Kweekvijver voor digitale analfabeten

victor-9000-printerAls tekstschrijver moet je het een en ander aan klussen bijeenschrapen om jezelf staande te houden. Zo had ik een baantje op een basisschool waar ik als beheerder van computers optrad. Het was een zogenoemde zwart/wit-school waar het aantal allochtone kinderen veruit in de meerderheid is. Om die schreefgroei ietwat te rechten, startte het Stadsdeel Oud-West een zevental jaar geleden met een magneetproject. De magneet, met als specialisatie kunst en computers, moest als aantrekkingskracht voor autochtone kinderen gaan fungeren.

In groep vijf – derde klas in mijn lagere schoolbeleving – installeer ik een afgeschre-
ven computer van het Stadsdeel, een type 386 SX. De computer staat op een laag tafeltje. Het houten stoeltje reduceert mijn twee meter lange lijf zigzaggend tot de leeftijd van zes. Ik kijk op en zie een jongetje onrustig op zijn stoeltje schuiven terwijl de juf een verhaal voorleest. Een Surinaams meisje peutert ongedwongen in haar neus. Van die heerlijke primaire gebaren die ons volwassenen domweg zijn afgeleerd.
In zo’n houten stoeltje heb ik als kleine jongen ook gezeten. Ik kijk naar mijn lange stelten die gevouwen onder me liggen en lach. Eigenlijk is er bitter weinig in een klaslokaal veranderd. Aan de wand tekeningen van kinderen in wasco en waterverf. Alleen de namen van een Asli of een Mohammed zijn nieuw. De schriftjes, blauw gelijnd met rode kantlijn, op de mahoniekleurige tafels. De herfststukjes, bruinrode kastanje poppetjes die met lucifers aan elkaar zijn gedrukt. Groen mos met eikels belegd. Of de van kleurig karton gevouwen lampions met in het midden een alumi-
nium houder voor de kaars. Vanavond is het Sint Maarten en gaan de kinderen op jacht voor snoep.
Het enige nieuwe element in de klas is de computer die hier op school, in het Pentium-tijdperk, al weer een sterk verouderde indruk op me maakt. Afgeschreven computers die draaien op zwaar verouderde softwareprogrammatuur. Dit zouden toch de kweekvijvers moeten zijn in de huidige digitale samenleving. Kinderen die zitten te internetten, op netwerken met andere scholen zijn aangesloten, knippen en plakken, tekenen en componeren. Oftewel: niet langer een digitale analfabeet zijn.
Ik duw diskette 1 in de sleuf. De set-up van Windows 3.1 start traag op.
‘Krijgen we Windows 95 erop,’ vraagt een nieuwsgierig jongetje. Met zijn zwarte ogen kijkt hij me guitig aan.
‘Wíj hebben Windows 98 al thuis,’ roept een jongetje met blonde haren.
‘Echt waar? Dat moet m’n vader dan ook kopen,’ zegt het donkere joch.
‘Op deze computer kan helaas alleen de oude Windows draaien,’ zeg ik.
‘Dat klopt, deze brikken zijn héél oud. Wíj hebben thuis ’n Pentium II met 300 meg. Dat gaat razendsnel met geluid en beeld. Dat is gaaf joh.’ Met zijn handjes maakt hij sturende bewegingen en met zijn stem imiteert hij een scheurende auto. ‘Ik heb ’n te gekke raceauto, een rooie, waar ik mee door de bochten scheur.’
De andere jongen vraagt me hoe ik heet?
‘Méland.’
Even is het stil. Je ziet hem denken.
‘Meneer… ik geloof dat ik u maar Hans noem.’
Ik lach.
‘Dat is goed hoor. En hoe heet jij?’
‘Abdullah.’
‘Jongens, kom zitten, de les gaat beginnen,’ roept de juf.
Ik duw de tweede diskette in de computer en wacht lijdzaam af.

Vijf maanden later komt er een nieuwe directeur die geen enkele interesse in computers heeft. Hij weet zo’n ding nauwelijks te besturen.
Al jaren gaat het budget op aan leermiddelen, remedial teaching en andere leerachterstandsprojecten. Voor software of een computernetwerk blijft er telkens geen geld over. Verder blijft er bij het merendeel van de leerkrachten een computerangst heersen als een kwaadaardig virus dat plotsklaps genadeloos kan toeslaan. En zo kwam het dat de school de computers vaarwel zei. Het computeratelier met veertien pc’s ging ter ziele, en daarmee ben ik weer een baantje minder rijk.

Dit schreef ik in 1998.