Le Bout du Monde

Dit verhaal kreeg grotendeels zijn vorm tijdens de laatste twee weken van Elsa’s leven. Ik zette het bouwwerk in de steigers als afleiding, maar zeker ook als een stuk verwerking van het onvermijdelijke. Hoewel ik mezelf moet hoeden voor het bouwen van schijnwerkelijkheden leek het later toch, bij het verfraaien van het bouwwerk, alsof ze er nog was, onder het bureau lag en goedkeurend met haar staart tegen de grond sloeg als ik haar een mooie zin voorlegde, zodat die in elk geval overeind kon blijven staan.
Elsa

In Vauchignon, op een camping à la ferme, slijt Elsa haar laatste dagen. Aangevreten door kwaadaardige kankercellen die als onkruid door haar lijf woekeren, ligt ze in het gras en kijkt ze op als er een vlieg rond haar kop cirkelt. Happend met haar bek probeert ze het irritante gebrom om zeep te helpen maar de vlieg is haar te slim af. Ze geeft het snel op en legt haar kop tussen haar voorpoten; het ontbreekt haar aan energie. Dit in tegenstelling tot de bromvlieg die triomfantelijk enkele ererondes draait en dan het luchtruim kiest.
Dat ging er voorheen rapper aan toe – zonder noemenswaardige inspanning plukte ze de vliegen als een ervaren druivenoogster uit de lucht. Zelfs bijen en wespen moesten het bij haar ontgelden, en als dank kreeg ze dan vaak een steek uitgedeeld en wist ze even niet waar ze het zoeken moest. Maar ook dan bleek ze een echte doorbijter. In alles was ze macho; een geijkt vrouwelijke rol was niet voor haar weggelegd. Ze was een dame met power: Elsa de leeuwin – een naam die niet beter bij haar kon passen, hoewel haar naam nagenoeg direct bij het zien van haar voor ons vaststond. In al die hokken vol blaffende honden zat er één die schuin met haar kopje omhoog keek, zonder een kick te geven. Aan de tralies hing een bordje met schaarse informatie: Kruising Briard, teef, als gevonden binnengebracht.
‘Ze zwierf door de Pijp,’ zei de dame van het dierenasiel.
We namen haar op de proef mee aan de lijn, een rondje uitproberen en dat deed ze voorbeeldig. Ze liep keurig mee, hield halt bij het geven van het stopcommando, ging zitten en gaf een poot. Zo braaf hoefde het nou ook weer niet, maar goed je neemt zoiets op de koop toe.
‘We nemen haar.’
‘Dat’s mooi. Het is ’n lieve hond.’
‘Kent u haar?’
‘Nee, maar ik heb ’t gehoord van de verzorgster. Ze zit hier net ’n week.’
Ondertussen had onze nieuwe aanwinst zich tussen ons in gevleid: dat zat wel snor tussen ons.
We kregen een hondenpaspoort mee met daarin de naam Sanne, die had het asiel haar gegeven, maar die naam was reeds aan ons nichtje toebedeeld en die naam vonden we niet leuk voor een hond.
We kochten een halsband, een riem en liepen trots over straat met aan mijn rechterzijde een nieuwe vriendin. De riem konden we al snel ontkoppelen: mevrouw luisterde uitstekend.

Nu lopen we naar de beek die achter onze tent meandert. Elsa loopt ten opzichte van gisteren als een sportvrouw. Vanochtend zijn we bij de docteur vétérinaire geweest en die heeft haar een shot anabole steroïden toegediend. Ze is een stuk kwieker, kijkt monter uit haar ogen en reageert weer op geluiden van buitenaf. Volgens de docteur had ze slappe spieren in haar manke poot omdat ze die niet langer gebruikte. Verder constateerde hij artrose en was de tumor zich naar voren aan het verspreiden. Hij beluisterde haar longen en ook daar zaten reeds uitzaaiingen.
We wisten niet wat we moesten doen?
‘Het is altijd jullie beslissing om haar te laten inslapen. Ik doe het alleen als jullie erom vragen,’ zei hij in gebroken Engels.
Hopeloos keken we elkaar aan. ‘We wachten tot na het weekend,’ zei ik met een brok in mijn keel.
‘Maar natuurlijk, we kijken eerst hoe de kuur aanslaat. Die zal haar algehele conditie zeker opvijzelen.’
Het was een aardige man die ruimschoots de tijd voor ons nam; ik geloof dat we onderhand drie kwartier bij hem binnen waren, terwijl we geen afspraak met hem hadden gemaakt.

