Spartelende visjes

Mijn nieuwe school staat aan het eind van de klinkerweg. Buiten het dorp, midden in de wei. De weg houdt daar op bij een rood-wit hek.
Het regent vanochtend. De rood-wit-blauwe vlag bij de ingang van de school hangt er doorweekt bij. Zelfs de wind krijgt er geen beweging in. Vandaag is volgens mijn moeder de kleine kroonprins jarig. Hij is vier geworden.
Via een kleipad bagger ik naar de speelplaats. Roland, Henk en Frank staan onder het afdak van het fietsenrek met elkaar te praten. Ik loop op hen af, en groet ze.

Als de meester binnenkomt zijn we opeens allemaal stil.
‘Goeiemorgen meester,’ roepen we in koor.
Hij loopt naar voren, zet zijn tas neer, pakt de bruinleren bijbel van tafel en slaat hem open. De zinnen rollen eentonig uit zijn mond. Met zijn duim en wijsvinger krult hij de donkerblonde haartjes van zijn baard. Af en toe gluurt hij het lokaal in alsof hij ons op een doodzonde wil betrappen.
Ik staar door het raam naar buiten. De regen slaat in vlagen tegen de ruit. Er rijden grote gele machines voorbij.
Ze ploegen de weilanden om, en leggen buizen met rubberen slangen langs de sloten aan.
‘Tom, waar zit je met je gedachten? Hé Tom, geef antwoord!’
Ik schrik op. ‘Eh… Wat vroeg u meester?’
‘Tom, waar gaat mijn bijbelvertelling over?’
Ik voel mijn wangen opgloeien. ‘Eh… Meester, ik weet ’t niet.’
‘Tom, je bent een godvergeten dromer, dat wordt zo helemaal níks met jou. Je moet goed opletten en hard leren om iets in dit leven te bereiken. Zo kom je er écht niet.’
‘Ja meester.’

De bel zoemt. Het is middagpauze. De regen is gestopt. Met z’n vieren gaan we bij de sloot kijken. Die ligt bijna droog. Overal spartelen stekelbaarsjes en vorentjes.
‘We moeten ze redden…,’ roep ik wanhopig uit. ‘Maar hoe?’
‘Met emmers…,’ zegt Henk. ‘Uit het schoonmaakhok.’
‘Wie durft die te halen?’ vraagt Frank.
‘Ik haal ze wel,’ zeg ik dapper.
Ik glip de school in. In het hok grijp ik naar enkele emmers. Maar dan hoor ik zware voetstappen aan komen. Ik blijf stijf van de schrik staan en verstop me in een donkere hoek. In de opening van de deur verschijnt de kop van de meester. Zijn blik glijdt langs me heen. Hij mompelt iets. Dan valt met een bons de deur dicht. Het is aardedonker. Mijn benen trillen. Ik moet terug, de vissen redden, en sluip door de gang die opeens ontzettend lang is.
Met de emmers scheppen we de visjes uit de sloot en brengen ze naar een verderop gelegen plas. Het zijn er heel veel.
Ik zit op mijn knieën bij de sloot en zie naast me twee grote voeten verschijnen. Langzaam draai ik mijn hoofd omhoog. De meester kijkt me met een vuurrode kop woest aan. Zijn donkerblonde baard lijkt nu rood.
‘Wat heeft dit verdomme te betekenen?’
‘We redden de visjes, meester.’
‘Er valt hier helemaal niets te redden. Die vissen die overleven het wel. En anders is het de wil van God dat ze sterven,’ zegt hij met een strenge harde stem.
Ik kijk naar de spartelende visjes en het steeds minder wordende slootwater. ‘Dat gaan ze écht niet overleven, meester. Die visjes gaan zo állemaal dood.’
De vuurrode kop kijkt me kwaad aan. ‘Ik duld geen tegenspraak. De pauze is voorbij. Jullie hadden ál lang in de klas moeten zitten. Kóm als de donder mee.’
Tot vijf uur moeten we op de verjaardag van Willem-Alexander strafwerk maken. De zin: ‘Als je in het leven iets wil bereiken, dan zul je moeten gehoorzamen’, moeten we met z’n vieren wel tweehonderd keer opschrijven, en wel in schoonschrift. Daar aan het eind van de weg, in die nieuwe school. Midden tussen het omgeploegde land, de lege sloten en de dooie vissen.

Eerder verschenen in Jong, verzamelbundel van uitgeverij Kontrast, 2010.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s