Schaak

Voor me ligt een houten bord met wit en zwarte vlakken. De man tegenover me aan tafel kijkt dwars door me heen. Zijn donkerzwarte haren zijn met gel naar achteren gekamd. Mijn ogen bewegen zich naar de klok die luid tikkend haar schreden zet. Er is maar weinig tijd. Mijn blik richt zich even op hem. Hij grijnst. Welke stap moet ik zetten? Onder mijn oksels breekt het zweet zich los als een bron die juist is aangeboord. Stroompjes gutsen langs mijn zij omlaag.
Ik ben begonnen met het bewandelen van een door de jaren heen zo goed als uitgesleten pad: de Italiaanse opening met de witte pion van E2 naar E4, paard naar voren naar F3, loper naar C4. Zonder al te veel kleerscheuren ben ik door het middenspel heen gekomen en nu in het eindspel lijkt het alsof ik een doodlopende steeg ben ingeslagen.
Voor me staat een zwarte loper met een zwaard in zijn hand. Het gevest is met edelstenen ingelegd. Vervaarlijk zwaait hij ermee in het rond. Het vlijmscherpe blad glinstert in de zon. Als een wildeman gaat mijn hart tekeer. Achter me doemt een rijzige gestalte op die met een imposante hoed is getooid. Huiverig draai ik me naar haar om. Hooghartig kijkt ze me aan. Haar hautaine blik verdwijnt en ze schatert in lachen uit. Ik draai haar mijn rug toe. Woest raast het bloed door mijn lijf. Voor me vloeien de zwarte en witte velden samen. Ik zet me schrap en probeer het golvende patroon te volgen. Tot welke zet moet ik overgaan? De tijd dringt.
Vanuit mijn ooghoeken zie ik links van me iemand boven in de toren bewegen. Er scheert een voorwerp pal langs me heen. Recht voor me voeten staat een bijl in de grond na te trillen. Het houten heft is schuin omhoog gericht. Rechts achter me staat mijn witte paard. De ruiter beweegt met zijn mond maar brengt geen geluid voort. Zijn lippen gaan traag op en neer en met zijn handen probeert hij me iets duidelijk te maken. Ik span me in om zijn aanwijzingen te doorgronden. Voortdurend wijst hij naar zijn paard. Ineens vat ik zijn bedoelingen en schraap ik al mijn moed bijeen, grijp naar het paard en sla de loper van het pad af. De zwarte dame stapt direct achteruit. Even is het gevaar geweken. Met mijn hand veeg ik het zweet van mijn voorhoofd. Helder van geest moet ik zijn anders red ik het niet. Hoe vaak ben ik reeds blijven steken? Doorzetten. Laten zien dat je het aankunt. Niet twijfelen aan jezelf. Niet falen. Verdomme, ik hou het niet langer vol.
Uit het torenraam dwarrelt een witte zakdoek omlaag. Het monogram in de linkerbovenhoek kan ik net niet lezen. Ik raap de zakdoek op en ontwaar de initialen van mijn vroegere geliefde. Ik kijk omhoog en zie haar voor het venster staan. Haar ranke bovenlijf is ontbloot. Schichtig beweegt ze met haar armen. Haar gezicht toont blauwe plekken. Een behaarde arm sleurt haar bij het raam vandaan. Redden moet ik haar.

‘Ik ben verliefd op een ander,’ zei ze timide.
Haar woorden joegen me schrik aan en kwamen bikkelhard aan.
‘Ik durf ’t bijna niet te zeggen…,’ stamelde ze uit en zweeg een ogenblik, ‘…ik ga met Frits.’
‘Nee toch, wat flikken jullie me nou.’
Ik zakte neer op de bank en liet mijn hoofd hangen. Haar ademhaling was zwaar.
Ik keek op en staarde haar recht in de ogen aan. Als een klein verlegen meisje wendde ze haar gezicht af.
‘Het is hem of mij,’ zei ik beslist.
Ze glimlachte. Adrenaline zweepte mijn hartspier op als een slaaf die tot hard werken wordt aangespoord.
‘Godverdomme, dit meen ik serieus. Ik dwing je te kiezen…’
Een snijdende stilte.
Twee dagen bleef het stil rond haar totdat ze op een warme zomeravond, ergens in augustus, met twee zware koffers vertrok en mij als een radeloze achterliet. Negen jaar waren we elkaars geliefden en het schrijnendste: ik hield nog steeds zielsveel van haar.

Opeens is mijn geest helder. Met mijn toren en daarna met de dame zet ik zijn toren klem. De zwarte dame voelt zich in het nauw gedreven en stapt noodgedwongen achteruit waardoor ik de kans krijg zijn toren te schaken. Mijn tegenstander aan de overkant van de tafel beweegt zich onrustig. De grijns is van zijn gezicht verdwenen. Ingespannen tuurt hij op het bord. Zijn enige redding is de dame te verzetten uit de lijnen die mijn dame en toren trekken. Vier zetten later biedt hij me met klamme hand remise aan: zijn koning staat schaak.
Enkele uren later gaat de bel. Met het koord trek ik de deur beneden open. Haar voetstappen verraden haar tred. Voor me staat Louise met twee koffers in haar handen. Ongekamde haren hangen deels voor haar donkere zonnebril. Ze glimlacht.
‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze onzeker.
Ik doe een stap opzij en laat haar verder. Beide koffers zet ze in de gang, trekt haar leren jack uit en hangt hem aan de haak.
‘Ik wil met je praten. Heb je tijd?’
‘Ja hoor. Zal ik iets voor je inschenken?’
‘Rooie wijn, als je hebt.’
‘Ik heb een Beaujolais staan.’
‘Heerlijk.’
Ze ploft neer op de bank als uitgeblust na een dag keihard werken.

Eerder verschenen in Cadans, verzamelbundel van uitgeverij De Vleermuis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s