Twee dagen genieten we nu met volle teugen. Elsa is zeker niet de oude maar er zit weer leven in ons hondje. Bij het aanbreken van de derde dag is het bewolkt. Ik rits de tent open en loop naar de auto. Daar tref ik haar onderuitgezakt aan, haar achterlijf zit klem tussen de stoelen en de bank, haar voorpoten op de bank. Hulpeloos ligt ze te wachten; haar krachten zijn haar als bij een donderinslag ontnomen. Hoelang heeft ze zo gelegen? We tillen haar uit de auto en moeizaam sjokt ze achter ons aan. In de tent leggen we haar op haar kleedje en dekken haar met een slaapzak toe. Het is vroeg en kil en we proberen nog wat te slapen. Even later staat ze op en waggelt met de omwonden slaapzak naar buiten. Nog even speelt ze voor Batman – het ritueel bij het afdrogen na het douchen, rennend door het huis met de handdoek als een cape omgeslagen.
Echter na twee fantastische dagen is het niet langer onze Batman. Ze staat met moeite op, het lopen gaat haar stukken slechter af en ze kucht licht. Dit is een forse terugval. Een klap in ons gezicht. Gisteren hoopten we nog dat ze naar Amsterdam terug kon reizen om daar haar laatste adem uit te blazen maar die optie is plotseling met een vlijmscherp mes afgesneden. We moeten beslissen en dat valt uiterst zwaar. Waar leg je de grens? Lijdt ze pijn? Kon ze maar iets zeggen maar daarentegen kijkt ze als een stomme recht voor zich uit. Het is zondagochtend maar de docteur vétérinaire was naar zijn zeggen ‘toujours’ bereikbaar. Blindelings hakken we het dunne levenskoord van haar door; wij beslissen over leven en dood. Elsa’s leed kunnen we niet langer aanzien; in één nacht heeft ze haar zelfstandigheid verloren. Hulpeloos als een pasgeboren baby. We tillen haar op en dragen haar de auto in. Ik start en rijd de drie kilometer lange, kronkelige weg met een zwaar gevoel van binnen. Dit is haar laatste rit, de auto waarin ze zoveel plezierige ritjes heeft gemaakt, is plots haar ‘dead row’ geworden. Gevloerd door de kanker ligt ze hijgend achterin.
Hoeveel ritten heeft ze met ons wel niet gemaakt? Slechts driekwart jaar geleden naar het hete Andalusië en hoe vaak wel niet naar Frankrijk? De rode achterbank van de Citroën GS is haar tweede mand. Op heel wat plekken in Europa plantte ze haar geurvlag. Vaak zinloos want op die bewuste plek kwam ze slechts eenmaal voorbij.

De reis naar de Nieuwe Wereld – in september gaan we voor sabbatical een halfjaar naar Los Angeles – zit er nu voor haar niet in: het zou een lange trip worden die ze in een bench onderin het vliegtuig zou moeten doorbrengen. Het is alsof ze die martelgang heeft voelen aankomen en zoiets heeft van nee jongens, daar heb ik geen zin meer in. Want slim is ze zeker – een taalkundig begaafde hond en een lezende hond bovendien.
Op een ochtend kwam ik in het trappenhuis Ibrahim, mijn buurjongetje tegen.
‘Dag Elsa,’ zei hij tegen haar en hij aaide haar over de kop. Met haar flinke lijf drukte ze zich tegen hem aan en schoof hem bijna van de trap, maar hij was niet bang voor haar.
‘Moet Elsa ook naar school?’ Hij richtte zijn blik op naar mij.
‘Nee, ze hoeft niet meer. Maar vroeger ging Elsa wel graag naar school.’
Even was het stil maar dan vroeg hij of ze kon lezen?
‘Nou en of, Elsa verslindt complete boeken.’
Ibrahims moeder schoot in de lach. Hij keek me met zijn donkere pupillen vragend aan en je zag hem denken van hier klopt iets niet. Maar hij kon zijn vingertje er niet op leggen.
‘Elsa,’ zei hij terwijl hij met zijn armpje zwaaide. ‘Jij hoeft lekker niet meer na school. Heb jij leuke juf? Ikke wel.’
‘Kom Ibrahim, we gaan naar leuke juf. Dan kan buurman Elsa uitlaten. Elsa hoeft niet meer naar school maar jíj wel. En daar leer jíj ook lezen, net als Elsa.’

