Götterdämmerung

De nacht is gevallen. Het is aardedonker en doodstil in de sigarenzaak. Achter de toonbank, bij het raam, gaat een deksel van een houten kistje open. Een lange, ranke heer strekt zich uit en stapt opgewekt uit zijn kist.
‘Psstt, zijn jullie wakker?’ fluistert de bruine heer naar zijn buurvrouwen die naast hem in een blikken box liggen te ronken. Het blijft stil. Hij richt zich op en tikt met zijn achterste op de deksel die met een zwarte panter is bedrukt. Het doosje springt open.
‘Verdorie, je hebt ons wakker gemaakt. Laat ons toch fijn liggen. We zijn nog moe van de diepgaande gesprekken van gisternacht,’ roept een van de fragiele Panters.
‘Dames, míjn gemeende excuses. Het lag volstrekt niet in mijn bedoeling u te ontstemmen. Het was me gisteren een waar genoegen met u te converseren, of beter gezegd, te filosoferen over de zinvolheid van ons bestaan. En met name onze verhandeling over het bestaan van een God en het hiernamaals.’
Een andere Panter richt zich op en zegt: ‘het zou fijn zijn als er wat licht zou schijnen; dat maakt het converseren wat aangenamer.’
De Havanna klimt van het middelste schap van de stelling naar onderen. Met een aansteker ontsteekt hij een kaars. De beukenhouten planken lichten flauw op.
‘Dat is fijn zo, nu kunnen we elkaar ten minste zien,’ zegt een van de Panters tegen de Havanna. De Havanna recht zijn rug, klimt fier tegen de stelling op en neemt plaats naast de Panters.
‘Vooral het gegeven van het hiernamaals boeit mij ten zeerste.’ Hoop klinkt door in haar stem.
‘Wat een vreselijke onzin kraaien jullie daar uit,’ roept een sigaret vanuit de hoek. Het is een Camel zonder filter. ‘Het leven moet bestaan uit avontuur dat je uiteindelijk dan wel niet overleeft, maar ja, je moet léven nietwaar. En beken het maar: we gaan ten slotte allemaal in rookwolken op. Dat ís alles en daarna is er as en verder hélemáál niks… Dood, ja zo dood als een pier,’ voegt hij er spottend aan toe.
‘Houdt toch op, jíj driestuiver-avonturier. Wat begrijp jíj nu van het leven? Het enige waar jíj naar snakt, is het bestaan te trotseren voor dat onnozele gevaar,’ bromt de Havanna.
Even is het doodstil in de zaak. De vlam van de kaars flakkert. Een lichtflits gevolgd door een zware donderslag. Door de trilling valt de deksel dicht. De Panters liggen in het donker rillend tegen elkaar aangedrukt.
‘Ik zei ’t toch, daar gaan we met z’n allen naar de verdoemenis,’ fluistert de spraakzame Panter naar haar soortgenootjes.
Tik. Tik. Tik. Ze openen hun deksel en kijken tegen de imposante Havanna op.
Zijn fraaie lijf is slank en recht. Met een glimlach kijkt hij ze aan. ‘Niets aan de hand, dames. Het dondert enkel in de buitenwereld. Hier zitten wij veilig en droog. Laten wij samen filosoferen. Er rest ons thans enkele uren voor het licht klaart, en dat noodzaakt ons opnieuw de ganse dag stil en nutteloos in onze kisten door te brengen. Laat ons niet ontstemmen door de ordinaire praatjes van onze heldhaftige buur. Het is niet aan ons verwijten te maken omtrent de onwetendheid van hen die denken enkel te sterven door vuur en verbranding zonder het besef dat nu juist dát het begin van het eeuwige leven inhoudt.’
Gekuch en gestommel vanuit het schap ernaast. ‘Jíj verwaande, opgedirkte stínksigaar. Wat verbeeld je je wel niet. Mij een beetje slijten voor goedkope praat en lamlendige avonturier, en dát nog wel tegenover de dames. Jij zou je vreselijk moeten schamen.’
‘Zeg vriend, het is nog altijd u voor jou, en wat weet jíj als sigaret nu feitelijk van het leven? Houd je gedeisd en laat ons converseren.’
‘Arrogante handgedraaide klótesigaar. Naar de brandstapel met jou. Jíj met je leugens over leven na de dood… Je geeft hier íedereen valse hoop. Ga toch slapen man.’
Ineens licht de vlam van de kaars hoog op. Het kaarsenvet vloeit uiteen, druppelt op het synthetische tapijt, vat vlam en knettert als hels vuurwerk op oudejaarsavond. Verschrikt richten de Panters zich op en slaken kreetjes uit. De Havanna deinst achteruit.
‘Doe in godsnaam iets,’ gilt een panter verbeten.
‘Ja ja,’ stamelt de Havanna.
‘Ja stijve hark, kom nou toch eens in áctie. Met praten los je dit probleem écht niet op hoor,’ zegt de Camel smalend.
‘Zeg avonturier, het minste dat je nu kunt doen is mij helpen bij het bluswerk. Nog even en wij gaan hier allemaal en masse in vlammen op.’
De Camel barst in lachen uit. ‘Wat heb u te vrezen. Voor u begint straks toch een nieuw leven?’
De Havanna staat te trillen. Zijn stem slaat over. ‘Help me in godsnaam, voordat we hier allemaal levend verbranden.’
Ongegeneerd lacht de Camel door. ‘Dit is wat je noemt écht avontuur. Dit is opwindender dan het willoos afwachten op een kille verbranding tussen iemands vochtige lippen. Geef mij maar deze heftige, massale afslachting. ’t Is toch socialer dan dat individuele genot wat ons eigenlijk te wachten stond.’
De Havanna graait zijn moed bijeen en springt naar onderen. Met zijn achterste trapt hij naar de vlammen die voortdurend voor hem wijken en de houten stellage in brand zetten. Als een bezetene gaat hij tekeer maar de kracht van het vuur ontglipt hem. Zijn achterste gloeit rood op. Ferm gaat hij door. Zijn met rode en gele strepen gesierde nekband vat vlam. Door vurig met zijn achterlijf te stampen probeert hij die te doven, echter zonder resultaat. Traag smeult hij weg in een rode gloed. Het vuur verspreidt zich snel en klimt als een ervaren bergbeklimmer langs de schappen omhoog. Het gegil van de dames, en de lach van de Camel overstemmen het geknetter van de vlammen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s