Oma zit in de hemel

Oma is dood. Ik snap niet waarom? Ze is altijd zo lief voor me. Bij haar krijg ik altijd zoethout òf dropspek aan een knijper.
‘Mam, is oma daar gelukkig in de hemel?’
‘Ja zeker. Oma wilde altijd in de hemel zijn. Daar is ze heel gelukkig.’
‘Is ze ons dan niet vergeten?’
‘Nee hoor, ze kan je vanuit de hemel zien.’
Ik loop de deur uit, de straat op. De straat is recht met aan beide uiteinden een bocht. Een auto toetert. Ik spring op het gras. Een witte Kever zoeft me voorbij. De straat is niet veranderd. De huizen staan nog steeds in een rij. Toch loop ik er anders doorheen. De buurman van verderop wuift met zijn hand. Hij harkt de bladeren bijeen.
Mijn oma is naar de hemel. Ik kijk naar boven. Achter de wolken is de hemel en daar woont mijn oma. Zal ze me ècht zien?
Het gras langs de klinkerweg is nog groen terwijl de bomen al bijna kaal zijn. Op de hoek stap ik de winkel binnen. De man met de witte jas en het zwarte snorretje zegt me gedag en vraagt hoe het met me gaat?
‘Mijn oma is naar de hemel!’
‘Goh, dat’s erg zeg.’
‘Nee, helemaal níet. Mijn oma is héél gelukkig in de hemel.
‘Dat geloof ik graag. Wat mag ’t wezen?’
‘Twee zoethout en een dropspek.’
Hij draait de glazen deksel van de pot en haalt er één dropspek uit. Het zoethout staat in een andere pot op de toonbank.
‘Dat’s dan negen cent.’
Uit mijn broekzak haal ik een dubbeltje te voorschijn. Hij geeft me een cent terug.
‘Geef me nog maar een spekkie.’
‘Drie centen graag.’
Ik loop naar de deur. Hij roept me en ik draai mijn hoofd.
‘Sterkte m’n jong.’ Ik knik en trek de deur achter me dicht.
Naast de winkel staat een oude appelboom. In een cirkel eromheen liggen verrotte appels. Ik kijk omhoog. De wolken zijn er nog. Mijn oma is de allerliefste. Ik zwaai met mijn handen. Ze kan me zien!
‘Naar wie zwaai jij?’ vraagt mijn vriendje Robert.
‘Ooh, naar niemand.’
‘Ik zag je toch ècht zwaaien.’ Zonder nog iets te zeggen, loop ik door.
‘Hé, kom je voetballen?’
‘Nee, ik heb niet zo’n zin.’
‘Ach, kòm op.’
‘Nee, ik ga naar binnen!’
Via de zijtuin loop ik achterom. In het gras staan paddestoelen. Een rode met grauwwitte stippen, een grauwwitte met bruinachtige vlekken en kleine witte.
‘Trek je modderige schoenen uit!’
‘Ja, mam.’
In de woonkamer plof ik neer op een stoel. Daar staat oma’s stoel. De grote bruine stoel met het voetenbankje. De stoel waarin ze altijd zat als we bij haar waren. Opeens mis ik oma. Ik durf niet in die stoel te zitten. Die is van oma en oma is nu dood.

4 gedachtes over “Oma zit in de hemel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s