En begrijpen dat deed ze als de beste.
‘Doe maar drinken.’ En dan dronk ze uit een plas of beek. Ook met de fameuze k-woorden kon ze rekenen en schrijven: ‘Elsa, koníjntje.’ Ze richtte haar kop omhoog, spitste haar oren, tastte met haar chocoladekleurige ogen de horizon af en sprintte met volle kracht vooruit. Echter de haakse bochten waren voor Elsa iets te haaks. Bij haar waren ze rond en bij elke misser piepte ze in volle extase. Telkens waren ze haar te slim af. Ooit ving ze er één. De euforie was groot; nooit hadden we haar zo horen piepen maar ze had een ziek konijn in haar bek. Het andere toverwoord was: koekje. Voor een koekje deed mevrouw alles – ging er voor zitten, gaf een poot en kwijlde als een klein kind en op één koekje kon ze niet lopen. Madame liep op vier forse poten en dat moest je weten ook. Het derde k-woord waren de katten. Die schoot ze achterna, sjeeste door keurig aangeharkte voortuintjes en joeg menige kat de stuipen op het lijf. Behalve onze eigen katten die liet ze vanaf het eerste moment dat ze het huis betrad met rust. Ze beschermde ze zelfs voor de buurtpoezen die regelmatig de tuin betraden. En wat waren die poezen handig als Elsa niet wilde eten.
‘Zullen we de poesjes roepen?’
Direct keek ze naar de keukendeur, liep naar haar etensbak en at met lange tanden haar droogvoer op. Zelfs tijdens het kamperen ergens in een afgelegen deel van Frankrijk riepen we de poesjes aan en verdomd ze keek met een verwilderde blik in haar ogen het kampeerveld rond, zelfs even naar boven want, Sipie, een van onze katten sprong thuis via het raam boven haar mand naar binnen.

