Justus van Maurik-bank

Sculpturen

Van Maurik-bank
In de reeks Sculpturen van Oost de Justus van Maurik-bank van beeldhouwer Ed Jacobs. De marmeren bank staat in het Oosterpark, en is daar in 1904 geplaatst.

De bank is van massief wit marmer, en je kunt er aan beide kanten op zitten. In de rugleuning staat Justus van Maurik Bank gebeiteld, en aan de zijkanten staan, in reliëf, afbeeldingen van personages uit de boeken van de schrijver Justus van Maurik (1846-1904). Hij is eigenaar van een sigarenfabriek, en daarnaast een bekend en populair schrijver van sentimentele toneelstukken en novellen waarin alledaagse taferelen met mannen en vrouwen van de straat centraal staan. Zijn personages zijn aan het eind van de negentiende eeuw zeer populair. Aan de beide zijkanten van de marmeren bank staan ze afgebeeld: de mannen Isaak van den Dam en Tijs Jolleman aan de ene zijkant, de vrouwen Mea de Porster en Oude Sientje aan de andere.
Van Mauriks taalgebruik is karakteristiek, zo schetst hij bijvoorbeeld Oude Sientje: ‘Een klein verschrompeld gezichtje met uitstekende jukbeenderen, een neusje, dat nog pogingen doet om zich recht te houden, en een ingevallen mond waarin één enkele tand als een obelisk op vroeger tijden wees. Rimpelig als een overjarige pimpeling en sproeterig in het gelaat, dat, begroeid door spaarzaam grijs, bijna wit haar, uit haar grooten hoed opdoemde.’

Vergetelheid
De beeldhouwer Ed Jacobs (1859-1931) raakt, evenals het literaire werk van Van Maurik, in de vergetelheid. Maar anders dan Van Maurik, heeft Jacobs nooit succes met zijn beeldhouwwerk. Hij studeert aan de tekenacademie in Brussel en volgt ook opleidingen in Parijs, Florence en Rome dankzij het winnen van de Prix de Rome. Tussen 1891 en 1903 werkt hij in Amsterdam en maakt onder andere het beeld van Hendrik de Keyzer aan de gevel van het Stedelijk Museum. Na zijn Amsterdamse periode verhuist hij naar Laren waar hij in 1931 overlijdt.

Amsterdamse chroniqueur
Als jongen zwerft Van Maurik door de straten en steegjes rond het Oudekerksplein (de Wallen), waar de arbeiders en het havenvolk wonen. Hij ziet er zeelui, ‘hannekemaaiers’ – arbeiders uit Duitsland die in de hooimaanden gras komen maaien –, schoenpoetsers, marskramers, haringpakkers en liedjeszangers. Van Maurik doet er de ideeën op voor zijn talloze verhalen. Net als Simon Carmiggelt bijna honderd jaar later doet, gaat hij ergens zitten en noteert wat hij ziet en hoort. Zo neemt hij op een stoepje plaats en luistert naar het levensverhaal van een oude porster die haar geld verdient met het wekken van mensen, of hij raakt in een volksoploopje verzeild om een dronken doodbidder die een overlijden komt aankondigen. Zijn rondhangen op straat maakt van hem een uitstekend kenner van het Amsterdamse straatleven met zijn markante volkstypes.
In zijn eigen tijd is Van Maurik razend populair. Behalve talloze toneelstukken schrijft hij honderdvijftig verhalen die letterlijk stuk gelezen worden, en de vele lezingen die hij geeft, zijn altijd uitverkocht. Aan literaire erkenning heeft het Van Maurik echter altijd ontbroken. Als schrijver leeft hij in de schaduw van de Tachtigers – die in Van Mauriks ogen aanstellers en anarchisten zijn – maar die wel tot de literaire elite behoren. Van Maurik daarentegen met zijn simpele humor stelt in de ogen van de individualistische Tachtigers niet veel voor en zo kan het gebeuren dat deze typisch Amsterdamse chroniqueur in het vergeetboek raakt. In de Schets van de Nederlandse letterkunde van De Vooys en Stuiveling wordt maar één zinnetje aan hem gewijd: ‘Het humoristische proza van de Amsterdamse sigarenfabrikant Justus van Maurik (1846-1904) had een groot maar oppervlakkig succes.’
Van Maurik is overigens een van de redacteuren van het in 1877 opgerichte De Amsterdammer, een dagblad voor handel, industrie en kunst. Dat later als opinieweekblad De Groene Amsterdammer is doorgegaan en nog steeds verschijnt.

Verschenen in ‘Dwars door de Buurt’, nummer 181, 11 september 2015,
en Oost-online.