk samen voor de rechter verschijnen, ruim twee jaar nadat we een bekeuring kregen van onze stalker: een doorgewinterde, uitermate fanatieke gemeentelijke handhaver van het type dat onder een fout regime, zonder enige scrupules je beul wordt.
De lange, magere man – stijfjes en strak in het uniform – liep ons bijna een jaar te stalken met maar één doel: ons op heterdaad betrappen. Onlangs zei een van mijn hondenvriendinnen nog het volgende over hem: ‘Is het je weleens opgevallen dat die lange net iets korter is dan jou; dat moet ongetwijfeld z’n frustratie zijn, en de reden dat-ie je op de bon heeft geslingerd!’
Maar Roos en ik gaan naar de rechter, en Roos zal de rechter laten zien dat ze keurig onder appèl aan voet met haar baas – als een volwassen meid – kan lopen, en dat we daarmee een geestelijke lijn met elkaar hebben, en daarmee ‘aangelijnd’ door het leven gaan. Want deze poppenkastvoorstelling willen we beiden niet missen…

Voor het vervolg klik hier.

Verschenen in Dwars door de Buurt, nummer 202, 14 september 2018
en Oost-online.

Man en schaap

Op 9 maart 2017 vond in de kapel van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam de première plaats van mijn gedicht ‘Man en schaap’, door componist Jesse Broekman op muziek gezet, en uitgevoerd door drie musici van ‘Eendagsliederen’. Ward Reijmerink gitaar, Georgi Sztojanov tenor en Albert Manders altfluit.

Man en schaap
De wind haast
en raast
aan me voorbij,
ergens ver weg
blèrt een schaap
licht van bliksem
schrikt, de hemel huilt
in het grauwe water
staat een schaap, ze kijkt
me strak in de ogen aan
droef bekoorlijk ademt
ze haar woorden
in mijn oor
zwemmen onze dromen
tegen de stroom
en begrijpen
wij elkaar
in dat groezelige water.

 

En mijn voordracht:

 

Ook werd daar ‘Salto mortale’, opnieuw uitgevoerd. Dit keer Ward Reijmerink gitaar, Georgi Sztojanov tenor en Albert Manders altfluit.

Salto mortale
Vannacht, gleed
een gele tram
door mijn geheugen
schaduw, valt
waar herinnering
het laat afweten
die nacht, sneed
een gele tram
door haar leven
die leemte
verdwijnt nooit
uit mijn geheugen.

 

Beide registraties: Kaori Neus.

Veluwse boom

Kerstboom

Bij een kerstboomkweker loop ik het erf op. In het veld achter de werkschuur staan duizenden bomen.
‘Welke hoogte zoekt u?’ vraagt een jongeman.
‘Nou toch wel zeker mijn lengte, hoe duur zijn die?’
‘Tussen de 15 en 20.’
Hij wijst me het veld aan waar bomen van mijn lengte (bijna 2 meter), en nog wat langer staan.
‘Ga d’r maar één uitzoeken.’
Ik loop tussen de bomen door en ontwijk de gaten in de grond van bomen die er al uitgeschept zijn: het lijkt hier wel een mijnenveld.
Even later komt hij met een schop op me af lopen.
Ik wijs hem een prachtig, vol exemplaar aan. Wat langer dan ikzelf ben: je moet toch tegen een boom opkijken…
‘Is-ie niet te zwaar met een kluit, want ik moet hem wel naar driehoog sjouwen.’
‘Nee hoor,’ en hij loopt er doodgemoedereerd mee naar m’n auto. ‘Woont u op een appartementje?’
‘Ik kom helemaal uit Amsterdam, en je wil niet weten hoeveel die bomen daar kosten… Meer dan het dubbele joh.’
Hij kijkt me met glazige ogen aan. ‘U maakt een grapje.’
‘Nee serieus, je zou je bomen daar moeten gaan verkopen…’
Hij schudt z’n hoofd, en denkt er het zijne van…
‘Hoe oud is deze boom eigenlijk?’
‘De bomen uit dat veld zijn acht jaar.’
Acht jaar, wat een leeftijd al, zelfs nog ouder dan Roos, m’n hond, die net zeven is geworden. Volstrekt bezopen dat je zo’n boompje uit de grond rukt, voor enkele weken in je huis optuigt, en daarna verloren aan de straat zet… Nou ik moet dit boompje maar eens goed gaan vertroetelen, en heerlijk volhangen met vrolijke ballen…
Na een flinke sjouwpartij (boompje was loodzwaar) staat ze rechtop in de kamer. Ze is binnenshuis toch wat groter dan ik dacht: de piek kan er niet op, want haar kruin tikt net het plafond aan…