Ze voelt schonkig aan. Ik zit samen met haar op de achterbank en aai haar. Zelfs haar schedel voel ik zitten en haar ruggengraat. De docteur zou er met een halfuurtje zijn. Haar laatste uur was ze ingegaan. Ongelooflijk hoe snel het bergafwaarts was gegaan alsof ze met een slee naar beneden was geroetsjt. Net een week met vakantie en voordat we vertrokken viel er weinig aan haar te merken. Goed, ze liep slechter door haar val van de trap, maar met de pijnstillers ging het aardig, zelfs de trappen op naar driehoog deed ze zonder noemenswaardige inspanning. Dat de tumor zo’n agressieve vorm zou aannemen, had de dierenarts in Amsterdam ons niet verteld. Hij sprak zelfs bij de laatste jaarlijkse inenting, een maand geleden, over een termijn van een jaar.
Ik ga m’n maatje verliezen en m’n dagindeling zal ingrijpend wijzigen. Ze was er altijd bij, lag in haar mand, kroop onder het bureau als ik aan het werk was, dook onder de tafel tijdens de lunch en stond kwispelstaartend op het balkon als het vrouwtje ’s avonds thuiskwam.
De docteur vétérinaire arriveert in zijn Peugeot 306 en gebaart dat Elsa in de auto kan blijven. Ondertussen steekt hij de straat over en werpt een blik op Elsa.
‘Ze kan niet meer opstaan en ze kucht. Gisteren en eergisteren ging het goed maar nu lijkt het voorbij,’ zeg ik in het Engels.
Nogmaals kijkt hij naar haar. ‘Maybe tomorrow… Jullie beslissen, ik niet.’
We overleggen. Vanochtend was ze d’r erbarmelijk slecht aan toe; we willen haar niet laten lijden. We kennen haar uitsluitend als krachtig en vol levensvreugde. Dit is niet langer onze Elsa. Vanochtend hebben we onze beslissing gemaakt en die moeten we uitvoeren, hoe zwaar het ons ook valt.
‘We doen het.’
‘Oui, et le corps?’
‘Is crematie mogelijk?’
‘Oui.’
Dan steekt hij over en loopt zijn kliniek binnen. Het doek is voorgoed gevallen. Ik rijd de auto voor de deur en we wachten enkele minuten. De docteur verschijnt in de deuropening en wenkt naar ons. Ik open de achterportier en buk me om Elsa op te tillen maar warempel ze springt eruit, loopt een twintigtal passen, hurkt en laat een plas stromen. Stomverbaasd kijken we toe.
‘Tomorrow’ is het enige woord dat de dierenarts tot driemaal toe herhaald. Van hem moeten we de pillenhoeveelheid verdubbelen en haar vooral in de schaduw houden. Hij vindt haar zelfs beter lopen dan twee dagen geleden. We verontschuldigen ons enkele malen en leggen hem uit dat het vanochtend toch heel anders met haar ging. Het schaamrood staat ons op de kaken; we hebben zijn vrije zondag verstoord.
Opgelucht rijden we de kronkelige weg terug. Het lood is uit mijn zolen weggesmolten. Elsa zit – alsof het tafereel niet heeft plaatsgevonden – rechtop en kijkt als een jonge hond nieuwsgierig uit het open raam; het is net alsof ze de jacht op het konijn stilletjes zit voor te bereiden.
‘Dit is nu weer écht Elsa,’ zeg ik. ‘Iedereen eens even een poepie laten ruiken: van kijk eens hoe stoer we zijn.’
‘Ja, net als bij kinderen. Je gaat ermee naar de tandarts en net voordat ze in de stoel moeten zitten is de kiespijn opeens verdwenen.’

Die middag lopen we naar de beek. Genadeloos brandt de zon op onze huid. Elsa loopt uit zichzelf de beek in en blijft daar op haar manier staan – filosoferend: blik op oneindig en voor zich uitstarend. Dan ziet ze een stok in het water liggen; ze gaat erop af en pakt het beet. We kijken onze ogen uit. Dit is héél fijn om te zien. Hoe ziek ze ook is maar ergens komt een stukje instinct omhoogdrijven, als een dobber van een hengel, met de impuls van grijp die stok en loop ermee weg. En vooral niet met het voorwerp dat jullie voor me weggooien, terugkomen en afgeven. Met moeite kon je met het commando ‘los’ het balletje of stok uit haar bek krijgen. Bij haar werkte de ‘boemerang’ niet en na driemaal werpen gaf ze er vaak de brui aan. Nee, echt sociaal was ze in de sport niet; de S van samenspel kwam niet in haar vocabulaire voor. Behalve de stokken die ze voor je uit het water haalde. Eenmaal doorweekt, wist ze van geen ophouden maar voordat ze het water betrad, had je reeds enkele stokken verspeeld. En wat was ze mager als ze als een verzopen kater het water uitkwam; haar stevige poten waren tot dunne latjes omgetoverd en van het harige lijf bleef weinig over. Hoeveel stokken heeft ze niet van de verdrinkingsdood gered? Als een ervaren kikvors zwom ze recht op haar doel af, sleepte de drenkeling zonder kleerscheuren naar de wal, trok hem op het droge en voerde knauwend mond-op-mondbeademing toe.

Vandaag zijn we een week verder en voor het eerst zwaait ze ter begroeting met haar staart. Dat heeft ze bijna twee weken niet gedaan. We zijn verrukt. Het is vreemd hoe dit soort mechanismen werken: de kleinste verandering is een heuglijk feit. Zo werkte het ook met L.’s moeder. Na een zware hersenbloeding lag ze in diepe coma. Er was geen enkel contact mogelijk maar toch waren we blij dat ze nog leefde, dat je haar kon aanraken, voelen dat ze warm was, dat ze ademde en later bij de opbaring – hoe prachtig ze erbij lag; de bruining op haar armen en gezicht; het lichaam dat steenkoud aanvoelde maar toch ze was er nog en dat vergemakkelijkte het afscheid nemen enigszins. Nu ze tot as is verworden, is er niets dan de herinnering en slaat het gemis bikkelhard toe.
Ze duwt haar kopje tussen L.’s benen – een oud en nu weer nieuw gebaar. Uit L.’s oog rolt een traan.
‘Kon ik je maar helpen.’ Ze aait Elsa op haar achterste, een plek die ze altijd zeer aangenaam vond en ook nu reageert ze er een beetje op.

Aan het eind van de middag trekt de blauwe lucht zwart weg alsof deze plek in de onderwereld wordt gedompeld. De eerste regendruppels spetteren neer en transformeren zich tot een zwaar regengordijn. Samen met Elsa duik ik de tent in en L. rent naar de douche. Onweerflitsen en donderslagen volgen elkaar in rap tempo op. Elsa ligt ongehinderd op een rieten mat. Nooit was ze bang voor onweer en nu in haar laatste dagen deert het haar evenmin; ze blijft de hond met de masculien-uitstraling en kijkt me aan met een blik van is-er-iets-bijzonders-aan-de-hand? Ineens ploffen er voorwerpen op het tentzeil; het lijken eikels die uit de boom vallen. Ik kan ze niet thuisbrengen en rits de tent open. Het zijn hagelstenen als knikkers zo groot en ze kletteren zodanig hard neer dat ze als balletjes stuiteren. Steeds harder gaat het te keer; de storm rukt als een krankzinnige aan de tent. Dof ketsen ze tegen het nylon zeil. Elk moment verwacht ik een steen dwars door de tent. Onze auto die naast de tent staat geparkeerd, loopt forse klappen op; schrille metaalklanken resoneren in mijn oren. Ik moet de tent uit voordat een boomtak zich over me uitspreidt maar wat kan ik doen met Elsa die slecht ter been is en moeilijk in de auto te sjouwen is? Daarbij vormen de hagelstenen die inmiddels tot grote keihardgekookte eieren zijn aangezwollen een directe aanslag op onze levens. Elsa blijft stoïcijns languit liggen terwijl de hagelkeien onder het tentzeil heen rollen; de halve wereld vergaat maar madame blijft de rust zich zelve. Er vliegen twee haringen los, het tentzeil komt van de grond los en steigert als een op hol geslagen paard. Van binnenuit duw ik de losgeschoten haringen in de grond en krijg daarbij een hagelbrok tegen mijn hoofd aangeslagen die gelukkig enigszins door het zeil als vangnet tot vaartvermindering is gekomen. Maar de haringen zitten erin. Dan slaat er een homp dwars door het doek; het lijkt wel een honkbal, wit, hard en het laat een scheur van zo’n dertig centimeter in het tentzeil achter. Het is nu wachten totdat het schip voorgoed vergaat en als kapitein blijf ik samen met mijn scheepsmaat aan boord.
Even later houdt het steenwerpen van bovenaf op. L. komt naar ons toegerend. ‘Jullie moeten eruit voordat de takken het begeven.’
We sjorren Elsa de auto in en rijden weg van de bomen naar een schuurtje verderop. Maar het kwaad heeft reeds zegegevierd; enkele fikse deuken ontsieren de gerestaureerde GS. Niet veel later trekt de hemel blauw open als teken dat de Apocalyps heden niet heeft plaatsgevonden.