Het was in Amsterdam

SONY DSC

Foto: Roos van Rijswijk

Méland (tekstschrijver, dichter)
Een monument op het ’s-Gravesandeplein

‘Vanuit mijn woonkeuken kun je dit monument zien. “Wij zullen jullie
nooit vergeten” staat op de voet van het beeld. Het is ter nagedachte-
nis van een grote vliegramp in Suriname: in 1989 stortte er een vlieg-
tuig vol passagiers neer bij Zanderij. Bijna niemand overleefde het.
Een deel van de passagiers hoorde bij Het Kleurrijk Elftal, een voet-
balclub waarvan een paar leden hier om de hoek hun stamcafé, de Draver,
hadden. Gullit en Rijkaard speelden er ook, maar die zaten niet in dat
vliegtuig. Elk jaar is hier een herdenking, die zie ik hier van driehoog.’

‘Wat ik me vooral nog herinner is de impact die de gebeurtenis op me
maakte. Zo’n enorme vliegramp, al die mensen. Ik zat samen met mijn
vriendin aan de televisie gekluisterd; we woonden toen ook al hier
vlak in de buurt en we waren erg van slag. Onze toenmalige hond merkte
dat we verdrietig waren, die kwam bij ons zitten. Mooi, vind ik dat,
honden die dat doen.’

Eerder verschenen op Het was in Amsterdam.

Roos: handhaver van het Oosterpark

Buurtblaffer | Anna ten Bruggencate

Roos-1
Naam: Roos
Ras: Briard
Leeftijd: 5 jaar

Stadshond
Roos is een Briard, een Frans, intelligent hondenras dat oorspronkelijk gebruikt werd voor het hoeden en begeleiden van schaapskuddes. Dit soort honden zie je niet vaak in de stad, maar Roos voelt zich duidelijk overal op haar gemak. In Bar East of Eden aan de Linnaeusstraat, waar vanwege het slechte weer de kennismaking met baas en hond plaatsvindt, ligt ze heel rustig en houdt alles in de gaten. ‘Dat is typisch een kenmerk van de Briard,’ vertelt Méland. ‘Binnen zijn ze heel rustig, maar buiten zijn het echte werkhonden. Ik kan bijvoorbeeld heel goed door de stad lopen met Roos aan de voet. Ik heb haar zelden aan de riem.’ Dat wordt naar Mélands mening slecht begrepen door de gemeentelijke handhavers die eigenaren van een loslopende hond op de bon slingeren. Hij heeft dan ook niet zo’n goede relatie met ze. ‘Er is zoveel controle in het Oosterpark waar Roos en ik dagelijks komen. En het kan zo leuk zijn voor honden-
bezitters. De hondenbezitters die van het Oosterpark gebruik maken, vormen een leuke en hechte groep, waaruit ook vriendschappen zijn ontstaan,’ licht Méland toe.

Sociaal
‘Ik vind het opvallend hoe een hond je dingen leert. Zoals het kennismaken met andere mensen. De hond kiest de mensen uit: namelijk hun hond. En de baasjes gaan dan met elkaar praten.’ Roos komt uit een nest bij mensen met jonge kinderen die veel aandacht gaven aan de puppy’s. ‘Roos is daarom heel goed met kinderen. Als ze kinderstemmen hoort dan wil ze er altijd naartoe.’

Parkblaffer
Zoals kenmerkend voor het ras, heeft ook Roos een mooie langharige vacht. Van haar hoofd is vooral een stevige zwarte neus te zien en tussen de haren gluren een paar glinsterende kijkers. ‘Mensen maken vaak van die flauwe opmerkingen, zoals “moet-ie niet naar de kapper” of “ziet ze wel wat?” Maar Roos ziet al op grote afstand een kat of een konijn, en sjeest er dan achteraan. Het hoeden zit bij haar meer in het achter dit kleine grut aanjagen,’ zegt Méland lachend.
De oorspronkelijke functie van herdershond komt bij Roos bovendrijven wanneer ze bijvoorbeeld met een groep honden in het park is. ‘Ze wordt nu de Buurtblaffer van Dwars, maar ze is al de Parkblaffer. Roos is een hele zelfstandige hond en kan goed voor zichzelf opkomen. Ze wil graag de roedel hoeden; de regels handhaven. Wat dat betreft,’ lacht Méland, ‘houdt Roos me misschien een spiegel voor!’

Dit interview is eerder verschenen in ‘Dwars door de buurt’, 28 april 2013.