Het is bijna anderhalve week later. Elsa is sinds gisteren hard achteruit aan het gaan. Ze staat zeer moeizaam op, loopt enkele passen en zakt dan als een mislukte pudding in elkaar. Het lijkt erop dat de pepmiddelen aan het uitwerken zijn. Steeds meer komen we met onze rug tegen de muur te staan. Thuis kan ze de trappen niet meer op. Het laten inslapen in Echt bij L.’s vader is geen goed alternatief. Het is te zwaar daar te rouwen en de lange hete reis terug willen we haar niet aandoen. We moeten haar in Nolay achterlaten; een afspraak maken met de docteur. Want wat is er van al haar vrolijkheid en bravoure overgebleven? Ze kwispelt niet langer en kijkt ons amper meer aan; ze moet zich erg ziek voelen. We moeten ingrijpen maar ik merk dat ik het niet kan.
Ik parkeer de auto bij de praktijk.
‘Ga jij, mij lukt ’t niet,’ zegt L. huilend.
Ik verman me, stap uit en tors mijn lijf voort. Het heeft nooit zwaarder aangevoeld. Zelfs niet bij de dood van mijn ouders of bij de beslissing mijn vader met verhoogde morfine-injecties sneller te laten overlijden. Bij hem was het een verlossing uit het zinloos blijven doorgaan van hart en longen terwijl hij zelf al in een diepe roes was weggezonken.
‘Morgen om tien uur kunnen we terecht, hij onderzoekt haar eerst,’ zeg ik terneergeslagen.
L. knikt en aait Elsa over haar rug. De gong voor de laatste ronde heeft geslagen.
Haar laatste dag brengen we aan een stuwmeer door en terwijl ik daar boterhammen smeer vleit een bastaard Golden retriever zich naast me neer. Elsa wil opstaan maar het lukt haar niet. Ze gromt maar de gast aan tafel is niet van haar onder de indruk; hij schuift zelfs nog meer naar me toe. Het is een zwangere teef. Is dit wel toeval?
‘Dit is iets wat je in je verhaal als schrijver verzint,’ zeg ik.
Literatuur en het leven kijken als een omarmd stel tevreden toe. Het is alsof L.’s moeder van bovenaf de regie verzorgd. Bij verdriet stuurt ze een nieuw hondje ons leven in. Dit gebeurde eerder, enkele weken na haar overlijden, met de cockerspaniël in het Oosterpark die we Dada noemden om haar onconventionele gedrag. Zo plaste ze nauwgezet boven het afvoerputje van de douche, sprong zonder blikken of blozen op de bank, liep schaamteloos met je mee het toilet in, slurpte uit haar waterbak en gutste daarbij de helft over de rand. Dada was een zwart-wit gevlekte cockerspaniël die op een hete zondagmiddag in de armen van L. liep.
Het beestje was zoekende naar zijn baas, rende in paniek het park uit, stak de weg over en was er op een haar na niet meer geweest. Het droeg geen halsbandje. L. tilde het hondje op; blij likte het haar nek. Even leek het alsof haar onlangs overleden moeder, als levensteken, dit hondje op ons had afgestuurd. Niemand diende zich als eigenaar aan. Bij het politiebureau wilden ze de pup in een kooi stoppen, want het dierenasiel was gesloten. Dat konden we niet over ons hart verkrijgen en namen Dada mee naar huis. Op de trap naar boven kwamen we Ibrahim, ons buurjongetje, weer tegen. Verrukt keek hij ons aan.
‘Hebbe jullie nieuw hondje?’
‘We hebben hem op straat gevonden. Lag bijna onder een auto.’
‘Hoe heet hondje?’
‘Weten we niet, maar we noemen hem Dada.
‘Is jongen of meisje.’
‘Het is een meisje.’
‘Moet-ie naar school?’
‘Ja zeker, want hij moet nog héél veel leren. Hoe hij moet oversteken: eerst naar links kijken, dan naar rechts, weer naar links en dan pas oversteken.’
‘Ikke van mamma leren, niet van juf.’
Wat moesten we daarop zeggen? We konden toch moeilijk zeggen dat het hondje bij zijn moeder was weggehaald. ‘Tja… Dada moet alles nog op de hondenschool leren. Ze is heel jong.’
‘Hoeveel?’ Hij liet zijn vingertjes zien.
‘Misschien pas een half jaar.’
Ibrahim stak vier vingertjes de lucht in. ‘Ikke ouder. Ikke meer weten.’
‘Ja dat denken wij ook.’
Die avond belden we de Dierenambulance en het bleek dat Dada een Oekraïense bazin had die in Oud-West woonde. Wij vonden Dada in het Oosterpark. Het hondje was dwars door Amsterdam getrokken, zonder een auto te raken. Moest Dada nog wel naar school?
De dame van de Dierenambulance keek er niet vreemd van op – honden namen gewoon de tram: ze hobbelden achter mensen aan de tram in en stapten haltes later uit. We vonden Dada een zeer slim hondje. Met lijn 14 brachten we haar terug en verdomd de kleine Dada besteeg tree voor tree de tram en sprong direct bij mij op schoot.

Nu bij het stuwmeer moet ik voor drie vrouwen de lunch verzorgen maar de derde die zich zojuist heeft aangemeld, dringt zich wel erg op. Elsa gromt, kijkt jaloers naar de nieuweling en houdt de zaak nauwlettend in de gaten. Ik verdeel de gesmeerde boterhammen in volgorde van aankomst. De zwangere teef haalt haar neus op voor een stukje droog brood, het moet voor haar met Franse kaas belegd zijn. Elsa is er weer helemaal bij.
Later in de middag zakt ze wederom naar het niveau van de ochtend.
‘We moeten het morgen maar doorzetten,’ opper ik. ‘Elke keer wordt het zwaarder en het gaat hooguit om enkele dagen uitstel.’
‘We zien morgen wel. Kijken wat de dierenarts zegt.’
Die middag schrijf ik een stukje voor de Achterpagina van NRC Handelsblad over Marije die haar hommel op vakantie heeft meegenomen. Schrijven bezorgt me afleiding; even uit de werkelijkheid stappen; het toetsenbord aanraken en tokkelend als een pianist de noten als woorden over het scherm laten glijden. Hoe vaak lag Elsa niet naast me, vredig ronkend, terwijl ik letters, woorden en zinnen spuwde, ordende, weggooide, plakte en knipte. Ook stukken waar Elsa in figureerde en waarvan er enkele in het NRC Handelsblad verschenen: Elsa vereeuwigd in de krant.
De volgende morgen laten we Elsa voor de laatste keer uit. Met moeite halen we de uitgang van de camping waar ze gaat zitten en een grote plas laat lopen. Als ze wil opstaan zakt ze door haar voorpoten en ligt ze languit op de grond. Snel til ik haar overeind; ik voel een traan glijden.
‘Dit kan niet meer, ze is op,’ zeg ik.
L. huilt.
Bij het ontbijt geef ik haar een laatste blikje voer. Ik plaats de voederbak tussen haar voorpoten zodat ze niet overeind hoeft te komen. Het is het galgenmaal dat een veroordeelde voor zijn executie krijgt voortgezet. Smaakvol werkt ze het naar binnen; haar eetlust blijft ongeremd en ook een bak water drinkt ze half leeg.
De drie kilometer lange kronkelige weg naar Nolay hebben we de afgelopen anderhalve week dagelijks met Elsa gereden. Nu is het haar laatste rit in haar rijdende mand. De afgelopen dagen bemerkte ik bij het in de auto tillen dat ze telkens lichter aanvoelde. Ondanks haar vraatzucht nam ze flink in gewicht af; machteloos keken we toe naar een aftakeling die ze zelf niet begreep. Lopen, snuffelen en rennen waren haar elementaire activiteiten. Nu die haar als een amputatie ontnomen zijn, blijft er in wezen haast niets meer van haar over.

Ik zie haar nu voor me, rennend naast mijn fiets. We zijn op weg naar Roermond waar we de trein, na een heerlijke vakantie in Montfort, terug naar huis nemen. In het veld rent een haas op zo’n vijftig meter van ons vandaan. Elsa vangt hem in haar ooghoeken op en sprint weg, dwars door de akkers waar ze als een cowboy te paard een stofwolk achter zich laat. Na een half uur tevergeefs rennen zijgt ze uitgeput naast ons neer. Noodgedwongen moeten we pauzeren en nemen daardoor een uur later de trein: mevrouw moest zich even uitleven alsof ze tijdens onze vakantie niet genoeg beweging had gehad.

Het is even voor tienen; de grauwwitte luiken van de praktijk zijn nog gesloten. Ik parkeer de auto voor de deur. Tegelijkertijd richten we onze blikken op Elsa en aaien haar; met haar poten ligt ze naar voren gestrekt en moeizaam tilt ze haar kopje naar ons op.
‘Ze heeft het bij ons wel hartstikke goed gehad. Overal mee naar toe. Ze heeft ’t beter gehad dan menig Amsterdams kind,’ zegt L. Haar stem klinkt triest.
Ik knik en zie in de achteruitspiegel de witte Peugeot naderen. Hij parkeert de wagen achter de onze, stapt uit, gebaart ons te wachten en opent de deur. Een voor een gaan de luiken open. Vanuit het geopende raam vraagt hij ons of hij moet helpen bij het dragen.
‘Het lukt ons wel.’ We tillen Elsa voor de laatste keer uit de auto en zetten haar voorzichtig op het trottoir. Op eigen beweging loopt ze de wachtruimte binnen en gaat ons voor de behandelkamer in. Ondanks haar woekerende ziekte blijft ze nieuwsgierig en angstloos voor de dierenarts. Ze snuffelt rond terwijl ze zich met moeite staande houdt. Ondertussen kijkt de docteur aandachtig naar haar en stelt zijn diagnose vast. Tijdens zijn exposé aai ik Elsa over haar rug; ze is intussen van vermoeidheid gaan liggen en vleit niets vermoedend haar kopje op de stenen vloer. Hij vertelt ons dat ze lijdt en dat ze hooguit nog enkele dagen zal leven. We vragen hem of ze op haar kleed mag sterven en even treedt er verwarring op.
‘Het lichaam moet hier blijven.’
‘Dat snappen we, maar het is voor nu dat ze daar zacht op ligt.’
‘Maar ik doe het hier op de behandeltafel.’
Ik loop naar buiten en haal haar deken. Met zijn drieën tillen we Elsa op tafel. Met een stethoscoop luistert hij naar haar longen en hij meldt ons dat ook daar de kanker zich heeft uitgespreid. Ze moet zich voelen als door de tentakels van een octopus gegrepen.
‘Wilt u erbij blijven?’
‘Ja graag.’
Met een leren riempje bindt hij haar voorpootje af waardoor de ader zich opzwelt. Gelukkig deed hij dit de vorige keer ook bij het toedienen van de anabole steroïden zodat Elsa deze handeling moet herkennen. Een dergelijke directe inspuiting hebben we bij dierenartsen in Nederland niet eerder gezien.
‘Hoe gaat ’t gebeuren?’
‘Absoluut niet spectaculair.’
Elsa wil zich oprichten. We houden haar tegen en blijven haar liefkozen. Dan drukt hij de naald in de ader. Traag vloeit de roze vloeistof bij haar naar binnen. Haar poten strekken. Binnen enkele tellen is het leven uit haar gegleden. Nog even hapt ze als een vis op het droge naar zuurstof maar volgens de docteur gaat het om een stuiptrekking. Vredig ligt ze erbij. Gelukkig heeft haar strijd niet lang geduurd.
Even later tilt hij Elsa samen met haar kleed op en brengt haar naar de aangrenzende kamer. De wollige wiebelkont, zoals een vriend haar noemde, is niet langer onze onafscheidelijke makker.
Als we de deur uitstappen, lopen we de regen tegemoet. Terneergeslagen. Geamputeerd. Geen gerinkel van haar halsband achter ons.
Binnen twee maanden verloor L. haar moeder en haar kind.

Los Angeles, september 2001.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s